HR 14 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2861

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op geldbedragen onder klager i.h.k.v. strafzaak tegen klager en zijn broers. 1. Termijn voor hernieuwd beklag, art. 552a.3 en 552a.4 Sv. 2. Ontvankelijkheid cassatieberoep na last tot teruggave, art. 134.1 en 116.1 Sv. Ad 1. N.a.v. de in de CAG opgeworpen vraag of de termijnen van art. 552a.3 Sv en art. 552a.4 Sv ook van toepassing zijn in het geval van een hernieuwd beklag na inbeslagneming van de voorwerpen merkt de HR op dat mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van art. 552a.3 tweede volzin Sv moet worden aangenomen dat de in art. 552a.3 Sv genoemde termijn ook van toepassing is in het geval van een hernieuwd beklag. Datzelfde geldt in voorkomende gevallen voor het bepaalde in art. 552a.4 Sv. Ad 2. Op de gronden zoals weergegeven in de CAG kan klager niet worden ontvangen in het cassatieberoep, nu de OvJ een last tot teruggave aan klager van de inbeslaggenomen geldbedragen heeft gegeven. CAG: klager heeft geen afstand gedaan van de onder hem inbeslaggenomen geldbedragen en heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat ze hem toebehoren. Met de door de OvJ gegeven last tot teruggave van de onder klager inbeslaggenomen geldbedragen is ex art. 134 Sv aan dat beslag een einde gekomen, ongeacht of dat voorwerp feitelijk is teruggeven. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen