Hof Amsterdam 21 mei 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1985
De verwijten die de notaris worden gemaakt in het hoger beroep dat is ingesteld door het BFT betreffen a) de bedenkingen die de voorzitter van de kamer op grond van artikel 96 lid 6 Wna aan de kamer heeft voorgelegd, waarbij voor wat betreft de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep het BFT op grond van artikel 107 lid 1 Wna als klager wordt aangemerkt en B) de zelfstandige klachten van het BFT. De bedenkingen zoals door de voorzitter ter beoordeling aan de kamer voorgelegd, zien op tien (van de in totaal achttien) door het BFT onderzochte – series van – transacties met betrekking tot onroerende zaken. De voorzitter heeft gemeend dat de notaris ter zake van deze tien transacties heeft gehandeld in strijd met zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 98 lid 1 Wna, nu er ernstige aanwijzingen van onregelmatigheden zijn geconstateerd, zoals onverklaarbare waardeveranderingen. In dit hoger beroep sluit het BFT zich daarbij aan. Het BFT heeft op grond van de resultaten van het door hem verrichte onderzoek een aantal zelfstandige klachten bij de kamer ingediend. Nu het hof noch voor wat betreft de ontvankelijkheid van de klacht(en), noch voor wat betreft de inhoudelijke beoordeling tot een ander oordeel komt dan de kamer, zal de bestreden beslissing worden bevestigd aangezien ook het hof de opgelegde maatregel van berisping in deze passend en geboden acht.
De uitspraak op rechtspraak.nl