CRvB 27 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7312

Appellant is destijds ontslagen met de garantie dat hij aanspraak kan maken op een wachtgelduitkering volgens de voorwaarden van het Wbad, waarvan het niveau voor de periode dat dit beleidskader gold wordt gegarandeerd op ten minste het niveau van 1 januari 1990. Dat betekent, aldus artikel 18 van het SBK, dat een tijdens die periode ontslagen betrokkene geen nadeel zal ondervinden van een eventueel toekomstige nadelige wijziging van de wachtgeldregeling. Hoewel dit SBK per 1 januari 2004 is geactualiseerd, is de Raad van oordeel dat appellant nog immer een beroep op die garantie toekomt, omdat met de actualisering niet is beoogd wijziging te brengen in de toegekende garantie. De materiële wetgever had, gelet op de SBK-garantie, bij de te verrichten belangenafweging tegenover de SBK-ers bijzondere zorgvuldigheid en voldoende respect voor de rechtszekerheid moeten betrachten. In redelijkheid kan niet worden geoordeeld dat daaraan is voldaan. In artikel 23 van het Besluit en de daarop gegeven nota van toelichting, voor zover betrekking hebbend op het niet verstrekken van de verhoging van de salarissen met 0,8% aan sinds 1 maart 2007 gewezen personeel, is geen aandacht besteed aan de (bijzondere positie van) gewezen ambtenaren met een SBK-garantie. Ondanks hun bijzondere garantie zijn de SBK-ers op één lijn gesteld met alle gewezen ambtenaren. Daarmee is naar het oordeel van de Raad afbreuk gedaan aan de eisen van zorgvuldigheid en rechtszekerheid. De minister had daarom artikel 23 van het Besluit, voor zover betrekking hebbend op het onthouden van de salarisverhoging van 0,8%, ten aanzien van appellant buiten toepassing moeten laten.

De uitspraak op rechtspraak.nl