HR 12 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0526

Zaak Willem H. 1. Beroep op ontbreken van onpartijdigheid rechter, art. 6.1 EVRM. 2. Uitlatingen vz. van de Rb verenigbaar met art. 6.1-2 EVRM? 3. Uitsluiten getuigenverklaringen voor het bewijs. 4. (Afgeleid) verschoningsrecht? Uitsluiten getuigenverklaring van de secretaresse van de voormalige rm van de verdachte voor het bewijs. 5. Gebruik van brief rm voor het bewijs. 6. Bruikbaarheid bepaalde gesprekken met W. Endstra voor het bewijs. 6a. Beroep op toepasselijkheid art. 126L Sv. 6b. Deskundigenrapportage omtrent de bewijswaarde van de gesprekken met W. Endstra. Ad 1. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 1992, 676 m.b.t. de (on)partijdigheid rechter. Het Hof heeft door te oordelen dat de enkele omstandigheid dat de vz. van de Rb na het vonnis met een journalist over de onderhavige strafzaak heeft gesproken, nog niet met zich brengt dat verdachtes vrees voor vooringenomenheid van die vz. objectief gerechtvaardigd was, tot uitdrukking gebracht dat i.c. geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de vz. van de Rb jegens verdachte ttv. diens berechting in e.a. een vooringenomenheid koesterde en evenmin voor het oordeel dat een dienaangaande bij de verdachte bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Die oordelen zijn ook in het licht van de rechtspraak van het EHRM onjuist noch onbegrijpelijk, gelet op de f&o die aan het verweer ten grondslag zijn gelegd en hetgeen het Hof dienaangaande heeft vastgesteld. Ad 2. 's Hofs overwegingen dienen te worden verstaan dat de uitlatingen van de vz. noch afzonderlijk noch in onderling verband bezien een schending van voormelde verdragsvoorschriften opleveren. De klacht, die van een andere lezing van 's Hofs overwegingen uitgaat, mist feitelijke grondslag. Ad 3. De opvatting dat de enkele omstandigheid dat in het geval het voor het OM redelijkerwijs voorzienbaar is dat de verdediging een getuige op naam zal willen doen oproepen, het om die reden de getuige niet mag betrekken in een traject a.b.i. art. 226a Sv, vindt geen steun in het recht. Ad 4. Verweer en klacht steunen op de opvatting dat de verklaring van de secretaresse valt onder het (afgeleide) verschoningsrecht van verdachtes (toenmalige) raadsman. Ingevolge art. 218 Sv kan een advocaat zich in rechte op zijn verschoningsrecht beroepen, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. Dat houdt in dat een advocaat zich slechts op zijn verschoningsrecht kan beroepen met betrekking tot de wetenschap die hij in de normale uitoefening van zijn beroep heeft verkregen. In 's Hofs overwegingen ligt besloten dat daarvan i.c. geen sprake was. Dat oordeel is, gelet op de inhoud van de verklaring van X, onjuist noch onbegrijpelijk. Ad 5. De stelling dat de brief van de (toenmalige) rm van verdachte heeft te gelden als een door de rm bij de behandeling van de zaak ttz. gedane mededeling die niet tot het bewijs mag meewerken, is onjuist, nu de brief door de rm is geschreven n.a.v. zijn verhoor over een ten zijnen kantore vermoedelijk gepleegd misdrijf, waaruit het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft afgeleid dat de rm de brief niet heeft geschreven in zijn hoedanigheid van rm van verdachte. Ad 6a. ’s Hofs oordeel dat art. 126L Sv niet toepasselijk is op de gesprekken tussen W. Endstra en de CIE-ambtenaren omdat geen sprake is van vertrouwelijke communicatie als bedoeld in dat artikel, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat art. 126L Sv blijkens de wetsgeschiedenis strekt ter waarborging van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degenen die aan de communicatie deelnemen, en in 's Hofs overwegingen besloten ligt dat de persoonlijke levenssfeer van Endstra hier niet in het geding was. De omstandigheid dat de MvT onder "vertrouwelijke communicatie" verstaat "de uitwisseling van berichten tussen twee of meer personen die in beslotenheid plaatsvindt", dwingt niet tot een ander oordeel. Ad 6b. ’s Hofs oordeel dat het deskundigenrapport onvoldoende aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat de gesprekken met W. Endstra niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, is niet onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen