CRvB 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2622
WW-uitkering juist vastgesteld. Het arbeidsurenverlies is in overeenstemming met de wettelijke bepalingen berekend. Dat dit niet heeft geleid tot een WW-recht van 15 uur per week, maar van 9,46 uur per week, is er in gelegen (a) dat bij de berekening van het arbeidsurenverlies rekening wordt gehouden met alle dienstverbanden in de referteperiode, (b) dat appellante bij [BV 2] niet de hele referteperiode heeft gewerkt en (c) dat de uren waarover zij ter zake van de eerdere werkloosheid bij [BV 2] een WW-uitkering heeft ontvangen niet als arbeidsuren worden aangemerkt of daarmee zijn gelijkgesteld. De keuze van de regelgever om uren waarover een WW-uitkering wordt ontvangen niet gelijk te stellen met arbeidsuren als bedoeld in artikel 1a van de WW, kan de – terughoudende – rechterlijke toets van materiële wetgeving (bijvoorbeeld de uitspraken van 27 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7312 en 30 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1115) doorstaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 27 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3391
- CRvB 30 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1115
- HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:3679
- CRvB 27 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7312
- CRvB 1 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD9274
- CRvB 30 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3981
- CRvB 9 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT2830
- CRvB 21 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8941
- HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725