Rb. Rotterdam 21 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2942
Vaststellen dagloon WW. Het per 1 juli 2015 geldende Dagloonbesluit werknemersverzekeringen is niet in strijd met het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Onverkorte toepassing van de in artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit, zoals dat vanaf 1 juli 2015 geldt, neergelegde regeling is in het geval van eiser niet in strijd met het loondervingsbeginsel dat aan de WW ten grondslag ligt. Eiser heeft als gevolg van het feit dat hij tegen een lager loon en voor minder uren per week is gaan werken voor het nieuwe WW-recht een lager dagloon. Uit de MvT blijkt dat de wetgever de mogelijk nadelige gevolgen van de dagloonberekening heeft onderkend. De wetgever heeft een doorslaggevend belang toegekend aan het opheffen van de ongelijkheid tussen een werknemer die, ondanks dat hij langer heeft gewerkt, een lager dagloon krijgt dan de werknemer die korter heeft gewerkt en toch een uitkering naar een hoger dagloon ontvangt. De stelling dat er een toezegging is gedaan dat in 2018 compensatie plaatsvindt voor de negatieve gevolgen van het sinds 1 juli 2015 geldende Dagloonbesluit, is onvoldoende om aan de inhoud of de wijze van totstandkoming van artikel 5 van het Dagloonbesluit ernstige gebreken aan te nemen. De stelling, met een beroep op de uitspraken van de Raad van 30 maart 2016, dat eiser niet heeft kunnen anticiperen op het wegvallen van de dagloongarantie zoals dit gold tot 1 juli 2015 en zelfs zoals dit gold tot 1 juni 2013, kan niet slagen.
De uitspraak op rechtspraak.nl