HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1406
Poging zware mishandeling (art. 302 Sr). 1. Voorafgaande beschouwingen waarin HR terugkomt op (categorische) verplichting tot ambtshalve oproepen van getuigen die in HR:1994:AB7528 was geformuleerd. 2. Afwijzing verzoek tot horen van getuige die bij RC is teruggekomen op belastende verklaring bij politie, op de grond dat noodzaak daartoe niet is gebleken. Ad 1. HR komt terug op eerdere rechtspraak over verplichting van rechter in bepaalde gevallen ambtshalve getuigen op te roepen. Die verplichting is aanvaard in HR:1994:AB7528. Deze ambtshalve verplichting heeft HR wat betreft appelfase al aangepast in HR:2014:2753. Aan rechtspraak kan worden ontleend dat die ambtshalve verplichting tot nu toe nog wel gold voor de fase van eerste aanleg. HR houdt nu echter niet langer vast aan die (categorische) verplichting tot het ambtshalve oproepen van getuigen. Deze bijstelling van de rechtspraak houdt in de eerste plaats ermee verband dat thans ook op andere wijze wordt voorzien in met die rechtspraak (mede) beoogde rechtsbescherming. HR ziet bovendien aanleiding tot het laten vervallen van de (categorische) verplichting tot het ambtshalve oproepen van getuigen in omstandigheid dat - zowel in e.a. als h.b. - een ambtshalve oproeping van een getuige niet altijd toegevoegde waarde heeft. Die ontbreekt als rechter al o.g.v. de voorhanden zijnde stukken en in het licht van wat procespartijen naar voren hebben gebracht, in staat is zich een oordeel te vormen over betrouwbaarheid van de tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring. In aanvulling op de hiervoor genoemde waarborgen is nog van belang dat o.g.v. art. 359.2 Sv rechter gehouden kan zijn te motiveren op welke gronden hij verklaring van getuige betrouwbaar acht. Daarvan is sprake als rechter afwijkt van een door of namens verdachte aangevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. de betrouwbaarheid van de verklaring van getuige (vgl. HR:2006:AU9130). Ook als geen sprake is van dergelijk uos kan in bijz. gevallen voor de begrijpelijkheid van het bewijsoordeel noodzakelijk zijn dat rechter motiveert op welke gronden hij verklaring van getuige betrouwbaar acht. Een dergelijk geval kan zich voordoen als (i) rechter de tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring die getuige nadien heeft ingetrokken dan wel op essentiële onderdelen en in ontlastende zin heeft gewijzigd, voor bewijs gebruikt en (ii) de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op die tijdens opsporingsonderzoek afgelegde verklaring. De gronden voor beslissing dat betreffende verklaring voor bewijs kan worden gebruikt, kunnen, maar hoeven niet te zijn ontleend aan verhoor van getuige. Of in concreet geval de motivering van bewezenverklaring toereikend is, is mede afhankelijk van procesopstelling van verdachte en van wat overigens uit uitspraak kan worden opgemaakt over gronden waarop rechter de getuigenverklaring betrouwbaar heeft geacht. Ad 2. Opvatting dat als een persoon t.o.v. RC terugkomt op in opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring, de rechter een verzoek tot horen van die persoon als getuige steeds moet toewijzen, vindt mede gelet op wat is vooropgesteld geen steun in het recht. ’s Hofs oordeel dat het zich voldoende in staat acht zich een oordeel te vormen over betrouwbaarheid van de door getuige bij politie afgelegde verklaring, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van wat verdediging heeft aangevoerd niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl