Hof 's-Hertogenbosch 26 juni 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1697

Het hof heeft de verdachte ter zake van: - het als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; - het als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet; - medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; - gewoontewitwassen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. De verdachte heeft gedurende een periode van ruim 9,5 jaren als leider van een criminele organisatie hennep geteeld en verkocht. Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, van 10 jaren en ruim 2 maanden. In het arrest zijn overwegingen gewijd aan de betrouwbaarheid van een medeverdachte van de verdachte en het gebruik van diens verklaringen voor het bewijs.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

Parketnummer : 20-001224-19
Uitspraak : 26 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Schiphol/Breda, van 11 april 2019, in de strafzaak met parketnummer 02-811312-12 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 8 ten laste is gelegd. De rechtbank heeft de onder 1 tot en met 7 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, die gekwalificeerd als:

‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ (feit 1);
‘medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (feit 2);
‘gewoontewitwassen’ (feit 3);
‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ (feit 4)’;
‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet, terwijl de feiten 4 en 5 in voortgezette handeling zijn gepleegd’ (feit 5);
‘medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (feit 6);
‘medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod (A) en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod (B)’,

de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de duur van het voorarrest.

Voorts heeft de rechtbank de inbeslaggenomen personenauto met het kenteken [kenteken 1] , een geldbedrag van € 43.250,-, twee televisies van het merk Philips, twee schilderijen, een subwoofer, een geldbedrag van € 530,-, een geldbedrag van € 10.000,-, een geldbedrag van € 135.800,- en een scooter van het merk Piaggio verbeurdverklaard en ten aanzien van een geldbedrag van € 64.200, drie vorderingen, een personenauto met kenteken [kenteken 2] , drie horloges en een ring de teruggave aan de rechthebbende gelast.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [medeverdachte] is door de rechtbank integraal toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 16 april 2019 is het hoger beroep namens de verdachte onbeperkt ingesteld.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 8 ten laste is gelegd. Voorts heeft de rechtbank de verdachte partieel vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit, namelijk voor wat betreft het witwassen van een personenauto van het merk Renault Twingo (kenteken [kenteken 2] ) en van een geldbedrag van € 64.200,-. Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraken als beschermde vrijspraken moeten worden beschouwd. De tenlastelegging van feit 3 betreft immers een impliciet cumulatieve tenlastelegging.

Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep, voor zover het tegen de hiervoor bedoelde beschermde (deel)vrijspraken is gericht.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de bewezenverklaring van feit 1 (bedreiging van [medeverdachte] ), de opgelegde straf en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [medeverdachte] en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het Openbaar Ministerie in de vervolging van feit 1 niet-ontvankelijk zal verklaren in verband met verjaring van dat feit, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 57 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest en de benadeelde partij [medeverdachte] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk zal verklaren.

De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit (bedreiging van [medeverdachte] ), nu sprake is van verjaring. Subsidiair heeft de raadsman zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit (hennepkwekerij [adres 9] te Etten-Leur) is door de raadsman primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de bewezenverklaarde periode dient te worden beperkt van 1 juli 2009 tot 8 mei 2012.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit (witwassen) heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit, namelijk ten aanzien van dat gedeelte van de tenlastegelegde woningen dat betrekking heeft op vermogen dat als vermengd moet worden beschouwd, alsmede van het geldbedrag van € 10.000,-. Ten aanzien van het geldbedrag van € 10.000,- heeft de raadsman subsidiair bepleit dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is, zodat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor het overige heeft de raadsman zich ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Ten aanzien van het onder de feiten 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde (respectievelijk tweemaal deelneming aan een criminele organisatie, hennepkwekerij [bedrijf 1] te Alphen en hennepkwekerij [adres 2] en knipperij [adres 3] ) heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit.

Voorts heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de benadeelde partij [medeverdachte] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Tot slot en meer subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ter zake van feit 1

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit, nu sprake is van verjaring. De advocaat-generaal heeft zich hierbij aangesloten.

Het hof overweegt als volgt.

Aan de verdachte is onder feit 1 – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij [medeverdachte] op of omstreeks 19 april 2012 te Tilburg heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.

Bedreiging is strafbaar gesteld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Op dit misdrijf staat, blijkens de wettekst zoals die gold ten tijde van het tenlastegelegde, een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van de vierde categorie.

Artikel 70, eerste lid aanhef en onder 2º, Sr bepaalt dat het recht tot strafvordering voor misdrijven waarop een geldboete of een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld door verjaring vervalt in zes jaren. Gelet op het strafmaximum voor bedreiging geldt voor de vervolging daarvan dus als uitgangspunt een verjaringstermijn van zes jaren.

Artikel 71 Sr bepaalt dat de verjaringstermijn aanvangt op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Op grond van artikel 72, eerste lid, Sr stuit elke daad van vervolging de verjaring. Na stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht op strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan tweemaal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn (absolute verjaringstermijn). Op grond van artikel 70 lid 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72, tweede lid, Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavig geval ten hoogste tweemaal zes jaren, gerekend vanaf de dag na die waarop het feit is gepleegd.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat het recht op strafvordering ten aanzien van feit 1 op 20 april 2024, na het verstrijken van de absolute verjaringstermijn van twaalf jaren, van rechtswege is komen te vervallen. Het Openbaar Ministerie beschikt derhalve niet langer over het recht tot strafvordering van het onder 1 tenlastegelegde feit. Het hof zal het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de strafvervolging van de verdachte ter zake van feit 1.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Verbeterde lezing van de tenlastelegging

Het hof stelt vast dat in de tenlastelegging van feit 4 (deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140, eerste lid, Sr) achter het eerste gedachtestreepje is opgenomen: “(…) het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van hennep (…)”. Gelet op de ten tijde van het tenlastegelegde geldende wettekst van artikel 11, derde lid, van de Opiumwet – te weten “Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie” (onderstreping door het hof) – en gelet op het feit dat deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140, eerste lid, Sr enkel bewezen kan worden als sprake is van een oogmerk tot het plegen van misdrijven – en dus geen overtredingen –, heeft de steller van de tenlastelegging naar het oordeel van het hof kennelijk abusievelijk het woord ‘opzettelijk’ niet opgenomen in de tenlastelegging.

Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat uit de inrichting van de tenlastelegging volgt dat op opzettelijk handelen is gedoeld en derhalve sprake is van een kennelijke vergissing van de steller van de tenlastelegging die zich leent voor verbeterde lezing. Om die reden zal het hof de tekst van het onder 4 tenlastegelegde feit, achter het eerste gedachtestreepje, verbeterd lezen, door daaraan het woord ‘opzettelijk’ toe te voegen, zodat deze tekst als volgt komt te luiden: “(…) het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van hennep (…)” (onderstreping door het hof).

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken dat het de verdediging duidelijk was tegen welk verwijt zij zich diende te verdedigen, zodat de verdachte door de hiervoor genoemde verbeterde lezing van de tenlastelegging niet in zijn verdediging is geschaad.

Ook overige in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor evenmin in zijn verdediging geschaad.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

2.

hij op meerdere, althans (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 8 mei 2012 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk ongeveer 530, althans (telkens) een (grote) hoeveelheid, hennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad;

3 hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 21 augustus 2012 te Tilburg en/of Sprang-Capelle en/of Oisterwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (van) een of meer voorwerp(en) , te weten:

een woning/pand en/of aanhorigheden, althans onroerend(e) goed(eren), gelegen aan [adres 4] en/of roerend(e) goed(eren) behorende bij die woning/dat pand (3.4.3.) en/of
een woning/pand en/of aanhorigheden, althans onroerend(e) goed(eren), gelegen aan [adres 5] en/of roerend(e) goed(eren) behorende bij die woning/dat pand (3.4.4.) en/of
een woning/pand en/of aanhorigheden, althans onroerend(e) goed(eren), gelegen aan [adres 6] en/of roerend(e) goed(eren) behorende bij die woning/dat pand (3.4.5.) en/of
een of meer geldbedrag(en) (contante betalingen vakantiereizen) tot een totaal(bedrag) van 5.415,15 euro (3.5.1.) en/of
een auto (Toyota Landcruiser, kenteken [kenteken 3] ) (3.5.2.) en/of
een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 4] ) (3.5.3.) en/of
een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 1] ) (3.5.4.) en/of
een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 5] ) (3.5.4.) en/of
een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 6] ) (3.5.4.) en/of
een auto (Ford Ka, kenteken [kenteken 7] ) (3.5.5.) en/of
een auto (Fiat Panda, kenteken [kenteken 8] ) (3.5.5.) en/of
een geldbedrag van 200.000 euro (begraven in de tuin van zijn woning gelegen aan [adres 6] ) (3.6.2.) en/of
een geldbedrag van 10.000 euro (verborgen in de schuur behorende bij woning gelegen aan [adres 6] ) (3.6.2.) en/of
een geldbedrag van 43.250 euro (verborgen in een woning gelegen aan [adres 7] ) (3.6.2.) en/of
een scooter (Piaggio, type C38, kenteken [kenteken 9] ) (3.6.3.) en/of

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van bovengenoemd(e) voorwerpen en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), verborgen en/of verhuld wie bovengenoemde voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat de/het bovengenoemde voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf

en/of

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten van (een of meer van de) hiervoor genoemd(e) voorwerp(en)/goed(eren), gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven goed(eren)/voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

4 hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2006 te Tilburg en/of Breda en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte] en/of een of meer andere medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van hennep en/of
diefstal door middel van braak en/of verbreking van energie/stroom en/of
het opzettelijk vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken van enig elektriciteitswerk en/of stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaken of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen en/of
het witwassen (van de opbrengsten van bovengenoemde misdrijven)

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was;

5.

A.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 te Tilburg en/of Breda en/of Etten-Leur en/of Diessen en/of Oisterwijk en/of Sprang-Capelle en/of Alphen en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte] en/of een of meer andere medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

witwassen van voorwerpen en/of
diefstal door middel van braak en/of verbreking van stroom en/of
het opzettelijk vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken van enig elektriciteitswerk en/of stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaken of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen en/of
afpersing en/of diefstal door middel van en/of gevolgd van geweld van geldbedragen en/of hennep en/of de opbrengsten van hennep en/of
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling,

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was,

en/of

B.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 te Tilburg en/of Etten-Leur en/of Diessen en/of Oisterwijk en/of Alphen en/of Sprang-Capelle en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte] en/of een of meer medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet te weten:

- het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden hennep

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was;

6.

hij op meerdere, althans (een), tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met 15 november 2011 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, in een pand gelegen aan [adres 8] ( [bedrijf 1] ) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk ongeveer 1150, althans (telkens) een (grote) hoeveelheid, hennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad;

7.

A.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 22 september 2011 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, (in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk ongeveer 1540, althans een (grote) hoeveelheid, hennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld en/of verwerkt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

en/of

B.

hij op of omstreeks 22 september 2011 te Tilburg (in de kelder van een garage/loods gelegen op het adres [adres 3] ) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 435 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Vrijspraak van het onder 5A tenlastegelegde feit

Het hof is, met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem onder 5A tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft tot het plegen van misdrijven in de zin van artikel 140, eerste lid, Sr. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4, 5B, 6 en 7 (A en B) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 juli 2009 tot en met 8 mei 2012 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met anderen in de uitoefening van een beroep of bedrijf telkens opzettelijk ongeveer 530 hennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld;

3.

hij in de periode van 1 februari 2005 tot en met 21 augustus 2012 te Tilburg en Sprang-Capelle en Oisterwijk, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (van) voorwerpen, te weten:

een woning/pand en aanhorigheden, gelegen aan [adres 4] en roerende goederen behorende bij die woning/dat pand en
een woning/pand en aanhorigheden, gelegen aan [adres 5] en roerende goederen behorende bij die woning/dat pand en
een woning/pand en aanhorigheden, gelegen aan [adres 6] en roerende goederen behorende bij die woning/dat pand en
geldbedragen (contante betalingen vakantiereizen) tot een totaalbedrag van 5.415,15 euro en
een auto (Toyota Landcruiser, kenteken [kenteken 3] ) en
een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 4] ) en
een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 1] ) en
een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 5] ) en
een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 6] ) en
een auto (Ford Ka, kenteken [kenteken 7] ) en
een auto (Fiat Panda, kenteken [kenteken 8] ) en
een geldbedrag van 200.000 euro (begraven in de tuin van zijn woning gelegen aan [adres 6] ) en
een geldbedrag van 10.000 euro (verborgen in de schuur behorende bij woning gelegen aan [adres 6] ) en
een geldbedrag van 43.250 euro (verborgen in een woning gelegen aan [adres 7] ) en
een scooter (Piaggio, type C38, kenteken [kenteken 9] ),

de vindplaats verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was, terwijl hij, verdachte, wist dat de bovengenoemde voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf

en/of

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten van een of meer van de hiervoor genoemde voorwerpen, gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

4.

hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2006 te Tilburg en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte] en/of andere medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren,

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en leider van voormelde organisatie was;

5.

B.

hij in de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 te Tilburg en/of Etten-Leur en/of Diessen en/of Oisterwijk en/of Alphen en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte] en meer medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet te weten:

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of vervoeren van (grote) hoeveelheden hennep,

zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en leider en van voormelde organisatie was;

6.

hij in de periode van 1 april 2011 tot en met 15 november 2011 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, in een pand gelegen aan [adres 8] ( [bedrijf 1] ) tezamen en in vereniging met anderen in de uitoefening van een beroep of bedrijf telkens opzettelijk ongeveer 1150, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld;

7.

A.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 22 september 2011 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, (in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk ongeveer 1540, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld,

en

B.

hij op 22 september 2011 te Tilburg (in de kelder van een garage/loods gelegen op het adres [adres 3] ) tezamen en in vereniging met anderen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 435 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, verwerkt en/of afgeleverd en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – vrijspraak bepleit van de onder 2, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde feiten. Daartoe is in de kern primair aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) onbetrouwbaar zijn en uitgesloten dienen te worden van het bewijs, waarna ten aanzien van alle feiten onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. In dat kader heeft de verdediging naar voren gebracht dat [medeverdachte] een dubbelrol speelde van enerzijds hennepteler en anderzijds gokverslaafde met schulden waardoor hij zichzelf in de problemen heeft gebracht, dat hij anderen, waaronder de verdachte, onterecht naar voren heeft geschoven als hoofdrolspelers bij de tenlastegelegde feiten en zijn eigen rol als ondergeschikt heeft gepresenteerd en dat hij berekenend en steeds uitgebreider heeft verklaard met het oog op het verkrijgen van bescherming door de overheid terwijl de waarheid voor [medeverdachte] aan dat doel ondergeschikt was. Voorts zijn de verklaringen van [medeverdachte] volgens de verdediging op onderdelen aantoonbaar onjuist.

Indien het hof van oordeel is dat de verklaringen van [medeverdachte] wel betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt, heeft de raadsman subsidiair ten aanzien van de afzonderlijke feiten verschillende verweren gevoerd, die hieronder per feit successievelijk zullen worden besproken.

Het hof overweegt als volgt.

Juridisch kader bewijs en betrouwbaarheid

Alvorens het hof tot bespreking van de verweren van de verdediging ten aanzien van de afzonderlijke feiten zal overgaan, overweegt het hof ten aanzien van het bewijs en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte] in het algemeen het volgende.

Het hof merkt allereerst op dat op grond van bestendige jurisprudentie het aan de strafrechter, die over de feiten oordeelt, is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt, en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Met andere woorden: de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter, die beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal.

Redengevend voor het bewijs zijn enkel die feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen en die rechtstreeks aan het bewijsoordeel ten grondslag worden gelegd. Dat zijn niet de feiten en omstandigheden die zien op de betrouwbaarheid of bruikbaarheid van het bewijs, ook al zijn die van groot gewicht. Zulke feiten of omstandigheden – hoewel bepalend voor de waardering van het bewijs en derhalve wel degelijk van invloed daarop – zijn immers niet redengevend voor de bewezenverklaring dat de verdachte het/de aan hem tenlastegelegde feit(en) heeft begaan.

In het kader van de bewijsvoering mag door de strafrechter blijkens bestendige jurisprudentie ook gebruik worden gemaakt van verklaringen-van-horen-zeggen, zogenoemde de auditu-verklaringen, zijnde verklaringen van personen die mededelingen van derden weergeven. Verklaringen die tegenover de politie zijn afgelegd, mogen in beginsel zonder enige belemmering via het proces-verbaal tot het bewijs meewerken.

Daarnaast kan tevens gebruik worden gemaakt van zogenoemd schakelbewijs. Met deze laatstgenoemde term pleegt te worden aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt.

Inhoudelijk geldt ter zake van het schakelbewijs niet dat daarvan alleen gebruik mag worden gemaakt indien de ontleende modus operandi steunt op de bewijsmiddelen van meer dan één ‘geschakeld’ feit. Ook is geen voorwaarde voor het gebruik van schakelbewijs dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede bewijsmiddelen worden gebezigd die betrekking hebben op een ander feit. Met andere woorden: het bewijs in elk van de zaken kan over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk – dus los van de schakelbewijsconstructie – wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het hof stelt voorop dat een getuigenverklaring door de strafrechter slechts tot het bewijs kan worden gebezigd wanneer deze naar zijn oordeel betrouwbaar en overeenkomstig de waarheid is afgelegd. Met betrekking tot de toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaring van een getuige geldt volgens het hof dat de strafrechter niet kan weten of de verklaring van de getuige in zijn algemeenheid juist is, daarbij een inschatting makend van de betrouwbaarheid of geloofwaardigheid van de getuige. Het gaat niet om de (algemene) geloofwaardigheid van de getuige zelf; het gaat om de geloofwaardigheid, de oprechtheid, hoe waarheidsgetrouw de door de getuige afgelegde verklaring is over het aan de orde zijnde onderwerp (vgl. de Europese jurisprudentie inzake getuigenbewijs waar deze bedoeld is “to test the truthfulness and reliability of evidence provided by witnesses which incriminates him or her”). Daarbij kan bij de beoordeling aan diverse aspecten nadere aandacht worden verleend, zoals: de toetsing aan objectieve informatie of gegevens aan de hand van het dossier; de consistentie van opeenvolgende door de getuige afgelegde verklaringen; de overeenstemming van die verklaringen met wat andere getuigen hebben verklaard en de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaringen. Ten slotte merkt het hof op dat de opvatting dat uit de wettelijke en jurisprudentiële regels inzake het bewijsrecht in strafzaken een algemeen, in alle strafzaken geldend toetsingskader voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen kan worden afgeleid, welk toetsingskader als rechtsregel kan en behoort te worden toegepast, onjuist is.

Verklaringen van [medeverdachte]

Uit het relaasproces-verbaal van 29 januari 2013 volgt dat [medeverdachte] zich op 20 april 2012 heeft gemeld bij de politie Mijkenbroek te Breda. [medeverdachte] gaf aan dat hij (een soort van) bedrijfsleider was van een organisatie die in hennep handelde, dat hij financieel aan de grond zat en een bedrag van € 30.000,- moest betalen aan de leider van deze organisatie, [verdachte] (zijnde de verdachte), dat hij om die reden bedreigd werd en zeer bang was dat hem en/of zijn familie iets zou worden aangedaan als hij niet betaalde. Om deze reden zou [medeverdachte] naar de politie zijn gestapt. Hij wilde naar eigen zeggen openheid van zaken geven omdat dat volgens hem de enige manier was om los te komen uit de criminele hennepwereld. Dat dit tot gevolg zou hebben dat hij zelf ook als verdachte zou worden aangemerkt, heeft [medeverdachte] daarbij aanvaard als consequentie.

Vervolgens is door het Openbaar Ministerie besloten om over te gaan tot de oriënterende fase van een Bijzondere Getuige Traject door de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE) van de politie Midden & West Brabant en is [medeverdachte] met zijn gezin overgebracht naar een safehouse locatie. Nadat [medeverdachte] informatie had verstrekt aan de CIE, is in overleg besloten dat [medeverdachte] tactisch zou gaan verklaren.

[medeverdachte] heeft in de periode vanaf 3 mei 2012 tot en met 9 augustus 2012 in totaal 21 tactische verklaringen afgelegd ten overstaan van de politie. In grote lijnen verklaarde hij over grootschalige georganiseerde hennepkweek in de regio [plaatsnaam] , de personen die hierbij betrokken waren, de werkwijze van de organisatie en de onderlinge rolverdeling, de panden waarin de hennep werd gekweekt, de afnemers van de hennep en de opbrengsten en verdeling daarvan.

Op 9 augustus 2012 heeft [medeverdachte] desgevraagd bij de politie verklaard dat hij aan de CIE heeft aangegeven dat hij graag een nieuwe start wilde, ver weg van de situatie in Nederland, en dat hij een nieuwe kans wilde voor hem en zijn gezin. De CIE zou gezegd hebben dat zij daar voor konden zorgen en zou hem instructies hebben gegeven. Onderdeel daarvan was dat hij naar de tactische eenheid van de politie diende te gaan om inhoudelijke verklaringen af te leggen.

[medeverdachte] heeft op 6 oktober 2014 bij de rechter-commissaris verklaard dat de CIE tegen hem gezegd zou hebben dat als hij over alles zou gaan verklaren er voor hem en zijn gezin gezorgd zou gaan worden. Hierbij gold dat hoe meer informatie hij zou geven, hoe beter het zou zijn. Zijn gezin zou een veilige toekomst krijgen buiten Nederland.

In het getuigenverhoor tijdens het (besloten) onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 5 november 2025 heeft [medeverdachte] opnieuw verklaard dat hij met de CIE had afgesproken dat hij inhoudelijk zou verklaren en dat de CIE zou zorgen voor een veilige toekomst voor hem en zijn gezin. Deze toezeggingen zouden mondeling zijn gedaan. Op een zeker moment werd het [medeverdachte] duidelijk dat de mondelingen toezeggingen niet nagekomen zouden worden. Vanaf dat moment zou hij zijn gestopt met verklaren. Uit het politiedossier blijkt ook dat [medeverdachte] na zijn aanhouding op 21 augustus 2012 en na overleg met zijn toenmalige raadsvrouw nagenoeg geen inhoudelijke verklaringen meer heeft willen afleggen.

Overigens heeft [medeverdachte] tijdens zijn verhoren bij de rechter-commissaris op respectievelijk 11 maart 2014, 12 maart 2014, 6 oktober 2014 en 20 oktober 2014 wel inhoudelijk verklaard. Bij deze verhoren waren de raadslieden van de medeverdachten van [medeverdachte] – waaronder de raadsman van de verdachte – aanwezig en hebben zij de gelegenheid gehad om vragen te stellen aan [medeverdachte] , welke vragen door [medeverdachte] ook zijn beantwoord. Hetzelfde geldt voor het verhoor van [medeverdachte] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep op 5 november 2025.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is het hof niet gebleken dat er toezeggingen zijn gedaan aan [medeverdachte] over een mogelijke deal in ruil voor de verklaringen. Met de rechtbank komt het hof op basis van de verklaringen van [medeverdachte] wel tot de conclusie dat [medeverdachte] de hoop en verwachting had dat er in ruil voor zijn verklaringen voor de veiligheid van hem en zijn gezin zou worden gezorgd. Blijkens zijn eigen verklaringen speelde dit ook een rol bij het afleggen van zijn verklaringen. Naar het oordeel van het hof betekent dit echter niet dat, zoals de verdediging stelt, de verklaringen van [medeverdachte] onbetrouwbaar zijn omdat de waarheid ondergeschikt zou zijn aan het doel om die bescherming door de overheid te verkrijgen. Ook het feit dat er discrepanties bestaan tussen de verklaringen van [medeverdachte] en de verklaringen die door verschillende verbalisanten van de politie zijn afgelegd, maakt niet dat de verklaringen van [medeverdachte] (in het geheel) onbetrouwbaar zijn. In dat verband merkt het hof op dat voornoemde discrepanties betrekking hebben op de (volgens [medeverdachte] door de verbalisanten toegezegde) mate van bescherming en niet op de feiten die [medeverdachte] en zijn medeverdachten, onder wie de verdachte, worden verweten. Om te beoordelen of de verklaringen van [medeverdachte] betrouwbaar zijn, dienen deze verklaringen op de inhoud en in samenhang met andere (objectieve) bewijsmiddelen te worden getoetst.

Daarover stelt het hof in het algemeen vast dat de verklaringen die [medeverdachte] gedurende het gehele onderzoek heeft afgelegd, zeer gedetailleerd en in grote lijnen consistent zijn. Bovendien vinden zijn verklaringen op onderdelen steun in andere bewijsmiddelen, zo ook in de verklaringen van de verdachte zelf. Daar komt bij dat [medeverdachte] tijdens de verhoren ook (zeer) belastend over zichzelf heeft verklaard. Al deze omstandigheden dragen naar het oordeel van het hof bij aan de betrouwbaarheid van [medeverdachte] .

In verband met het voorgaande acht het hof ook van belang dat de zus van medeverdachte [medeverdachte 2] , [betrokkene 11] , en haar partner [betrokkene 12] , hebben verklaard dat [medeverdachte 2] gedurende lange tijd door de familie [familienaam] is bedreigd en voor zijn leven zou vrezen. Hun verklaringen op dit punt vertonen gelijkenissen met de verklaring van [medeverdachte] over de bedreiging door [verdachte] .

Of de verklaringen van [medeverdachte] betrouwbaar zijn, zal door hof voorts worden beoordeeld op basis van een feitelijke toets per afzonderlijk tenlastegelegd feit. Daarbij zal het hof kijken naar de mate waarin de verklaringen consistent en gedetailleerd zijn en naar de mate waarin zij worden ondersteund door objectieve bewijsmiddelen uit (een) andere bron(nen). Ten aanzien van het steunbewijs zal het hof focussen op het steunbewijs inzake de door [medeverdachte] geschetste gang van zaken in het algemeen en het steunbewijs over de rol van de verdachte ten aanzien van het desbetreffende tenlastegelegde feit in het bijzonder. Daarbij geldt dat het steunbewijs ten aanzien van de deelneming aan de criminele organisatie tevens van betekenis kan zijn bij de beoordeling van de betrokkenheid van de verdachte bij de hennepplantages en/of het witwassen vanwege de onderlinge samenhang tussen deze verschillende feiten.

Feit 4 en feit 5B – Deelneming aan een criminele organisatie

Inleiding

Op 20 april 2012 heeft [medeverdachte] zich gemeld bij de politie in Breda om aangifte te doen van bedreiging door [verdachte] (hierna: [verdachte] ). [verdachte] zou volgens [medeverdachte] aan het hoofd staan van een organisatie die zich op grote schaal bezighield met het telen van hennep in [plaatsnaam] en omstreken. Deze organisatie werd grotendeels gevormd door en rondom leden van de familie [familienaam] , waarbij onder meer gebruik werd gemaakt van werkers, katvangers, telers, knippers, beveiligers, elektriciens en makelaars, aldus [medeverdachte] . [medeverdachte] zelf zou jarenlang als – zoals hij dit zelf noemt – een soort van bedrijfsleider actief zijn geweest binnen deze organisatie, en daarmee een middenkader hebben gevormd tussen de leiders van de organisatie en de onderlaag, bestaande uit uitvoerders van de hiervoor beschreven taken.

Uit de verklaringen van [medeverdachte] kan worden afgeleid dat feitelijk sprake is geweest van twee organisaties over twee periodes, namelijk een organisatie in de periode van 2003 tot aan de zomer van 2006 en een organisatie die aanvangt in de zomer van 2006 en doorloopt tot en met 2012. De deelneming aan beide organisaties is door het Openbaar Ministerie afzonderlijk tenlastegelegd en zal door het hof, hoewel uit de bewijsmiddelen blijkt van (grote) samenhang tussen de organisaties en hoewel voor diverse verdachten geldt dat deze criminele organisaties naadloos op elkaar aansluiten en er bij hen in feite geen sprake is van een “knip” in organisaties/pleegperiodes, dan ook afzonderlijk worden besproken.

Het hof stelt vast dat de tenlastelegging van de organisatie in de eerste periode is gebaseerd op de verklaringen van [medeverdachte] en verklaringen van medeverdachten die zijn verklaringen ondersteunen. Ten aanzien van de criminele organisatie in de tweede periode worden de verklaringen van [medeverdachte] , naast de verklaringen van de medeverdachten, mede ondersteund door feiten en omstandigheden ten aanzien van de onder de overige feiten tenlastegelegde hennepkwekerijen.

Alvorens in te gaan op de feiten en omstandigheden ten aanzien van de criminele organisatie, zal het hof het juridisch kader met betrekking tot deelneming aan een criminele organisatie uiteenzetten.

Juridisch kader

Onder feit 4 is tenlastegelegd dat de verdachte (als oprichter en/of leider en/of bestuurder) heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, als bedoeld in artikel 140, eerste lid, Sr. Onder feit 5B is tenlastegelegd dat de verdachte (als oprichter en/of leider en/of bestuurder) heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, (oud) van de Opiumwet (in werking getreden op 1 juli 2006 en na 1 maart 2015 vernummerd naar artikel 11b, eerste lid, Opiumwet).

Voor wat betreft het juridisch kader ten aanzien van artikel 140, eerste lid, Sr en artikel 11a, eerste lid, (oud) van de Opiumwet geldt dat laatstgenoemde bepaling moet worden gezien als een logische specialis van artikel 140, eerste lid, Sr. Voor de invulling van het juridisch kader van feit 4 en feit 5B geldt derhalve dat de uitleg van de bestanddelen van artikel 140, eerste lid, Sr in gelijke mate van toepassing is. Voor het bewijs van deelneming aan de criminele organisatie zal bijgevolg met het oog op de tenlastelegging moeten worden bewezen dat:

i) sprake is geweest van een organisatie;
ii) deze organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 140, eerste lid, Sr, dan wel het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, (oud) van de Opiumwet en
iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.

( i) Onder een organisatie als bedoeld in artikel 140, eerste lid, Sr en artikel 11a, eerste lid, (oud) van de Opiumwet moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere (rechts)persoon. Een dergelijk samenwerkingsverband kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon met minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel samenwerken. Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben. Dat voor het bestaan van een ‘organisatie’ in de zin van artikel 140, eerste lid, Sr of 11a, eerste lid, (oud) van de Opiumwet een vorm van ‘hiërarchie’ of ‘geledingen’ vereist is, vindt geen steun in het recht. Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft. Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere (rechts)personen die deel uitmaken van de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene. Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel ‘organisatie’ en niet op ‘deelneming’, zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.

(ii) Om tot een bewezenverklaring van artikel 140, eerste lid, Sr of artikel 11a, eerste lid, (oud) van de Opiumwet te kunnen komen, is voorts vereist dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (artikel 140, eerste lid, Sr) of van een bepaald misdrijf (artikel 11a, eerste lid, Opiumwet). Het oogmerk betreft het naaste doel van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. Niet is vereist dat het plegen van de misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is of dat de organisatie de uitsluitende bedoeling heeft misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet te plegen. Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of meerdere delicten uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet. Ten aanzien van artikel 140 Sr is een pluraliteit daarvan noodzakelijk. Het oogmerk impliceert dat de desbetreffende misdrijven – of pogingen of voorbereidingen daartoe – nog niet hoeven te hebben plaatsgevonden en behoeven in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zullen wel uit de bewijsmiddelen moeten blijken. Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht.

(iii) Voorts moet voor een bewezenverklaring worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend. Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met het misdrijf of de misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld ‘een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie’. Niet is vereist derhalve dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.

Naast de hiervoor genoemde objectieve vereisten dient de verdachte in subjectieve zin in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van een of meer specifieke misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende, maar redelijke wetsuitleg brengt mee dat voor deelneming voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.

Bij de vraag of een deelnemer aan een criminele organisatie (ook) ‘leider’ van die organisatie kan worden aangemerkt, gaat het erom of de deelnemer binnen de organisatie een bepaalde macht heeft of bepaald gezag bezit. Omstandigheden die daarvoor van belang kunnen zijn, zijn dat de deelnemer dwingende aanwijzingen kan geven of dat de deelnemer binnen de organisatie belangrijke initiatieven ontplooit, waarnaar anderen zich richten. De leider van de organisatie is degene die het in (een onderdeel van) de organisatie (feitelijk) voor het zeggen heeft. Niet is vereist dat de leider statutair of op grond van de van toepassing zijnde clubregels als zodanig is benoemd. Het is onder omstandigheden mogelijk meerdere deelnemers als ‘leider’ aan te merken. Verder staat aan het aanmerken van een deelnemer als ‘leider’ niet in de weg dat de deelnemer binnen de organisatie zelf ondergeschikt is aan een of meer andere deelnemers.

Feit 4 – Deelneming aan een criminele organisatie ex artikel 140 Sr in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2006

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde feit, te weten deelneming aan een criminele organisatie in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2006. Daartoe heeft de raadsman – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat de verdachte weliswaar tot 2003 in de hennepteelt heeft gezeten, maar gedurende de tenlastegelegde periode reeds ‘met pensioen’ was. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 4] niet als steunbewijs voor de verklaringen van [medeverdachte] kunnen worden aangemerkt, nu hij slechts in algemeenheden heeft verklaard over de familie [familienaam] , zijn kennis te dier zake ontleent aan hetgeen hij gehoord heeft en voorts weinig zicht heeft op de precieze rol van de verdachte. De verklaringen van [medeverdachte 5] en [betrokkene 12] kunnen evenmin als steunbewijs worden aangemerkt, omdat zij verklaard hebben weinig over de precieze rol van de verdachte te weten. Concrete gedragingen van de verdachte kunnen dan ook niet bewezen worden of, voor zover deze wel bewezen kunnen worden, zijn van onvoldoende gewicht om van deelneming aan een criminele organisatie te kunnen spreken.

Voor zover het hof van oordeel is dat wel sprake is van deelneming aan een criminele organisatie, is er onvoldoende bewijs dat de verdachte als leider van die organisatie heeft gefungeerd.

Het hof overweegt als volgt.

Feiten en omstandigheden

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde feit heeft [medeverdachte] , voor zover relevant voor het bewijs, het volgende verklaard.

Gedurende de onder 4 tenlastegelegde periode stond [verdachte] aan het hoofd van een criminele organisatie die zich op grote schaal bezighield met het telen van hennep in [plaatsnaam] en omstreken. Tijdens zijn verhoren heeft [medeverdachte] een organisatie geschetst waarbij onder meer gebruik werd gemaakt van:

makelaars voor het huren van panden waar kwekerijen in gebouwd konden worden;
katvangers voor de huur van panden en het doen van aankopen;
werkers om de kwekerijen op te bouwen, te onderhouden, te oogsten en alle voorkomende klussen te doen;
vaste elektriciens die alle werkzaamheden met betrekking tot de elektra deden;
vaste knipploegen voor het verwerken van de oogst.

In de periode 2002/2003 heeft [medeverdachte] de woning van [verdachte] verbouwd. Zo leerden beide mannen elkaar kennen. [verdachte] zat in de hennep en [medeverdachte] kreeg opdrachten om herstelwerkzaamheden te verrichten in panden waar hennepkwekerijen in hadden gezeten. Omdat [medeverdachte] schulden had, heeft hij geld geleend van [verdachte] . Op enig moment gaf [verdachte] aan [medeverdachte] aan dat hij zijn geld veel sneller terug kon verdienen door in de hennepkwekerijen te gaan werken. Zodoende is [medeverdachte] medio 2003 in de organisatie van [verdachte] terecht gekomen. [medeverdachte] hield zich binnen de organisatie onder meer bezig met het opbouwen en beheren van hennepkwekerijen en stuurde de werkers ter plaatse aan. Direct onder [verdachte] stond [medeverdachte 2] (het hof: [medeverdachte 2] , hierna [medeverdachte 2] ). [medeverdachte 2] was de tweelingbroer van de toenmalige vriendin van [verdachte] (het hof: [betrokkene 1] ) en fungeerde als zijn rechterhand. [medeverdachte 2] regelde het grootbrengen van de planten, deed het onderhoud van de kwekerij en ging over de inrichting.

In de periode tussen 2003 en 2006 (met doorloop van 2009 tot 2012) waren volgens [medeverdachte] naast hemzelf, [verdachte] en [medeverdachte 2] onder anderen de volgende personen werkzaam binnen de organisatie:

[medeverdachte 1] (het hof: [medeverdachte 1] , hierna [medeverdachte 1] ), met als taak het beveiligen en opbouwen van de kwekerijen en het knippen van de oogst (in de periode vanaf 1995 tot en met 2012);
[medeverdachte 5] (het hof: [medeverdachte 5] , hierna [medeverdachte 5] ), een werker met als taak het opbouwen van de kwekerijen en het knippen van de oogst (in de periode vanaf 2003 tot en met 2012);
[medeverdachte 4] (het hof: [medeverdachte 4] , hierna [medeverdachte 4] ), een werker belast met het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden (in de periode vanaf 2003 tot en met ongeveer 2009);
[medeverdachte 6] (het hof: [medeverdachte 6] , hierna [medeverdachte 6] ), de vaste elektricien (in de periode vanaf 2003 tot en met 2006/2007).

Katvangers die voor [verdachte] panden op naam hadden waren onder andere [medeverdachte 7] (het hof: [medeverdachte 7] , hierna [medeverdachte 7] ) en [medeverdachte 8] (het hof: [medeverdachte 8] , hierna [medeverdachte 8] ). [medeverdachte 8] was aanvankelijk een katvanger voor [medeverdachte] en [medeverdachte 2] , maar later ook voor [verdachte] en [medeverdachte 3] (het hof: [medeverdachte 3] , hierna [medeverdachte 3] ).

Na de oogst werden er in opdracht van [medeverdachte 2] weer nieuwe planten gezet. [verdachte] en [medeverdachte 2] knipten altijd de planten en stopten deze in vuilniszakken. Daarna werd de kwekerij opnieuw opgebouwd door onder andere [medeverdachte] en [medeverdachte 4] , waarna [medeverdachte 2] met de nieuwe stekjes kwam.

De financiële afrekening vond altijd plaats in de woning van [verdachte] aan de [adres 10] . [verdachte] had volgens [medeverdachte] altijd het geld thuis liggen, in een plastic zak.

[medeverdachte 2] leverde een lijstje aan waarop de onkosten stonden. [medeverdachte 2] kreeg dan van [verdachte] zijn onkosten vergoed. [medeverdachte] kreeg meestal ongeveer € 4.000,- van de opbrengst van de oogst van de kwekerij. In die fase werd stiekem gedaan over hoeveel geld [verdachte] en [medeverdachte 2] zelf kregen. [medeverdachte 2] betaalde alle overige personen die betrokken waren geweest bij de kwekerij, zoals de werkers en de makelaar.

In de periode tussen 2003 en 2006 zouden volgens [medeverdachte] twaalf hennepkwekerijen tegelijkertijd hebben gelopen volgens steeds dezelfde constructie en structuur waarbij [verdachte] de baas was en vertelde wat er precies moest gebeuren, [medeverdachte 2] regelde de inrichting en [medeverdachte] zelf heeft in die periode meerdere hokken opgezet. [medeverdachte 2] maakte deel uit van de organisatie van [verdachte] tot 2007. Daarna scheidden de wegen van [verdachte] en [medeverdachte 2] en ging ieder voor zichzelf verder.

Over [verdachte] verklaarde [medeverdachte] in aanvulling op het bovenstaande dat hij de baas was en de lakens uitdeelde. [medeverdachte] en [medeverdachte 2] bezochten voor [verdachte] locaties waar mogelijk een hennepkwekerij ingericht kon worden. Als zij een pand hadden bekeken, werd het pand vervolgens door een katvanger gehuurd. Vervolgens werd bepaald waar de hokken geplaatst konden worden en werd door de elektricien bekeken hoeveel lampen er nodig waren. [medeverdachte] maakte daarna een berekening. De uiteindelijke offerte werd door [verdachte] , [medeverdachte 3] of [medeverdachte 2] bekeken en beoordeeld. Werd de offerte goed bevonden, dan werd een startkapitaal beschikbaar gesteld. [medeverdachte] deed de inkopen. Alle rekeningen en kassabonnen werden bewaard en moesten worden overgelegd aan [verdachte] .

Ten aanzien van de wijze waarop de organisatie in het algemeen functioneerde en de rol van [verdachte] daarin worden de verklaringen van [medeverdachte] ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en door de verklaring van [betrokkene 12] , de partner van de voormalig schoonzus van [verdachte] ( [betrokkene 11] ).

[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij wist dat de familie [familienaam] ( [verdachte] , [medeverdachte 14] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en de vader van [verdachte] , [medeverdachte 14] en [medeverdachte 1] ) diep in de hennep zat. Dat wist hij, omdat hij sinds 2004, met een kleine onderbreking, voor [verdachte] in wiethokken heeft gewerkt. [medeverdachte 5] verklaarde dat hij een werker was en heeft gewerkt onder [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte] en [medeverdachte 1] , waarbij alles via [medeverdachte 1] , zijn vriend, liep. [verdachte] zag hij als de leider. [verdachte] had een andere rol dan de rest. Wanneer de verhorend verbalisanten [medeverdachte 5] voorhouden wat [medeverdachte] heeft verklaard over de criminele organisatie en de personen die daaraan deelnemen, bevestigt hij dit en voegt hij daaraan toe: “Ik was onderdeel van een hele organisatie, maar ik ben maar een hulpje.”

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij [medeverdachte] kende en dat hij vanaf het moment dat [medeverdachte] in de geldproblemen kwam, voor hem in de hennep is gaan werken. Op basis van de verklaring van [medeverdachte] stelt het hof vast dat dit medio 2003 was. [medeverdachte 4] verklaarde dat hij werker was. Hij sjouwde zand, richtte hennepkwekerijen mee in, knipte de hennep et cetera. Voor deze werkzaamheden werd hij betaald.

[medeverdachte 4] vond het lastig om over [verdachte] te verklaren, omdat hij niet wist of hij zichzelf dan in eenzelfde situatie bracht als [medeverdachte] . [medeverdachte 4] werkte voor [medeverdachte] , die weer werd aangestuurd door [verdachte] . [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte 2] op hetzelfde niveau stonden, maar dat het zou ook kunnen dat [verdachte] hoger stond.

[betrokkene 12] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] via [verdachte] – die destijds een relatie had met de zus van [medeverdachte 2] – in de wiet terecht is gekomen. [verdachte] is volgens [betrokkene 12] degene die aan de touwtjes trekt. Uit de verklaring van [betrokkene 12] over dreigementen richting [medeverdachte 2] , die later in de tijd plaatsvonden, leidt het hof af dat [betrokkene 12] kennis had over de rol en positie van [medeverdachte 2] door hetgeen door hem aan hem werd verteld.

De verdachte is zelf ook meermaals gehoord over zijn vermeende betrokkenheid bij de organisatie zoals deze door [medeverdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [betrokkene 12] wordt omschreven. Kort samengevat ontkent hij betrokkenheid bij de organisatie die in de periode 2003 tot en met 2006 zou hebben bestaan. Hij is al acht à negen jaar – gerekend vanaf 2012 – gestopt in de hennepwereld. Het meeste aantal hokken dat hij met [medeverdachte 2] en [medeverdachte] heeft gehad is twaalf, maar dat was dus vóór 2003.

Conclusie

Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat de verklaringen van [medeverdachte] over de criminele organisatie in de periode van 2003 tot en met 2006 consistent en gedetailleerd zijn en voldoende worden ondersteund door objectieve feiten uit andere bronnen, te weten de verklaringen van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [betrokkene 12] . Anders dan de verdediging, ziet het hof geen reden om deze verklaringen buiten beschouwing te laten. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] hebben beiden voor de organisatie gewerkt en zijn zodoende op de hoogte geraakt van de positie van de verdachte. Dat zij niet op gedetailleerde wijze over (de rol van) de verdachte hebben kunnen verklaren, maakt naar het oordeel van het hof niet dat hun (algemene) verklaringen over de betrokkenheid en rol van de verdachte niet kunnen dienen als steunbewijs voor de verklaringen van [medeverdachte] . Hetzelfde geldt ten aanzien van de verklaring van [betrokkene 12] , die via [medeverdachte 2] in het algemeen op de hoogte raakte van de rol van de verdachte binnen de organisatie. [medeverdachte 2] was nauw bij de organisatie betrokken waardoor de informatie die [betrokkene 12] van hem heeft verkregen naar het oordeel van het hof als betrouwbaar kan worden aangemerkt.

Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte] dan ook betrouwbaar en in onderlinge samenhang met het steunbewijs van de drie medeverdachten voldoende om vast te stellen dat in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2006 sprake is geweest van een duurzaam en (min of meer) gestructureerd samenwerkingsverband tussen onder meer de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte] , [medeverdachte 2] en andere medeverdachten. Dit samenwerkingsverband was gericht op – en had aldus tot oogmerk – het plegen van misdrijven, te weten het, kort gezegd, op grote schaal telen en verkopen van hennep. Verder was sprake van een duidelijke (en afgebakende) rol- en taakverdeling tussen de verschillende deelnemers aan de organisatie, waarbij rollen overigens ten dele inwisselbaar zijn gebleken. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte behoorde tot de organisatie en een significant aandeel had in haar activiteiten. De verdachte bepaalde veelal welke panden als locaties voor hennepkwekerijen werden gehuurd, was vaak degene die in de kwekerijen investeerde en de financiële afrekening vond onder zijn verantwoordelijkheid bij hem thuis plaats. Gelet hierop is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte niet alleen heeft deelgenomen aan de hiervoor beschreven criminele organisatie, maar ook als leider daarvan dient te worden aangemerkt. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen kan tevens worden vastgesteld dat de verdachte oprichter was van deze criminele organisatie.

Voorts kan op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, worden vastgesteld dat de verdachte wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven.

Alles overziend, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 tenlastegelegde feit, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt, gelet op het voorgaande, in al haar onderdelen verworpen.

Het hof acht, met de rechtbank, niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een oogmerk op het plegen van de overige in de tenlastelegging genoemde misdrijven, te weten diefstal door middel van braak en/of verbreking van energie/stroom en/of het – kort gezegd – opzettelijk vernielen van enig elektriciteitsnetwerk en/of witwassen, zodat de verdachte van die onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Feit 5B – Deelneming aan een criminele organisatie ex artikel 11a (oud) Opiumwet in de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het aan de verdachte onder 5 tenlastegelegde feit . Daartoe heeft de raadsman – op gronden zoals nader in pleitnota verwoord – opnieuw aangevoerd dat dat de verdachte reeds ‘met pensioen’ was. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 12] niet als steunbewijs voor de verklaringen van [medeverdachte] kunnen worden aangemerkt, nu hij heeft verklaard dat de verdachte ‘indirect’ leiding gaf aan zijn zoon [medeverdachte 3] en dat [medeverdachte 3] een groep bestaande uit Marokkanen, Turken en Joegoeslaven om zich heen had die voor hem werkte. De tenlastegelegde criminele organisatie bestaat uit de verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte] ; allen geen Marokkanen, Turken of Joegoeslaven.

Hetgeen resteert zijn de verklaringen van [medeverdachte] , ten aanzien waarvan [medeverdachte 9] bij gelegenheid van zijn verhoor door de raadsheer-commissaris d.d. 2 juni 2021 heeft bevestigd dat deze verifieerbaar onjuist zijn. De verdachte ontkent nadrukkelijk dat hij leider c.q. oprichter van een criminele organisatie was, en de verklaring van [medeverdachte 9] dient als steunbewijs voor die verklaring van de verdachte te worden gezien.

Concluderend is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie te kunnen komen en zeker voor een bewezenverklaring van leider/oprichter hiervan, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Feiten en omstandigheden

Ten aanzien van het onder 5B tenlastegelegde feit heeft [medeverdachte] , voor zover relevant voor het bewijs, in aanvulling op zijn eerdere verklaring over de criminele organisatie in het algemeen, in het bijzonder het volgende over de periode vanaf 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 (het hof: de einddatum van de bewezenverklaarde periode is de datum waarop de verdachten in Onderzoek Heemskerck zijn aangehouden door de politie) verklaard .

In 2006, nadat hij zijn schuld aan [verdachte] had afgelost, is [medeverdachte] gestopt met [verdachte] en [medeverdachte 2] . Op enig moment werd hij door [medeverdachte 9] benaderd en werd afgesproken dat [medeverdachte] eenmalig een hok zou bouwen voor [verdachte] en [medeverdachte 2] . Het hok werd gefinancierd door [medeverdachte 2] . Van 2007 tot ongeveer 2009 heeft [medeverdachte] voor [medeverdachte 2] gewerkt. Van zijn opbrengsten moest [medeverdachte] de helft afdragen aan [verdachte] , omdat [verdachte] er volgens zijn zeggen voor gezorgd had dat [medeverdachte] met [medeverdachte 2] ging samenwerken.

Toen [medeverdachte 2] in 2009 gedetineerd raakte in België, is [medeverdachte] benaderd door [verdachte] om zaken te doen met diens zoon [medeverdachte 3] . [medeverdachte] had geld nodig om een geript hok van [medeverdachte 2] aan [adres 9] opnieuw in te richten, en heeft daarom opnieuw € 20.000,- geleend van [verdachte] . Op deze wijze werd de zoon van [verdachte] , [medeverdachte 3] , ook bij dit hok betrokken. Toen [medeverdachte 2] in april 2009 weer vrijkwam, is [medeverdachte 2] weer aan het werk gegaan in het hok aan [adres 9] . Door [medeverdachte 3] werd op enig moment tegen [medeverdachte 2] gezegd dat hij niet meer mee mocht doen in dat hok, waarop [medeverdachte 2] eruit is gestapt. [medeverdachte] mocht vanaf dat moment van [verdachte] en [medeverdachte 3] geen contact meer hebben met [medeverdachte 2] . [verdachte] en [medeverdachte 3] zijn het hok aan de [adres 9] vanaf dat moment, samen met [medeverdachte] , gaan draaien. In de periode vanaf 2009 tot en met het moment dat [medeverdachte] is gaan verklaren, heeft hij verschillende hennepkwekerijen opgebouwd in samenwerking met [verdachte] en [medeverdachte 3] .

Vanaf eind 2008, begin 2009 is [medeverdachte 3] in de organisatie komen werken. [medeverdachte 3] stond op gelijke hoogte met zijn vader [verdachte] . [medeverdachte] verklaarde over de beginperiode dat de afrekening in de woning van [verdachte] plaatsvond en dat ook in de periodes dat de verdachte in andere woningen woonde, [medeverdachte] buiten moest wachten terwijl de verdachte ergens contant geld vandaan haalde. Ter terechtzitting in hoger beroep bevestigde [medeverdachte] dat gedurende de periode vanaf 2003 tot en met 2012 de financiering van de plantages het verdelen van het geld door de verdachte tussen [medeverdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] plaatsvond in de woning van [verdachte] .

Naast de reeds in de organisatie in de periode van 2003 tot 2006 beschreven personen noemt [medeverdachte] met betrekking tot de periode van 2006 tot 2012 – onder meer – de volgende personen :

[medeverdachte 10] (het hof: [medeverdachte 10] , hierna [medeverdachte 10] ), een werker met als taak opbouwen en alle voorkomende werkzaamheden (in de periode van 2010 tot ongeveer 2012);
[medeverdachte 11] (het hof: [medeverdachte 11] , hierna [medeverdachte 11] ), een werker met als taak het bouwen van hokken (in de periode vanaf 2011 tot en met april 2012);
[medeverdachte 12] , de vaste elektricien (in de periode tot 2010);
[medeverdachte 13] (het hof: [medeverdachte 13] , hierna [medeverdachte 13] ), een makelaar die actief panden aanbood aan de organisatie om plantages in te kunnen bouwen;
[medeverdachte 8] , een katvanger die voor [verdachte] panden op zijn naam had staan.

In de hiervoor onder feit 4 weergegeven beschrijving van de organisatie van 2003 tot 2006 zijn reeds verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en getuige [betrokkene 12] aangehaald die de verklaringen van [medeverdachte] over de organisatie in het algemeen en de rol van de verschillende deelnemers bevestigen. Deze verklaringen zien veelal niet enkel op de organisatie van 2003 tot 2006, maar hebben betrekking op de organisatie in zijn geheel over verschillende tijdsperioden, dus ook over de periode van 1 juli 2006 tot 21 augustus 2012. Het hof zal deze verklaringen dan ook met verwijzing naar het hiervoor overwogene meenemen in de beoordeling van deze latere organisatie.

In aanvulling hierop overweegt het hof ten aanzien van de activiteiten van de criminele organisatie in deze tweede periode dat de verklaringen van [medeverdachte] tevens worden ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 8] , die heeft verklaard dat hij in de periode vanaf 2008 op verzoek van [medeverdachte] verschillende keren een handtekening heeft gezet voor de huur van een pand waarin daarna een kwekerij is opgezet.

Ook wijlen makelaar [betrokkene 3] (het hof: hierna [betrokkene 3] ) verklaarde dat hij, via makelaar [medeverdachte 13] , werd betrokken bij de verhuur van panden voor hennepkwekerijen. Het zou daarbij gaan om de groep die betrokken was bij de kwekerij aan [adres 9] (het hof: de kwekerij van feit 2).

Ten aanzien van de verdachte in de periode tussen 1 juli 2006 en 21 augustus 2012 overweegt het hof aanvullend dat [medeverdachte 5] verklaarde dat hij tot 2012 voor [verdachte] heeft gewerkt. Hij bevestigt dat de zoon van de verdachte, [medeverdachte 3] , op enig moment in de hennepteelt terecht is gekomen en de handel een beetje aan het overnemen was van zijn vader. [medeverdachte 5] verklaarde dat vanaf dat moment het regelen via [medeverdachte 3] ging, dat [medeverdachte 1] de tweede hand was en dat hij zelf werd aangestuurd door [medeverdachte 1] .

Naast hetgeen uit de verklaringen van [betrokkene 12] hiervoor al is aangehaald, verklaarde [betrokkene 12] over de verdachte dat de verdachte indirect leiding gaf aan zijn zoon [medeverdachte 3] en dat vanaf het moment dat [medeverdachte 3] is betrokken bij de organisatie, de problemen ontstonden voor [medeverdachte 2] .

[medeverdachte 4] verklaarde voorts nog over [verdachte] dat hij (via een derde) door [verdachte] onder druk werd gezet om een deel van de opbrengst van een plantage die [medeverdachte 4] zelf had opgebouwd aan hem af te staan, waarbij hij dreigde om [medeverdachte 4] te slaan. Dit incident was de reden dat [medeverdachte 4] niet meer voor [medeverdachte] en [verdachte] wilde werken.

Tot slot overweegt het hof dat de verklaring van [medeverdachte] over de financiële afwikkeling in de woning van de verdachte en het handelsgeld dat hij daar zou bewaren, aansluit op het contante bedrag van € 10.000,-, dat is aangetroffen in de woning van de verdachte in een plastic zak in een plastic opbergbak in de berging. Daarbij verwijst het hof voor de feitelijke onderbouwing naar de overwegingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit (witwassen).

Conclusie

Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat de verklaringen van [medeverdachte] over de criminele organisatie in de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 consistent en gedetailleerd zijn en voldoende worden ondersteund door objectieve feiten uit andere bronnen, te weten de verklaringen van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [betrokkene 12] . Ook hier ziet het hof geen aanleiding om de verklaringen buiten beschouwing te laten, om dezelfde redenen als hiervoor ten aanzien van feit 4 is overwogen. In aanvulling daarop hebben ook [medeverdachte 8] en [betrokkene 3] vanuit hun eigen betrokkenheid verklaard over de criminele organisatie in het algemeen. Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte] betrouwbaar en in onderlinge samenhang met het steunbewijs voldoende om vast te stellen dat in de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 sprake is geweest van een duurzaam en (min of meer) gestructureerd samenwerkingsverband tussen de verdachte, [medeverdachte] en de medeverdachten. Dit samenwerkingsverband was gericht op – en had aldus tot oogmerk – het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet, te weten, kort gezegd, het in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen en verkopen van grote hoeveelheden hennep. Die misdrijven hebben zich in voorkomende gevallen ook verwezenlijkt, zoals onder meer blijkt uit de onder 2, 6 en 7 A en B bewezenverklaarde feiten. Verder was sprake van een duidelijke (en afgebakende) rol- en taakverdeling tussen de verschillende deelnemers aan de organisatie. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte behoorde tot de organisatie en een significant aandeel had in haar activiteiten.

Voorts stelt het hof ten aanzien van de verdachte vast dat hij, al dan niet via zijn zoon en medeverdachte [medeverdachte 3] , bepaalde wat er diende te gebeuren. De verdachte bepaalde veelal welke panden als locaties voor hennepkwekerijen werden gehuurd, was vaak degene die in de kwekerijen investeerde en de financiële afrekening vond onder zijn verantwoordelijkheid bij hem thuis plaats. Gelet hierop is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte niet alleen heeft deelgenomen aan de hiervoor beschreven criminele organisatie, maar ook als leider daarvan dient te worden aangemerkt. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen kan tevens worden vastgesteld dat de verdachte oprichter was van deze criminele organisatie, die feitelijk een voortzetting is van de criminele organisatie in de periode van 2003 tot en met 2006.

Voorts kan op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, worden vastgesteld dat de verdachte wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van Opiumwetmisdrijven.

Alles overziend, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 5B tenlastegelegde feit, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt, gelet op het voorgaande, in al haar onderdelen verworpen.

Feit 2 – Hennepkwekerij [adres 9]

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de raadsman – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat onvoldoende steunbewijs voorhanden is, nu de verklaring van [betrokkene 12] onbetrouwbaar is. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat, indien uitgegaan wordt van de verklaringen van [medeverdachte] , de betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij aan [adres 9] enkel heeft bestaan uit het afgedwongen meedelen in de winst van de kwekerij. Deze bijdrage is van onvoldoende gewicht om tot een bewezenverklaring van het (mede)plegen van het telen van hennep in de uitoefening van een beroep of bedrijf te kunnen komen. Ook indien er tevens vanuit zou worden gegaan dat verdachte de hennepkwekerij heeft gefinancierd, zoals door [medeverdachte] is verklaard, geldt dat de handelingen van de verdachte onvoldoende zijn om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het opzettelijk telen van hennep, nog daargelaten dat nergens concreet uit blijkt dat de verdachte inderdaad geld heeft geïnvesteerd in deze kwekerij.

Indien het hof wel tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman tot slot aangevoerd dat de tenlastegelegde periode beperkt dient te worden van 1 juli 2009 tot 8 mei 2012.

Het hof overweegt als volgt.

Juridisch kader

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden aangemerkt, indien is komen vast te staan dat bij het begaan van dat strafbare feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan of helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet dan, zoals hiervoor overwogen, wel van voldoende gewicht zijn. Bij de beoordeling of aan dat vereiste is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Feiten en omstandigheden

[medeverdachte] heeft op 3 en 12 mei en 5, 13 en 20 juni 2012 verklaard over een kwekerij aan [adres 9] . [medeverdachte] heeft over deze kwekerij, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

In de woning gelegen aan het [adres 9] heeft sinds drieënhalf jaar geleden een hennepkwekerij gezeten. De woning is via [medeverdachte 13] en [betrokkene 3] (makelaar) verhuurd aan [medeverdachte 7] , die tevens fungeerde als katvanger. De kwekerij bevond zich op de eerste etage in drie slaapkamers. In totaal werden er 370 planten gekweekt. Zolang de kwekerij in de woning zat, is deze in bedrijf geweest . [medeverdachte] schat dat er ongeveer 20 tot 25 keer is geoogst.

Over de rol en betrokkenheid van de verschillende verdachten heeft [medeverdachte] verklaard dat [medeverdachte 2] degene was die het initiatief heeft genomen om, in samenwerking met anderen, het pand te huren en de kwekerij in te richten. [medeverdachte 2] zou het pand vooraf met [medeverdachte 7] hebben bezichtigd, waarna het pand uiteindelijk door [medeverdachte 7] werd gehuurd via makelaar [betrokkene 3] . De kwekerij heeft tot 2009 toebehoord aan [medeverdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] . In 2009 raakte [medeverdachte 2] gedetineerd in België en werd de oogst meerdere keren weggehaald. Om de kwekerij opnieuw op te kunnen bouwen heeft [medeverdachte] geld geleend van [verdachte] . [verdachte] heeft bij de eerstvolgende oogst zijn zoon [medeverdachte 3] naar voren geschoven om deel te nemen aan de kwekerij. Na terugkomst uit detentie kreeg [medeverdachte 2] van [medeverdachte 3] te horen dat hij niet meer mee mocht doen. Zodoende behoorde de kwekerij vanaf dat moment toe aan [medeverdachte] , [verdachte] en diens zoon [medeverdachte 3] .

Naar aanleiding van de verklaringen van [medeverdachte] heeft er op 8 mei 2012 een doorzoeking plaatsgevonden in de woning gelegen aan [adres 9] . Op de eerste verdieping in drie afzonderlijke kamers werd door de politie een hennepkwekerij aangetroffen waarvan de hennepplanten reeds waren geoogst. In totaal werden in deze drie ruimtes 430 potten met potgrond, steeltjes en wortels van een plant aangetroffen. Op de trap naar de eerste verdieping en in de drie ruimtes werden – als zodanig herkende – hennepresten (blaadjes, topjes en takjes) aangetroffen, welke tevens indicatief positief testte op marihuana of THC, zijnde de werkzame stof in hennep. In alle drie de ruimtes werden tevens aanwijzingen aangetroffen die kunnen duiden op (een) eerdere oogst(en).

De bevindingen tijdens de doorzoeking sluiten grotendeels aan op de verklaringen van [medeverdachte] over de inrichting van de kwekerij. Daarnaast worden de verklaringen van [medeverdachte] over de totstandkoming van de huur van het pand en de tenaamstelling van het huurcontract bevestigd door de verklaringen van [betrokkene 3] , [medeverdachte 13] en [medeverdachte 7] .

Ten aanzien van de rol van [verdachte] worden de verklaringen van [medeverdachte] bevestigd door getuige [betrokkene 12] , die heeft verklaard dat de kwekerij in Etten-Leur is opgezet door [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte] en nog een derde persoon die als huurder optrad. [betrokkene 12] bevestigde dat de [medeverdachte 2] de kwekerij heeft moeten achterlaten toen [verdachte] en [medeverdachte 3] daar lucht van hadden gekregen en deze de kwekerij (uiteindelijk) wilden overnemen.

[betrokkene 11] , de zus van [medeverdachte 2] , heeft verklaard dat [medeverdachte 2] afstand heeft moeten nemen van deze kwekerij en de kwekerij in handen is gekomen van [medeverdachte 3] .

Conclusie

Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat de verklaringen van [medeverdachte] over de kwekerij in het pand aan de Schermerhoornbeemd en de daarbij betrokken personen consistent en gedetailleerd zijn en voldoende worden ondersteund door objectieve feiten uit andere bronnen. Het hof acht de verklaringen betrouwbaar en in combinatie met genoemde verklaringen en het steunbewijs inzake de rol van de verdachte binnen de criminele organisatie, zoals hiervoor onder feit 5B is overwogen, tevens voldoende om vast te stellen dat de verdachte via een lening geld heeft geïnvesteerd in de kwekerij aan de [adres 9] en dat hij, nadat hij ervoor had gezorgd dat de oorspronkelijke eigenaar [medeverdachte 2] zich terugtrok, zichzelf en zijn zoon als nieuwe eigenaren van de kwekerij naar voren heeft geschoven waarna de kwekerij werd voortgezet tot aan de dag van de doorzoeking door de politie op 8 mei 2012. De verdachte heeft door het overnemen en verder (laten) uitbaten van de kwekerij een materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd om van medeplegen te kunnen spreken.

Voor de betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij aan de [adres 9] ziet het hof voorts steun in de bewezenverklaring van de onder 5B bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie in de periode vanaf 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012. De personen die betrokken waren bij de hennepkwekerij aan de [adres 9] , maakten immers allen onderdeel uit van de criminele organisatie waarvan de verdachte naar het oordeel van het hof de leider was. Daarbij kwam de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten met elkaar overeen. Zo is het pand aan de [adres 9] door tussenkomst van een makelaar gehuurd en is gebruikgemaakt van een katvanger als huurder. Zoals hiervoor onder feit 5B is overwogen, maakte de criminele organisatie waarvan de verdachte de leider was, onder meer gebruik van makelaars en katvangers.

Alles overziend, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde feit, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt, gelet op het voorgaande, in al haar onderdelen verworpen.

Feit 6 – Hennepkwekerij [bedrijf 1] te Alphen

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het aan de verdachte onder 6 tenlastegelegde feit . Daartoe heeft de raadsman – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte] over de betrokkenheid van de verdachte bij deze hennepkwekerij onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verklaring van [medeverdachte 5] kan niet worden aangemerkt als steunbewijs, nu deze te algemeen is en niets concreets inhoud over de betrokkenheid van de verdachte bij deze kwekerij. Ook de verklaringen van [medeverdachte 11] en [medeverdachte 10] kunnen – anders dan de rechtbank heeft gedaan – niet als steunbewijs worden gebruikt, nu zij beiden niets hebben verklaard over de verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Feiten en omstandigheden

[medeverdachte] heeft op 12 mei, 13 mei, 20 juni en 13 december 2012 verklaard over een hennepkwekerij in [bedrijf 1] aan [adres 8] . [medeverdachte] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard over deze kwekerij.

Begin 2011 is [medeverdachte] door [betrokkene 4] naar [bedrijf 1] in Alphen gestuurd. Volgens [betrokkene 4] zou op de bovenverdieping van dit restaurant hennep gekweekt kunnen worden. [medeverdachte] heeft een afspraak gemaakt met [getuige 2] (het hof begrijpt: [getuige 2] , de huurder van het restaurant, en heeft hem verteld dat hij in het voorste gedeelte van het appartement een kwekerij wilde beginnen. De bovenverdieping zou in eerste instantie gehuurd worden door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] is een aantal dagen later met [medeverdachte] naar [bedrijf 1] gegaan, maar uiteindelijk is het contract op naam van [medeverdachte 5] gesteld. Nadat [medeverdachte] een en ander nogmaals met [medeverdachte 3] had bekeken, hebben zij samen overleg gehad met [verdachte] , waarna door [verdachte] werd besloten dat op het adres een hennepkwekerij ingericht kon worden.

De kwekerij werd ingericht door [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] en [medeverdachte] zelf. Op de bovenverdieping konden 50 lampen gehangen worden en ongeveer 500 planten gekweekt worden. De elektra werd gedaan door [medeverdachte 11] .

De planten werden tijdens de eerste draai door [medeverdachte] zelf verzorgd. Daarna heeft [medeverdachte 1] samen met een andere werker de verzorging overgenomen.

Na de eerste draai is er nog een kwekerij opgericht op de zolder, aan de achterzijde van het pand. Deze kwekerij werd door dezelfde personen opgebouwd als de kwekerij aan de voorzijde. In dit deel van de kwekerij hingen 52 à 55 lampen en stonden ongeveer 650 planten. In dit deel stonden verder twee technisch hoogwaardige watergekoelde motoren waardoor de lucht gekoeld kon worden en hergebruikt kon worden. Deze motoren zorgen er bovendien voor dat ook de temperatuur van de lucht die naar buiten verplaatst werd lager was en een kwekerij bij een warmtemeting niet ontdekt kon worden. Deze motoren zijn door [medeverdachte] gekocht bij [bedrijf 2] in [plaatsnaam] .

De investering voor het tweede deel van de kwekerij is betaald door [verdachte] en [medeverdachte 3] . In het tweede deel van de kwekerij is in totaal drie keer gedraaid en geoogst. Toen [medeverdachte 1] samen met een andere jongen – de eigenaar van de zwarte Vito die bij het restaurant is achtergebleven – de stekjes wilde zetten voor de vierde draai , is de politie binnengevallen.

De verklaring van [medeverdachte] over de hennepkwekerij in [bedrijf 1] te Alphen wordt allereerst bevestigd door een politieactie op 15 november 2011, waarbij in het pand een inwerking zijnde hennepkwekerij werd aangetroffen. Op de eerste verdieping aan de achterzijde van het pand werd een hennepkwekerij aangetroffen. In deze ruimte werden 688 hennepplanten en 57 lampen, transformatoren en twee koelers aangetroffen.

Voorts werd op de eerste verdieping, aan de voorzijde van het pand, in twee kamers een hennepkwekerij aangetroffen. In de eerste kamer stonden 345 hennepplanten en hingen 38 lampen. In de tweede ruimte stonden 117 hennepplanten en hingen 15 lampen.

Bij de doorzoeking van het pand werden op de eerste etage sleutels gevonden met een hanger van Mercedes. Op een parkeerplaats grenzend aan het pand werd een voertuig aangetroffen dat middels deze sleutel geopend kon worden. Het betrof een Mercedes Benz Viano, die op naam bleek te staan van [medeverdachte 11] .

Uit elke ruimte werden 3 henneptoppen dan wel plantendelen veiliggesteld en bemonsterd. Deze werden door de verbalisant ambtshalve herkend als hennep en gaven daarnaast een positieve reactie, indicatief voor marihuana of THC, zijnde de werkzame stof in hennep of hashish, vermeld op lijst 11 van de Opiumwet.

De heer [getuige 2] heeft verklaard dat hij het pand aan [adres 8] huurt. De bovenverdieping van het pand heeft hij verhuurd aan [medeverdachte 5] vanaf april 2011, maar zij hebben pas in september 2011 een huurcontract opgesteld.

Blijkens de huurovereenkomst met betrekking tot de bovenverdieping van het pand aan [adres 8] is de bovenverdieping door ‘ [bedrijf 1] [getuige 2] ’ verhuurd aan [medeverdachte 5] . De huurovereenkomst is ingegaan op 1 september 2011.

[medeverdachte 5] heeft bij gelegenheid van zijn verhoren verklaard dat hij gebruikt is als katvanger. [medeverdachte] regelde het huurcontract en had tegen hem gezegd dat alles zou worden geregeld. Hij heeft drie keer geholpen met oogsten. Ze gingen meestal ‘s morgens vroeg, als het nog donker was, naar het pand toe om te oogsten. [medeverdachte 5] heeft ook geholpen met het in rijen zetten van de potten en het vullen van de potten met potgrond en stekjes. Dit deed hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte] .

Het voorste gedeelte van de kwekerij heeft [medeverdachte 5] niet mee gebouwd; dat was er al. In het achterste gedeelte heeft hij het hok met hout gebouwd. Hij heeft houten frames gezet, waar dingen – lampen en trafo’s – aangehangen konden worden en hij heeft de lampen opgehangen. Ook heeft hij grondzeil gelegd, zand naar boven gesjouwd en twee grote machines – hij denkt koelers voor de lucht – naar boven gesjouwd. [medeverdachte] en twee andere jongens, waarvan ééntje [medeverdachte 11] heet, hebben hem hierbij geholpen. [medeverdachte 11] hielp ook met het bouwen van het hok en is ook de persoon die de elektra deed. [medeverdachte 10] heeft hij ook wel eens bij [bedrijf 1] gezien. [medeverdachte 10] was ook in het hok bezig.

[medeverdachte 10] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 5] potten heeft gevuld in Alphen, op de eerste verdieping van [bedrijf 1] . [medeverdachte 10] is daar twee of drie keer geweest, in opdracht van [medeverdachte] . Hij moest zakken zand halen en potten vullen. Er waren drie kweekkamers. Als hem de verklaring van [medeverdachte 5] omtrent zijn rol wordt voorgehouden, verklaart [medeverdachte 10] dat deze in grote lijnen klopt.

Conclusie

Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat de verklaringen van [medeverdachte] over de kwekerij in [bedrijf 1] te Alphen en de daarbij betrokken personen consistent en gedetailleerd zijn en voldoende worden ondersteund door objectieve feiten uit andere bronnen. Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte] betrouwbaar en in combinatie met het steunbewijs inzake de rol van de verdachte binnen de criminele organisatie, zoals hiervoor onder feit 5B is overwogen, tevens voldoende om vast te stellen dat de verdachte geld heeft geïnvesteerd in deze kwekerij. De verdachte heeft daarmee naar het oordeel van het hof aan het tenlastegelegde feit een materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd om van medeplegen te kunnen spreken.

Voor de betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij aan de [adres 9] ziet het hof steun in de bewezenverklaring van de onder 5B bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie in de periode vanaf 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012. De personen die betrokken waren bij de hennepkwekerij in [bedrijf 1] aan [adres 8] maakten immers allen onderdeel uit van de criminele organisatie waarvan de verdachte naar het oordeel van het hof de leider was. Daarbij kwam de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten met elkaar overeen. Zo is het pand gehuurd op naam van een katvanger, is de hennepkwekerij ingericht door vaste werkers en een ‘elektricien’ en werd veelal geoogst als het buiten nog donker was. Zoals hiervoor onder feit 5B is overwogen, maakte de criminele organisatie waarvan de verdachte de leider was, onder meer gebruik van katvangers, vaste werkers en elektriciens.

Alles overziend, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 6 tenlastegelegde feit, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt, gelet op het voorgaande, in al haar onderdelen verworpen.

Feit 7A en feit 7B – Hennepkwekerij [adres 2] en hennepknipperij [adres 3]

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van de aan de verdachte onder 7 A en B tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft de raadsman – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte] over de betrokkenheid van de verdachte bij deze hennepkwekerij en -knipperij onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De enkele vaststelling dat de verdachte op 22 september 2011 blijkens de camerabeelden op het perceel aan [adres 3] is geweest, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het telen van hennep te kunnen komen, te meer nu de verdachte heeft erkend aldaar te zijn geweest. Ten aanzien van de hennepkwekerij aan [adres 2] volgt uit het dossier niet waaruit de betrokkenheid van de verdachte heeft bestaan.

Het hof overweegt als volgt.

Feiten en omstandigheden

[medeverdachte] heeft op 14 mei, 12 juni en 13 december 2012 over een kwekerij aan [adres 2] (hierna [adres 2] ) en een knipperij aan [adres 3] (hierna [adres 3] ) verklaard. [medeverdachte] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.

In het pand aan [adres 2] is [medeverdachte] samen met [medeverdachte 3] en [verdachte] een kwekerij gestart. De kwekerij is opgebouwd door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 11] . Katvanger/onderhuurder van het pand was [medeverdachte 8] . Begin augustus 2011 heeft [medeverdachte] van [medeverdachte 3] de sleutel van het pand gekregen. De investering voor de kwekerij werd gedaan door [verdachte] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte] zelf. Nadat de kwekerij eenmaal in werking was, hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 11] en [medeverdachte] de planten water gegeven en de rest van de verzorging gedaan. De eerste oogst van deze kwekerij is gepakt door de politie op het knipadres aan de [adres 11] bij Mehmet Paçal.

Over het pand en de inrichting van de kwekerij heeft [medeverdachte] verklaard dat de kwekerij zich bevond in een soort koelcelgebouw, dat zij in twee koelcellen hennepplanten hebben gezet en dat in een andere koelcel luchtverversingsmotoren waren geplaatst. In totaal stonden er volgens [medeverdachte] in de kwekerij 1400 planten en hingen er ongeveer 125 lampen.

Over de periode voorafgaand aan de inval bij het knipadres door de politie heeft [medeverdachte] verklaard dat hij na ongeveer vier weken erachter kwam dat er ingebroken was in het pand aan de [adres 2] , waarop hij overleg heeft gehad met [verdachte] en [medeverdachte 3] . Door [verdachte] werd besloten dat diens broer [medeverdachte 1] bij de kwekerij moest gaan slapen. Gedurende een periode van twee weken heeft [medeverdachte] [medeverdachte 1] steeds in het begin van de avond naar de kwekerij gebracht en ‘s ochtends weer opgehaald. In de tijd dat [medeverdachte 1] in het pand sliep, is er niet meer ingebroken, tot één dag voordat de hennepplanten geoogst zouden worden. Toen is er opnieuw ingebroken in de kwekerij. [medeverdachte 3] heeft daarop besloten om een knipadres te regelen en de kwekerij te ontmantelen. Hij is toen rond een uur of acht in de ochtend vertrokken om een knipadres te gaan regelen. De hennepplanten zijn vervolgens in de middag door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 11] afgeknipt, in sporttassen en vuilniszakken gestopt en met een door [medeverdachte 3] gehuurde witte bus door [medeverdachte 3] en [medeverdachte] naar de [adres 3] gebracht om aldaar geknipt te worden.

Op het moment dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte] bij het pand aan de [adres 3] aankwamen, waren de knippers – waaronder [medeverdachte 1] – al aanwezig. [medeverdachte 3] en [medeverdachte] zijn nog een keer teruggereden om de laatste hennepplanten op te halen op de [adres 2] . [medeverdachte 11] en [medeverdachte 5] zijn toen meegereden naar de [adres 3] en [medeverdachte 5] is daar gebleven om mee te knippen. [medeverdachte 11] is door [medeverdachte 3] en [medeverdachte] naar huis gebracht.

De verklaring van [medeverdachte] over de hennepplantage aan de [adres 2] en de knipperij aan de [adres 3] wordt bevestigd door een politieactie die op 22 september 2011 heeft plaatsgevonden. Op die dag is vanaf 17:00 uur het observatieteam van de politie ingezet bij het pand aan de [adres 2] . Het observatieteam zag en volgde een Volkswagen bestelauto/bus met het kenteken [kenteken 10] . Deze bus reed weg van het terrein aan de [adres 2] en bij het voorbijgaan van de bus rook het observatieteam een lucht van hennepplanten. Die avond vonden er vervolgens doorzoekingen plaats in de panden aan de [adres 2] en de [adres 3] .

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Verbonden uitspraken