CRvB 9 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3556
De Svb heeft terecht afwijzend beslist op het (voorwaardelijke) verzoek van betrokkene om op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een regularisatieprocedure te starten. Daartoe is terecht overwogen dat is gebleken dat betrokkene een rechtsmiddel heeft aangewend tegen een beslissing van de Belastingdienst over het al niet verzekerd zijn voor de volksverzekeringen. De Svb neemt hangende dergelijke procedures geen definitieve (nadere) beslissingen over verzekeringsposities. Het gaat hierbij om een discretionaire bevoegdheid waarin de bevoegdheid om afwijzend te beslissen besloten moet worden geacht. Uitgangspunt van Svb is niet onredelijk. In dit verband is het belang van rechtseenheid en rechtszekerheid in aanmerking genomen. Verder wordt opgemerkt dat het nut van het opstarten van bedoelde overlegprocedure mede wordt bepaald door de uitkomst van lopende rechterlijke procedures over de ingevolge de aanwijsregels toe te passen wetgeving en de daarbij van belang geachte omstandigheden. In dit geding is niet gebleken van omstandigheden om in voor betrokkene begunstigende zin af te wijken van het gehanteerde uitgangspunt. Het bevoegdheidsgebrek dat is verbonden aan het bestreden besluit wordt met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, zoals die bepaling sinds 1 januari 2013 luidt, gepasseerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl