Hof Amsterdam 10 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4505
De verwijten die de notarissen in hoger beroep nog worden gemaakt, kunnen worden verdeeld in twee categorieën. De eerste categorie betreft de bedenkingen die de voorzitter op grond van artikel 96 lid 6 (oud) Wna aan de kamer heeft voorgelegd (a). De tweede categorie betreft de zelfstandige klachten die het BFT heeft ingediend op grond van artikel 99 Wna (b). Met de kamer is het hof van oordeel dat de notarissen adequaat hebben gereageerd op de aanwezige, door het BFT aangevoerde indicatoren. De notarissen zijn niet tekortgeschoten in hun zorgplicht en er was evenmin aanleiding hun diensten te weigeren. De kamer heeft overwogen dat de prijssprongen die de woningen bij de ABC-transacties hebben gemaakt voldoende kunnen worden verklaard. Het hof deelt dit oordeel en de gronden waarop het berust. Met betrekking tot de uitbetaling door de notarissen aan een privépersoon (geen partij bij de akte) van voorgeschoten en daarna aan kopers doorbelaste taxatienota’s in bepaalde dossiers, is het hof van oordeel dat deze handelwijze in strijd is met de “Beleidsregel beperking uitbetaling van gelden aan derden” van de KNB (per 1 augustus 2011 vervangen door het “Reglement beperking uitbetaling derdengelden (BUD)”. Deze ambtshalve bedenking is daarom gegrond (notaris sub 1, 2 en 3). De andere ambtshalve bedenkingen die gegrond worden verklaard betreffen de in het kader van de financiering door banken aan kopers verstrekte geldleningen in verband met lopende schulden (notaris sub 2 en 3) en het ten onrechte achterwege laten van het inschakelen van een tolk in het dossier waarbij de koper de Nederlandse taal niet machtig was (notaris sub 2). Het BFT zal in zijn zelfstandige klachten niet-ontvankelijk worden verklaard. Het hof acht het opleggen van de maatregel van waarschuwing aan elk van de notarissen daarom passend en geboden.
De uitspraak op rechtspraak.nl