Hof 's-Hertogenbosch 10 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2879

Fiscale fraudezaak. Niet-ontvankelijkheidsverweer omdat het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur zouden zijn geschonden is verworpen. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich - kort gezegd - schuldig heeft gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan het niet voldoen aan de suppletieplicht (feiten 1.A, 2.A en 3.A) en het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting (feiten 1.B, 2.B en 3.B). Het hof ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging ter zake van de feiten 1.A, 2.A en 3.A en veroordeelt de verdachte voor de feiten 1.B, 2.B en 3.B tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Bewijsoverwegingen over het feitelijk leidinggeven en het opzet van de verdachte op het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en het niet voldoen aan de suppletieplicht. Overwegingen over de strafbaarheid van het bewezen verklaarde. Het hof komt tot de conclusie dat de wetgever niet heeft (willen) voorzien in de mogelijkheid van een strafrechtelijke vervolging van overtreding van artikel 10a van de AWR jo. artikel 15 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Het onder feit 1.A, feit 2.A en feit 3.A bewezen verklaarde levert daarom volgens de wet geen strafbaar feit op. Ook al zou de wetgever het onder feit 1.A, feit 2.A en feit 3.A hebben voorzien als strafbaar feit en als zodanig bij wet strafbaar hebben gesteld, dan dient naar het oordeel van het hof voor die bewezenverklaarde feiten alsnog ontslag van alle rechtsvervolging te volgen. De suppletieplicht van de artikelen 10a van de AWR jo. 15 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 is namelijk in strijd met het nemo-teneturbeginsel, oftewel het verbod van zelfincriminatie, zoals volgt uit artikel 6, tweede lid, van het EVRM en artikel 48, eerste lid, van het Handvest van de Grondrechten van Europese Unie. Wegens die strijdigheid dienen die genoemde fiscale bepalingen jegens de verdachte buiten toepassing te blijven. Het onder feit 1.A, feit 2.A en feit 3.A bewezen verklaarde kan derhalve ook op deze grondslag niet als strafbaar feit worden gekwalificeerd. Volgt ontslag van alle rechtsvervolging voor deze feiten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken