Rb. Den Haag 23 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7430

Gevangenisstraf van zeven jaren en zes maanden voor deelname aan de terroristische organisatie Islamitische Staat, voorbereidingshandelingen tot het plegen van een terroristisch misdrijf en een oorlogsmisdrijf. Uit het dossier blijkt dat verdachte op 24 oktober 2014 is uitgereisd naar Syrië en daar heeft verbleven tot en met 3 september 2016, het moment dat hij zich aansloot bij het Vrije Syrische leger. Er is een loonlijst van IS, waarop staat vermeld dat verdachte werkzaam is bij een zogenaamd sniper bataljon. De moeder van de verdachte heeft verklaard dat hij salaris van IS kreeg. In het dossier zitten veel foto’s van verdachte waarop hij bewapend en in gevechtskleding is te zien. Verder zitten er belastende chats in het dossier. Tijdens zijn verblijf in Syrië heeft hij op zeker moment geposeerd naast een overleden man die aan een kruis hangt en hiervan een foto laten maken. Hij heeft deze foto vervolgens verspreid via Facebook. Hiermee heeft hij de overleden persoon aangerand in de persoonlijke waardigheid, hetgeen een oorlogsmisdrijf oplevert. Vrijspraak voor twee andere oorlogsmisdrijven, bestaande uit het verspreid van foto’s waarop overleden personen zijn te zien. Voor de ene foto bestaat onvoldoende bewijs dat hij deze heeft verspreid en het verspreiden van de andere foto is weliswaar een voortzetting van de vernedering en ontering van de overledene, maar op zichzelf niet van zodanige aard en ernst dat dit zonder meer wordt gezien als een aanranding van de persoonlijke waardigheid van de overleden persoon. Geen sprake van ne bis in idem, ondanks veroordeling in Turkije, aangezien de straf niet volledig ten uitvoer is gelegd in Turkije. Wel houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de tijd die de verdachte in Turkije heeft vastgezeten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken