HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1875

Beklag ex art. 98.4 jo. art. 552a Sv door klager (Bureau Financieel Toezicht) tegen beslag op onderzoeksrapporten, tuchtklachten en daaraan ten grondslag liggende stukken die door klager zijn verkregen of opgemaakt i.h.k.v. toezichthoudende taak op notariaat (art. 110 en 111a Wet op het notarisambt) n.a.v. grootschalige notariële fraude binnen kantoor van landsadvocaat, waarbij o.m. aan kantoor verbonden (inmiddels overleden) notaris als verdachte is aangemerkt. Heeft BFT in hoedanigheid van toezichthouder op notariaat zelfstandig verschoningsrecht tegenover politie en justitie in geval van strafrechtelijk onderzoek? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:1983:AG4685 en HR:1985:AC9066 over grondslag van verschoningsrecht van in art. 218 Sv bedoelde hulpverleners. Onder bijzondere omstandigheden kan verschoningsrecht toekomen aan persoon die weliswaar niet behoort tot die hulpverleners maar wel een maatschappelijke taak of functie verricht waarbij een geheimhoudingsplicht geldt. Allereerst moet met effectief kunnen uitoefenen van die taak of functie zwaarwegend maatschappelijk belang zijn gemoeid. Daarbij moet reële mogelijkheid bestaan dat zonder aanvaarding van verschoningsrecht dit zwaarwegende maatschappelijke belang aanmerkelijk wordt geschaad. Tot slot moet voorkomen van die schade zwaarder wegen dan maatschappelijk belang dat waarheid in juridische procedure aan het licht komt (vgl. HR:1983:AG4685 en HR:1999:AA3797). Mede gelet op wetsgeschiedenis is met effectief kunnen uitoefenen van in art. 110 en 111a Wet op het notarisambt bedoeld toezicht zwaarwegend maatschappelijk belang gemoeid. Zonder aanvaarding van zelfstandig verschoningsrecht van BFT tegenover politie en justitie zou dat zwaarwegende maatschappelijk belang aanmerkelijk kunnen worden geschaad. Voor toezichthoudende taak is essentieel dat BFT zelfstandig kan optreden in strafproces, bijvoorbeeld door klaagschrift ex art. 98.4 Sv in te dienen. Als BFT niet over zelfstandig verschoningsrecht zou beschikken, kan dit tot gevolg hebben dat notarissen niet of in beperkte mate bereid zijn mee te werken aan toezicht uit vrees dat door hen aangeleverde of door BFT anderszins verzamelde informatie ter kennis komt van derden, i.h.b. politie en justitie, anders dan dat die informatie door BFT zelf in kader en binnen grenzen van toezichthoudende taak aan derden kenbaar wordt gemaakt. Zwaarwegend maatschappelijk belang van goed werkend systeem van toezicht op notariaat brengt daarom met zich dat aan BFT zelfstandig verschoningsrecht toekomt. Dit verschoningsrecht strekt zich uit tot informatie die rechtstreeks verband houdt met toezichthoudende taak op notariaat. Dit betreft (met BFT gedeelde) informatie die aan notaris als zodanig door cliënt is toevertrouwd en dus onder geheimhoudingsplicht van notaris valt, anderszins vertrouwelijke informatie die BFT i.h.k.v. toezichthoudende taak heeft verkregen en ook wat BFT in dat kader zelf heeft medegedeeld, verricht of geadviseerd. Ook voor dit verschoningsrecht geldt dat het in zoverre niet absoluut is, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin belang van waarheidsvinding zwaarder moet wegen (vgl. HR:2024:1290). Oordeel Rb dat aan klaagster geen zelfstandig verschoningsrecht toekomt, is onjuist. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. Samenhang met HR:2024:1876.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken