HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:249

OM-cassatie. Beklag, beslag ex 94a.3 Sv onder klager op gereedschappen van autoschadeherstelbedrijf n.a.v. verdenking van (gewoonte)heling door klager. Is oordeel Rb dat hoogst onwaarschijnlijk is dat aan klager schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd toereikend gemotiveerd? Bij beoordeling klaagschrift ex art. 552a Sv van beslagene gericht tegen beslag ex art. 94a.3 Sv dient rechter te onderzoeken a. of t.t.v. zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens misdrijf waarvoor geldboete van vierde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter later oordelend aan klager als verdachte maatregel ex art. 36f Sr zal opleggen. HR herhaalt voorts summier karakter van onderzoek in raadkamer (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BL2823). Rb heeft het klaagschrift gegrond verklaard en daartoe overwogen dat toewijzing van een vordering b.p. voor schade door diefstal in een strafzaak tegen de heler van het gestolen voorwerp alleen aan de orde zal kunnen zijn indien die heling en de diefstal "dicht tegen elkaar aanliggen" en dat niet aannemelijk is geworden dat daarvan i.c. sprake is. Hiermee heeft Rb miskend dat het onderzoek in raadkamer een summier en voorlopig karakter draagt en dat zij niet ten gronde mag treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofd- of ontnemingszaak. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken