Hof Amsterdam 20 maart 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9544

De verwijten die de notaris worden gemaakt in het hoger beroep dat is ingesteld door het BFT, kunnen worden gesplitst in twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de bedenkingen die de voorzitter van de kamer op grond van artikel 96 lid 6 Wna aan de kamer heeft voorgelegd (a). Op grond van artikel 107 lid 1 Wna wordt voor wat betreft de mogelijkheid tot het instellen van beroep het bestuur van het BFT als klager aangemerkt, indien de zaak door de voorzitter van de kamer van toezicht ter behandeling aan de kamer is voorgelegd na een onderzoek op grond van artikel 96 lid 2, tweede volzin Wna. Het tweede onderdeel betreft de zelfstandige klachten zoals die door het BFT bij de kamer zijn ingediend op grond van artikel 99 Wna (b). Het hof acht de door het BFT en de notaris ingenomen standpunten – met betrekking tot de taken en onderzoeksbevoegdheden, de ontvankelijkheid en het klachtrecht van het BFT – en de klaarblijkelijk bestaande onduidelijkheden omtrent de vraag welke standpunten naar ’s hofs oordeel de juiste zijn, van een zodanig gewicht dat het hof daar in de opbouw van deze beslissing rekening mee zal houden in die zin, dat het hof hier eerst enige algemene beschouwingen (en conclusies) aan zal wijden alvorens over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van onderhavige zaak. Gezien de algemene beschouwingen (en conclusies) wenst het hof, alvorens op de verweren van de notaris te beslissen, partijen in de gelegenheid te stellen om zich – mede in het licht van ’s hofs oordelen in deze onderhavige tussenbeslissing – nader uit te laten en desgewenst nadere producties in het geding te brengen omtrent de vraag of: - het aannemelijk is dat het BFT in concrete onderdelen van zijn onderzoek de grenzen van zijn onderzoeksbevoegdheden ex artikel 96 Wna heeft overschreden; - de – mogelijke – overschrijding van het BFT van zijn onderzoeksbevoegdheden ex artikel 96 Wna de belangen van de notaris heeft geschaad; - er bij het onderzoek zoals dit door het BFT is verricht, sprake is van welbewuste overschrijding van zijn onderzoeksbevoegdheid dan wel van bijvangst. Het hof heropent de behandeling van de zaak, verzoekt partijen vòòr 1 mei 2012, de stukken (met afschrift aan – de gemachtigden van – de wederpartij) in het geding te brengen als bedoeld in rechtsoverweging 6.8., bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nader te bepalen datum en tijdstip en houdt iedere verdere beslissing aan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen