Gerecht EU 25 september 2024, T-483/21, ECLI:EU:T:2024:651
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)
25 september 2024 ( *1 )
„Energie – Interne markt voor elektriciteit – Gemeenschappelijke methodologie voor regionale coördinatie van de operationele veiligheid – Afwijzing van het voorstel van de systeembeheerders – Capaciteitsberekeningsregio – CORE-regio – Verenigbaarheid met verordening (EU) 2019/942, verordening (EU) 2019/943 en verordening (EU) 2017/1485”
In zaak T‑483/21,
Polskie sieci elektroenergetyczne S.A., gevestigd te Konstancin-Jeziorna (Polen), vertegenwoordigd door S. Goldberg, solicitor, A. Galos en E. White, advocaten,
verzoekster,
ondersteund door
Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna en M. Rzotkiewicz als gemachtigden,
interveniënte,
tegen
Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER), vertegenwoordigd door P. Martinet, Z. Vujasinovic en E. Tremmel als gemachtigden, bijgestaan door P. Goffinet, M. Shehu en L. Bersou, advocaten,
verweerder,
wijst
HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: F. Schalin, president, P. Škvařilová-Pelzl, I. Nõmm, G. Steinfatt en D. Kukovec (rapporteur), rechters,
griffier: I. Kurme, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 14 juni 2023,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU verzoekt verzoekster, Polskie sieci elektroenergetyczne S.A., om vernietiging van de beslissing van de raad van beroep van het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) van 28 mei 2021 (hierna: „bestreden beslissing”) houdende bevestiging van besluit nr. 33/2020 van ACER van 4 december 2020 betreffende het voorstel van de transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (hierna: „TSB’s”) van de „CORE”-capaciteitsberekeningsregio bestaande uit België, Tsjechië, Duitsland, Frankrijk, Kroatië, Luxemburg, Hongarije, Nederland, Oostenrijk, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije (hierna: „CORE-regio”) betreffende de gemeenschappelijke methodologie voor regionale coördinatie van de operationele veiligheid [hierna: „veiligheidsmethodologie (ROSC)”], en houdende verwerping van haar beroep in zaak A-007‑2021 (geconsolideerd).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekster is als TSB verantwoordelijk voor het beheer, het onderhoud en de ontwikkeling van het elektriciteitsnet in Polen. Verzoekster is een overheidsbedrijf, met als enige aandeelhouder het Poolse ministerie van Financiën, vertegenwoordigd door de gevolmachtigde minister voor Strategische Energie-infrastructuur.
3 Op 17 november 2016 heeft ACER besluit nr. 06/2016 tot afbakening van de capaciteitsberekeningsregio’s vastgesteld. Artikel 1 van en bijlage I bij dit besluit bevatten een lijst van het grondgebied van de lidstaten die tot de CORE-regio behoren.
4 Overeenkomstig artikel 5, lid 1, artikel 6, lid 3, onder b), en artikel 76 van verordening (EU) 2017/1485 van de Commissie van 2 augustus 2017 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende het beheer van elektriciteitstransmissiesystemen (PB 2017, L 220, blz. 1), leggen de TSB’s van elke capaciteitsberekeningsregio uiterlijk drie maanden na de goedkeuring van de methodologie voor coördinatie van de operationele veiligheidsanalyse [hierna: „analysemethodologie (CSAM)”], als bedoeld in artikel 75, lid 1, van die verordening, een veiligheidsmethodologie (ROSC) ter goedkeuring voor aan de nationale regulerende instanties (hierna: „NRI’s”).
5 Aangezien de analysemethodologie (CSAM) op 19 juni 2019 is goedgekeurd bij besluit nr. 07/2019 van ACER, moesten de TSB’s ten laatste op 19 september 2019 een voorstel voor een veiligheidsmethodologie (ROSC) indienen. De TSB’s hebben dat niet gedaan en hebben de Europese Commissie op de hoogte gesteld van hun vertraging, waarop deze ermee heeft ingestemd om de indieningstermijn te verlengen tot 21 december 2019.
6 Op 19 december 2019 hebben de TSB’s van de CORE-regio bij de NRI’s „overeenkomstig artikel 76 van verordening 2017/1485 voor de CORE-regio een gemeenschappelijke TSB-methodologie voor de regionale coördinatie van de operationele veiligheid” (hierna: „TSB-voorstel”) ingediend. De laatste NRI heeft het TSB-voorstel op 31 januari 2020 ontvangen.
7 Bij het TSB-voorstel was een toelichting gevoegd.
8 Volgens artikel 6, lid 7, van verordening 2017/1485 dienden de NRI’s overeenstemming te bereiken en een besluit te nemen over het TSB-voorstel binnen een termijn van zes maanden na de ontvangst ervan door de laatste NRI. Indien de NRI’s er niet in slaagden om binnen die periode van zes maanden of op hun gezamenlijk verzoek overeenstemming te bereiken, moest ACER overeenkomstig artikel 6, lid 8, van die verordening binnen een termijn van zes maanden een besluit vaststellen over het genoemde voorstel, overeenkomstig artikel 6, lid 10, van verordening (EU) 2019/942 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (PB 2019, L 158, blz. 22).
9 Op 5 juni 2020 heeft de voorzitter van het forum van de energieregulators van de CORE-regio, namens de NRI’s voor die regio, ACER ervan in kennis gesteld dat deze laatste instanties ermee hadden ingestemd ACER te verzoeken om overeenkomstig artikel 6, lid 8, van verordening 2017/1485 een besluit over het TSB-voorstel te nemen. Dit bij e-mail verzonden verzoek ging vergezeld van een informeel document van de NRI’s van de CORE-regio over het TSB-voorstel, waarin hun standpunt werd uiteengezet.
10 Naar aanleiding van dat verzoek heeft ACER zich bevoegd verklaard om een individueel besluit over een veiligheidsmethodologie (ROSC) voor de CORE-regio vast te stellen overeenkomstig artikel 6, lid 10, onder b), tweede alinea, van verordening 2019/942.
11 Na een lange periode van samenwerking, overleg en besprekingen tussen ACER, alle NRI’s van de CORE-regio en alle TSB’s in deze regio over het voorstel van de TSB’s en over de wijzigingen die tijdens verschillende bijeenkomsten en stemronden in dit voorstel zijn aangebracht, heeft de raad van regulators van ACER, die bestaat uit vertegenwoordigers van de NRI’s, besluit nr. 33/2020 vastgesteld. Bijlage I bij dat besluit bevat de veiligheidsmethodologie (ROSC) voor de CORE-regio overeenkomstig artikel 76 van verordening 2017/1485 [hierna: „betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC)”].
12 Op 4 februari 2021 heeft verzoekster overeenkomstig artikel 28 van verordening 2019/942 bij de raad van beroep van ACER beroep tot nietigverklaring van besluit nr. 33/2020 ingesteld. Een andere TSB van de CORE-regio, TransnetBW GmbH, is eveneens tegen dit besluit opgekomen. Op 18 februari 2021 heeft de raad van beroep de twee beroepen gevoegd tot één zaak met nummer A-007‑2021 (geconsolideerd).
13 Bij de bestreden beslissing van 28 mei 2021 heeft de raad van beroep van ACER besluit nr. 33/2020 bevestigd en beide tegen dat besluit ingestelde beroepen tot nietigverklaring in hun geheel verworpen.
Conclusies van partijen
14 Verzoekster, daarin ondersteund door de Republiek Polen, verzoekt het Gerecht: – de bestreden beslissing te vernietigen; – ACER te verwijzen in de kosten.
15 ACER verzoekt het Gerecht: – het beroep in zijn geheel te verwerpen; – verzoekster en de Republiek Polen te verwijzen in de kosten.
In rechte
16 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan. Met het eerste middel wordt aangevoerd dat de raad van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich in wezen op het standpunt te stellen dat ACER bevoegd was om de werkingssfeer en de omvang van de regionale coördinatie uit te breiden. Met het tweede middel wordt aangevoerd dat de raad van beroep de bestreden beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd. Met het derde middel stelt verzoekster dat de raad van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich op het standpunt te stellen dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) in overeenstemming was met artikel 35 van verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB 2019, L 158, blz. 54) en met artikel 40 van richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU (PB 2019, L 158, blz. 125), ofschoon de werkingssfeer ervan te ruim was. Met het vierde middel wordt aangevoerd dat de raad van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich op het standpunt te stellen dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) geen afbreuk deed aan de mogelijkheid voor de TSB’s om het centraal dispatchingmodel te gebruiken. Met het vijfde middel wordt aangevoerd dat de raad van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door tot de slotsom te komen dat in de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) billijke regels zijn vastgesteld voor de grensoverschrijdende handel in elektriciteit en is voorzien in passende stimulansen voor congestiebeheer en doeltreffende investeringen in remediërende maatregelen in verband met apparatuur. Met het zesde middel wordt aangevoerd dat de raad van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich op het standpunt te stellen dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) het behoud van de operationeleveiligheidsgrenzen, in het bijzonder de spanningsgrenzen, niet belemmerde en dat deze methodologie bijgevolg voldeed aan de relevante wettelijke bepalingen.
17 Het Gerecht acht het passend om eerst het eerste en het derde middel samen te onderzoeken, en daarna achtereenvolgens in te gaan op verzoeksters vierde, vijfde, zesde en tweede middel.
Opmerkingen vooraf over het regionale evaluatieproces van de operationele veiligheid
18 Volgens artikel 3 van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) omvat de regionale coördinatie van de operationele veiligheid die door deze methodologie wordt geregeld, ten eerste, de regionale analyse van de operationele veiligheid en, ten tweede, het regionale evaluatieproces van de operationele veiligheid (hierna: „CROSA-proces”), dat overeenkomstig artikel 78, lid 2, onder a), van verordening 2017/1485 wordt uitgevoerd door de regionale coördinatiecentra (hierna: „regionale centra”), en dat leidt tot het op gecoördineerde wijze opstellen van remediërende maatregelen overeenkomstig artikel 76, lid 1, onder b), van die verordening.
19 Voorafgaand aan het onderzoek ten gronde van de door verzoekster aangevoerde middelen en argumenten dient de werking van het CROSA-proces te worden uiteengezet teneinde de context van de onderhavige procedure beter te begrijpen en aldus de technische middelen die verzoekster aanvoert beter te vatten.
20 Het CROSA-proces is een proces dat één keer plaatsvindt daags voor de levering van de elektriciteit en vervolgens ten minste driemaal op de dag van levering, overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC).
21 Dit proces begint met de lokale beoordeling van de operationele veiligheid, die elke TSB in zijn net verricht overeenkomstig artikel 13 en artikel 14, lid 1, van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC).
22 Die evaluatie leidt ertoe dat elke TSB een „individueel netwerkmodel” ontwikkelt, dat in artikel 2, punt 1, van verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie van 24 juli 2015 tot vaststelling van richtsnoeren betreffende capaciteitstoewijzing en congestiebeheer (PB 2015, L 197, blz. 24) met name wordt gedefinieerd als „een reeks gegevens die de karakteristieke kenmerken van een elektriciteitssysteem (opwekking, basislast en netwerktopologie) omschrijven”.
23 Wanneer de stroom op een lijn in het individuele netwerkmodel de maximale stroom overschrijdt, leidt dit tot fysieke congestie die de veiligheid in het gedrang brengt. In een dergelijke situatie moeten remediërende maatregelen worden voorbereid en uitgevoerd om te voldoen aan de operationeleveiligheidsgrenzen.
24 Een „remediërende maatregel” wordt in artikel 2, punt 13, van verordening 2015/1222 gedefinieerd als „elke maatregel die door een TSB of door verschillende TSB’s manueel of automatisch wordt toegepast om de operationele veiligheid in stand te houden”. Het gaat met name om „redispatching”, wat in artikel 2, punt 26, van verordening 2019/943 wordt gedefinieerd als „een maatregel, met inbegrip van beperking, die door een of meerdere [TSB’s] [...] wordt geactiveerd door een wijziging van het productie- en/of belastingspatroon teneinde de fysieke stromen in het elektriciteitssysteem te veranderen en fysieke congestie te verlichten of de systeemveiligheid op een andere manier te waarborgen”, of „compensatiehandel”, welk begrip in artikel 2, punt 27, van deze verordening wordt gedefinieerd als „een zoneoverschrijdende transactie die door systeembeheerders tussen twee biedzones is opgestart om fysieke congestie te verlichten”.
25 De TSB kan bij het opstellen van het individuele netwerkmodel en het identificeren van congestie de activering van remediërende maatregelen in bijna-realtime plannen om deze inbreuken op de operationele veiligheid aan te pakken in overeenstemming met artikel 14, lid 2, van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC). Deze maatregelen kunnen al dan niet grensoverschrijdende relevantie hebben.
26 Volgens artikel 9, lid 2, van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) zijn remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie maatregelen die minstens soms een oplossing kunnen bieden voor de congestie op de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), van die methodologie genoemde elementen, dat wil zeggen alle kritische netelementen die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de zoneoverschrijdende capaciteit, zoals opgenomen in de methodologieën voor capaciteitsberekening, en alle andere netelementen met een spanning van 220 kilovolt (kV) of meer. Overeenkomstig artikel 7, lid 3, onder d), i) en ii), van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) kan elke TSB echter eenzijdig bepaalde netelementen uitsluiten van het CROSA-proces. Bovendien kunnen TSB’s overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder b), van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) ook unaniem alle netelementen van het CROSA-proces uitsluiten, met uitzondering van de kritische netelementen.
27 De TSB vermeldt in zijn individueel netwerkmodel ook de beschikbaarheid van alle remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie overeenkomstig artikel 13, lid 1, van diezelfde methodologie.
28 Vervolgens worden de individuele netwerkmodellen overeenkomstig artikel 18 van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) aan de regionale centra verstrekt en door deze laatste samengevoegd met het oog op de totstandbrenging van een gemeenschappelijk netwerkmodel voor alle uren van de dag. Het „gemeenschappelijk netwerkmodel” wordt in artikel 2, punt 2, van verordening 2015/1222 met name gedefinieerd als „een voor de gehele Unie geldende reeks gegevens waarover meerdere TSB’s overeenstemming hebben bereikt en die de voornaamste kenmerken van het elektriciteitssysteem (opwekking, basislasten en netwerktopologie) omschrijven”.
29 Ook al levert elke TSB een congestievrij individueel netwerkmodel, toch kunnen de stromen ten gevolge van de geplande remediërende maatregelen naar de netelementen veranderen op het moment dat de verschillende modellen in het gemeenschappelijke netwerkmodel worden samengevoegd en kan er dan opnieuw congestie ontstaan.
30 Bijgevolg heeft het CROSA-proces tot doel om de remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie te coördineren, te valideren en uit te voeren overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder b), van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC). Meer in het bijzonder stelt het algoritme binnen het CROSA-proces, bekend als „optimalisering van remediërende maatregelen”, voor elk uur in het gemeenschappelijk netwerkmodel een optimale combinatie vast van alle bij de TSB’s beschikbare remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie, teneinde alle vastgestelde congesties op netelementen met een grensoverschrijdend effect in het gemeenschappelijk netwerkmodel op te lossen zonder nieuwe congestie te veroorzaken, overeenkomstig de artikelen 20, 23, 24 en 27, lid 1, van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC).
31 Deze remediërende maatregelen worden in de loop van de volgende dag in bijna-realtime uitgevoerd, overeenkomstig artikel 31, lid 1, van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC).
32 Het zogenoemde „intraday”-CROSA-proces beantwoordt aan dezelfde logica. Dit proces vindt plaats op de dag van de levering van elektriciteit. De regionale centra stellen ten behoeve van de TSB’s in de loop van de dag minstens drie keer remediërende maatregelen op met een gecoördineerde grensoverschrijdende impact.
33 Indien een TSB tussen twee iteraties van het CROSA-proces of na de laatste iteratie van het CROSA-proces een nieuwe schending van de operationele veiligheid ontdekt, kan hij die bij de uitvoering van de lokale operationeleveiligheidsanalyse evenwel verhelpen door middel van de snelle activeringsprocedure, buiten het CROSA-proces om, overeenkomstig artikel 33, lid 2, onder b), van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC).
Eerste en derde middel: bevoegdheid van ACER en werkingssfeer van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC)
34 Met haar eerste middel betoogt verzoekster, ondersteund door de Republiek Polen, om te beginnen dat ACER niet bevoegd was om af te wijken van het voorstel van de TSB’s betreffende de werkingssfeer van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) en om die werkingssfeer uit te breiden. Vervolgens stelt zij dat de bevoegdheden van ACER niet „nauwkeurig zijn omschreven” in de zin van de rechtspraak van het Hof, op grond dat de raad van beroep in punt 484 van de bestreden beslissing heeft benadrukt dat de bevoegdheden van ACER enkel worden beperkt door het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel, in de zin van de artikelen 4 en 5 VEU. Ten slotte haalt verzoekster verschillende voorbeelden uit de bestreden beslissing aan waaruit zou blijken dat de raad van beroep zou hebben aanvaard, en zelfs zou hebben toegejuicht, dat ACER van zijn bevoegdheden afweek, hoewel het daarvoor geen rechtsgrondslag had.
35 Met het derde middel voert verzoekster, ondersteund door de Republiek Polen, aan dat de raad van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich op het standpunt te stellen dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) en in het bijzonder de daarin gehanteerde definitie van netelementen en remediërende maatregelen in overeenstemming waren met artikel 35, lid 5, van verordening 2019/943 en artikel 40, lid 1, onder d), van richtlijn 2019/944. Volgens verzoekster worden in deze methodologie nagenoeg alle elementen van haar net en alle remediërende maatregelen als maatregelen met grensoverschrijdende relevantie gekwalificeerd, waardoor de TSB’s niet langer in staat zijn om de elektriciteitsstromen op hun net te beheren en hun verplichtingen na te komen, zodat hun capaciteit om de operationele veiligheid te waarborgen wordt beperkt. Door op die manier te werk te gaan, gaat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) voorbij aan het onderscheid tussen overschrijdingen van de operationele veiligheid die op gecoördineerde wijze beheerd „moeten” worden en die welke dit niet „hoeven” te worden, zoals blijkt uit artikel 21, lid 1, onder a), van verordening 2017/1485, en schendt zij artikel 76, lid 2, van die verordening, waaruit dit onderscheid voortvloeit.
36 In repliek voert verzoekster ook aan dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) niet verenigbaar is met artikel 16 van de analysemethodologie (CSAM), dat bepaalt dat de TSB’s bij de voorbereiding van de veiligheidsmethodologie (ROSC) „regels [moeten] vaststellen voor het opstellen van een gemeenschappelijke lijst van remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie en voor het vaststellen van de TSB’s waarop dergelijke remediërende maatregelen van invloed zijn, overeenkomstig artikel 15” van de analysemethodologie (CSAM). In de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) heeft ACER echter een vermoeden van grensoverschrijdende relevantie ingevoerd, dat door de TSB’s alleen met eenparigheid van stemmen kan worden weerlegd.
37 ACER betwist de argumenten van verzoekster en van de Republiek Polen en concludeert tot afwijzing van deze middelen.
38 In dit kader betwist ACER de ontvankelijkheid van het eerste en het derde middel. Wat het eerste middel betreft, voert ACER ten eerste aan dat het onvoldoende duidelijk en nauwkeurig is in de zin van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, waardoor het op dat middel geen nuttig antwoord kan geven, en ten tweede dat het een nieuw middel is dat niet voor de raad van beroep is aangevoerd. Het derde middel is volgens ACER in de eerste plaats gebaseerd op argumenten die reeds op identieke wijze zijn geformuleerd voor de raad van beroep, en in de tweede plaats op een nieuw argument dat op artikel 21, lid 1, van verordening 2017/1485 is gebaseerd.
Ontvankelijkheid van het eerste en het derde middel
39 Wat het onvoldoende duidelijk en nauwkeurig karakter van het eerste middel in de zin van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering betreft, blijkt met name uit het verweerschrift van ACER dat het alle grieven die in dit verband door verzoekster zijn geformuleerd, heeft begrepen en daar op nuttige wijze op heeft geantwoord, zodat het Gerecht zijn toezicht kan uitoefenen. Dit heeft tot gevolg dat deze exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden afgewezen.
40 Wat de vraag betreft of dit eerste middel nieuw is, lijkt de bevoegdheid van ACER om een besluit vast te stellen dat afwijkt van het voorstel van de TSB’s met betrekking tot de werkingssfeer van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC), door verzoekster niet uitdrukkelijk te zijn betwist voor de raad van beroep, zodat dit middel niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Zoals blijkt uit artikel 29 van verordening 2019/942, kunnen beroepen tot nietigverklaring van een door ACER op grond van die verordening genomen besluit namelijk alleen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie worden ingesteld nadat de in artikel 28 van die verordening bedoelde procedure voor de raad van beroep is uitgeput, hetgeen in beginsel impliceert dat middelen die niet voor die raad zijn aangevoerd, niet voor het eerst in het kader van een beroep tot nietigverklaring voor het Gerecht kunnen worden aangevoerd. Aangezien dat beroep uitsluitend betrekking heeft op de beslissing van deze raad van beroep, moet het namelijk worden ingesteld met inachtneming van het feitelijke en juridische kader van de geschillen zoals die voor een dergelijke raad van beroep zijn gebracht (arrest van 16 maart 2022, MEKH en FGSZ/ACER, T‑684/19 en T‑704/19, EU:T:2022:138, punt 48). Hoe dan ook is dit eerste middel om de hierna uiteengezette redenen ongegrond en moet het dus worden afgewezen.
41 Wat de ter ondersteuning van het derde middel aangevoerde argumenten betreft, die door verzoekster reeds op identieke wijze voor de raad van beroep zouden zijn aangevoerd, moet ervan worden uitgegaan dat verzoekster het recht heeft om de redenering die door de raad van beroep in de bestreden beslissing is gevolgd, voor het Gerecht te betwisten en, meer in het bijzonder in een poging om aan te tonen dat deze redenering blijk geeft van onjuiste rechtsopvattingen, om zich – indien zij dit nodig acht – te baseren op grieven die reeds voor die raad zijn aangevoerd maar door hem zijn afgewezen. Anders zou de procedure voor het Gerecht deels haar betekenis verliezen. In casu heeft de raad van beroep in punt 566 van de bestreden beslissing zijn analyse van de werkingssfeer van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) afgesloten met de overweging dat deze in overeenstemming was met artikel 35, lid 5, van verordening 2019/943, artikel 40, lid 1, onder d), van richtlijn 2019/944 en artikel 21, lid 1, van verordening 2017/1485. Hieruit volgt dat verzoeksters argumenten ter betwisting van de slotsom waartoe de raad van beroep in de bestreden beslissing is gekomen, ontvankelijk zijn.
42 Wat het vermeende nieuwe karakter betreft van het op artikel 21, lid 1, van verordening 2017/1485 gebaseerde argument dat verzoekster ter ondersteuning van het derde middel heeft aangevoerd, moet worden vastgesteld dat de raad van beroep in de punten 552 tot en met 566 van de bestreden beslissing bij de toetsing van het begrip „remediërende maatregel met grensoverschrijdende relevantie” met name zijn redenering op die bepaling heeft gebaseerd. Hieruit volgt dat dit argument, anders dan ACER stelt, niet als nieuw kan worden aangemerkt en dus ontvankelijk is.
Gegrondheid van het eerste middel
43 Wat de gegrondheid van het eerste middel betreft, zij opgemerkt dat artikel 6, lid 10, van verordening 2019/942 en artikel 6, lid 8, van verordening 2017/1485, ACER machtigen om binnen een termijn van zes maanden een besluit te nemen of individuele besluiten vast te stellen over reguleringskwesties of -gevallen met gevolgen voor de grensoverschrijdende uitwisseling van elektriciteit of de grensoverschrijdende systeemveiligheid die onder de bevoegdheid van de NRI’s vallen, zoals de vaststelling van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC), indien de bevoegde NRI’s geen overeenstemming hebben bereikt binnen de daarvoor gestelde termijn of een gezamenlijk verzoek in die zin aan ACER hebben gericht.
44 In casu staat vast dat de NRI’s van de CORE-regio bij e-mail van 5 juni 2020 via de voorzitter van het forum van energieregulators van die regio, ACER overeenkomstig artikel 6, lid 8, van verordening 2017/1485 gezamenlijk hebben verzocht om een besluit te nemen over het voorstel van de TSB’s.
45 De bevoegdheid van ACER om een standpunt in te nemen of een definitief besluit vast te stellen over de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) berustte in casu dus op de in artikel 6, lid 10, tweede alinea, onder b), van verordening 2019/942 en artikel 6, lid 8, van verordening 2017/1485 bedoelde omstandigheid dat alle NRI’s ACER gezamenlijk hebben verzocht zich over die methodologie uit te spreken.
46 In dit verband zij eraan herinnerd dat het Gerecht – met name rekening houdend met de bewoordingen van artikel 6 van verordening 2019/942, maar ook met de context en de doelstellingen van die regeling – in de punten 39 tot en met 61 van zijn arrest van 15 februari 2023, Austrian Power Grid e.a./ACER (T‑606/20, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:64), heeft geoordeeld dat ACER niet gebonden was aan het standpunt van de bevoegde NRI’s en dat het, gelet op de eigen beslissingsbevoegdheid die het heeft gekregen en met het oog op het doeltreffend vervullen van zijn regelgevende taken, de voorstellen van de TSB’s kan wijzigen voordat zij worden goedgekeurd. Gezien de formulering ervan moet artikel 6, lid 8, van verordening 2017/1485, die in dezelfde context past als verordening 2019/942 en soortgelijke doelstellingen nastreeft als deze laatste verordening, in dezelfde zin worden uitgelegd, aangezien ACER op grond daarvan zelf kan beslissen over de voorstellen die de NRI’s hebben voorgelegd, zoals in casu het geval is met betrekking tot de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC).
47 Uit het voorgaande volgt dat de bevoegdheden van ACER dienaangaande nauwkeurig zijn afgebakend door artikel 6, lid 10, van verordening 2019/942 en artikel 6, lid 8, van verordening 2017/1485, zodat verzoeksters grief, waarin het tegendeel wordt beweerd, kan worden afgewezen.
48 Uit het voorgaande volgt ook dat ACER, anders dan verzoekster betoogt, op grond van artikel 6, lid 10, van verordening 2019/942 en artikel 6, lid 8, van verordening 2017/1485 bevoegd was om af te wijken van het voorstel van de TSB’s betreffende de werkingssfeer van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) en daarvoor over een rechtsgrondslag beschikte.
Gegrondheid van het derde middel
49 Wat de gegrondheid van het derde middel betreft, moet worden vastgesteld dat uit artikel 35, lid 5, van verordening 2019/943 blijkt dat de TSB’s verantwoordelijk zijn voor het beheer van de elektriciteitsstromen en het verzekeren van een veilig, betrouwbaar en efficiënt elektriciteitssysteem overeenkomstig artikel 40, lid 1, onder d), van richtlijn 2019/944, terwijl de regionale centra de rol van de TSB’s aanvullen door de taken van regionaal belang uit te voeren die hun overeenkomstig artikel 37 van verordening 2019/943 zijn toegewezen.
50 Artikel 37, lid 1, onder b), van verordening 2019/943 bepaalt dat de regionale centra verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het CROSA-proces volgens de krachtens verordening 2017/1485 ontwikkelde methoden. In het kader van deze bevoegdheid stellen zij gecoördineerde acties vast die zijn gericht aan de TSB’s, die deze acties uitvoeren, tenzij dat zou resulteren in een overschrijding van de operationeleveiligheidsgrenzen die elke TSB overeenkomstig artikel 42, lid 2, van verordening 2019/943 heeft vastgesteld.
51 Volgens verzoekster beperkt artikel 21, lid 1, onder a), van verordening 2017/1485 de coördinatie door de regionale centra uitsluitend tot het beheer van overschrijdingen van de operationele veiligheid die op gecoördineerde wijze beheerd „moeten” worden, terwijl de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) ook overschrijdingen betreft die niet op een dergelijke wijze beheerd „hoeven” te worden.
52 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat artikel 21, lid 1, van verordening 2017/1485, voor de definitie van overschrijdingen van de operationele veiligheid die op gecoördineerde wijze moeten worden beheerd, niet zelf bepaalt voor welke overschrijdingen van de operationele veiligheid een gecoördineerd beheer nodig is en voor welke overschrijdingen dat niet noodzakelijk is, maar in dit verband verwijst naar artikel 76 van verordening 2017/1485 en naar de op basis van dat artikel vastgestelde veiligheidsmethodologie (ROSC). Verzoekster geeft overigens zelf te kennen dat het in artikel 76, lid 2, van verordening 2017/1485 bedoelde criterium het relevante juridische criterium is om te bepalen welke remediërende maatregelen op gecoördineerde wijze „moeten” worden beheerd.
53 Hieruit volgt dat bij het onderzoek van de gegrondheid van het derde middel allereerst moet worden nagegaan of de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) berust op een onjuiste uitlegging van artikel 76, lid 2, van verordening 2017/1485, om vervolgens in te gaan op de grief inzake schending van de uit artikel 35 van verordening 2019/943 en artikel 40 van richtlijn 2019/944 voortvloeiende bevoegdheden van de TSB’s, en ten slotte op de door verzoekster in repliek aangevoerde grief betreffende de vermeende onjuiste toepassing van artikel 16 van de analysemethodologie (CSAM).
- Onjuiste uitlegging van artikel 76, lid 2, van verordening 2017/1485
54 Artikel 76, lid 2, van verordening 2017/1485 schrijft de TSB’s voor om bij het bepalen of congestie grensoverschrijdende relevantie heeft, rekening te houden met de congestie die zou plaatsvinden bij afwezigheid van de uitwisseling van energie tussen regelzones.
55 Tussen partijen staat vast dat alle netelementen met een spanningsniveau van 220 kV of meer grensoverschrijdende relevantie kunnen hebben. Zij zijn het alleen oneens over de vraag welke specifieke congestie met betrekking tot dergelijke elementen overeenkomstig artikel 76, lid 2, van verordening 2017/1485 op gecoördineerde wijze door het CROSA-proces moet worden beheerd.
56 In de bestreden beslissing heeft de raad van beroep in dit verband het standpunt van ACER bevestigd dat, overeenkomstig artikel 76, lid 2, van verordening 2017/1485, alle congesties op netelementen met een spanningsniveau van 220 kV of meer, ongeacht de oorsprong ervan, op gecoördineerde wijze moesten worden beheerd door het CROSA-proces, dat wil zeggen zowel congestie als gevolg van geplande grensoverschrijdende uitwisseling, met name de toegewezen stromen, als congestie veroorzaakt door onverwachte stromen, met name de lusstromen en die welke het gevolg waren van de activering van remediërende maatregelen ter verlichting van andere door de toegewezen stromen veroorzaakte congestie.
57 Verzoekster betwist deze uitlegging en betoogt dat volgens een letterlijke uitlegging van artikel 76, lid 2, van verordening 2017/1485, alleen congestie als gevolg van geplande grensoverschrijdende uitwisseling, met name de toegewezen stromen, op gecoördineerde wijze moet worden beheerd. Wanneer er geen geplande grensoverschrijdende uitwisseling is, wordt congestie op het door een TSB gecontroleerde net dus beter door deze laatste beheerd dan door het CROSA-proces. Bijgevolg moeten volgens verzoekster niet alle congesties op hetzelfde netelement met een spanning van meer dan 220 kV altijd op gecoördineerde wijze worden beheerd.
58 In dit verband moet eerst het relevante juridische criterium voor de vaststelling van de veiligheidsmethodologie (ROSC) worden bepaald en moet vervolgens worden nagegaan of de raad van beroep dit criterium binnen die methodologie correct heeft toegepast.
59 Uit de bewoordingen van artikel 76, lid 2, van verordening 2017/1485 vloeit voort dat „[b]ij het bepalen of congestie grensoverschrijdende relevantie heeft, [...] de TSB’s rekening [houden] met de congestie die zou plaatsvinden bij afwezigheid van de uitwisseling van energie tussen regelzones”.
60 Letterlijk gesproken bevat deze bepaling geen elementen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke remediërende maatregelen op gecoördineerde wijze moeten worden beheerd, of waarmee de werkingssfeer van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) nauwkeurig kan worden omschreven. Hieruit volgt dat de letterlijke uitlegging van verzoekster niet kan worden aanvaard, aangezien die bepaling niet los van haar juridische context kan worden uitgelegd.
61 Wat de context betreft, moet artikel 76, lid 2, van verordening 2017/1485 worden uitgelegd in het licht van dat artikel, in zijn geheel beschouwd, en van de bepalingen waarnaar het direct of indirect verwijst, met name artikel 76, lid 1, onder b), iii), van verordening 2017/1485 en artikel 35 van verordening 2015/1222, waarnaar artikel 76, lid 1, onder b), van verordening 2017/1485 verwijst.
62 Wat ten eerste artikel 76, lid 1, onder b), van verordening 2017/1485 betreft, moet worden opgemerkt dat uit de formulering van die bepaling blijkt dat de veiligheidsmethodologie (ROSC) moet voorzien in het op gecoördineerde wijze opstellen van remediërende maatregelen, maar dat uit deze bepaling geenszins volgt dat bij de bepaling van de werkingssfeer van die methodologie een onderscheid moet worden gemaakt naargelang van de oorsprong van de inbreuken op de veiligheid, zoals congestie, waarvoor gecoördineerde remediërende maatregelen nodig zijn.
63 Bovendien moet worden vastgesteld dat volgens de bewoordingen van artikel 76, lid 1, onder b), van verordening 2017/1485 de coördinatie voor het opstellen van remediërende maatregelen in wezen gerechtvaardigd is, ten eerste, „[gelet op] hun grensoverschrijdend belang” zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 35 van verordening 2015/1222 en, ten tweede, „rekening houdend met de vereisten van de artikelen 20 tot en met 23 [van verordening 2017/1485]”, hetgeen de lezing van artikel 76, lid 1, onder b), van verordening 2017/1485 in punt 62 hierboven bevestigt.
64 In dit verband moet ook worden opgemerkt dat artikel 35, lid 4, van verordening 2015/1222 bepaalt dat redispatching en compensatiehandel van grensoverschrijdend belang moeten worden gecoördineerd. Aangezien artikel 76, lid 1, onder b), van verordening 2017/1485 niet alleen voorziet in de coördinatie voor het opstellen van redispatching en compensatiehandel, maar ook van andere, weinig kostbareremediërende maatregelen, is dit criterium van de grensoverschrijdende relevantie ook van toepassing op die remediërende maatregelen, gelet op de uitdrukkelijke verwijzing daarnaar in die bepaling.
65 Bovendien bepaalt artikel 35, lid 2, van verordening 2015/1222 dat de TSB’s in elke regio de fysieke congestie in hun controlegebied daadwerkelijk kunnen verlichten, ongeacht of de redenen voor die fysieke congestie al dan niet voornamelijk buiten hun regelzone vallen.
66 De noodzaak om remediërende maatregelen te coördineren zodra ze grensoverschrijdende relevantie hebben, blijkt ook uit artikel 16, lid 1, derde volzin, van verordening 2019/943, dat bepaalt dat „[w]anneer de [TSB] operationele maatregelen treft om te waarborgen dat zijn transmissiesysteem in de normale toestand blijft, [...] hij rekening [houdt] met het effect van deze maatregelen op de aangrenzende regelzones en [...] hij deze maatregelen [coördineert] met de andere betrokken [TSB’s] overeenkomstig [verordening 2015/1222]”.
67 Daarenboven moet worden opgemerkt dat deze uitlegging ook wordt bevestigd door de inhoud van de artikelen 20 tot en met 23 van verordening 2017/1485, waarmee overeenkomstig artikel 76, lid 1, onder b), van verordening 2017/1485 in de veiligheidsmethodologie (ROSC) rekening moet worden gehouden.
68 In dit verband blijkt met name uit artikel 23, lid 2, van verordening 2017/1485 dat de bevoegde TSB bij het opstellen en uitvoeren van een remediërende maatregel, met inbegrip van redispatching of compensatiehandel overeenkomstig de artikelen 25 en 35 van verordening 2015/1222, in samenspraak met de betrokken TSB’s de gevolgen van die remediërende maatregel binnen en buiten zijn eigen regelzone beoordeelt.
69 Uit die bepaling blijkt ook dat de beoordeling van de gevolgen van een remediërende maatregel wordt uitgevoerd overeenkomstig, ten eerste, artikel 75, lid 1, van verordening 2017/1485, dat voorziet in de vaststelling van de CSAM-analysemethodologie, ten tweede, artikel 76, lid 1, onder b), van die verordening, waarin de vaststelling van de veiligheidsmethodologie (ROSC) is neergelegd en, ten derde, artikel 78, leden 1, 2 en 4, van verordening 2017/1485, die de samenwerking tussen de TSB’s en de regionale centra regelen.
70 Uit artikel 35 van verordening 2015/1222, gelezen in samenhang met de artikelen 20 tot en met 23 van verordening 2017/1485, blijkt dus dat, anders dan verzoekster stelt, de veiligheidsmethodologie (ROSC) niet moet voorzien in coördinatie van remediërende maatregelen naargelang van de oorsprong van de congestie die deze maatregelen beogen te verlichten, maar op basis van de grensoverschrijdende relevantie die deze maatregelen kunnen hebben.
71 Ten tweede bepaalt artikel 76, lid 1, onder b), iii), van verordening 2017/1485 dat in de veiligheidsmethodologie (ROSC) de meest effectieve en kostenefficiënte remediërende maatregelen moeten worden geïdentificeerd in het geval van schendingen van de operationele veiligheid, zoals bedoeld in artikel 22 van verordening 2017/1485, dat de verschillende categorieën van remediërende maatregelen beschrijft.
72 Hieruit volgt dat een van de doelstellingen van de veiligheidsmethodologie (ROSC) erin bestaat optimale remediërende maatregelen te vinden voor het gehele net van elke capaciteitsberekeningsregio. Bij het vaststellen van de werkingssfeer van die methodologie moest ACER dus bepalen welke remediërende maatregelen beter door het CROSA-proces konden worden gecoördineerd, gelet op de grensoverschrijdende relevantie ervan.
73 In het licht van deze bepalingen moet worden opgemerkt dat het in artikel 76, lid 2, van verordening 2017/1485 bedoelde juridische criterium bepaalt dat alle netelementen moeten worden geïdentificeerd waarvoor, vooreerst, de coördinatie van de remediërende maatregelen wegens hun grensoverschrijdende relevantie noodzakelijk is, vervolgens, de coördinatie het mogelijk moet maken om fysieke congestie daadwerkelijk te verlichten ongeacht de oorzaak van die congestie en, ten slotte, de regionale coördinatie het mogelijk moet maken de optimale oplossing te vinden.
74 In deze context moet artikel 76, lid 2, van verordening 2017/1485 aldus worden uitgelegd dat het de netelementen aanwijst waarop zich in beginsel „congesties met grensoverschrijdende relevantie” voordoen, die moeten worden beheerd door remediërende maatregelen die op hun beurt moeten worden geacht grensoverschrijdende relevantie te hebben.
75 Derhalve moet worden onderzocht of de raad van beroep dit criterium in casu correct heeft toegepast door het standpunt in te nemen dat alle geactiveerde remediërende maatregelen die althans soms de schendingen van de stroomgrenswaarden op netelementen met een spanning van 220 kV of meer konden verhelpen, op gecoördineerde wijze met de veiligheidsmethodologie (ROSC) moesten worden beheerd.
76 In dit verband zij eraan herinnerd dat de vaststelling van netelementen met grensoverschrijdende relevantie verwijst naar de definitie van de CSAM-analysemethodologie, die op basis van artikel 75 van verordening 2017/1485 is vastgesteld. Artikel 76, lid 1, tweede volzin, van verordening 2017/1485 bepaalt immers dat de veiligheidsmethodologie (ROSC) moet voldoen aan de CSAM-analysemethodologie, die voorziet in bepaalde elementen voor de vaststelling van de ROSC-methodologie.
77 Artikel 15, lid 1, van de CSAM-analysemethodologie bepaalt dat alle kritische netelementen en alle netelementen met een spanning boven het door de TSB’s vastgestelde niveau worden gekwalificeerd als netelementen met grensoverschrijdende relevantie, met uitzondering van netelementen waarvoor de TSB’s unaniem overeenkomen dat zij geen grensoverschrijdende relevantie hebben.
78 Op grond van deze bepaling hebben de TSB’s op bladzijde 8 van de toelichting bij de veiligheidsmethodologie (ROSC) (zie punt 7 hierboven) uiteengezet dat de meest relevante netelementen voor het CROSA-proces die met een spanning van 220 kV en 380 kV waren, „aangezien deze elementen [werden] gebruikt om de uitwisseling van energie tussen biedzones in het Europese energiesysteem te vergemakkelijken”. De TSB’s waren echter niet van mening dat alle op deze elementen geactiveerde remediërende maatregelen op gecoördineerde wijze door het CROSA-proces moesten worden beheerd.
79 Bij het identificeren van de remediërende maatregelen die op gecoördineerde wijze moesten worden beheerd, was ACER echter van mening, zoals duidelijk blijkt uit overweging 12 van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC), dat als gevolg van het feit dat het geïnterconnecteerde systeem in de CORE-regio wijdvertakt was, het over het algemeen niet mogelijk was om een netelement te identificeren dat uitsluitend werd getroffen door remediërende maatregelen die geen impact hadden op andere netelementen met grensoverschrijdende relevantie, zodat alle remediërende maatregelen die minstens soms de congestie op netelementen met een spanning gelijk aan of hoger dan 220 kV konden verlichten, als maatregelen met grensoverschrijdende relevantie moesten worden beschouwd en de op deze elementen geactiveerde remediërende maatregelen bijgevolg door het CROSA-proces moesten worden gecoördineerd.
80 Ter terechtzitting heeft verzoekster uiteengezet dat zij zich meer in het bijzonder verzette tegen de coördinatie door het CROSA-proces van de remediërende maatregelen waarvan de fysieke impact op die netelementen een „beïnvloedingsfactor” vertoonde, dat wil zeggen een stroomafwijking op een netelement met grensoverschrijdende relevantie als gevolg van de toepassing van een remediërende maatregel, die wordt genormaliseerd door de toelaatbare permanente belasting op het daarmee verbonden netelement met grensoverschrijdende relevantie [„a flow deviation on a XNEC resulting from the application of a remedial action, normalised by the permanent admissible loading (PAL) on the associated XNE”] van minder dan 5 %. ACER heeft evenwel uiteengezet, zonder op dit punt te worden weersproken, dat het wegens het wijdvertakte geïnterconnecteerde systeem van de CORE-regio niet mogelijk was om vooraf vast te stellen of een remediërende maatregel die drempel al dan niet zou overschrijden, aangezien de concrete impact ervan op een bepaald moment afhing van andere in het net geactiveerde remediërende maatregelen en van de stromen op netelementen.
81 Op basis van deze technische beoordeling heeft de raad van beroep om te beginnen, gelet op het toepasselijke juridische criterium, zich terecht op het standpunt gesteld dat alle remediërende maatregelen die minstens soms de congestie op netelementen met een spanning gelijk aan of hoger dan 220 kV konden verlichten, door het CROSA-proces moesten worden gecoördineerd. Vervolgens heeft hij terecht het standpunt van ACER bevestigd dat in de veiligheidsmethodologie (ROSC) moest worden bepaald dat de remediërende maatregelen die nodig waren om fysieke congestie op alle netelementen met een spanning van 220 kV of meer te verlichten, ongeacht de oorsprong ervan, door het CROSA-proces moesten worden gecoördineerd. Ten slotte heeft de raad van beroep, zonder een kennelijke beoordelingsfout te maken, bevestigd dat de optimale oplossing voor het volledige geïnterconnecteerde systeem van de CORE-regio enkel kon worden gevonden onder alle remediërende maatregelen die op de netelementen met een spanning groter dan of gelijk aan 220 kV werden geactiveerd.
82 Derhalve heeft de raad van beroep geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door te oordelen dat alle congesties op netelementen met een spanning van 220 kV of meer op gecoördineerde wijze door het CROSA-proces moesten worden beheerd, overeenkomstig de veiligheidsmethodologie (ROSC).
83 Bijgevolg faalt verzoeksters grief inzake schending van artikel 76, lid 2, van verordening 2017/1485.
- Schending van de uit artikel 35 van verordening 2019/943 en artikel 40 van richtlijn 2019/944 voortvloeiende bevoegdheden van de TSB’s
84 Wat verzoeksters stelling betreft dat de definitie van netelementen en remediërende maatregelen in de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) in strijd is met artikel 35, lid 5, van verordening 2019/943 en artikel 40, lid 1, onder d), van richtlijn 2019/944, zij eraan herinnerd dat uit de analyse in de punten 52 tot en met 82 hierboven blijkt dat ACER het relevante juridische criterium correct heeft toegepast en binnen de werkingssfeer van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) geen remediërende maatregelen heeft opgenomen die niet op gecoördineerde wijze door het CROSA-proces beheerd „hoefden” te worden.
85 Hieruit volgt dat, anders dan verzoekster stelt en zoals de raad van beroep in de bestreden beslissing terecht heeft vastgesteld, de definitie van de werkingssfeer van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) in overeenstemming is met de bevoegdheden van de TSB’s op het gebied van operationele veiligheid van hun netwerken, zoals neergelegd in artikel 35, lid 5, van verordening 2019/943 en artikel 40, lid 1, onder d), van richtlijn 2019/944.
86 Bovendien moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat, anders dan verzoekster stelt, alle netelementen en remediërende maatregelen waarover zij beschikt niet standaard in de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) zijn opgenomen. Ten eerste zijn de netelementen met een spanning van minder dan 220 kV daarin niet begrepen, overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder b), van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC). Daarnaast kunnen de TSB’s bepaalde netelementen, zoals opgesomd in artikel 7, lid 3, onder d), i), ii) en iii), van die methodologie, hetzij eenzijdig, hetzij unaniem, uitsluiten van de werkingssfeer ervan. Ten tweede zijn in de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) overeenkomstig artikel 8, lid 2, ervan bepaalde categorieën van remediërende maatregelen zoals bedoeld in artikel 22 van verordening 2017/1485 niet opgenomen. Daarbij kunnen de TSB’s overeenkomstig artikel 9, lid 2, van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) bepaalde remediërende maatregelen die geen grensoverschrijdende relevantie hebben, met eenparigheid van stemmen uitsluiten.
87 Daarnaast moet worden opgemerkt dat verzoekster geen enkel bewijs heeft aangevoerd waaruit kan worden opgemaakt dat zij niet langer over remediërende maatregelen beschikt om de operationele veiligheid van haar netwerk te waarborgen.
88 In de tweede plaats zij erop gewezen dat de TSB’s als enige verantwoordelijk blijven om remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie te treffen teneinde de operationele veiligheid van hun netwerken te waarborgen.
89 Indien een aanbevolen remediërende maatregel kan leiden tot een overschrijding van de operationele veiligheid van het net van een TSB, kan laatstgenoemde deze maatregel immers in de coördinatiefase bij elke iteratie van het CROSA-proces afwijzen overeenkomstig artikel 27 van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) en artikel 42, lid 2, van verordening 2019/943.
90 Wanneer zich een overschrijding van de operationele veiligheid voordoet waarin het CROSA-proces niet voorziet, kan de betrokken TSB verder de snelle procedure gebruiken om, zonder tussenkomst van het regionale centrum en in nauwe coördinatie met de getroffen TSB’s, een remediërende maatregel met grensoverschrijdende relevantie te activeren om de operationele veiligheid van zijn net te waarborgen, overeenkomstig artikel 33 van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC). Bijgevolg is er geen reden om aan te nemen dat de regionale coördinatie een risico voor de operationele veiligheid inhoudt.
91 Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters grief dat zij in de onmogelijkheid verkeert om de operationele veiligheid van haar net te waarborgen en daardoor de haar bij artikel 35 van verordening 2019/943 en artikel 40 van richtlijn 2019/944 toegekende bevoegdheden niet kan uitoefenen, moet worden afgewezen.
92 Om dezelfde redenen moet ook de grief van de Republiek Polen worden afgewezen dat verzoekster de energiezekerheid van die lidstaat niet kan waarborgen omdat in de bestreden veiligheidsmethodologie (ROSC) de lijst van de remediërende maatregelen waarover de TSB’s beschikken, wordt beperkt, en dat verzoekster belangrijke instrumenten verliest om haar bevoegdheden uit te oefenen, wat in strijd is met het solidariteitsbeginsel zoals uitgelegd door het Hof in het arrest van 15 juli 2021, Duitsland/Polen (C‑848/19 P, EU:C:2021:598).
93 Verzoeksters grief inzake schending van artikel 35, lid 5, van verordening 2019/943 en van artikel 40, lid 1, onder d), van richtlijn 2019/944 moet derhalve worden afgewezen.
- Onjuiste toepassing van artikel 16 van de CSAM-analysemethodologie
94 Verzoekster voert ook aan dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) niet verenigbaar is met artikel 16 van de CSAM-analysemethodologie.
95 In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens artikel 76, lid 1, van verordening 2017/1485 de veiligheidsmethodologie (ROSC) daadwerkelijk in overeenstemming moet zijn met de CSAM-analysemethodologie, die overeenkomstig artikel 75 van verordening 2017/1485 is vastgesteld.
96 Volgens overweging 3 van de CSAM-analysemethodologie bevat deze methodologie met name bepalingen ter vaststelling van remediërende maatregelen die tussen de TSB’s moeten worden gecoördineerd en ter vergemakkelijking van een doeltreffende regionale coördinatie van remediërende maatregelen, overeenkomstig de regionale methodologie die door de TSB’s op grond van artikel 76, lid 1, onder b), van verordening 2017/1485 wordt vastgesteld.
97 Voorts bepaalt artikel 15, lid 3, van de CSAM-analysemethodologie dat de TSB’s in de veiligheidsmethodologie (ROSC) procedureregels moeten bepalen voor het vaststellen van de grensoverschrijdende relevantie van een remediërende maatregel, die gebaseerd moeten zijn op de kwalitatieve of kwantitatieve benadering zoals omschreven in artikel 15, leden 4 tot en met 6, van de CSAM-analysemethodologie.
98 In hun voorstel voorzien de TSB’s in dergelijke procedures voor de beoordeling van de grensoverschrijdende relevantie van hun mogelijke remediërende maatregelen, die door de TSB’s met eenparigheid van stemmen voor elke afzonderlijke remediërende maatregel zou worden vastgesteld. In hun informeel document hebben de NRI’s van de CORE-regio voorts overeenstemming bereikt over een kwalitatieve en kwantitatieve benadering, maar hebben zij ook erkend dat verdere verduidelijking nodig was omdat het voorstel van de TSB’s niet volledig af was of niet voldoende gedetailleerd was.
99 Vervolgens heeft ACER zich op basis van een technische beoordeling, die wordt uiteengezet in de overwegingen 12 en 13 van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC), op het standpunt gesteld dat alle remediërende maatregelen die minstens soms de schending van de stroomgrenswaarden op een netelement met een spanning van 220 kV of meer konden verhelpen, met name een netelement met grensoverschrijdende relevantie, geacht moesten worden zelf grensoverschrijdende relevantie te hebben, tenzij de TSB’s anders beslisten. ACER heeft daarentegen de kwalitatieve en kwantitatieve benaderingen gewijzigd teneinde deze te gebruiken om de TSB’s te identificeren die worden getroffen door de activering van remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie, met name met het oog op de snelle activeringsprocedure.
100 Er moet echter worden opgemerkt dat artikel 16 van de CSAM-analysemethodologie voorziet in een procedure voor de ontwikkeling van de veiligheidsmethodologie (ROSC), die vereist dat de TSB’s van de CORE-regio gezamenlijk een voorstel voor een ROSC-methodologie opstellen, met inbegrip van regels voor het bepalen van de grensoverschrijdende relevantie van remediërende maatregelen en van de TSB’s die in het algemeen door deze remediërende maatregelen worden getroffen.
101 De raad van beroep kan dus niet worden verweten de naleving van deze bepaling niet te hebben gewaarborgd, aangezien de procedure die in de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) is vastgesteld de criteria bepaalt voor het opstellen door de TSB’s van een lijst van netelementen met grensoverschrijdende relevantie en voor de vaststelling van de grensoverschrijdende relevantie van een mogelijke remediërende maatregel, en zij bovendien ook specifieke regels bepaalt voor de uitsluiting van netelementen en remediërende maatregelen die geen grensoverschrijdende relevantie hebben.
102 Bijgevolg moet verzoeksters grief dat de werkingssfeer van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) onverenigbaar is met artikel 16 van de CSAM-analysemethodologie, worden afgewezen.
103 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster er niet in is geslaagd aan te tonen dat de raad van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door in de bestreden beslissing niet vast te stellen dat artikel 35, lid 5, van verordening 2019/943 en artikel 40, lid 1, onder d), van richtlijn 2019/944 zijn geschonden. Bijgevolg dienen het eerste en het derde middel te worden afgewezen.
Vierde middel: schending van de bepalingen die de mogelijkheid waarborgen om het centraal dispatchingmodel te gebruiken voor intern congestiebeheer of voor balanceringstaken
104 Met haar vierde middel voert verzoekster, ondersteund door de Republiek Polen, aan dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) afbreuk doet aan de mogelijkheid voor de TSB’s om het centraal dispatchingmodel en, in het bijzonder, het daarin geïntegreerde programmeringsproces te gebruiken, aangezien zij geen toegang meer hebben tot de betrokken productiefaciliteiten en niet langer alleen de productie-instructies kunnen wijzigen wanneer er een remediërende maatregel met grensoverschrijdende relevantie wordt geactiveerd. Volgens verzoekster is het geïntegreerde programmeringsproces dat in het kader van het centraal dispatchingmodel wordt doorlopen een continu proces dat vóór het CROSA-proces begint en dat regelmatig in realtime wordt vernieuwd, aangezien het vaak meer dan vijftig keer per dag wordt vernieuwd, terwijl er in het CROSA-proces slechts sprake is van één day-ahead-iteratie en drie intraday-iteraties. Door een dergelijke inbreuk niet te erkennen, heeft de raad van beroep volgens verzoekster blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en artikel 4, lid 2, onder e), van verordening 2017/1485 en artikel 12, lid 1, van verordening 2019/943 onjuist uitgelegd.
105 Verzoekster betoogt in wezen dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) wegens haar ruime werkingssfeer het gebruik van het centraal dispatchingmodel belemmert doordat die haar niet in staat stelt om zelf in Polen congesties en balanceringstaken te beheren, zodat zij de operationele veiligheid van haar net niet kan waarborgen. In dit verband zet zij uiteen dat zij in het centraal dispatchingmodel de balanceringstaken en het congestiebeheer samen in een geïntegreerd proces uitvoert, terwijl die twee processen in het self-dispatchingmodel afzonderlijk worden uitgevoerd.
106 ACER betwist de argumenten van verzoekster en van de Republiek Polen en verzoekt het Gerecht dit middel af te wijzen.
107 In dit verband betwist ACER de ontvankelijkheid van het vierde middel, op grond dat het is gebaseerd op argumenten die reeds op identieke wijze voor de raad van beroep zijn aangevoerd.
108 Wat om te beginnen de ontvankelijkheid van het vierde middel betreft, zij eraan herinnerd dat verzoekster het recht heeft om voor het Gerecht op te komen tegen de redenering die de raad van beroep in de bestreden beslissing heeft gevolgd, en zich daarbij, indien zij dit nodig acht, te baseren op grieven die reeds voor die raad zijn aangevoerd (zie punt 41 hierboven). In casu heeft de raad van beroep zich in punt 600 van de bestreden beslissing op het standpunt gesteld dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) geen afbreuk deed aan de mogelijkheid voor de TSB’s om het mechanisme van het centraal dispatchingmodel te gebruiken. Evenzo blijkt uit punt 609 van de bestreden beslissing dat die raad op basis van een redenering die in de punten 583 tot en met 608 ervan is uiteengezet, met name tot de slotsom is gekomen dat de uit het CROSA-proces voortvloeiende verplichtingen geen afbreuk deden aan de in artikel 4, lid 2, onder e), van verordening 2017/1485 genoemde verantwoordelijkheden van de TSB’s. Hieruit volgt dat verzoeksters grieven ter betwisting van die overwegingen waarop de raad van beroep zich in de bestreden beslissing heeft gebaseerd, ontvankelijk zijn.
109 Wat de gegrondheid van het vierde middel betreft, moet worden gepreciseerd dat de bevoegde instanties volgens artikel 4, lid 2, onder e), van verordening 2017/1485 „de aan de relevante TSB toegewezen verantwoordelijkheid respecteren om de systeemveiligheid te waarborgen, inclusief als vereist door de nationale wetgeving”. Artikel 12, lid 1, van verordening 2019/943 ziet op de verantwoordelijkheid van de TSB’s voor de dispatching van elektriciteitsopwekkingsinstallaties en de vraagrespons, door te bepalen dat die dispatching en vraagrespons plaatsvindt op niet-discriminerende, transparante en – tenzij anders is bepaald in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel – marktgebaseerde wijze.
110 De TSB’s kunnen deze verantwoordelijkheid nakomen door gebruik te maken van het „centraal dispatchingmodel”, dat in artikel 2, punt 18, van verordening (EU) 2017/2195 van de Commissie van 23 november 2017 tot vaststelling van richtsnoeren voor elektriciteitsbalancering (PB 2017, L 312, blz. 6) is gedefinieerd als „een programmerings- en dispatchingmodel waarbij de opwekkings- en verbruiksplannen, alsook de dispatching van elektriciteitsopwekkingsinstallaties en verbruikersinstallaties, wat inzetbare installaties betreft, worden bepaald door een TSB binnen het geïntegreerde programmeringsproces”.
111 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat noch artikel 4, lid 2, onder e), van verordening 2017/1485, noch artikel 12, lid 1, van verordening 2019/943 impliceert dat de veiligheidsmethodologie (ROSC), die is vastgesteld op grond van artikel 76, lid 1, onder b), van verordening 2017/1485, geen invloed heeft op de activiteiten van de TSB’s, waaronder het gebruik van het in die bepalingen bedoelde centraal dispatchingmodel. De uitlegging van deze bepaling mag er echter niet toe leiden dat de uitdrukkelijke verantwoordelijkheid van de TSB’s om de systeemveiligheid van hun netwerken te waarborgen, zoals die met name in artikel 4, lid 2, onder e), van verordening 2017/1485 is neergelegd, wordt omzeild.
112 Derhalve moet worden onderzocht of de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) tot gevolg heeft, zoals verzoekster stelt, dat haar de mogelijkheid wordt ontnomen om het centraal dispatchingmodel te gebruiken om interne congesties te beheren en balanceringstaken te verrichten, waardoor haar verantwoordelijkheid om de veiligheid van haar net te waarborgen in het gedrang komt.
Schending van de bepalingen die de mogelijkheid waarborgen om het centraal dispatchingmodel voor congestiebeheer te gebruiken in het individueel netwerkmodel
113 Wat in de eerste plaats het beheer van interne congesties betreft, betoogt verzoekster in wezen dat de minder frequente iteraties van het CROSA-proces een belemmering vormen voor de frequentere iteraties van het geïntegreerde programmeringsproces in de zin van artikel 2, punt 19, van verordening 2017/2195, aangezien volgens artikel 14, lid 2, van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) geen nieuwe wijzigingen van de opwekkings- of verbruiksplannen mogelijk zijn na de day-ahead-iteratie van het CROSA-proces.
114 In dit verband moet de stelling van verzoekster dat, ten eerste, er slechts één day-ahead-iteratie van het CROSA-proces plaatsvindt en, ten tweede, de remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie alleen vóór het dagelijkse CROSA-proces kunnen worden toegepast, terwijl het geïntegreerde programmeringsproces meer dan vijftig keer per dag wordt uitgevoerd, zonder meer worden afgewezen.
115 Overeenkomstig artikel 31, lid 1, van de veiligheidsmethodologie (ROSC) worden remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie immers in bijna-realtime geactiveerd, en niet vóór het verstrijken van de day-ahead-looptijd van het CROSA-proces, dat begint om 18.00 uur daags voor de levering.
116 Wat in de tweede plaats verzoeksters grief betreft dat de omstandigheden van het net zeer snel kunnen veranderen, hetgeen op een doeltreffende manier kan worden opgelost door het geïntegreerde programmeringsproces, moet worden vastgesteld dat het CROSA-proces voldoende garanties biedt om ervoor te zorgen dat de TSB’s voldoen aan hun verplichting om de operationele veiligheid van hun net te waarborgen.
117 Zo is ten eerste in artikel 27, lid 2, onder a), van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) bepaald dat, indien de activering van een remediërende maatregel met grensoverschrijdende relevantie resulteert in een overschrijding van de operationele veiligheid, de getroffen TSB en de TSB die verantwoordelijk is voor de activering van de remediërende maatregel, deze maatregel kunnen verwerpen. Dezelfde mogelijkheid wordt geboden in artikel 27, lid 2, onder b), van die methodologie voor het geval dat deze maatregel niet meer beschikbaar is, dat wil zeggen niet meer kan worden uitgevoerd.
118 Ten tweede voorziet artikel 33 van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) in een snelle activeringsprocedure om een mouw te passen aan overschrijdingen van de operationele veiligheid die tussen twee iteraties van het CROSA-proces worden vastgesteld, zonder dat de volgende termijn kan worden afgewacht, alsmede aan dergelijke overschrijdingen die na het meest recente CROSA-proces worden ontdekt.
119 De snelle activeringsprocedure is dus een subsidiaire procedure, buiten het CROSA-proces om, die voorziet in een beperktere coördinatie tussen enkel de TSB’s die worden getroffen door de remediërende maatregelen die geactiveerd moeten worden om nieuwe overschrijdingen van de operationele veiligheid te verhelpen die niet via het CROSA-proces konden worden opgelost. Deze procedure biedt de TSB’s de mogelijkheid om eenzijdig de operationele veiligheid van hun net te waarborgen in het geval dat het CROSA-proces er niet in zou slagen een schending van dat netwerk vast te stellen.
120 Gelet op het voorgaande moet eveneens de grief van de Republiek Polen worden afgewezen dat de toepassing van het CROSA-proces voor netwerken met een centraal dispatchingmodel onjuiste informatie zou opleveren over de remediërende maatregelen die moeten worden toegepast, aangezien dit proces niet over de laatste informatie over de toestand van het net beschikt. Zelfs in de veronderstelling dat het CROSA-proces ondoeltreffend zou zijn, hetgeen door de Republiek Polen niet is bewezen, heeft laatstgenoemde immers evenmin aangetoond dat de in de punten 116 tot en met 118 hierboven genoemde garanties niet geschikt zijn om de TSB’s in staat te stellen de operationele veiligheid van hun net te waarborgen wanneer het CROSA-proces er niet in zou slagen een overschrijding van de operationele veiligheid vast te stellen en een gecoördineerde oplossing aan te bevelen.
121 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de raad van beroep geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) verzoekster niet de mogelijkheid ontnam om congesties in het centraal dispatchingmodel te beheren, zodat de raad van beroep noch artikel 4, lid 2, onder e), van verordening 2017/1485, noch artikel 12, lid 1, van verordening 2019/943 heeft geschonden.
Schending van de bepalingen die de mogelijkheid waarborgen om het centraal dispatchingmodel te gebruiken voor het verrichten van balanceringstaken
122 Verzoekster verwijt de raad van beroep ook in de bestreden beslissing de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) te hebben bevestigd, hoewel deze methodologie haar belet balanceringstaken te verrichten.
123 Zoals ACER terecht betoogt, kan verzoekster het productieprogramma van een eenheid echter wijzigen voor balanceringsdoeleinden, ook al wordt die eenheid getroffen door een remediërende maatregel met grensoverschrijdende relevantie, en wel totdat deze remediërende maatregel voor die eenheid wordt geactiveerd.
124 Uit artikel 21, lid 1, onder b), van verordening 2017/1485 volgt in wezen dat een TSB remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie niet op ongecoördineerde wijze of zelfs buiten het CROSA-proces kan „ontwerpen, opstellen en uitvoeren”. Evenzo volgt uit artikel 35, lid 4, van verordening 2015/1222 dat de TSB’s geen „unilaterale of ongecoördineerde” remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie mogen nemen.
125 Het verbod om na de laatste iteratie van het CROSA-proces nieuwe remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie uit te voeren is echter van toepassing op maatregelen voor congestiebeheer zonder dat dit ten koste gaat van maatregelen die worden genomen voor balanceringsdoeleinden.
126 Zoals ACER terecht stelt, kan het geïntegreerde programmeringsproces immers ook na afloop van het CROSA-proces doorgaan en de productie- en verbruiksprogramma’s van de productie-eenheden wijzigen, voor zover deze wijzigingen zich toespitsen op balancering. In dit verband heeft verzoekster ter terechtzitting erkend dat het weliswaar moeilijk, maar niet onmogelijk was om een onderscheid te maken tussen redispatchingmaatregelen die worden genomen voor congestiedoeleinden en die welke worden genomen voor balanceringsdoeleinden.
127 Daarenboven mag het dan zo zijn dat verzoekster door de onbeschikbaarheid van de productie-eenheden waarop volgens de resultaten van het CROSA-proces remediërende maatregelen met een grensoverschrijdende relevantie worden toegepast, over minder middelen beschikt dan voorheen om haar balanceringstaken uit te voeren, maar dit feit alleen kan niet volstaan om een schending van artikel 4, lid 2, onder e), van verordening 2017/1485 en artikel 12, lid 1, van verordening 2019/943 aan te tonen.
128 In dit verband zij er ten eerste aan herinnerd dat het eigen is aan de logica van regionale coördinatie dat de TSB’s niet vrij kunnen beschikken over al hun middelen voor zover deze grensoverschrijdende relevantie hebben.
129 Ten tweede moet worden benadrukt dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) voorziet in verschillende specifieke waarborgen met betrekking tot balancering. Artikel 25 van die methodologie bepaalt met name dat het CROSA-proces ervoor moet zorgen dat remediërende maatregelen met een geoptimaliseerde grensoverschrijdende relevantie geen energieonbalans veroorzaken. Zoals ACER terecht betoogt, kan een TSB overeenkomstig artikel 31, lid 2, van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) in het kader van het snelle activeringsproces bovendien verzoeken om de herbeoordeling van een bevolen remediërende maatregel met grensoverschrijdende relevantie indien het, ten gevolge van instructiewijzigingen die voortvloeien uit het geïntegreerde programmeringsproces, niet langer noodzakelijk is om die maatregel te activeren.
130 De raad van beroep kan dus niet worden verweten dat hij is voorbijgegaan aan de bevoegdheden van de TSB’s met betrekking tot het gebruik van het centraal dispatchingmodel om de operationele veiligheid en de balancering te waarborgen in de zin van artikel 4, lid 2, onder e), van verordening 2017/1485 en artikel 12, lid 1, van verordening 2019/943.
131 De andere grieven die verzoekster ter ondersteuning van het vierde middel heeft aangevoerd, kunnen aan deze conclusie niet afdoen.
132 Wat ten eerste verzoeksters grief betreft dat de raad van beroep een onrechtmatige inmenging in haar bevoegdheid tot het uitvoeren van balanceringstaken heeft toegestaan door de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) en het CROSA-proces te bevestigen, moet allereerst worden vastgesteld dat verzoekster niet heeft aangetoond in welk opzicht het zogenoemde „koperplaat”-paradigma van het zonale marktmodel, dat wordt gebruikt in het capaciteitsberekeningsproces en door haar wordt aangevoerd, relevant is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC). Verzoekster zet namelijk uiteen dat het in Europa toegepaste zonale marktmodel gebaseerd is op het paradigma van de koperplaat en preciseert dat dit betekent dat er, wat de groothandelsmarkt betreft, geen beperking is op commerciële activiteiten binnen de biedzone, dat wil zeggen dat er geen beperking is op de handel tussen productie- en laadapparatuur die zich in dezelfde biedzone bevindt, en dat de handel tussen biedzones wordt beperkt door de beschikbaarheid van elektriciteitstransmissiecapaciteit tussen de zones. Er zij echter op gewezen dat verzoekster geenszins verduidelijkt hoe het feit dat het in Europa toegepaste zonale marktmodel op dit paradigma is gebaseerd, tot gevolg zou hebben dat verzoekster geen productie-eenheden voor balanceringstaken kan gebruiken wanneer een remediërende maatregel met grensoverschrijdende relevantie op die eenheden wordt geactiveerd.
133 Voorts kan de raad van beroep niet worden verweten dat hij in de bestreden beslissing heeft bevestigd dat de regionale centra in overeenstemming met overweging 55 van verordening 2019/943 konden deelnemen aan het realtime beheer van het elektriciteitssysteem. Uit de werking van het CROSA-proces blijkt met name dat de regionale centra gewoon gecoördineerde remediërende maatregelen aanbevelen, terwijl de TSB’s uiteindelijk verantwoordelijk blijven voor de realtimeactivering van deze maatregelen, zoals vermeld in artikel 42, lid 2, van verordening 2019/943 en artikel 78, lid 4, van verordening 2017/1485.
134 Ten tweede is de door verzoekster aangevoerde grief inzake de vermeende discriminatie tussen TSB’s die het centraal dispatchingmodel gebruiken en die welke het self-dispatchingmodel toepassen noch voor de raad van beroep noch in het verzoekschrift voor het Gerecht, maar uitsluitend in repliek aangevoerd. Krachtens artikel 84 van het Reglement voor de procesvoering mogen in de loop van het geding echter geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken, wat verzoekster niet heeft betoogd. Bijgevolg is deze grief tardief en dus niet-ontvankelijk.
135 Hoe dan ook dient erop te worden gewezen dat verzoekster niet heeft aangetoond in welk opzicht de gelijke behandeling van het centraal dispatchingmodel en het self-dispatchingmodel het beginsel van gelijke behandeling zou schenden.
136 Verzoekster bestrijdt namelijk niet dat in de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) geen onderscheid wordt gemaakt tussen deze twee modellen en dat deze dus op dezelfde wijze worden behandeld.
137 ACER heeft in de onderhavige procedure overigens toegelicht – zonder door verzoekster te zijn weersproken – dat de beperkingen die voortvloeien uit de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) in beginsel op dezelfde wijze van toepassing waren op het centraal dispatchingmodel en het self-dispatchingmodel, aangezien zij niet alleen van invloed waren op het congestiebeheer, maar ook op andere processen voor netbeheer. In dat kader heeft ACER gepreciseerd dat de TSB’s die een self-dispatchingmodel toepassen, ook rekening moesten houden met deze beperkingen, bijvoorbeeld met betrekking tot de aankoop van balanceringscapaciteit. Aldus is de balanceringscapaciteit die wordt gebruikt als remediërende maatregel met grensoverschrijdende relevantie zonder onderscheid niet langer volledig beschikbaar voor balanceringsdoeleinden, noch voor TSB’s die het self-dispatchingmodel toepassen, noch voor die welke het centraal dispatchingmodel toepassen. Bovendien betoogt ACER dat met deze twee modellen dezelfde doelstellingen worden nagestreefd, hetgeen door verzoekster evenmin wordt betwist.
138 Volgens vaste rechtspraak vereist het algemene beginsel van non-discriminatie of gelijke behandeling dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld en dat verschillende situaties niet op dezelfde wijze worden behandeld tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique en Lorraine e.a., C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
139 Daaruit volgt dat verzoekster, om discriminatie te bewijzen, in casu had moeten aantonen dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) een andere impact had op het beheer van een van deze twee modellen, wat zij niet heeft gedaan.
140 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster er niet in is geslaagd aan te tonen dat de raad van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de bestreden beslissing geen schending vast te stellen van de bepalingen die de TSB’s de mogelijkheid bieden om het centraal dispatchingmodel toe te passen teneinde interne congesties te beheren of balanceringstaken te verrichten. Derhalve moet het vierde middel worden afgewezen.
Vijfde middel: de kamer van beroep heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat in de veiligheidsmethodologie (ROSC) wel degelijk eerlijke regels voor de grensoverschrijdende handel in elektriciteit zijn bepaald en is voorzien in passende stimulansen voor congestiebeheer en doeltreffende investeringen in remediërende maatregelen met betrekking tot apparatuur zoals faseverschuivende transformatoren
141 Verzoekster betoogt dat de raad van beroep van ACER blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de uitlegging te bevestigen die ACER heeft gegeven aan artikel 1, onder c), van verordening 2019/943 en artikel 4, lid 1, onder f), van verordening 2017/1485, volgens welke in de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) eerlijke regels waren vastgesteld voor de grensoverschrijdende elektriciteitshandel en was voorzien in passende stimulansen voor congestiebeheer en investeringen voor remediërende maatregelen in verband met apparatuur, zoals faseverschuivende transformatoren, die congestie kunnen verlichten door elektriciteit van een overbelaste elektriciteitsleiding „af te leiden” naar een minder belaste elektriciteitsleiding.
142 Dienaangaande merkt verzoekster op dat de TSB’s na de inleiding van het CROSA-proces waarop de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) betrekking heeft, niet langer individueel remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie kunnen toepassen die hun ter beschikking staan als gevolg van de investeringen die zij in bepaalde apparatuur, zoals faseverschuivende transformatoren, hebben gedaan. De betwiste methodologie beperkt aldus de mogelijkheid voor de TSB’s om individueel, op lokaal niveau, remediërende maatregelen zonder hoge kosten te nemen.
143 Verzoekster stelt dat de remediërende maatregelen die in het kader van het CROSA-proces zijn gekozen om de congestie op bepaalde netelementen te verminderen, kunnen verschillen van de remediërende maatregelen die uitsluitend betrekking hebben op lokale congestie of lokale remediërende maatregelen, hetgeen moeilijkheden oplevert wanneer zich in verschillende delen van dezelfde regio gelijktijdig onderling afhankelijke congesties voordoen. Het bestaan van deze gelijktijdige congesties is des te problematischer bij het gebruik van faseverschuivende transformatoren die zijn geïnstalleerd om de congestie op een netelement te verminderen, aangezien deze in het kader van een remediërende maatregel met grensoverschrijdende relevantie in omgekeerde richting en – volgens verzoekster – contra-intuïtief zouden moeten kunnen worden gebruikt om de stroom naar de overbelaste elementen te verhogen teneinde grensoverschrijdende congestie te verminderen.
144 Bovendien kan een TSB in het kader van een remediërende maatregel met grensoverschrijdende relevantie worden verplicht om een regionale oplossing toe te passen waarbij maatregelen met faseverschuivende transformatoren worden gecombineerd met redispatchingmaatregelen, ook al had hij kosteloos een faseverschuivende transformator, waarin hij eerder had geïnvesteerd, kunnen gebruiken om de congestie op zijn netelementen te verlichten. Volgens verzoekster verplicht geen enkele bepaling van het Unierecht TSB’s om te handelen in het belang van andere, in verschillende lidstaten gevestigde marktdeelnemers.
145 Verzoekster komt tot de slotsom dat de bestreden beslissing waarin de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) wordt bevestigd, niet alleen in strijd is met artikel 1, onder c), van verordening 2019/943 en artikel 4, lid 1, onder f), van verordening 2017/1485, maar bovendien indruist tegen artikel 1, lid 2, van verordening 2019/942, gelezen in samenhang met artikel 19 van verordening 2019/943, aangezien besluit nr. 33/2020 niet bijdraagt tot een coherente, efficiënte en effectieve toepassing van het Unierecht, maar de inspanningen om te voldoen aan artikel 19 van verordening 2019/943 wat betreft de toewijzing van congestieopbrengsten aan investeringen die de congestie in de interconnectoren kunnen verminderen, bemoeilijkt of zelfs tenietdoet.
146 ACER betwist verzoeksters argumenten en verzoekt het Gerecht dit middel af te wijzen.
147 In dit verband betwist ACER de ontvankelijkheid van het vijfde middel omdat het betrekking heeft op de bij besluit nr. 33/2020 vastgestelde betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) en niet op de bestreden beslissing.
148 Wat voorafgaand de ontvankelijkheid van het vijfde middel betreft, moet vooreerst worden opgemerkt dat verzoekster de raad van beroep verwijt dat hij in de bestreden beslissing blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de uitlegging die ACER in besluit nr. 33/2020 heeft gegeven aan artikel 1, onder c), van verordening 2019/943 en artikel 4, lid 1, onder f), van verordening 2017/1485, te bevestigen. Vervolgens zij erop gewezen dat verzoekster in haar verzoekschrift, ter ondersteuning van het vijfde middel, uitdrukkelijk een aantal specifieke punten van de bestreden beslissing betwist. Ten slotte moet worden opgemerkt dat de raad van beroep in de punten 643 tot en met 651 van de bestreden beslissing heeft uiteengezet waarom hij van mening was dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) niet in strijd was met artikel 1, onder c), van verordening 2019/943, noch met artikel 4, lid 1, onder f), van verordening 2017/1485, met name omdat zij TSB’s niet ontmoedigde om in bepaalde apparatuur, zoals faseverschuivende transformatoren, te investeren. Hieruit vloeit voort dat verzoekster, anders dan ACER stelt, met haar vijfde middel opkomt tegen de bestreden beslissing en niet tegen besluit nr. 33/2020. Dit middel is dus ontvankelijk.
149 Met betrekking tot de vraag of het vijfde middel gegrond is, moet om te beginnen worden gepreciseerd dat artikel 1, onder c), van verordening 2019/943 tot doel heeft eerlijke regels te stellen voor de grensoverschrijdende elektriciteitshandel en dat artikel 4, lid 1, onder f), van verordening 2017/1485 de coördinatie tussen systeembeheer en operationele planning beoogt te bevorderen.
150 In artikel 1, lid 2, van verordening 2019/942 is bepaald dat ACER onder meer tot doel heeft bij te dragen aan de consistente, efficiënte en effectieve toepassing van het Unierecht met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie op het gebied van klimaat en energie. Artikel 19 van verordening 2019/943 regelt in wezen de toewijzing van ontvangsten uit de toewijzing van zoneoverschrijdende capaciteit en bepaalt in lid 2, onder b), dat de procedure voor de toewijzing van deze ontvangsten met name beoogt „de kosten [te] dekken die voortvloeien uit investeringen in het net die relevant zijn voor het reduceren van de interconnectiecongestie”.
151 Vervolgens zij erop gewezen dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) tot gevolg kan hebben dat de mogelijkheid voor de TSB’s wordt beperkt om individueel op lokaal niveau remediërende maatregelen zonder hoge kosten te nemen, met name wanneer er zich in verschillende delen van de CORE-regio gelijktijdig onderling afhankelijke congesties voordoen, hetgeen ACER niet betwist. ACER heeft er echter op gewezen dat het CROSA-proces overeenkomstig artikel 23 van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) de configuratie van een faseverschuivende transformator alleen kan wijzigen om de in het gemeenschappelijk netwerkmodel vastgestelde congesties op te lossen en geen nieuwe congesties mag creëren of eerdere congesties weer in het leven mag roepen. Daarnaast worden congesties die door de toepassing van de in het CROSA-proces aanbevolen remediërende maatregelen worden „veroorzaakt” – bijvoorbeeld wijzigingen in de parameters van een faseverschuivende transformator – ook opgelost door het CROSA-proces, zodat de kosten van de redispatching die nodig was om deze congesties te verhelpen, worden toegeschreven aan de netelementen die overbelast zijn in het gemeenschappelijk netwerkmodel.
152 Ook moet erop worden gewezen dat ACER in zijn schriftelijke opmerkingen heeft erkend dat het CROSA-proces voor een TSB bepaalde redispatchingkosten kon meebrengen om de congestie te verlichten die met name is „veroorzaakt” door de wijziging van de door het CROSA-proces aanbevolen configuratie van faseverschuivende transformatoren, wanneer een optimale oplossing op het niveau van de CORE-regio zowel een wijziging van de configuratie van faseverschuivende transformatoren als dure remediërende maatregelen, zoals redispatching, vereist. Verzoekster stelt derhalve terecht dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) extra kosten met zich kan brengen voor bepaalde TSB’s, zoals verzoekster, die reeds in apparatuur zoals faseverschuivende transformatoren hebben geïnvesteerd.
153 Bijgevolg moet worden onderzocht of de extra kosten die de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) in bepaalde gevallen met zich kan brengen voor TSB’s die reeds in apparatuur als faseverschuivende transformatoren hebben geïnvesteerd, de bij deze methodologie vastgestelde voorschriften onredelijk maken en TSB’s ervan weerhouden om in deze apparatuur te investeren, zoals verzoekster stelt, in een mate die strijdig is met artikel 1, onder c), van verordening 2019/943, artikel 4, lid 1, onder f), van verordening 2017/1485 en artikel 1, lid 2, van verordening 2019/942, gelezen in samenhang met artikel 19 van verordening 2019/943.
154 Wat betreft het vermeende onredelijke karakter van de voorschriften van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC), moet erop worden gewezen dat de kosten die voortvloeien uit de toepassing van de in het CROSA-proces gekozen regionale oplossing, eigen zijn aan de regionale coördinatie en een concrete uitdrukking vormen van het beginsel van energiesolidariteit.
155 Zoals het Hof in punt 73 van het arrest van 15 juli 2021, Duitsland/Polen (C‑848/19 P, EU:C:2021:598), in herinnering heeft gebracht, betekent de toepassing van het beginsel van energiesolidariteit niet dat het energiebeleid van de Unie nooit negatieve gevolgen mag hebben voor de particuliere belangen van een lidstaat op dit gebied. De instellingen van de Unie en de lidstaten moeten bij de uitvoering van dit beleid echter rekening houden met de belangen van zowel de Unie als de verschillende mogelijk betrokken lidstaten en bij een botsing van deze belangen een belangenafweging maken.
156 In dit verband moet worden opgemerkt dat juist de kosten die wegens de toepassing van de regionale oplossing zijn gemaakt, onder de TSB’s zullen worden verdeeld volgens hun bijdrage aan de congestie, overeenkomstig de op grond van artikel 74 van verordening 2015/1222 vastgestelde kostendelingsmethodologie. Verder moet worden benadrukt dat een van de doelstellingen van het CROSA-proces erin bestaat dergelijke congesties en andere overschrijdingen van de operationele veiligheid op regionaal niveau op de meest effectieve en kostenefficiënte manier op te lossen.
157 Overigens moet rekening worden gehouden met het feit dat artikel 35 van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) voorziet in monitoring op basis waarvan het overeenkomstig artikel 7, lid 4, van verordening 2017/1485 gerechtvaardigd kan zijn om die methodologie te wijzigen indien blijkt dat dezelfde TSB in het kader van het CROSA-proces regelmatig of systematisch hogere kosten heeft moeten dragen.
158 Derhalve moet worden vastgesteld dat het enkele feit dat een TSB mogelijkerwijs hogere kosten draagt als gevolg van de regionale coördinatie, niet betekent dat de regels van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) oneerlijk zijn en dat deze methodologie bijgevolg in strijd is met artikel 1, onder c), van verordening 2019/943 of dat zij ongeschikt zijn om de regionale coördinatie te bevorderen in de zin van artikel 4, lid 1, onder f), van verordening 2017/1485.
159 Wat verzoeksters stelling betreft dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) de TSB’s zou ontmoedigen om te investeren in apparatuur zoals faseverschuivende transformatoren, moet worden vastgesteld dat zij geen concrete informatie heeft verstrekt over de economische impact van de toewijzing van de redispatchingkosten waaruit blijkt dat er door die methodologie sprake was van een reële belemmering om in deze apparatuur te investeren.
160 Zoals ACER heeft benadrukt zonder door verzoekster te zijn weersproken, kan een TSB altijd profiteren van de investering die hij heeft gedaan in apparatuur zoals een faseverschuivende transformator, voor zover deze apparatuur de kosten vermindert die hij moet dragen om congesties in zijn individueel netwerkmodel op te lossen voordat het CROSA-proces begint.
161 Aangezien in casu niet is aangetoond dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) TSB’s ervan zou weerhouden te investeren in apparatuur zoals faseverschuivende transformatoren, moet verzoeksters grief inzake schending van artikel 1, onder c), van verordening 2019/943, artikel 4, lid 1, onder f), van verordening 2017/1485 en artikel 1, lid 2, van verordening 2019/942, gelezen in samenhang met artikel 19 van verordening 2019/943, worden afgewezen.
162 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster er niet in is geslaagd aan te tonen dat de raad van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat in de veiligheidsmethodologie (ROSC) wel degelijk eerlijke regels voor de grensoverschrijdende handel in elektriciteit waren vastgesteld en was voorzien in passende stimulansen voor congestiebeheer en doeltreffende investeringen in remediërende maatregelen met betrekking tot apparatuur zoals faseverschuivende transformatoren. Derhalve moet het vijfde middel worden afgewezen.
Zesde middel: schending van de artikelen 76 en 77 van verordening 2017/1485, gelezen in samenhang met artikel 25 en artikel 4, lid 1, onder d) en h), en lid 2, onder e), van die verordening, die de handhaving van de operationeleveiligheidsgrenzen, in het bijzonder de spanningsgrenzen, op lokaal en regionaal niveau waarborgen
163 Verzoekster betoogt dat de raad van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) de TSB’s niet belette om de operationeleveiligheidsgrenzen, in het bijzonder de spanningsgrenzen, in acht te nemen. Bijgevolg is de raad van beroep ten onrechte tot de slotsom gekomen dat die methodologie niet in strijd was met de artikelen 76 en 77 van verordening 2017/1485, die respectievelijk betrekking hebben op het voorstel dat de TSB’s moeten indienen voor de regionale coördinatie van de operationele veiligheid en de gemeenschappelijke bepalingen inzake de organisatie van de regionale coördinatie van de operationele veiligheid die dit voorstel moet bevatten, aangezien die artikelen moeten worden gelezen in samenhang met, ten eerste, artikel 25 van verordening 2017/1485, dat betrekking heeft op de door elke TSB te specifiëren operationeleveiligheidsgrenzen, ten tweede, artikel 4, lid 1, onder d) en h), van die verordening, dat onder meer tot doel heeft te voorzien in de voorwaarden voor het handhaven van de operationele veiligheid in de gehele Unie en bij te dragen tot de efficiënte exploitatie en ontwikkeling van het elektriciteitstransmissiesysteem en de elektriciteitssector in de Unie en, ten derde, artikel 4, lid 2, onder e), van dezelfde verordening, dat bepaalt dat de lidstaten, de bevoegde instanties en de systeembeheerders de aan de relevante TSB toegewezen verantwoordelijkheid moeten respecteren om de systeemveiligheid te waarborgen, inclusief als vereist door de nationale wetgeving.
164 In dit verband betoogt verzoekster in wezen dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) de TSB’s niet de mogelijkheid biedt om voldoende remediërende maatregelen te nemen om de spanning op lokaal niveau te beheren, noch de regionale centra de mogelijkheid biedt om de spanning op regionaal niveau te beheren.
165 ACER betwist verzoeksters argumenten en verzoekt het Gerecht dit middel at te wijzen.
166 ACER betwist meer bepaald de ontvankelijkheid van het zesde middel op grond dat het een identieke weergave is van een middel dat verzoekster reeds voor de raad van beroep heeft aangevoerd.
167 Wat allereerst de ontvankelijkheid van het zesde middel betreft, zij eraan herinnerd dat verzoekster het recht heeft om voor het Gerecht op te komen tegen de redenering die de raad van beroep in de bestreden beslissing heeft gevolgd, en zich daarbij, indien zij dit nodig acht, te baseren op grieven die reeds voor die raad zijn aangevoerd (zie punt 41 hierboven). In casu heeft de raad van beroep in de punten 677 tot en met 690 van de bestreden beslissing uiteengezet waarom hij van mening was dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) de TSB’s niet belette om de operationeleveiligheidsgrenzen, in het bijzonder de spanningsgrenzen, in acht te nemen, zodat die methodologie niet in strijd was met de artikelen 76 en 77 van verordening 2017/1485, gelezen in samenhang met artikel 25 en artikel 4, lid 1, onder d) en h), en lid 2, onder e), van die verordening.
168 Hieruit volgt dat verzoeksters grieven ter betwisting van die overwegingen, die de raad van beroep in de bestreden beslissing heeft uiteengezet, ontvankelijk zijn.
Schending van de bepalingen die de handhaving van de spanningsgrenzen op lokaal niveau waarborgen
169 Allereerst moet worden opgemerkt dat, zoals verzoekster terecht stelt, zowel de TSB’s als de regionale centra verplicht zijn om de spanningsgrenzen in acht te nemen. Deze verplichting vloeit namelijk voor de TSB’s voort uit artikel 27, lid 1, en artikel 34, lid 2, van verordening 2017/1485, en voor de regionale centra uit artikel 78, lid 2, onder a), van verordening 2017/1485, dat deze centra verplicht het CROSA-proces uit te voeren op basis van de operationeleveiligheidsgrenzen, zoals die door de TSB’s zijn gespecifieerd overeenkomstig artikel 25 van die verordening, gelezen in samenhang met artikel 72 ervan.
170 Ook moet worden opgemerkt dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) bepaalt dat remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie, die door de regionale centra worden gecoördineerd, erop gericht zijn de stromen naar netelementen met grensoverschrijdende relevantie te verminderen. Hieruit volgt dat deze methodologie is toegespitst op het verhelpen van overschrijdingen van de operationele veiligheid in de vorm van stroomlimietproblemen, terwijl de TSB’s in de eerste plaats verantwoordelijk blijven voor de naleving van de spanningsgrenzen.
171 Deze verdeling van verplichtingen tussen de regionale centra en de TSB’s vloeit voort uit het voorstel van de TSB’s. Uit wat op bladzijde 5 van de toelichting van de TSB’s (zie punt 7 hierboven) is uiteengezet, blijkt immers dat deze van mening waren dat de andere overschrijdingen van de operationele veiligheidsgrenzen, zoals de in artikel 25 van verordening 2017/1485 bedoelde spannings- en kortsluitstroomgrenzen, beter op lokaal niveau konden worden aangepakt.
172 In dit verband betoogt verzoekster in wezen dat de remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie die het voorwerp zijn van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) enerzijds, en de remediërende maatregelen die ervoor zorgen dat de spanningsgrenzen op lokaal niveau in acht worden genomen anderzijds, met elkaar in conflict kunnen komen, aangezien de eerstgenoemde maatregelen gericht zijn op de vermindering van de stromen, terwijl de laatstgenoemde maatregelen de verhoging ervan kunnen impliceren. Verzoekster voegt daaraan toe dat in de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) met dit „conflict” onvoldoende rekening is gehouden.
173 De betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) voorziet binnen het CROSA-proces echter in verschillende waarborgen die er specifiek op zijn gericht de spanningsgrenzen door remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie, die als resultaat van dat proces zijn vastgesteld, te doen naleven.
174 In de eerste plaats moet elke TSB in de CORE-regio volgens artikel 22, lid 4, van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) een lokale beoordeling en een operationeleveiligheidsanalyse op lange termijn uitvoeren om schendingen van de operationeleveiligheidsgrenzen – zoals overschrijding van de spanningsgrenzen, kortsluitstroomgrenzen of stabiliteitsgrenzen – te verhelpen. Dergelijke inbreuken kunnen met name in het kader van het CROSA-proces worden aangepakt tijdens de coördinatiefase van remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie, zoals bedoeld in artikel 27 van deze methodologie, onder meer door de toepassing van aanvullende beperkingen voor remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie.
175 In dit verband voert verzoekster aan dat artikel 27 van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) slechts voorziet in de mogelijkheid, en niet in een verplichting, om deze schendingen van de spanningsgrenzen binnen het CROSA-proces aan te pakken. Aangezien deze mogelijkheid onder de verantwoordelijkheid van de TSB valt, kan deze er dus wel voor zorgen dat bij dit proces de spanningsgrenzen in zijn netwerk in acht worden genomen.
176 In de tweede plaats bepaalt artikel 22, lid 5, van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) dat de TSB’s aanvullende systeembeperkingen kunnen toepassen die andere operationele veiligheidsgrenzen – als bedoeld in lid 4 van dat artikel – weergeven, dat wil zeggen de spanningsgrenzen die ervoor zorgen dat het CROSA-proces, voor zover het gericht is op de optimalisering van remediërende maatregelen, geen nieuwe onderliggende schendingen van de operationele veiligheid teweegbrengt of dergelijke schendingen verergert. Het CROSA-proces moet deze onderliggende schendingen evenwel niet oplossen: deze moeten in overeenstemming met artikel 22, lid 4, van de betrokken methodologie worden verholpen.
177 Verzoekster voert deze laatste bepaling weliswaar aan ter ondersteuning van haar betoog dat de door het CROSA-proces gecoördineerde remediërende maatregelen niet kunnen worden gebruikt om schendingen van de spanningsgrenzen op te lossen, maar toont niet aan dat deze bepaling eraan in de weg staat dat de TSB’s schendingen van de spanningsgrenzen op lokaal niveau verhelpen. Het tegendeel is waar, aangezien artikel 22, lid 5, van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) waarborgt dat remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie de mogelijkheid van de TSB’s om schendingen van de spanningsgrenzen te verhelpen, niet beknotten. Bovendien toont verzoekster niet aan, ten eerste, waarom artikel 22, lid 5, van die methodologie de TSB’s niet in staat stelt om de naleving van de spanningsgrenzen op lokaal niveau te garanderen, noch, ten tweede, waarom die methodologie zou moeten voorzien in remediërende maatregelen met grensoverschrijdende relevantie om schendingen van de spanningsgrenzen te verhelpen.
178 In de derde plaats kan de betrokken TSB krachtens artikel 27, leden 2 en 5, van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) een in het CROSA-proces aanbevolen remediërende maatregel met grensoverschrijdende relevantie afwijzen op grond dat de uitvoering van deze maatregel tot schending van de operationele veiligheid op zijn net zou leiden. In dit verband moet verzoeksters argument worden afgewezen dat deze bepaling de TSB’s niet in staat stelt om de naleving van de spanningsgrenzen op lokaal niveau te garanderen, op grond dat die bepaling enkel in de mogelijkheid voorziet om een remediërende maatregel af te wijzen en dus niet om een dergelijke maatregel te ontwerpen of aan te bevelen om spanningsproblemen op te lossen. Verzoekster toont namelijk niet aan waarom die bepaling de TSB’s niet in staat stelt om de naleving van de spanningsgrenzen op lokaal niveau te garanderen.
179 In de vierde plaats staat artikel 16, lid 4, van de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) TSB’s toe om deze methodologie aan te vullen met bepalingen inzake netbeperkingen om, onder andere en indien nodig, overschrijding van de spanningsgrenzen te verhelpen.
180 Hieruit volgt dat de betwiste veiligheidsmethodologie (ROSC) bedoeld is om rekening te houden met de remediërende maatregelen die de TSB’s op lokaal niveau in het CROSA-proces hebben genomen, maar niet vereist dat ze op regionaal niveau worden gecoördineerd.
181 Bijgevolg heeft verzoekster niet rechtens genoegzaam aangetoond dat de hierboven in de punten 175 tot en met 180 onderzochte waarborgen niet volstonden om de naleving door de TSB’s van de spanningsgrenzen op lokaal niveau te garanderen.
182 Hoe dan ook is het enkele feit dat verzoekster niet langer bepaalde remediërende maatregelen kan nemen om de naleving van de spanningsgrenzen op haar net te garanderen, aangezien deze maatregelen voor het CROSA-proces zouden zijn voorbehouden, onvoldoende om aan te tonen dat het voor haar onmogelijk was om de operationele veiligheid op dat net te waarborgen. Niets rechtvaardigt immers dat de veiligheidsmethodologie (ROSC) de toepassing van minimale beperkingen op de elektriciteitsstromen en geplande niet-beschikbaarheid zou moeten voorschrijven, aangezien deze maatregelen onder de verantwoordelijkheid van de TSB’s op lokaal niveau vallen.
183 Bijgevolg kan verzoekster de raad van beroep niet verwijten dat hij in de bestreden beslissing een methodologie heeft bevestigd die TSB’s niet de mogelijkheid biedt om voldoende remediërende maatregelen te nemen om de spanning op lokaal niveau te beheren.
Schending van de bepalingen die de handhaving van de spanningsgrenzen op regionaal niveau waarborgen
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex