HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:47
Witwassen van geldbedrag door € 23.000 (in 3 samengebonden stapels met biljetten van 10 en 20 euro) aanwezig te hebben in plastic tas op bestuurdersstoel van een door hem bestuurde auto, art. 420bis.1.a Sr. 1. Bewijsklacht. Heeft verdachte “herkomst” van geldbedrag en rechthebbende op dat bedrag “verhuld”? 2. Volgens daarvan opgemaakte akten is cassatieberoep niet gericht tegen onderdelen van tlgd. feit waarvan verdachte werd vrijgesproken, terwijl hof tll. kennelijk zo heeft uitgelegd dat daarin sprake is van impliciet primair en impliciet subsidiair onderdeel. Toelaatbare beperking cassatieberoep door vrijspraak van subsidiair deel uit te sluiten en beroep te beperken tot bewezenverklaard primair deel? Ad 1. Bestanddelen “verbergen” en “verhullen” a.b.i. art. 420bis.1.a Sr hebben betrekking op gedragingen die erop zijn gericht zicht te bemoeilijken op (onder meer) herkomst van voorwerp en wie rechthebbende op voorwerp is. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken (vgl. HR:2017:236). Hof heeft geoordeeld dat verdachte “met overleggen van stukken” (waarmee hof het oog heeft op stukken die verdachte n.a.v. witwasbrief heeft doen overleggen en waarover door verdachte op tz. in hoger beroep een verklaring is afgelegd die door hof is aangemerkt als “achteraf geconstrueerd samenstel van verzinsels”) heeft geprobeerd werkelijke herkomst van geld en kennelijk ook rechthebbende daarop te verhullen. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd. Hof heeft immers bewezenverklaard dat verhullen van herkomst van geld en van rechthebbende daarop heeft plaatsgevonden op 28-8-2020, terwijl overleggen van stukken en afleggen van verklaring daarover na die datum hebben plaatsgevonden. Ook voor het overige kan uit bewijsvoering niet volgen dat van “verhullen” van “herkomst” van geld en van rechthebbende daarop sprake is geweest. Enkele omstandigheid dat geldbedrag op de door hof vastgestelde wijze (in auto op bestuurdersstoel in 3 samengebonden stapels met bankbiljetten van 10 en 20 euro) op 28-8-2020 is aangetroffen, is daarvoor niet voldoende. Door verdachte direct daarna gegeven verklaring dat hij geld van vriend had gekregen om daarvan auto te kopen, waarbij die verklaring door hof kennelijk als ongeloofwaardig is beschouwd, was gelet op inhoud en onderbouwing daarvan, niet van zodanige aard dat deze geschikt was om zicht op “herkomst” van geldbedrag en rechthebbende daarop te “verhullen”. Ad 2. O.g.v. art. 429 Sv kan beroep in cassatie tegen gedeelte van een in h.b. gewezen uitspraak worden ingesteld. Niet elke beperking van cassatieberoep kan echter worden aanvaard. In geval van samengestelde tll. kan cassatieberoep worden beperkt tot beslissingen over onderdelen van tll. waarin zelfstandig strafrechtelijk verwijt is omschreven (vgl. HR:2013:CA1610). Hof heeft tll. zo uitgelegd dat daarin sprake is van impliciet primair en impliciet subsidiair onderdeel. Het is aan feitenrechter om tll. uit te leggen. Uitleg die hof aan tll. heeft gegeven, is niet onverenigbaar met bewoordingen daarvan. Daarom moet in cassatie van die uitleg worden uitgegaan. Nu hof niet is toegekomen aan beslissing over (impliciet) subsidiair tlgd., is cassatieberoep niet vatbaar voor beperking die volgens akte tot partiële intrekking van dat beroep is beoogd. Aan die beperking moet dus worden voorbijgegaan. Na terugwijzing ligt gehele tll. weer ter beoordeling aan hof voor. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl