CRvB 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2622

WW-uitkering juist vastgesteld. Het arbeidsurenverlies is in overeenstemming met de wettelijke bepalingen berekend. Dat dit niet heeft geleid tot een WW-recht van 15 uur per week, maar van 9,46 uur per week, is er in gelegen (a) dat bij de berekening van het arbeidsurenverlies rekening wordt gehouden met alle dienstverbanden in de referteperiode, (b) dat appellante bij [BV 2] niet de hele referteperiode heeft gewerkt en (c) dat de uren waarover zij ter zake van de eerdere werkloosheid bij [BV 2] een WW-uitkering heeft ontvangen niet als arbeidsuren worden aangemerkt of daarmee zijn gelijkgesteld. De keuze van de regelgever om uren waarover een WW-uitkering wordt ontvangen niet gelijk te stellen met arbeidsuren als bedoeld in artikel 1a van de WW, kan de – terughoudende – rechterlijke toets van materiële wetgeving (bijvoorbeeld de uitspraken van 27 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7312 en 30 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1115) doorstaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken