HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:413

Jeugdzaak. Openlijke geweldpleging, art. 141.1 Sr. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt t.a.v. betrouwbaarheid van verklaringen van aangever en getuige, art. 359.2 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2006:AU9130 m.b.t. selectie- en waarderingsvrijheid van feitenrechter van beschikbaar feitenmateriaal en diens motiveringsplicht ex art. 359.2 Sv i.g.v. uos t.a.v. gebruikt bewijsmateriaal. Raadsvrouw heeft (mede naar aanleiding van de in hoger beroep t.o.v. Rh-C afgelegde verklaringen van aangever en getuige) gesteld dat de door kinderrechter voor bewijs gebruikte verklaringen van aangever en getuige onvoldoende betrouwbaar zijn om voor bewijs te kunnen gebruiken. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat herkenning van verdachte door aangever en getuige pas plaatsvond nadat aangever had gesproken met beveiligers en politie. Raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat uit verklaringen van getuige volgt dat het op moment van incident druk was, dat herkenning door getuige plaatsvond op grote afstand terwijl hij rennende jongens op de rug zag en dat die herkenning gegrond was op “gevoel”. Hof heeft bewijsoverweging van kinderrechter overgenomen en, in reactie op dit verweer van raadsvrouw, daarbij overwogen dat het geen reden heeft te twijfelen aan juistheid en betrouwbaarheid van ook door kinderrechter voor bewijs gebruikte verklaringen. Daarbij heeft hof kennelijk ook bij Rh-C afgelegde (nadere) verklaringen betrokken, zonder dat dit het hof tot ander oordeel over betrouwbaarheid heeft gebracht. Hof was, gelet op strekking van verweer en in aanmerking genomen wat hiervoor is vooropgesteld, niet tot nadere motivering gehouden. Volgt verwerping. CAG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken