CRvB 30 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1114
Artikel 12 Dagloonbesluit werknemersverzekeringen is niet in strijd met artikel 1 van het Eerste protocol, art. 26 IVBPR of art. 14 EVRM: 1. In het licht van de wijziging van artikel 45 van de WW per 1 juni 2013, de daarbij gemaakte keuzen gericht op vereenvoudiging van wet- en regelgeving en het terugdringen van de uitvoeringskosten, en uit de afweging zoals die uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet Vereenvoudigingen regelingen UWV en uit de nota van toelichting bij het Dagloonbesluit blijkt, kan van artikel 12 van het Dagloonbesluit niet worden gezegd dat dit artikel in strijd is met algemene rechtsbeginselen of algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het is aan de materiële wetgever voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen. Dat die afweging in een betrekkelijk korte periode verschillende resultaten heeft opgeleverd waar het gaat om de regeling van de dagloongarantie, dient de rechter te respecteren, mede gelet op het feit dat de regering een onderbouwing heeft gegeven voor de herinvoering van de (herziene) dagloongarantie zonder terugwerkende kracht. 2.Het overgangsrecht van artikel 26 van het Dagloonbesluit geeft geen regeling voor een dagloongarantie van de groep van werknemers die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Dagloonbesluit de overstap van de ene naar de andere dienstbetrekking hebben gemaakt, zonder tussenliggende werkloosheid. De inhoud van de wijziging in de dagloongarantieregeling per 1 juni 2013 is niet eerder dan met de plaatsing in het Staatsblad van 30 mei 2013 bekend gemaakt. De werknemers die de overstap van werk naar werk zonder tussenliggende werkloosheid hebben gemaakt vóór 31 mei 2013, waren in de periode op of na 31 mei 2013 niet meer in staat om zich aan de werking van het Dagloonbesluit te onttrekken door het onmiddellijke vervallen van de tot dan toe bestaande dagloongarantie. De materiële wetgever had, gelet op artikel 17, eerste lid, van het Besluit dagloonregels, bij de te verrichten belangenafweging bijzondere zorgvuldigheid en voldoende respect voor de rechtszekerheid moeten betrachten bij het laten vervallen van de dagloongarantieregeling voor gevallen van overgang van werk naar werk zonder tussenliggende werkloosheidsuitkering. Aan die eis is niet voldaan, omdat in het geheel geen rekening is gehouden met de belangen van deze groep werknemers. Voor deze groep had een uitzondering moeten worden gemaakt op de overgangsrechtelijke hoofdregel dat de eerste uitkeringsdag beslissend is en de werking van artikel 17, eerste lid, van het Besluit dagloonregels in stand moeten blijven. Het Uwv had daarom artikel 12 van het Dagloonbesluit ten aanzien van deze groep werknemers buiten toepassing dienen te laten en moeten beoordelen of toepassing van artikel 17 van het Besluit dagloonregels tot een hoger dagloon leidt. 3. Voor werknemers die na 30 mei 2013 de overstap van de ene naar de andere dienstbetrekking hebben gemaakt zonder tussenliggende werkloosheidsuitkering, is dat anders. Voor hen geldt dat zij zich na raadpleging en eventuele advisering over de toen beschikbaar gekomen informatie over het Dagloonbesluit wel hadden kunnen instellen op de wijziging van de dagloonregels. Zij hadden vanaf die datum de mogelijke gevolgen van een dergelijke overstap kunnen overzien en hun beslissing daarop kunnen afstemmen. 4. Het niet langer toepassen van een dagloongarantie is niet in strijd met het Eerste Protocol bij het EVRM. Gebleken is dat niet aan alle voorwaarden voor een dagloongarantie is voldaan. Het Uwv heeft zijn vergissing vastgesteld en de gemaakte fout snel aan appellante kenbaar gemaakt met zijn besluit van 5 december 2013 en de verlaging van het dagloon in laten gaan per de eerste dag van de betaaltermijn van vier weken die volgt op het besluit van 5 december 2013. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat sprake is van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol. 5. Artikel 12, eerste lid, van het Dagloonbesluit is niet in strijd is met artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM. In dit verband is betoogd dat er sprake is van een ongeoorloofd onderscheid tussen werknemers die er (toevallig) in slagen om aansluitend aan het eindigen van hun arbeidsovereenkomst ander werk te vinden en werknemers die dat niet lukt. Voorts is gewezen op de categorie starters en flexwerkers ten aanzien van wie de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 27 november 2015 (Kamerstukken II 2015/2016, 34 351, nr. 1) heeft meegedeeld in overleg met het Uwv de mogelijkheid te bezien van een aparte overgangsregeling op grond waarvan eenmalig een bedrag wordt verstrekt ter compensatie van de nadelige effecten van het Dagloonbesluit. Dit levert geen strijd op met genoemde verdragsbepalingen, alleen al omdat hier geen sprake is van gelijke gevallen. Het gaat om verschillende groepen werknemers die in andere omstandigheden verkeren. 6. Ten slotte is betoogd dat het Dagloonbesluit ertoe leidt dat oudere werknemers en werknemers die in dienst zijn van een uitzendbureau, meer getroffen worden, omdat zij vaker van werkgever wisselen en daarmee een grotere kans hebben, dat zij werk moeten aanvaarden tegen een lager loon dan zij in het voorgaande dienstverband hebben genoten. Er zijn geen voldoende (statistische) gegevens voorhanden waaruit de juistheid van deze stelling kan worden afgeleid. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een vermoeden van indirecte discriminatie.
De uitspraak op rechtspraak.nl