CRvB 30 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1102

Artikel 12, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen is niet in strijd met het Eerste Protocol bij het EVRM. In het geval van appellant is door de wijziging van de dagloongarantie WW geen bestaand eigendomsrecht ontnomen. Evenmin was ten tijde van zijn aanspraak op werkloosheidsuitkering op 3 februari 2014 sprake van een legitieme verwachting dat de uitkering zou worden gebaseerd op de dagloongarantie WW zoals die gold voor 1 juni 2013. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens beschermt artikel 1 van het Eerste Protocol niet het recht zich eigendom te verwerven en evenmin de aanspraak op een uitkering van een bepaalde hoogte. Noch artikel 12 van het Dagloonbesluit, noch de toepassing van deze bepaling in dit geval, is dan ook in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol. Artikel 12, eerste lid, van het Dagloonbesluit is niet in strijd is met artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM. In dit verband is betoogd dat er sprake is van een ongeoorloofd onderscheid tussen werknemers die er (toevallig) in slagen om aansluitend aan het eindigen van hun arbeidsovereenkomst ander werk te vinden en werknemers die dat niet lukt. Voorts is gewezen op de categorie starters en flexwerkers ten aanzien van wie de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 27 november 2015 (Kamerstukken II 2015/2016, 34 351, nr. 1) heeft meegedeeld in overleg met het Uwv de mogelijkheid te bezien van een aparte overgangsregeling op grond waarvan eenmalig een bedrag wordt verstrekt ter compensatie van de nadelige effecten van het Dagloonbesluit. Dit levert geen strijd op met genoemde verdragsbepalingen, alleen al omdat hier geen sprake is van gelijke gevallen. Het gaat om verschillende groepen werknemers die in andere omstandigheden verkeren. Ten slotte is betoogd dat het Dagloonbesluit ertoe leidt dat oudere werknemers en werknemers die in dienst zijn van een uitzendbureau, meer getroffen worden, omdat zij vaker van werkgever wisselen en daarmee een grotere kans hebben, dat zij werk moeten aanvaarden tegen een lager loon dan zij in het voorgaande dienstverband hebben genoten. Er zijn geen voldoende (statistische) gegevens voorhanden waaruit de juistheid van deze stelling kan worden afgeleid. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een vermoeden van indirecte discriminatie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken