HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81

Beklag, beslag ex art. 94 en 94a Sv op twee personenauto’s onder zoon van klager t.z.v. verdenking witwassen, waarbij klager in hernieuwd beklag opnieuw stelt eigenaar auto’s te zijn. 1. HR gaat n.a.v. CAG nader in op beoordelingskader beklag ex art. 552a Sv over inbeslagneming. Beschouwingen over (a) ‘hoogst onwaarschijnlijk’-maatstaf, (b) proportionaliteit en subsidiariteit van voortzetting beslag, (c) hernieuwd beklag en (d) inrichting stelsel van rechtsmiddelen. 2. Klacht over niet-ontvankelijkverklaring in hernieuwd beklag. Ad 1(a). Aan ‘hoogst onwaarschijnlijk’-maatstaf ligt ten grondslag dat onderzoek in raadkamer summier karakter heeft en doorgaans plaatsvindt op moment dat onderzoek in straf- of ontnemingszaak nog loopt en dat beklagrechter in zeer beperkte mate kan vooruitlopen op beslissingen in straf- of ontnemingszaak. HR ziet mede daarom geen aanleiding dit criterium te herformuleren. Ad 1(b). Beklagrechter is niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting beslag in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter wordt aangevoerd dat klagers persoonlijke belangen bij opheffing beslag zwaarder wegen dan met art. 94 en/of 94a Sv nagestreefd strafvorderlijk belang, kan rechter gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek. Bij beslag ex art. 94a Sv kan rechter ook gehouden zijn daarvan blijk te geven als wordt aangevoerd dat geen redelijke verhouding bestaat tussen waarde van inbeslaggenomen voorwerpen en hoogte van eventuele betalingsverplichting. HR gaat verder in op motiveringsplicht en onderzoekstaak van beklagrechter en informatieplicht van OM. Ad 1(c). Als beslag niet is geëindigd en beslissing op eerder klaagschrift onherroepelijk is, kan in beginsel hernieuwd beklag worden gedaan. Aanleiding daarvoor kan zijn tijdsverloop sinds inbeslagneming en beslissing op eerder klaagschrift en/of wijziging van relevante omstandigheden. Van andere feiten of omstandigheden dan die waarop eerder klaagschrift was gebaseerd en die van zodanige aard zijn dat zij nopen tot nieuwe beoordeling van verzoek tot opheffing beslag, zal doorgaans sprake zijn als klager in hernieuwd beklag (mede) met beroep op - meer dan gering - tijdsverloop sinds beslissing op eerder klaagschrift uiteenzet dat en waarom voortzetting beslag niet langer in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Beklagrechter beoordeelt dan of voortzetting beslag (nog steeds) in overeenstemming is met die eisen. Ad 1(d). Gelet op nadelen die kleven aan huidig stelsel van rechtsmiddelen, waarin alleen cassatieberoep openstaat tegen beschikking ex art. 552a Sv, kan vraag rijzen of andere inrichting daarvan niet verkieslijk zou zijn. Te denken valt aan stelsel waarin rol HR is beperkt tot beantwoording van prejudiciële vragen en beoordeling van cassatieberoepen in belang der wet en waarbij - al dan niet door (beperkte) openstelling van mogelijkheid tot instellen van h.b. - uitgangspunt is dat het aan feitenrechter, al dan niet na hernieuwd beklag, is te toetsen of (voortduren van) beslag aan de eisen voldoet, rekening houdend met omstandigheden t.t.v. toetsing. Ad 2. Oordeel Rb geeft deels blijk van onjuiste rechtsopvatting omdat niet is vereist dat feiten of omstandigheden waarop in hernieuwd beklag beroep wordt gedaan in die zin nieuw zijn dat zij zich pas na behandeling van eerdere klaagschriften hebben voorgedaan of bekend zijn geworden. Voor het overige is kennelijk oordeel Rb dat in hernieuwd beklag niet beroep is gedaan op andere feiten of omstandigheden dan die waarop eerdere klaagschriften waren gebaseerd en die van zodanige aard zijn dat zij nopen tot nieuwe beoordeling van verzoek tot opheffing beslag, niet z.m. begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 21/01885 B.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken