Gerecht EU 12 maart 2019, T-135/15, ECLI:EU:T:2019:155
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)
12 maart 2019 ( *1 )
„ELGF – Van de financiering uitgesloten uitgaven – Door Italië gedane uitgaven – Tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie – Verordening (EG) nr. 320/2006 – Verordening (EG) nr. 968/2006 – Verordening (EG) nr. 1290/2005 – Termijn van 24 maanden – Begrip ,meerjarenmaatregel’ – Voorwaarden voor de toekenning van herstructureringssteun – Begrip ‚productie-installatie’ – Kwalificatie van silo’s – Begrip ‚volledige ontmanteling’ – Bijlage 2 bij document VI/5330/97 – Moeilijkheden bij de uitlegging van de Unieregeling – Loyale samenwerking – Gewettigd vertrouwen – Ne bis in idem – Slachtpremies – Voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten – Te late betalingen – Bewijs voor het bestaan van bijzondere omstandigheden bij het beheer – Gelijke behandeling – Vertaalfout in een van de taalversies van een Unieverordening – Toerekenbaarheid van de financiële correctie aan de lidstaat”
In zaak T‑135/15
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door C. Colelli, avvocato dello Stato,
verzoekende partij,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door D. Colas en S. Horrenberger als gemachtigden,
en door
Hongarije, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en G. Koós als gemachtigden,
interveniënten,
tegen
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door D. Bianchi, P. Ondrůšek en I. Galindo Martín, vervolgens door Bianchi en Ondrůšek als gemachtigden,
verwerende partij,
betreffende een vordering gebaseerd op artikel 263 VWEU en strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2015/103 van de Commissie van 16 januari 2015 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2015, L 16, blz. 33), voor zover dit besluit betrekking heeft op bepaalde uitgaven van de Italiaanse Republiek,
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, J. Schwarcz en C. Iliopoulos (rapporteur), rechters,
griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 september 2017,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 320/2006
1 De Raad van de Europese Unie heeft verordening (EG) nr. 320/2006 van 20 februari 2006 tot instelling van een tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Europese Gemeenschap en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 2006, L 58, blz. 42) vastgesteld. Verordening nr. 320/2006 is verschillende malen gewijzigd, laatstelijk bij verordening (EG) nr. 72/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 320/2006, (EG) nr. 1405/2006, (EG) nr. 1234/2007, (EG) nr. 3/2008 en (EG) nr. 479/2008 en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 1883/78, (EEG) nr. 1254/89, (EEG) nr. 2247/89, (EEG) nr. 2055/93, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 2596/97, (EG) nr. 1182/2005 en (EG) nr. 315/2007 (PB 2009, L 30, blz. 1). Verordening nr. 320/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 72/2009, is van toepassing op de feiten van de onderhavige zaak.
2 Overwegingen 1 en 5 van verordening nr. 320/2006 luiden als volgt: „(1) [...] Om het communautaire systeem voor de productie van en de handel in suiker aan te passen aan de internationale eisen en het concurrentievermogen van dat systeem in de toekomst te garanderen moet een proces van ingrijpende herstructurering op gang worden gebracht dat leidt tot een aanzienlijke inkrimping van de onrendabele productiecapaciteit in de Gemeenschap. Daartoe dient, als een noodzakelijke voorwaarde voor het behoorlijk functioneren van de nieuwe gemeenschappelijke marktordening voor suiker, een afzonderlijke en autonome tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Gemeenschap te worden ingesteld. [...] (5) Aan de minst productieve suiker producerende ondernemingen dient door middel van passende herstructureringssteun een belangrijke economische stimulans te worden gegeven om van hun quotumproductie af te zien. Daarom moet herstructureringssteun worden ingevoerd waarvan een stimulans uitgaat om de quotumproductie van suiker definitief te beëindigen en afstand te doen van het betrokken quotum, dat tezelfdertijd toelaat om terdege rekening te houden met het respect voor de sociale- en milieuverbintenissen verbonden aan het beëindigen van productie. Deze steun dient gedurende vier verkoopseizoenen beschikbaar te worden gesteld met het doel de productie te doen dalen in de mate die nodig is om in de Gemeenschap tot een evenwichtige marktsituatie te komen.”
3 Artikel 1 van verordening nr. 320/2006, „Tijdelijk herstructureringsfonds”, bepaalt: „1. Hierbij wordt het tijdelijk fonds voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Gemeenschap (hierna „herstructureringsfonds” genoemd) opgericht. [...] Het herstructureringsfonds maakt deel uit van de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw. Met ingang van 1 januari 2007 zal het deel uitmaken van het Europees Landbouwgarantiefonds. 2. Het herstructureringsfonds financiert de uitgaven die voortvloeien uit de in de artikelen 3, 6, 7, 8 en 9 vastgestelde maatregelen. [...] 4. Deze verordening geldt niet voor de in artikel 299, lid 2, van het Verdrag bedoelde ultraperifere gebieden.”
4 Artikel 3 van verordening nr. 320/2006, „Herstructureringssteun”, bepaalt: „1. Een suiker, isoglucose of inulinestroop producerende onderneming waaraan uiterlijk op 1 juli 2006 [...] een quotum is toegekend, heeft recht op herstructureringssteun per ton quotum waarvan afstand wordt gedaan, mits zij in een van de verkoopseizoenen 2006/2007, 2007/2008, 2008/2009 en 2009/2010: a) afstand doet van het door haar aan een of meer van haar fabrieken toegekende quotum en de productie-installaties van de betrokken fabrieken volledig ontmantelt of b) afstand doet van het door haar aan een of meer van haar fabrieken toegekende quotum, de productie-installaties van de betrokken fabrieken gedeeltelijk ontmantelt en het productieterrein en de resterende productie-installaties van de betrokken fabrieken niet gebruikt voor de productie van producten die onder de gemeenschappelijke marktordening voor suiker vallen [...] 3. Bij de volledige ontmanteling van de productie-installaties moet c.q. moeten: a) de productie van suiker, isoglucose en inulinestroop definitief en volledig worden gestaakt door de betrokken productie-installatie, b) de fabriek of fabrieken worden gesloten en de productie-installaties daarvan binnen de in artikel 4, lid 2, onder d), bedoelde periode worden ontmanteld en c) het fabrieksterrein in milieuopzicht worden gesaneerd en het elders tewerkstellen van de betrokken werknemers worden vergemakkelijkt binnen de in artikel 4, lid 2, onder f), bedoelde periode. [...] 4. Bij de gedeeltelijke ontmanteling van productie-installaties moet c.q. moeten: a) de betrokken productie van suiker, isoglucose en inulinestroop definitief en volledig worden gestaakt door de betrokken productie-installatie, b) de voor de productie van de onder a) bedoelde producten bestemde en gebruikte productie-installaties die niet voor de nieuwe productie zullen worden gebruikt, worden ontmanteld [...], c) het fabrieksterrein in milieuopzicht worden gesaneerd en het elders tewerkstellen van de betrokken werknemers worden vergemakkelijkt binnen de in artikel 4, lid 2, onder f), bedoelde periode [...]. 5. Het bedrag van de herstructureringssteun per ton quotum waarvan afstand wordt gedaan, bedraagt: a) in het in lid 1, onder a), bedoelde geval: – 730,00 [EUR] voor het verkoopseizoen 2006/2007, – 730,00 [EUR] voor het verkoopseizoen 2007/2008, – 625,00 [EUR] voor het verkoopseizoen 2008/2009, – 520,00 [EUR] voor het verkoopseizoen 2009/2010. b) in het in lid 1, onder b), bedoelde geval: – 547,50 [EUR] voor het verkoopseizoen 2006/2007, – 547,50 [EUR] voor het verkoopseizoen 2007/2008, – 468,75 [EUR] voor het verkoopseizoen 2008/2009, – 390,00 [EUR] voor het verkoopseizoen 2009/2010. [...]”
5 Voorts luidt artikel 4 van verordening nr. 320/2006, „Aanvraag voor herstructureringssteun”: „1. De aanvragen voor herstructureringssteun worden bij de betrokken lidstaat ingediend uiterlijk op 31 januari van het verkoopseizoen vóór het verkoopseizoen waarin afstand moet worden gedaan van het quotum. [...] 2. De aanvragen voor herstructureringssteun omvatten: a) een herstructureringsplan; [...] c) een verbintenis om in het betrokken verkoopseizoen af te zien van het desbetreffende quotum; d) in het in artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde geval, een verbintenis om de productie-installaties volledig te ontmantelen binnen de door de betrokken lidstaat vast te stellen periode; e) in het in artikel 3, lid 1, onder b), bedoelde geval, een verbintenis om de productie-installaties gedeeltelijk te ontmantelen binnen de door de betrokken lidstaat vast te stellen periode en het productieterrein en de resterende productie-installaties niet te gebruiken voor de productie van producten die onder de gemeenschappelijke marktordening voor suiker vallen; [...] 3. Het in lid 2, onder a), bedoelde herstructureringsplan omvat ten minste het volgende: [...] c) een volledige technische beschrijving van de betrokken productie-installaties, d) een bedrijfsplan met de werkwijze, het tijdschema en de kosten voor de sluiting van de fabriek of fabrieken en de volledige of gedeeltelijke ontmanteling van de productie-installaties, [...] h) een financieel plan met alle kosten in verband met het herstructureringsplan.”
6 Artikel 5 van verordening nr. 320/2006, „Besluit over de herstructureringssteun en controles”, bepaalt: „1. Uiterlijk eind februari voorafgaande aan het in artikel 3, lid 2, bedoelde verkoopseizoen nemen de lidstaten een besluit over de toekenning van de herstructureringssteun. Het besluit voor het verkoopseizoen 2006/2007 wordt evenwel uiterlijk op 30 september 2006 genomen. [...] 2. De herstructureringssteun wordt toegekend indien de lidstaat na grondige verificatie heeft vastgesteld dat: – de aanvraag de in artikel 4, lid 2, bedoelde elementen omvat; – het herstructureringsplan de in artikel 4, lid 3, bedoelde elementen omvat; – de in het herstructureringsplan beschreven maatregelen en acties met de toepasselijke communautaire en nationale wetgeving in overeenstemming zijn; – [...] 3. Indien aan één of meer van de in de eerste drie streepjes van lid 2 vermelde voorwaarden niet is voldaan, wordt de aanvraag voor herstructureringssteun aan de aanvrager teruggezonden. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de voorwaarden die niet vervuld zijn. De aanvrager kan vervolgens zijn aanvraag intrekken dan wel vervolledigen. [...]”
7 Artikel 10, lid 4, van verordening nr. 320/2006 luidt als volgt: „De in artikel 3 bedoelde herstructureringssteun wordt in twee tranches uitgekeerd: – 40 % in juni van het in artikel 3, lid 2 bedoelde verkoopseizoen en – 60 % in februari van het daaropvolgende verkoopseizoen. De Commissie kan echter besluiten de in het tweede streepje hierboven bedoelde tranche [...] in twee uitkeringen te splitsen [...].”
8 Tot slot bepaalt artikel 14 van verordening nr. 320/2006, „Wijzigingen van verordening (EG) nr. 1290/2005”: „Verordening (EG) nr. 1290/2005 wordt als volgt gewijzigd: 1. Aan artikel 3, lid 1, wordt het volgende punt e) toegevoegd: ‚e) herstructureringssteun, steun voor diversificatie, aanvullende steun voor diversificatie en overgangssteun als bedoeld in de artikelen 3, 6, 7, 8 en 9 van verordening [...] nr. 320/2006’ [...]”
Verordening nr. 968/2006
9 De Europese Commissie heeft verordening (EG) nr. 968/2006 van 27 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 320/2006 (PB 2006, L 176, blz. 32) vastgesteld. Verordening nr. 968/2006 is verschillende malen gewijzigd, laatstelijk bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 672/2011 van de Commissie van 13 juli 2011 tot wijziging van verordening nr. 968/2006 (PB 2011, L 184, blz. 1). Verordening nr. 968/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 672/2011, is van toepassing op de feiten van de onderhavige zaak.
10 Overweging 4 van verordening nr. 968/2006 luidt: „Wat de afstanddoening van quotum betreft, biedt artikel 3 van verordening [...] nr. 320/2006 de mogelijkheid om de productie-installaties volledig dan wel slechts gedeeltelijk te ontmantelen, in welke twee gevallen verschillende bedragen aan herstructureringssteun gelden. Bij de bepaling van de aan deze twee mogelijkheden te verbinden voorwaarden moet er enerzijds rekening mee worden gehouden dat voor een volledige ontmanteling een hoger bedrag aan herstructureringssteun wordt toegekend wegens de hogere kosten die daarmee zijn gemoeid, en is het anderzijds passend de instandhouding toe te staan van niet tot de productielijn behorende delen van de fabriek die kunnen worden gebruikt voor andere, in het herstructureringsplan beoogde doeleinden, vooral wanneer door dat gebruik werkgelegenheid wordt geschapen. Daarentegen moeten niet rechtstreeks op de suikerproductie gerichte voorzieningen worden ontmanteld als er niet binnen een redelijke termijn een andere gebruiksmogelijkheid voor is gevonden en instandhouding ervan schadelijk zou zijn voor het milieu.”
11 Artikel 4 van verordening nr. 968/2006, „Ontmanteling van productie-installaties”, bepaalt: „1. In het geval van volledige ontmanteling zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a), van verordening [...] nr. 320/2006 heeft de verplichting tot ontmanteling van de productie-installaties betrekking op: a) alle installaties die nodig zijn om suiker, isoglucose of inulinestroop te produceren, zoals bijvoorbeeld de installaties om suikerbieten, suikerriet, granen of cichorei op te slaan, te analyseren, te wassen of te snijden en de installaties om suiker uit suikerbieten of suikerriet, zetmeel uit granen, glucose uit zetmeel of inuline uit cichorei te winnen of om een aldus verkregen product verder te be- of verwerken of te concentreren; b) het gedeelte van de installaties dat niet tot de onder a) bedoelde installaties behoort, maar waarvan het gebruik rechtstreeks verband houdt met de productie van suiker, isoglucose of inulinestroop en dat nodig is voor de totstandbrenging van de productie in het kader van het quotum waarvan afstand wordt gedaan, ook al zou het bij de productie van andere producten kunnen worden gebruikt, zoals installaties om water te verwarmen of te behandelen of om energie te produceren, installaties voor het omgaan met suikerbietenpulp of met melasse en installaties voor intern transport; c) alle andere installaties, zoals verpakkingsinstallaties, die ongebruikt blijven en om milieuredenen moeten worden ontmanteld en verwijderd. 2. In het geval van gedeeltelijke ontmanteling zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onder b), van verordening [...] nr. 320/2006 heeft de verplichting tot ontmanteling van de productie-installaties betrekking op de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde installaties die overeenkomstig het herstructureringsplan niet voor een andere productie of een ander gebruik van de fabriekslocatie bestemd zijn.”
12 Artikel 6 van verordening nr. 968/2006, „Verplichtingen van de lidstaten”, luidt als volgt: „1. Uiterlijk twintig dagen nadat de lidstaat de in artikel 2, lid 3, van de onderhavige verordening bedoelde kopie van de uitnodiging voor het overleg heeft ontvangen, stelt hij de bij het herstructureringsplan betrokken partijen in kennis van zijn besluit over: [...] b) de periode waarbinnen de productie-installaties moeten worden ontmanteld en moet worden voldaan aan de sociale en de milieuverplichtingen zoals bedoeld in artikel 3, lid 3, onder c), en lid 4, onder c), van verordening [...] nr. 320/2006, welke periode niet later dan op 30 september 2010 mag aflopen; [...] In afwijking van het bepaalde in [lid 1], onder b), kunnen de lidstaten, op basis van een naar behoren gemotiveerd verzoek daartoe van de betrokken onderneming, een verlenging van de in [lid 1, onder b)] vastgestelde termijn toestaan tot uiterlijk 31 maart 2012. In dergelijke gevallen dient de onderneming een gewijzigd herstructureringsplan in overeenkomstig artikel 11. [...]”
13 Artikel 9 van verordening nr. 968/2006, „Steunwaardigheid in het geval van de herstructureringssteun”, bepaalt: „[...] 2. Opdat de aanvraag als steunwaardig zal worden beschouwd, moet het herstructureringsplan aan de volgende voorwaarden voldoen: a) het plan bevat een samenvatting van de belangrijkste doelstellingen, de maatregelen en acties met vermelding van de geschatte kosten van die maatregelen en acties, het financieringsplan en de tijdschema’s; b) voor elke betrokken fabriek is in het plan de hoeveelheid quotum aangegeven waarvan afstand zal worden gedaan, welke hoeveelheid niet meer mag bedragen dan de productiecapaciteit die door de volledige of gedeeltelijke ontmanteling zal verdwijnen; c) in het plan is een verklaring opgenomen dat de productie-installaties volledig of gedeeltelijk zullen worden ontmanteld en dat de ontmantelde installaties van de productielocatie zullen worden verwijderd; [...] e) het plan bevat een duidelijke opgave van alle uit het herstructureringsfonds te financieren acties en kosten en, in voorkomend geval, van de andere, daarmee verband houdende elementen waarvoor het de bedoeling is dat deze uit andere fondsen van de Gemeenschap worden gefinancierd. 3. Indien de in lid 2 van het onderhavige artikel gestelde voorwaarden niet zijn vervuld, stelt de lidstaat de aanvrager ervan in kennis waarom dit zo is, en stelt hij een termijn vast waarbinnen de aanvraag dienovereenkomstig kan worden aangepast, welke termijn de bij artikel 4, lid 1, van verordening [...] nr. 320/2006 vastgestelde uiterste datum niet mag overschrijden. Binnen 15 werkdagen na afloop van de in de eerste alinea bedoelde termijn maar ten minste 10 werkdagen vóór de bij artikel 5, lid 1, van verordening [...] nr. 320/2006 vastgestelde uiterste datum beslist de lidstaat of de aangepaste aanvraag steunwaardig is. Indien de aangepaste aanvraag niet tijdig wordt ingediend of als niet-steunwaardig wordt beschouwd, wordt de aanvraag voor herstructureringssteun afgewezen en stelt de lidstaat de aanvrager en de Commissie daarvan binnen vijf werkdagen in kennis. Bij de indiening van een nieuwe aanvraag door dezelfde aanvrager wordt opnieuw de in artikel 8 van de onderhavige verordening opgenomen regeling met betrekking tot de chronologische volgorde toegepast. [...]”
14 Artikel 10, lid 4, van verordening nr. 968/2006 luidt als volgt: „De lidstaat stelt de aanvrager uiterlijk op de bij artikel 5, lid 1, van verordening [...] nr. 320/2006 vastgestelde uiterste datum van de toekenning van de herstructureringssteun voor diens steunwaardige herstructureringsplan in kennis. De bevoegde autoriteit van de lidstaat doet de Commissie een volledige kopie van het goedgekeurde herstructureringsplan toekomen.”
15 Artikel 11 van verordening nr. 968/2006, „Wijzigingen van het herstructureringsplan”, bepaalt: „1. Zodra de herstructureringssteun is toegekend, voert de begunstigde alle maatregelen uit die in het goedgekeurde herstructureringsplan in detail zijn vermeld, en komt hij de in zijn aanvraag voor herstructureringssteun opgenomen verbintenissen na. 2. De lidstaat stemt met eventuele wijzigingen van een goedgekeurd herstructureringsplan in op basis van een verzoek van de betrokken onderneming waarin: a) de redenen en de bij de uitvoering ondervonden problemen worden uiteengezet; b) de voorgestelde aanpassingen of nieuwe maatregelen en de verwachte effecten worden behandeld; c) de financiële gevolgen en de gevolgen ten aanzien van de tijdstippen van uitvoering in detail worden aangegeven. De wijzigingen mogen geen verandering brengen in het totale bedrag van de toe te kennen herstructureringssteun of in de overeenkomstig artikel 11 van verordening [...] nr. 320/2006 te betalen tijdelijke herstructureringsheffingen. De lidstaat stelt de Commissie van het gewijzigde herstructureringsplan in kennis.”
16 Artikel 16 van verordening nr. 968/2006, „Betaling van de herstructureringssteun”, bepaalt: „1. Elke tranche van de herstructureringssteun zoals bedoeld in artikel 10, lid 4, van verordening [...] nr. 320/2006 wordt slechts betaald indien een zekerheid is gesteld die gelijk is aan 120 % van het bedrag van die tranche. [...]”
17 Artikel 22 van verordening nr. 968/2006, „Vrijgave van zekerheden”, luidt als volgt: „1. De in artikel 16, lid 1, [...] en artikel 18, lid 2, bedoelde zekerheden worden vrijgegeven op voorwaarde: a) dat alle maatregelen en acties die zijn gepland in, naargelang van het geval, het herstructureringsplan, het nationale herstructureringsprogramma of het bedrijfsplan, zijn uitgevoerd; b) dat het in artikel 23, lid 2, bedoelde eindverslag is ingediend; c) dat de lidstaat de in artikel 25 bedoelde controles heeft uitgevoerd; [...] 3. Behoudens overmacht wordt de zekerheid verbeurd indien niet uiterlijk op 30 september 2012 aan de in lid 1 van het onderhavige artikel genoemde voorwaarden is voldaan.”
18 Artikel 25 van verordening nr. 968/2006, „Controles”, bepaalt het volgende: „1. Elke onderneming en productielocatie waarvoor uit het herstructureringsfonds steun wordt ontvangen, wordt door de bevoegde autoriteit van de lidstaat geïnspecteerd binnen drie maanden na het verstrijken van de in artikel 23, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde termijn. Bij de inspectie wordt gecontroleerd of het herstructureringsplan of bedrijfsplan in acht wordt genomen, en wordt nagegaan of de door de onderneming in het voortgangsverslag verstrekte gegevens juist en volledig zijn. Bij de eerste inspectie voor een herstructureringsplan worden ook alle aanvullende gegevens gecontroleerd die de onderneming in haar aanvraag voor herstructureringssteun heeft verstrekt, en in het bijzonder de bevestiging zoals bedoeld in artikel 4, lid 2, onder b), van verordening [...] nr. 320/2006. 2. Voor een herstructureringsplan heeft de inspectie in alle gevallen betrekking op de in artikel 4, lid 3, van verordening [...] nr. 320/2006 genoemde elementen van dat plan. [...]”
19 Voorts bepaalt artikel 26 van verordening nr. 968/2006, „Terugvordering”: „1. Onverminderd lid 3 geldt dat, indien de begunstigde één of meer van zijn verbintenissen in het kader van het herstructureringsplan, het bedrijfsplan of het nationale herstructureringsprogramma, naargelang van het geval, niet is nagekomen, behoudens overmacht het voor de betrokken verbintenis of verbintenissen toegekende deel van de steun wordt teruggevorderd. [...]”
20 Tot slot luidt artikel 27 van verordening nr. 968/2006, „Boeten”: „1. Indien de begunstigde één of meer van zijn verbintenissen in het kader van het herstructureringsplan, het bedrijfsplan of het nationale herstructureringsprogramma, naargelang van het geval, niet is nagekomen, moet hij een bedrag betalen dat gelijk is aan 10 % van het overeenkomstig artikel 26 terug te vorderen bedrag. [...]”
Voorgeschiedenis van het geding
Bestreden besluit
21 Bij uitvoeringsbesluit (EU) 2015/103 van 16 januari 2015 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2015, L 16, blz. 33; hierna: „bestreden besluit”) heeft de Commissie de Italiaanse Republiek onder meer de volgende correcties opgelegd: – een correctie van 90498735,16 EUR voor de uitgaven van de Italiaanse Republiek in het kader van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie, omdat niet alle installaties voor de productie van suiker door de begunstigden van de herstructureringssteun waren afgebroken (begrotingsjaren 2007, 2008 en 2009); – een correctie van 1607275,90 EUR wegens te late betaling van het saldo van de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004 (begrotingsjaar 2010); – een forfaitaire correctie van 1198831,03 EUR wegens te late betaling van bepaalde uitgaven in verband met voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten (begrotingsjaren 2009 en 2010).
22 De drie in punt 21 hierboven vermelde correcties worden in het onderhavige beroep door de Italiaanse Republiek betwist.
Financiële correctie op de uitgaven uit hoofde van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie
23 In september 2010 hebben de diensten van de Commissie in Italië onderzoek verricht naar de steun voor de herstructurering van de suikerindustrie die in de begrotingsjaren 2007, 2008 en 2009 aan bepaalde Italiaanse suikerproducenten was verleend (hierna: „onderzoek EX/2010/010/IT”).
24 Bij brief van 9 december 2010, verzonden op grond van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de erkenning van de betaalorganen en andere instanties en de goedkeuring van de rekeningen inzake het ELGF en het Elfpo (PB 2006, L 171, blz. 90), heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten in kennis gesteld van het resultaat van onderzoek EX/2010/010/IT, dat bij die brief was gevoegd (hierna: „eerste mededeling van 9 december 2010”).
25 Uit de eerste mededeling van 9 december 2010 blijkt dat de Commissie van mening was dat de Italiaanse autoriteiten niet volledig hadden voldaan aan de voorwaarden van de regeling van de Europese Unie voor de toekenning van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling van productie-installaties, aangezien zij had vastgesteld dat er nog silo’s aanwezig waren op verschillende suikerproductielocaties van Italiaanse bedrijven die om toekenning van die steun hadden gevraagd (hierna: „omstreden silo’s”). In dit verband heeft zij aangegeven dat deze bedrijven niet voldeden aan de voorwaarden voor toekenning van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling indien zij het herstructureringsplan niet volledig uitvoerden en indien de met de productie verband houdende bouwwerken, waaronder de omstreden silo’s, niet waren afgebroken. Tot slot heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten verzocht om aan te geven of er nog silo’s aanwezig waren op de suikerproductielocaties die niet door haar medewerkers waren bezocht.
26 De Italiaanse autoriteiten hebben bij brief van 9 februari 2011 geantwoord op de bezwaren van de Commissie in de eerste mededeling van 9 december 2010.
27 Op 18 april 2011 heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten uitgenodigd voor een bilaterale vergadering, die heeft plaatsgevonden te Brussel (België) op 4 mei 2011.
28 De notulen van die vergadering zijn aan de Italiaanse autoriteiten toegezonden bij brief van de Commissie van 26 juli 2011. Deze hebben op 2 november 2011 hun opmerkingen over die notulen ingediend.
29 Bij brief van 16 augustus 2012, verzonden op grond van artikel 11, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 885/2006 (hierna: „formele mededeling van 16 augustus 2012”), heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten meegedeeld dat zij een bedrag van 90498735,15 EUR aan de Uniefinanciering wilde onttrekken wegens niet-naleving van de voorwaarden voor de toekenning van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling die zijn gesteld in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 320/2006 en artikel 4, lid 2, van verordening nr. 968/2006.
30 Op 11 oktober 2012 hebben de Italiaanse autoriteiten deze aangelegenheid krachtens artikel 16 van verordening nr. 885/2006 voorgelegd aan het Bemiddelingsorgaan, dat op 10 februari 2013 zijn rapport heeft uitgebracht.
31 Bij arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), heeft het Hof in essentie geoordeeld dat het begrip „productie-installaties” in de zin van de artikelen 3 en 4 van verordening nr. 320/2006 en artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 968/2006 silo’s omvatte die bestemd waren voor de opslag van suiker van de begunstigde van de steun. Het Hof oordeelde echter dat dit in twee gevallen niet het geval was: ten eerste wanneer was aangetoond dat de silo’s uitsluitend werden gebruikt voor de opslag van door andere producenten geproduceerde of van hen gekochte quotumsuiker, en ten tweede wanneer zij uitsluitend werden gebruikt voor het verpakken of inpakken van suiker met het oog op de verkoop ervan.
32 Bij brief van 28 maart 2014 heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten een termijn van twee maanden toegekend om nadere opmerkingen in te dienen, met name naar aanleiding van de uitspraak van het in punt 31 hierboven genoemde arrest van het Hof, en om te bewijzen dat de omstreden silo’s vóór het aanvragen van de herstructureringssteun uitsluitend dienden voor het opslaan en verpakken van door andere producenten geproduceerde quotumsuiker.
33 Bij brief van 30 mei 2014 hebben de Italiaanse autoriteiten bezwaar gemaakt tegen het standpunt van de Commissie dat er, om te beoordelen of de silo’s onder het begrip „productie-installaties” vielen, rekening moest worden gehouden met de wijze waarop deze werden gebruikt op de dag waarop de herstructureringssteun was aangevraagd.
34 In het samenvattend verslag van de Commissie van 12 december 2014 heeft de Commissie haar voorstel om 90498735,16 EUR aan de Uniefinanciering te onttrekken, bevestigd.
Financiële correctie wegens te late betaling van het saldo van de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004
35 De diensten van de Commissie hebben op het gebied van slachtpremies in Italië onderzoek gedaan naar de niet-inachtneming van de betalingstermijnen en de overschrijding van de financiële maxima in het begrotingsjaar 2010.
36 Bij brief van 14 februari 2011, verzonden uit hoofde van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006, heeft de Commissie de resultaten van haar verificaties aan de Italiaanse autoriteiten meegedeeld. Laatstgenoemden hebben op die mededeling geantwoord bij brief van 8 maart 2011.
37 Op 15 juni 2011 heeft er te Brussel een bilaterale vergadering plaatsgevonden tussen de diensten van de Commissie en de Italiaanse autoriteiten. De notulen van deze vergadering zijn op 3 augustus 2011 aan de Italiaanse autoriteiten toegezonden. Deze hebben op 5 oktober 2011 hun opmerkingen ingediend.
38 De Commissie heeft haar standpunt herhaald in haar brief van 18 januari 2012, verzonden uit hoofde van artikel 11, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 885/2006, waarop de Italiaanse autoriteiten hebben geantwoord bij brief van 27 maart 2012.
39 Bij brief van 30 oktober 2013, verzonden krachtens artikel 11, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 885/2006, heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten formeel in kennis gesteld van het geraamde bedrag van de voorgestelde correctie, te weten 7643605,11 EUR, wegens, onder meer, niet-inachtneming van de betalingstermijnen met betrekking tot de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004, waarvan het saldo op 30 oktober en 3 november 2009 aan de begunstigden was betaald.
40 Op 10 december 2013 hebben de Italiaanse autoriteiten deze aangelegenheid voorgelegd aan het Bemiddelingsorgaan. Dit heeft op 6 mei 2014 zijn rapport uitgebracht.
41 Bij brief van 2 juli 2014 heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten haar definitieve standpunt meegedeeld, waarin zij vasthield aan een forfaitaire correctie van 7643605,11 EUR, waarvan 1607275,90 EUR als bedrag voor de te late betaling van het saldo van de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004, die in het begrotingsjaar 2010 was verricht.
Financiële correctie wegens te late betaling van bepaalde uitgaven in verband met voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten
42 Van 30 november tot en met 4 december 2009 hebben de diensten van de Commissie in Italië onderzoek verricht naar de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen, met betrekking tot de begrotingsjaren 2008 tot en met 2010.
43 Bij brief van 27 april 2010, verzonden uit hoofde van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006, heeft de Commissie het resultaat van haar verificaties aan de Italiaanse autoriteiten meegedeeld. De Italiaanse autoriteiten hebben op die mededeling geantwoord bij brief van 5 juli 2010.
44 Op 18 november 2010 heeft te Brussel een bilaterale vergadering plaatsgevonden tussen de Italiaanse autoriteiten en de Commissie. De notulen van deze vergadering zijn op 31 januari 2011 aan de Italiaanse autoriteiten toegezonden. Deze hebben op 30 maart 2011 hun opmerkingen ingediend.
45 Bij brief van 17 april 2013, verzonden uit hoofde van artikel 11, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 885/2006, heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten formeel in kennis gesteld van het geraamde bedrag van de voorgestelde correctie, te weten 2844470,65 EUR, voor de begrotingsjaren 2008 (uitsluitend vanaf 30 mei 2008), 2009 en 2010.
46 Op 3 juni 2013 hebben de Italiaanse autoriteiten deze aangelegenheid voorgelegd aan het Bemiddelingsorgaan. Dit heeft op 29 november 2013 zijn rapport uitgebracht.
47 Bij brief van 27 mei 2014 heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten haar definitieve standpunt meegedeeld, waarin zij met name een forfaitaire correctie van 1198831,03 EUR toepaste wegens de te late betalingen in verband met de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen, die in de begrotingsjaren 2009 en 2010 waren verricht.
Procedure en conclusies van partijen
48 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 maart 2015 heeft de Italiaanse Republiek het onderhavige beroep ingesteld.
49 Bij akten neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 22 en 25 juni 2015 hebben de Franse Republiek en Hongarije elk een verzoek tot interventie aan de zijde van de Italiaanse Republiek ingediend. Bij beslissingen van 22 juli 2015 heeft de president van de Tweede kamer van het Gerecht deze interventies toegestaan.
50 De Italiaanse Republiek verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover het betrekking heeft op bepaalde uitgaven van de Italiaanse Republiek; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
51 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten.
52 De Franse Republiek verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
53 Hongarije verzoekt het Gerecht het bestreden besluit gedeeltelijk nietig te verklaren.
54 Bij brief van de griffie van het Gerecht van 14 juni 2016 zijn partijen op de hoogte gesteld van de wijziging van de samenstelling van het Gerecht en van de beslissing van de president van het Gerecht om de zaak toe te wijzen aan een andere rechter-rapporteur, die was toegevoegd aan de Derde kamer.
55 Bij brief van de griffie van 3 oktober 2016 zijn partijen op de hoogte gesteld van de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht, overeenkomstig artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, en van de toevoeging van de rechter-rapporteur aan de Vierde kamer, waaraan de onderhavige zaak bijgevolg is toegewezen.
56 Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en, in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering, heeft het schriftelijke vragen aan partijen gesteld en hun verzocht bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn gevolg gegeven aan de maatregelen tot organisatie van de procesgang.
57 Ter terechtzitting van 12 september 2017 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht.
In rechte
58 Ter ondersteuning van het beroep voert de Italiaanse Republiek zes middelen aan.
59 De eerste vier middelen worden aangevoerd ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van de correctie op de uitgaven van de Italiaanse Republiek in het kader van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie. Het eerste middel is in essentie ontleend aan schending van artikel 31, lid 4, van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 2005, L 209, blz. 1), van de rechten van verdediging en van het beginsel van hoor en wederhoor, en aan een ontoereikende motivering. Het tweede middel betreft in essentie schending van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 885/2006, van verordening nr. 320/2006, van verordening nr. 968/2006 en van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737). Het derde middel is in essentie gebaseerd op schending van het vertrouwensbeginsel, van de beginselen van loyale samenwerking, ne bis in idem en behoorlijk bestuur, en van de zorgplicht. Het vierde middel is ontleend aan schending van artikel 31, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 1290/2005, van artikel 11, lid 3, tweede alinea, en hoofdstuk 3 van verordening nr. 885/2006, van de richtsnoeren in document VI/5330/97 van de Commissie van 23 december 1997, „Richtsnoeren voor de berekening van de financiële consequenties bij de voorbereiding van de beschikking inzake de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL-afdeling Garantie” (hierna: „document VI/5330/97”), en van de motiveringsplicht, en aan het ontbreken van een onderzoek van het standpunt van het Bemiddelingsorgaan.
60 Het vijfde middel is aangevoerd ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van de correctie wegens te late betaling van het saldo van de slachtpremies voor het aanvraagjaar 2004 en is gebaseerd op schending van artikel 9, lid 3, van verordening (EG) nr. 883/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1290/2005 met betrekking tot het bijhouden van de rekeningen van de betaalorganen, de declaraties van uitgaven en ontvangsten en de voorwaarden voor de vergoeding van uitgaven in het kader van het ELGF en het Elfpo (PB 2006, L 171, blz. 1) en van het beginsel van gelijke behandeling, en op een onjuiste opvatting van de feiten.
61 Het zesde middel is aangevoerd ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van de correctie wegens te late betaling van bepaalde uitgaven in verband met de voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten en betreft schending van artikel 20 van verordening (EG) nr. 501/2008 van de Commissie van 5 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen (PB 2008, L 147, blz. 3), van het vertrouwensbeginsel en van het beginsel van de toerekenbaarheid van financiële correcties aan de lidstaten.
Eerste middel: schending van artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005, van de rechten van verdediging en van het beginsel van hoor en wederhoor, alsmede ontoereikende motivering
62 Het eerste middel bestaat in wezen uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel is ontleend aan schending van artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005. Het tweede onderdeel betreft schending van de rechten van verdediging en van het beginsel van hoor en wederhoor. Het derde onderdeel is in essentie gebaseerd op een ontoereikende motivering van het bestreden besluit.
Eerste onderdeel van het eerste middel: schending van artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005
63 De Italiaanse Republiek verwijt de Commissie, in essentie, te hebben aangenomen dat de herstructureringssteun betrekking had op een meerjarenmaatregel in de zin van artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 en dat de financiële correctie in casu dus kon worden toegepast op alle uitgaven die in het kader van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie waren gedaan. De Commissie heeft daardoor in strijd gehandeld met artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005.
64 De Commissie betwist de argumenten van de Italiaanse Republiek.
65 In casu moet worden nagegaan of de Commissie terecht alle uitgaven die de Italiaanse Republiek in het kader van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie heeft gedaan, heeft opgenomen in de grondslag van de betwiste financiële correctie, overeenkomstig artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005, dan wel of zij de uitgaven die meer dan 24 maanden vóór de kennisgeving aan de Italiaanse autoriteiten van de eerste mededeling van 9 december 2010 waren gedaan van die grondslag had moeten uitsluiten, overeenkomstig artikel 31, lid 4, onder a), van verordening nr. 1290/2005. Voor deze beoordeling moet worden vastgesteld of de herstructureringssteun voor de suikerindustrie een meerjarenmaatregel financierde in de zin van artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005.
66 Artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005 bepaalt: „Financiering kan niet worden geweigerd voor: a) uitgaven zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, [van deze verordening] die zijn verricht meer dan [24] maanden voordat de Commissie de betrokken lidstaat schriftelijk van de resultaten van de verificaties in kennis heeft gesteld; b) onder artikel 3, lid 1, [van deze verordening] of binnen de werkingssfeer van in artikel 4 [van deze verordening] bedoelde programma’s vallende uitgaven betreffende meerjarenmaatregelen waarvoor de meest recente verplichting die aan de begunstigde is opgelegd, dateert van meer dan [24] maanden voordat de Commissie de betrokken lidstaat schriftelijk van de resultaten van de verificaties in kennis heeft gesteld; [...]”
67 Onder de uitgaven bedoeld in artikel 3, lid 1, onder e), van verordening nr. 1290/2005, zoals gewijzigd bij artikel 14 van verordening nr. 320/2006, valt, onder andere, de steun voor de herstructurering van de suikerindustrie.
68 Volgens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 320/2006 moet voor toekenning van de herstructureringssteun bovendien zijn voldaan aan twee voorwaarden: er moet afstand worden gedaan van het productiequotum en de productie-installaties moeten volledig of gedeeltelijk worden ontmanteld.
69 Wat het afstand doen van het productiequotum betreft, stelt de Italiaanse Republiek terecht dat het gaat om een onmiddellijke maatregel die tijdens een bepaald verkoopseizoen wordt genomen.
70 Anders dan de Italiaanse Republiek stelt, vormt het afstand doen van het productiequotum echter niet „de kern van de betrokken regeling”, omdat artikel 3, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 320/2006 voor de toekenning van herstructureringssteun voor volledige of gedeeltelijke ontmanteling ook verlangt dat de productie-installaties volledig of gedeeltelijk worden ontmanteld (zie punt 68 hierboven).
71 De ontmanteling van productie-installaties impliceert echter de uitvoering, op termijn, van meerdere complexe handelingen en kan derhalve geen incidentele maatregel zijn.
72 Volgens artikel 3, lid 3, van verordening nr. 320/2006 moet c.q. moeten bij volledige ontmanteling van productie-installaties immers ten eerste de productie van suiker, isoglucose of inulinestroop definitief worden gestaakt door de betrokken productie-installatie, ten tweede de fabriek of fabrieken worden gesloten en de productie-installaties daarvan worden ontmanteld, en ten derde het fabrieksterrein in milieuopzicht worden gesaneerd en het elders tewerkstellen van de betrokken werknemers worden vergemakkelijkt.
73 Aan gedeeltelijke ontmanteling stelt artikel 3, lid 4, van verordening nr. 320/2006 soortgelijke voorwaarden als de voorwaarden vermeld in punt 72 hierboven.
74 Voorts wordt het feit dat de herstructureringsoperaties zich over meerdere jaren uitstrekken ook bevestigd door artikel 6 van verordening nr. 968/2006, dat voorziet in een termijn waarbinnen de ontmanteling van de productie-installaties moet zijn voltooid en aan de sociale en milieuverplichtingen moet zijn voldaan, waarvan de herhaaldelijk gewijzigde uiterste datum uiteindelijk, bij uitvoeringsverordening nr. 672/2011 is vastgesteld op 31 maart 2012.
75 Tot slot heeft de Italiaanse Republiek in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting aangegeven dat de ontmantelingsoperaties van de productielocaties van twee Italiaanse ondernemingen die herstructureringssteun voor volledige ontmanteling hadden aangevraagd, drie tot vier jaar hadden geduurd.
76 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de herstructureringssteun voor de suikerindustrie niet is bedoeld om een incidentele maatregel te financieren, maar een geheel van maatregelen waarvan de daadwerkelijke uitvoering zich in beginsel over meerdere jaren uitstrekt. Derhalve moet worden geoordeeld dat de regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie een meerjarenmaatregel is in de zin van artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005.
77 De door de Italiaanse Republiek aangevoerde argumenten kunnen deze conclusie niet ontkrachten.
78 De Italiaanse Republiek betoogt ten eerste dat de incidentele aard van de met de herstructureringssteun gefinancierde maatregelen blijkt uit het feit dat artikel 10 van verordening nr. 320/2006 voorziet in de betaling van één enkel bedrag aan herstructureringssteun, ook al wordt die betaling gesplitst in twee tranches die binnen een periode van twaalf maanden worden uitgekeerd.
79 In dit verband blijkt uit artikel 10, lid 4, van verordening nr. 320/2006 junctis de artikelen 16, 22 en 25, lid 1, van verordening nr. 968/2006 dat de betaling van de herstructureringssteun voor volledige ontmanteling, in meerdere tranches, gepaard gaat met het stellen van zekerheden die alleen worden vrijgegeven indien na afloop van het herstructureringsproces de in artikel 25, lid 1, van verordening nr. 968/2006 bedoelde inspecties onder meer bevestigen dat alle in het herstructureringsplan opgenomen maatregelen en handelingen daadwerkelijk zijn uitgevoerd.
80 Hieruit volgt dat het definitieve bedrag van de herstructureringssteun pas bekend kan zijn na de vrijgave van de laatste door de lidstaten gehouden zekerheden, derhalve na de controles die worden verricht nadat alle herstructureringsoperaties zijn uitgevoerd.
81 Dus zelfs indien alle herstructureringssteun 24 maanden vóór de eerste mededeling van 9 december 2010 aan de Italiaanse ondernemingen was uitgekeerd, zoals de Italiaanse Republiek ter terechtzitting heeft gesteld, evenwel zonder dit aan te tonen, was het bedrag van die steun niet definitief en kon het nog worden gewijzigd.
82 Ook indien de betaling van de herstructureringssteun aan de Italiaanse ondernemingen in één keer was verricht, zou deze omstandigheid niet uitsluiten dat de herstructureringsregeling voor de suikerindustrie als meerjarenmaatregel wordt gekwalificeerd, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt. Dienaangaande is immers bepalend dat de toepassing van deze regeling een aantal verplichtingen behelst die niet onmiddellijk maar alleen gespreid over meerdere jaren kunnen worden uitgevoerd.
83 Ten tweede stelt de Italiaanse Republiek in essentie dat de Commissie, door artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 toe te passen, met gerechtigd was iedere uitgave te betwisten die uit hoofde van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie was gedaan, wanneer de mededeling uit hoofde van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 had plaatsgevonden binnen 24 maanden nadat de meest recente aan de begunstigde opgelegde verplichting was uitgevoerd. In casu meent zij dat de Commissie dus tot en met maart 2014 een procedure voor de goedkeuring van de rekeningen kon starten, dat wil zeggen gedurende een termijn van 24 maanden te rekenen vanaf de uiterste datum voor de ontmanteling van productie-installaties, te weten 31 maart 2012. Indien, in dat geval, een mededeling van de Commissie uit hoofde van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 na het verstrijken van de termijn voor volledige ontmanteling wordt gedaan, kan de lidstaat de door de Commissie vastgestelde onregelmatigheid niet meer verhelpen. Dit druist volgens haar in tegen de geest van de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen, waarvan één van de essentiële onderdelen erin bestaat dat aan de lidstaat wordt toegestaan om de door de Commissie vastgestelde onregelmatigheden te verhelpen.
84 In antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting heeft de Italiaanse Republiek bevestigd dat zij zich met haar in punt 83 hierboven vermelde betoog niet heeft willen beroepen op de onwettigheid van artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005, maar, in essentie, heeft willen opkomen tegen de toepassing van deze bepaling in het onderhavige geval.
85 In dit verband kan worden volstaan met vast te stellen dat de mededeling uit hoofde van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006, in casu de eerste mededeling van 9 december 2010 (zie punt 24 hierboven), aan de Italiaanse Republiek was toegezonden vóór de vervaldatum van de meest recente verplichting van de begunstigden van de herstructureringssteun, te weten 31 maart 2012 (zie punt 74 hierboven). De Italiaanse Republiek had de in de eerste mededeling van 9 december 2010 geconstateerde onregelmatigheden dus kunnen verhelpen, of op zijn minst maatregelen kunnen nemen om te trachten deze onregelmatigheden te verhelpen.
86 Gelet op het voorgaande heeft de Commissie geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door aan te nemen dat de herstructureringssteun voor de suikerindustrie was bedoeld om een meerjarenmaatregel te financieren en, derhalve, door in de omstreden correctie rekening te houden met de volledige aan Italiaanse ondernemingen verleende herstructureringssteun.
87 Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het eerste middel te worden afgewezen.
Tweede onderdeel van het eerste middel: schending van de rechten van verdediging en van het beginsel van hoor en wederhoor
88 De Italiaanse Republiek betoogt in essentie dat zij door de te late standpuntwijziging van de Commissie – in de formele mededeling van 16 augustus 2012 – ten aanzien van de rechtsgrondslag voor de berekening van de termijn van 24 maanden bedoeld in artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005 haar rechten van verdediging niet heeft kunnen uitoefenen en dat daardoor afbreuk is gedaan aan de contradictoire aard van de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen.
89 De Commissie betwist de argumenten van de Italiaanse Republiek.
90 Volgens vaste rechtspraak moet de definitieve eindbeschikking betreffende de goedkeuring van de rekeningen worden gegeven na een bijzondere procedure op tegenspraak die de lidstaten alle waarborgen biedt om hun standpunt kenbaar te maken (zie arrest van 14 december 2000, Duitsland/Commissie, C‑245/97, EU:C:2000:687, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91 Deze procedure is geregeld in artikel 11 van verordening nr. 885/2006, „Conformiteitsgoedkeuring”, dat luidt: „1. Indien de Commissie als gevolg van een onderzoek van mening is dat uitgaven niet overeenkomstig de communautaire voorschriften zijn gedaan, deelt zij haar bevindingen aan de betrokken lidstaat mee en geeft zij aan welke correctiemaatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat die voorschriften in de toekomst worden nageleefd. In de mededeling wordt naar dit artikel verwezen. De lidstaat antwoordt binnen twee maanden na ontvangst van de mededeling en de Commissie kan ten gevolge van dat antwoord haar standpunt wijzigen. De Commissie kan in gevallen waarin dat gerechtvaardigd is, instemmen met een verlenging van de antwoordtermijn. Na afloop van de antwoordtermijn belegt de Commissie een bilaterale vergadering en pogen beide partijen tot overeenstemming te komen over de te nemen maatregelen en over de beoordeling van de ernst van de overtreding en van de aan de gemeenschapsbegroting toegebrachte financiële schade. 2. Binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de notulen van de in lid 1, derde alinea, bedoelde bilaterale vergadering doet de lidstaat mededeling van de eventueel in die vergadering gevraagde gegevens of van welke andere gegevens ook die hij nuttig acht voor het lopende onderzoek. [...] Na het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde termijn deelt de Commissie haar conclusies op basis van de in het kader van de procedure voor de conformiteitsgoedkeuring ontvangen gegevens formeel aan de lidstaat mee. In de mededeling wordt de beoordeling vermeld van de uitgaven waarvoor de Commissie onttrekking aan communautaire financiering overeenkomstig artikel 31 van verordening [...] nr. 1290/2005 overweegt, en wordt naar artikel 16, lid 1, van de onderhavige verordening verwezen. 3. [...] Na een eventueel overeenkomstig hoofdstuk 3 van de onderhavige verordening door het Bemiddelingsorgaan opgesteld rapport te hebben onderzocht, geeft de Commissie zo nodig overeenkomstig artikel 31 van verordening [...] nr. 1290/2005 een of meer beschikkingen tot onttrekking aan communautaire financiering van de door de niet-naleving van communautaire voorschriften beïnvloede uitgaven tot het tijdstip dat de lidstaat de correctiemaatregelen daadwerkelijk ten uitvoer heeft gelegd. [...]”
92 Volgens vaste rechtspraak moet de „schriftelijke mededeling” in de zin van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 de betrokken regering volledig inlichten omtrent de bezwaren van de Commissie, zodat zij de waarschuwende functie kan vervullen die een dergelijke mededeling volgens deze bepaling moet hebben (zie arrest van 3 mei 2012, Spanje/Commissie, C‑24/11 P, EU:C:2012:266, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93 Voorts blijkt uit de rechtspraak dat artikel 11, lid 1, eerste alinea van verordening nr. 885/2006 moet worden gelezen in samenhang met artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005, waarin is bepaald dat de Commissie geen uitgaven kan uitsluiten die buiten een van de in die laatste bepaling genoemde perioden zijn gedaan. Hieruit volgt dat de schriftelijke mededeling bedoeld in artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 als waarschuwing dient dat de uitgaven die tijdens een bepaalde periode voorafgaand aan de kennisgeving van deze mededeling zijn gedaan, kunnen worden uitgesloten van de financiering door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), en dat deze mededeling derhalve het referentiepunt vormt voor de berekening van het beginpunt van die periode (zie naar analogie arrest van 3 mei 2012, Spanje/Commissie, C‑24/11 P, EU:C:2012:266, punt 30).
94 Tot slot vereist artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 niet dat de schriftelijke mededeling de uit te sluiten uitgaven vermeldt (zie in die zin en naar analogie arrest van 7 oktober 2004, Zweden/Commissie, C‑312/02, EU:C:2004:594, punt 14). Evenmin is vereist dat de schriftelijke mededeling de termijn van artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005 expliciet vermeldt (zie in die zin en naar analogie arrest van 24 januari 2002, Finland/Commissie, C‑170/00, EU:C:2002:51, punt 32). Wat de vormvereisten betreft, maakt artikel 11, lid 1, van verordening nr. 885/2006 immers onderscheid tussen enerzijds de „mededeling van de bevindingen” bedoeld in lid 1, eerste alinea, die in casu aan de orde is, en anderzijds de „formele mededeling van de conclusies” bedoeld in lid 2, derde alinea, die in een later stadium wordt gedaan. Hieruit volgt dat de eerste mededeling niet aan even strikte vormvereisten behoeft te voldoen als de tweede (zie in die zin en naar analogie arrest van 24 januari 2002, Finland/Commissie, C‑170/00, EU:C:2002:51, punt 29).
95 Om te beginnen blijkt uit de punten 68 tot en met 76 hierboven dat de herstructureringssteun voor de suikerindustrie meerjarenmaatregelen financiert en dat derhalve de rechtsgrondslag voor de berekening van de termijn van 24 maanden artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 is.
96 In casu wordt in de begeleidende brief bij de resultaten van onderzoek EX/2010/010/IT, die aan de Italiaanse Republiek zijn toegezonden bij de eerste mededeling van 9 december 2010, aangegeven dat de eventuele „onttrekking uitsluitend betrekking zal hebben op uitgaven die binnen [24] maanden vóór de verzending van [die] mededeling zijn verricht”. De Commissie heeft dus impliciet maar noodzakelijkerwijs verwezen naar artikel 31, lid 4, onder a), van verordening nr. 1290/2005 als rechtsgrondslag voor de berekening van de termijn van 24 maanden en niet naar artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005.
97 In navolging van de Commissie moet evenwel worden opgemerkt dat, ondanks de opmerking in de brief bij de eerste mededeling van 9 december 2010, uit de bijlage bij deze brief duidelijk bleek dat de Commissie het recht van de betrokken Italiaanse ondernemingen op de volledige door hen ontvangen herstructureringssteun betwistte. Hierin was immers met name aangegeven dat „[d]e diensten van het [directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling van de Commissie] [...] van mening [zijn] dat geen van de betrokken ondernemingen voldoet aan de noodzakelijke voorwaarden voor het ontvangen van [herstructureringssteun voor volledige ontmanteling]” en dat, „[a]angezien de meeste herstructureringssteun reeds is betaald en de meeste zekerheden reeds aan de betrokken ondernemingen zijn vrijgegeven, wordt benadrukt dat de overheid, in de laatste plaats, de financiële consequenties draagt van het niet voldoen aan de door de verordeningen gestelde vereisten”.
98 Gelet op het voorgaande lichtte de eerste mededeling van 9 december 2010 de Italiaanse autoriteiten voldoende in omtrent de bezwaren van de Commissie en de correcties die waarschijnlijk op de betrokken uitgaven zouden worden toegepast, zodat zij de waarschuwende functie vervulde die de in artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 bedoelde schriftelijke mededeling moet hebben.
99 Weliswaar heeft de Commissie tijdens de bilaterale vergadering van 4 mei 2011 aangegeven dat onderzoek EX/2010/010/IT betrekking had op het tijdvak van 24 maanden voorafgaand aan de verzending van de mededeling bedoeld in artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 en derhalve alleen de tussen 10 december 2008 en 9 december 2010 gedane uitgaven betrof, maar dat neemt niet weg dat de Commissie in bijlage 1 bij de formele mededeling van 16 augustus 2012 het in de eerste mededeling van 9 december 2010 ingenomen standpunt heeft bevestigd. Zij stelde in essentie dat de financiële correctie kon worden vastgesteld op basis van alle uitgaven die de Italiaanse Republiek uit hoofde van de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie had gedaan, ook vóór de periode van 24 maanden voorafgaand aan de verzending van de eerste mededeling van 9 december 2010, en dat derhalve, in casu, de termijn van 24 maanden moest worden berekend overeenkomstig artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005.
100 In elk geval moet worden opgemerkt dat de Italiaanse Republiek deze aangelegenheid na ontvangst van de formele mededeling van 16 augustus 2012 heeft voorgelegd aan het Bemiddelingsorgaan, overeenkomstig artikel 16 van verordening nr. 885/2006, en dus de toepasselijkheid van artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 voor dat orgaan kon betwisten (zie in die zin en naar analogie arrest van 26 september 2012, Italië/Commissie, T‑84/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:471, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
101 Ter terechtzitting heeft de Italiaanse Republiek evenwel erkend dat zij bij het Bemiddelingsorgaan geen bezwaar had gemaakt tegen de toepasselijkheid van artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 en zich uitsluitend had gericht op de inhoudelijke vraag of het mogelijk was de omstreden silo’s in stand te houden en in aanmerking te komen voor herstructureringssteun voor volledige ontmanteling.
102 Tot slot zij eraan herinnerd dat de Commissie de Italiaanse Republiek na de uitspraak van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), bij brief van 28 maart 2014 de mogelijkheid heeft geboden aanvullende opmerkingen in te dienen (zie punt 32 hierboven). In hun antwoordbrief van 30 mei 2014 hebben de Italiaanse autoriteiten echter evenmin de toepassing van artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 op de onderhavige zaak betwist (zie punt 33 hierboven).
103 In deze context kan de Italiaanse Republiek zich voor het Gerecht niet beroepen op een procedurele waarborg waarvan zij zelf tijdens de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen geen gebruik heeft gemaakt (zie in die zin en naar analogie arrest van 9 september 1999, Petrides/Commissie, C‑64/98 P, EU:C:1999:399, punt 32).
104 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
Derde onderdeel van het eerste middel, in essentie ontleend aan een ontoereikende motivering
105 De Italiaanse Republiek voert in essentie aan dat de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is, omdat de redenen voor de plotselinge en ongerechtvaardigde wijziging van de rechtsgrondslag voor de berekening van de termijn van 24 maanden die de Commissie in de formele mededeling van 16 augustus 2012 had toegepast, slechts terloops in die mededeling waren vermeld.
106 De Commissie neemt hierover geen standpunt in.
107 Blijkens vaste rechtspraak is in de speciale context waarin beschikkingen inzake de goedkeuring van de rekeningen tot stand komen, de motivering van een beschikking als voldoende te beschouwen wanneer de betrokken lidstaat nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding ervan en dus bekend was met de redenen waarom de Commissie meende het omstreden bedrag niet ten laste van het EOGFL te moeten brengen (arresten van 1 oktober 1998, Nederland/Commissie, C‑27/94, EU:C:1998:446, punt 36, en 10 september 2008, Italië/Commissie, T‑181/06, niet gepubliceerd, EU:T:2008:331, punt 32).
108 In casu heeft de Commissie in bijlage 1 bij de formele mededeling van 16 augustus 2012, in punt 12 van het onderdeel „Argumenten”, eraan herinnerd dat de tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie betrekking had op het tijdvak 1 juli 2006 tot en met 31 maart 2012, dus een tijdvak van 69 maanden. Voorts heeft zij in punt 13 van het onderdeel „Argumenten” uitgelegd dat deze regeling een meerjarenmaatregel vormde in de zin van artikel 3 van verordening nr. 1290/2005, uit hoofde waarvan de gefaseerde betalingen van de verschillende tranches van de herstructureringssteun voor volledige ontmanteling waren verricht. Bovendien heeft de Commissie erop gewezen dat de betaling van elke tranche van de herstructureringssteun voor volledige ontmanteling afhankelijk was van het stellen van een zekerheid voor een bedrag gelijk aan 120 % van de overeenkomstige tranche. De Commissie heeft tevens uitgelegd dat het onderzoek van de verenigbaarheid van deze uitgaven met de doelstellingen van het herstructureringsfonds voor de suikerindustrie en de bijbehorende verordeningen, overeenkomstig artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 pas kon worden uitgevoerd op de vervaldatum van de meest recente verplichting van de begunstigde, dus op 31 maart 2012. In punt 15 van het onderdeel „Argumenten” van bijlage 1 bij de formele mededeling van 16 augustus 2012 kwam de Commissie in essentie tot de slotsom dat, aangezien de omstreden silo’s op 31 maart 2012 niet waren ontmanteld, de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen betrekking had op alle uitgaven in verband met de aan de Italiaanse ondernemingen toegekende herstructureringssteun.
109 Het staat derhalve vast dat de Commissie in de formele mededeling van 16 augustus 2012 voldoende heeft uiteengezet waarom de financiële correctie alle uitgaven moest omvatten die in het overeenkomstig artikel 31, lid 4, onder b), van verordening nr. 1290/2005 berekende tijdvak waren gedaan. Bovendien kon de Italiaanse Republiek, om de in punt 108 hierboven genoemde redenen, begrijpen waarom de Commissie haar standpunt ten aanzien van de rechtsgrondslag voor de berekening van de in artikel 31, lid 4, van verordening nr. 1290/2005 bedoelde termijn van 24 maanden had gewijzigd.
110 Bijgevolg dient het derde onderdeel van het eerste middel, en dus het eerste middel in zijn geheel, te worden afgewezen.
Tweede middel: schending van artikel 11 van verordening nr. 885/2006, van de rechten van verdediging, van de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 en van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12)
111 Het onderhavige middel bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel is in essentie ontleend aan schending van artikel 11 van verordening nr. 885/2006 en van de rechten van verdediging. Het tweede onderdeel betreft schending van de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 en van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737).
Eerste onderdeel van het tweede middel, in essentie ontleend aan schending van artikel 11 van verordening nr. 885/2006 en van de rechten van verdediging
112 De Italiaanse Republiek betoogt in essentie dat de eerste mededeling van 9 december 2010 in strijd is met artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006, aangezien zij hierbij niet volledig is ingelicht omtrent de bezwaren van de Commissie en geen gebruik heeft kunnen maken van haar in deze bepaling vervatte rechten van verdediging. In dit verband voert zij ten eerste aan dat de Commissie in de eerste mededeling van 9 december 2010 stelde dat de silo’s in alle omstandigheden productie-installaties waren, terwijl zij in de brief van 28 maart 2014, verstuurd na de uitspraak van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), heeft erkend dat de silo’s niet noodzakelijkerwijs als productie-installaties moesten worden beschouwd. Ten tweede merkt zij op dat de eerste mededeling van 9 december 2010 geen melding maakte van het feit dat het gebruik van de silo’s moest worden beoordeeld op de datum waarop de herstructureringssteun voor volledige ontmanteling was aangevraagd (hierna: „door de Commissie geformuleerd criterium”). Volgens haar is zij pas bij de brief van de Commissie van 28 maart 2014 volledig ingelicht omtrent diens bezwaren met betrekking tot de kwestie van de ontmanteling van silo’s in geval van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling. Op deze datum kon zij evenwel geen gebruik meer maken van alle procedurele waarborgen van artikel 11 van verordening nr. 885/2006 en evenmin haar rechten van verdediging uitoefenen.
113 De Commissie betwist de argumenten van de Italiaanse Republiek.
114 Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de definitieve eindbeschikking betreffende de goedkeuring van de rekeningen moet worden gegeven na een bijzondere procedure op tegenspraak die de betrokken lidstaten alle waarborgen biedt om hun standpunt kenbaar te maken (arresten van 29 januari 1998, Griekenland/Commissie, C‑61/95, EU:C:1998:27, punt 39; 14 december 2000, Duitsland/Commissie, C‑245/97, EU:C:2000:687, punt 47, en 3 juli 2014, Nederland/Commissie, T‑16/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:603, punt 69).
115 Voorts volgt uit de bewoordingen van artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 885/2006 dat de eerste mededeling aan de betrokken lidstaat duidelijk moet maken wat het resultaat van de verificaties van de Commissie is en moet aangeven welke correctiemaatregelen er moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de betrokken Unieregels in de toekomst worden nageleefd (zie punt 91 hierboven).
116 Zoals in punt 25 hierboven is uiteengezet, blijkt in casu uit de eerste mededeling van 9 december 2010 dat de Commissie van mening was dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling, aangezien bepaalde productie-installaties, waaronder de omstreden silo’s, in stand waren gehouden op de door de onderzoekers van de Commissie bezochte voormalige suikerproductielocaties. In deze mededeling heeft de Commissie tevens aangegeven dat de Italiaanse ondernemingen niet in aanmerking kwamen voor de herstructureringssteun voor volledige ontmanteling indien zij de herstructureringsplannen niet in hun geheel uitvoerden en indien de andere voor de productie gebruikte bouwwerken, waaronder de omstreden silo’s, niet waren afgebroken.
117 In haar brief van 9 februari 2011 heeft de Italiaanse Republiek het standpunt van de Commissie dat de silo’s in elk geval onder de ontmantelingsverplichting vallende productie-installaties waren, betwist door, in essentie, aan te voeren, ten eerste, dat de omstreden silo’s geen productie-installaties waren doordat zij uitsluitend bestemd waren voor de opslag van het eindproduct, en, ten tweede, dat de uitlegging van de Commissie in strijd was met de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006. De Italiaanse Republiek heeft haar standpunt herhaald tijdens de bilaterale vergadering van 4 mei 2011, in haar opmerkingen van 2 november 2011 over de notulen van die vergadering en tijdens de bemiddelingsprocedure.
118 Tijdens de bilaterale vergadering van 4 mei 2011 heeft de Commissie vastgehouden aan haar standpunt dat de omstreden silo’s als integrerend onderdeel van de productie-installaties moesten worden beschouwd en om die reden moesten worden ontmanteld.
119 Bovendien heeft het Hof, in het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), in essentie geoordeeld dat het begrip „productie-installaties” de silo’s omvatte die bestemd waren voor de opslag van suiker van de begunstigde van de herstructureringssteun. Het oordeelde echter dat hierop twee uitzonderingen bestonden (hierna: „door het Hof geformuleerde uitzonderingen”): ten eerste wanneer was aangetoond dat de silo’s uitsluitend werden gebruikt voor de opslag van door andere producenten geproduceerde of van hen gekochte quotumsuiker, en ten tweede wanneer zij uitsluitend werden gebruikt voor het verpakken of inpakken van elders geproduceerde suiker met het oog op de verkoop ervan (arrest van 14 november 2013, SFIR e.a., C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737, punten 32, 33 en 35).
120 In het licht van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), is de Commissie afgeweken van haar standpunt met betrekking tot de kwalificatie van de silo’s en heeft zij, zoals in de punten 32 en 102 hierboven vermeld, de Italiaanse autoriteiten bij brief van 28 maart 2014 een termijn van twee maanden toegekend om overtuigend bewijs te leveren van het feit dat in casu de omstreden silo’s, voordat de omstreden steun werd aangevraagd, uitsluitend dienden voor het opslaan en verpakken van door andere producenten geproduceerde quotumsuiker.
121 De Italiaanse Republiek heeft geen gevolg gegeven aan dit verzoek. In haar brief van 30 mei 2014 heeft zij immers alleen het door de Commissie geformuleerde criterium betwist. Dienaangaande heeft zij met name aangevoerd dat het Hof in zijn arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), uitdrukkelijk had erkend dat de opslagsilo’s niet hoefden te worden ontmanteld indien was aangetoond dat zij bestemd waren voor de opslag van door andere producenten geproduceerde of van hen gekochte quotumsuiker of voor het inpakken van elders geproduceerde suiker. Volgens haar had het dus geen zin om te beoordelen voor welk doel de silo’s vóór de aanvraag voor herstructureringssteun werden gebruikt. Tot slot stelde zij dat de Italiaanse autoriteiten alle documenten in verband met de aanvraagprocedure voor herstructureringssteun voor volledige ontmanteling aan de Commissie hadden overgelegd, daaronder begrepen de goedgekeurde herstructureringsplannen en de jaarlijkse verslagen van de controles ter plaatse waarin was vermeld welke installaties en voorzieningen waren afgebroken en welke in stand waren gehouden, alsook het werkelijke gebruik van elk daarvan.
122 Uit het voorgaande volgt dat de Italiaanse Republiek ervan af heeft gezien om bewijzen over te leggen waaruit kon blijken dat de omstreden silo’s op de datum van de steunaanvraag geen productie-installaties waren, en bijgevolg ervan heeft afgezien om gebruik te maken van haar rechten van verdediging in verband met deze kwestie.
123 Gelet op het voorgaande en in het licht van de in punt 103 hierboven aangehaalde rechtspraak, is de grief inzake schending van de rechten van verdediging ongegrond en moet deze worden afgewezen.
124 Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het tweede middel te worden afgewezen.
Tweede onderdeel van het tweede middel: schending van de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 en van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12)
125 De Italiaanse Republiek, ondersteund door de Franse Republiek en door Hongarije, betoogt in essentie dat de Commissie, door te oordelen dat de instandhouding van de omstreden silo’s in de weg stond aan de toekenning van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling, in strijd heeft gehandeld met de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 en met het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737).
126 De Commissie betwist de argumenten van de Italiaanse Republiek, de Franse Republiek en Hongarije.
127 Vooraf moet eraan worden herinnerd dat het Hof in het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), na te hebben vastgesteld dat de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 het begrip „productie-installaties” niet definieerden, ten eerste heeft opgemerkt dat onder het begrip „productie” ook andere fasen van de vervaardiging van een product, vóór of na het chemische of fysische transformatieproces, konden worden begrepen, en dat dit begrip derhalve de opslag van suiker die niet direct na de winning uit de grondstof werd verpakt, kon omvatten. Het Hof kwam derhalve tot de slotsom dat de opslag „rechtstreeks verband [kon] houden met de productie van suiker” in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 968/2006 (arrest van 14 november 2013, SFIR e.a., C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737, punt 26). Ten tweede was het Hof van oordeel dat de silo’s rechtstreeks van invloed konden zijn op de suikerproductiecapaciteit en op de productieprocessen die afhingen van de nabijheid van een opslaginstallatie, aangezien dankzij deze silo’s onder meer de verkoop van de productie van een bepaalde suikercampagne geheel of gedeeltelijk kon worden uitgesteld en dus invloed kon worden uitgeoefend op de marktsituatie in de zin van overweging 5 van verordening nr. 320/2006 (arrest van 14 november 2013, SFIR e.a., C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737, punten 27‑29). Ten derde heeft het Hof in essentie geoordeeld dat uit artikel 3, lid 3, onder a) en b), van verordening nr. 320/2006 voortvloeide dat, om in aanmerking te komen voor herstructureringssteun voor volledige ontmanteling, het betrokken industriecomplex in beginsel in zijn geheel buiten werking moest worden gesteld en dat de mogelijkheid om andere dan productie-installaties niet te ontmantelen of in de toekomst te blijven gebruiken, met behoud van het recht op volledige steun, een uitzondering op deze regel vormde die strikt moest worden uitgelegd (arrest van 14 november 2013, SFIR e.a., C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737, punt 30).
128 In het licht van het voorgaande heeft het Hof in punt 31 van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), voor recht verklaard dat de silo’s die bestemd waren voor de opslag van suiker van de begunstigde van de steun moesten worden aangemerkt als productie-installaties, ongeacht het feit dat zij ook voor andere doeleinden werden gebruikt. Het Hof heeft op dit beginsel evenwel twee uitzonderingen geformuleerd (zie punt 119 hierboven).
129 In casu betwist de Italiaanse Republiek niet dat de omstreden silo’s na afloop van het herstructureringsproces in stand waren gehouden op verschillende suikerproductielocaties van Italiaanse ondernemingen die herstructureringssteun voor volledige ontmanteling hadden ontvangen. Zij betwist evenmin dat zij geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat de omstreden silo’s op het tijdstip waarop de aanvraag voor volledige herstructureringssteun was ingediend onder de door het Hof geformuleerde uitzonderingen vielen.
130 De Italiaanse Republiek, ondersteund door de Franse Republiek en door Hongarije, is echter van mening dat de in punt 129 hierboven genoemde omstandigheden de aan haar opgelegde financiële correctie niet kunnen rechtvaardigen.
131 Blijkens overwegingen 1 en 5 van verordening nr. 320/2006 heeft de aan de orde zijnde regeling tot doel de onrendabele productiecapaciteit voor suiker in de Unie in te krimpen door de minst productieve ondernemingen te stimuleren om van hun productie van quotumsuiker af te zien en afstand te doen van het betrokken quotum.
132 Voorts volgt uit overweging 5 van verordening nr. 320/2006 dat de herstructureringsregeling berust op vrijwillige deelname van de suikerproducerende onderneming, aangezien de regeling beoogt door middel van passende herstructureringssteun een belangrijke economische stimulans te geven (zie in die zin arrest van 14 november 2013, SFIR e.a., C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737, punt 44).
133 Teneinde de met de aan de orde zijnde regeling nagestreefde inkrimping van de onrendabele productiecapaciteit van suiker in de Unie te kunnen verwezenlijken, heeft de Uniewetgever voorzien in twee verschillende herstructureringsregelingen naargelang van het soort ontmanteling dat wordt uitgevoerd, te weten volledige dan wel gedeeltelijke ontmanteling, waarvoor verschillende bedragen aan herstructureringssteun gelden, zoals blijkt uit artikel 3, lid 5, onder a) en b), van verordening nr. 320/2006, gelezen in samenhang met overweging 4 van verordening nr. 968/2006.
134 Wat ten eerste de voor de toekenning van herstructureringssteun voor volledige ontmanteling te vervullen voorwaarden betreft, vereist artikel 3, lid 1, onder a), en lid 3, onder b), van verordening nr. 320/2006 dat de aanvragende suikerproducerende onderneming afstand doet van het door haar aan een of meer van haar fabrieken toegekende quotum, de fabriek sluit en de productie-installaties volledig ontmantelt. Voor de toekenning van herstructureringssteun voor gedeeltelijke ontmanteling vereist artikel 3, lid 1, onder b), en lid 4, onder b), van verordening nr. 320/2006 daarentegen van de aanvragende suikerproducerende onderneming dat zij afstand doet van het door haar aan een of meer van haar fabrieken toegekende quotum, de productie-installaties van de betrokken fabrieken gedeeltelijk ontmantelt en de resterende productie-installaties niet meer gebruikt voor de productie van producten die onder de gemeenschappelijke marktordening voor suiker vallen (hierna: „GMO voor suiker”).
135 Ten tweede wordt in artikel 4 van verordening nr. 968/2006 verduidelijkt op welke productie-installaties de ontmantelingsverplichting betrekking heeft.
136 Volgens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 968/2006 heeft de verplichting tot volledige ontmanteling bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 320/2006 betrekking op de installaties die nodig zijn om suiker, isoglucose of inulinestroop te produceren [artikel 4, lid 1, onder a), van verordening nr. 968/2006], op de installaties waarvan het gebruik rechtstreeks verband houdt met de productie van suiker, isoglucose of inulinestroop en die nodig zijn voor de productie van het quotum waarvan afstand wordt gedaan, ook al zouden zij bij de productie van andere producten kunnen worden gebruikt [artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 968/2006], en op alle andere installaties, zoals verpakkingsinstallaties, die ongebruikt blijven en om milieuredenen moeten worden ontmanteld en verwijderd [artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006].
137 Overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 320/2006 en overweging 4 van verordening nr. 968/2006, kunnen bij volledige ontmanteling dus alle installaties die niet nodig zijn om suiker, isoglucose of inulinestroop te produceren of waarvan het gebruik niet rechtstreeks verband houdt met de productie van deze producten, zoals verpakkingsinstallaties, bij wijze van uitzondering in stand worden gehouden, op voorwaarde dat zij gebruikt blijven worden en niet om milieuredenen moeten worden ontmanteld en verwijderd.
138 Voorts bepaalt artikel 4, lid 2, van verordening nr. 968/2006 dat bij gedeeltelijke ontmanteling de ontmantelingsverplichting betrekking heeft op de in lid 1 van dit artikel bedoelde installaties (zie punt 136 hierboven) die overeenkomstig het herstructureringsplan niet voor een andere productie of een ander gebruik van de fabriekslocatie bestemd zijn. Bovendien blijkt uit artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 320/2006 dat de productie-installaties die in stand kunnen worden gehouden, niet meer mogen worden gebruikt voor de productie van producten die onder de GMO voor suiker vallen. Bijgevolg kunnen, overeenkomstig artikel 4, lid 2, van verordening nr. 968/2006, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 320/2006, de installaties in stand worden gehouden die nodig waren om suiker, isoglucose of inulinestroop te produceren of waarvan het gebruik rechtstreeks verband hield met de productie van deze producten, op voorwaarde dat zij niet meer worden gebruikt voor de productie van producten die onder de GMO voor suiker vallen en overeenkomstig het herstructureringsplan bestemd zijn voor een andere productie of een ander gebruik van de fabriekslocatie.
139 Ten derde moeten de suikerproducerende ondernemingen de keuze tussen volledige en gedeeltelijke ontmanteling bij de aanvraag voor herstructureringssteun maken.
140 Uit artikel 4, lid 2, onder a), c), d) en e), en lid 3, onder c) en h), van verordening nr. 320/2006 juncto artikel 9, lid 2, onder a) en c), van verordening nr. 968/2006 volgt immers dat een aanvraag voor herstructureringssteun met name de verbintenis van de aanvrager van de steun moet bevatten om afstand te doen van het desbetreffende quotum en om de productie-installaties binnen een door de betrokken lidstaat vast te stellen termijn volledig of gedeeltelijk te ontmantelen, alsook een herstructureringsplan dat onder meer een volledige technische beschrijving van de betrokken productie-installaties, een samenvatting van de maatregelen en acties, de geschatte kosten van die maatregelen en acties, het financieringsplan en het tijdschema voor de verwezenlijking van de verschillende voorgenomen maatregelen moet inhouden.
141 Overeenkomstig de in punt 140 hierboven genoemde bepalingen moet de begunstigde van de steun dus uiterlijk op de datum waarop de herstructureringssteun voor volledige of gedeeltelijke ontmanteling wordt aangevraagd alle productie-installaties hebben aangewezen die hij overeenkomstig het herstructureringsplan zal ontmantelen. Wat de omstreden silo’s betreft, veronderstelt dit dus dat al bij de steunaanvraag moest worden bepaald of zij productie-installaties waren waarvan de ontmanteling, bij een aanvraag voor herstructureringssteun voor volledige ontmanteling, verplicht in het herstructureringsplan moest zijn opgenomen, of dat zij onder de door het Hof geformuleerde uitzonderingen vielen.
142 Elke andere uitlegging zou de zin ontnemen aan de vereisten van artikel 4 van verordening nr. 320/2006 en artikel 9 van verordening nr. 968/2006 en bovendien voorbijgaan aan het onderscheid dat de aan de orde zijnde regeling maakt tussen gedeeltelijke en volledige ontmanteling (zie punt 133 hierboven).
143 Indien, ten eerste, de suikerproducerende ondernemingen op de datum van de aanvraag voor herstructureringssteun niet weten of de op hun productielocaties aanwezige silo’s al dan niet productie-installaties zijn, worden deze, in strijd met artikel 4, lid 3, onder c), van verordening nr. 320/2006, niet als te ontmantelen productie-installaties in het herstructureringsplan vermeld (zie punt 140 hierboven).
144 Bovendien is dan de verbintenis om alle productie-installaties te ontmantelen, waarmee het verzoek om herstructureringssteun voor volledige ontmanteling gepaard dient te gaan (zie punt 140 hierboven), gebrekkig, omdat zij per definitie geen betrekking heeft op alle productie-installaties die bestonden op de dag waarop die verbintenis is aangegaan.
145 Indien, ten tweede, aan het einde van het herstructureringsproces wordt beoordeeld of de silo’s als productie-installaties moeten worden aangemerkt, kunnen, zowel bij volledige als bij gedeeltelijke ontmanteling, de silo’s die op de datum van de steunaanvraag productie-installaties waren, in stand worden gehouden, op grond dat zij na de herstructurering niet meer als suikerproductie-installaties zullen worden gebruikt. Bijgevolg zou de mogelijkheid om een deel van de productie-installaties in stand te houden niet langer kenmerkend zijn voor de gedeeltelijke ontmanteling, maar zich ook uitstrekken tot de volledige ontmanteling, terwijl de exploitanten, vanwege de hoge kosten van volledige ontmanteling, een bedrag aan herstructureringssteun zouden ontvangen dat 25 % hoger ligt dan het bedrag dat bij gedeeltelijke ontmanteling wordt toegekend, zoals blijkt uit artikel 3, lid 5, onder a) en b), van verordening nr. 320/2006 en overweging 4 van verordening nr. 968/2006.
146 Anders dan de Italiaanse Republiek, de Franse Republiek en Hongarije stellen, heeft de Commissie dus geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat de kwalificatie van de omstreden silo’s moest worden beoordeeld op de dag waarop de herstructureringssteun was aangevraagd.
147 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de argumenten die de Italiaanse Republiek, de Franse Republiek en Hongarije aanvoeren.
148 In de eerste plaats stelt de Italiaanse Republiek, wat de voor het verpakken en inpakken bestemde silo’s betreft, dat het door de Commissie geformuleerde criterium niet in overeenstemming is met de door de aan de orde zijnde regeling nagestreefde doelstelling van behoud van de werkgelegenheid en van de activiteit van de bij de herstructurering betrokken ondernemingen. In dit verband herinnert zij eraan dat de aan de orde zijnde regeling uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om de verpakkingsactiviteit en de daartoe benodigde installaties te handhaven. Het staat volgens haar echter vast dat er voor de voortzetting van de verpakkingsactiviteit altijd silo’s nodig zijn. Indien derhalve een voor verpakking gebruikte silo wordt afgebroken, leidt dit, in strijd met de eerder genoemde doelstelling, tot staking van de activiteit van de betrokken onderneming en het verlies van banen.
149 In dit verband moet worden opgemerkt dat uit verschillende bepalingen van de verordeningen nr. 320/2006 en nr. 968/2006 het belang blijkt dat de Uniewetgever hecht aan de werkgelegenheidssituatie in de bij de herstructurering van de suikerindustrie betrokken regio’s. Uit artikel 3, lid 3, onder c), en lid 4, onder c), van verordening nr. 320/2006 volgt bijvoorbeeld dat er bij zowel volledige als gedeeltelijke ontmanteling van productie-installaties maatregelen moeten worden genomen om het elders tewerkstellen van werknemers te vergemakkelijken. Bovendien staat artikel 4, lid 2, van verordening nr. 968/2006, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder b), van verordening nr. 320/2006, bij gedeeltelijke ontmanteling toe dat productie-installaties in stand worden gehouden om ze te herbestemmen voor de productie van producten die niet onder de GMO voor suiker vallen (zie punt 138 hierboven), waardoor de werkgelegenheid op de vroegere suikerproductielocaties behouden kan blijven. Evenzo staat artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006, gelezen in het licht van overweging 4 van deze verordening, bij volledige ontmanteling toe om installaties te handhaven die niet nodig zijn om suiker, isoglucose of inulinestroop te produceren of waarvan het gebruik niet rechtstreeks verband houdt met de productie van deze producten, zoals verpakkingsinstallaties, en die gebruikt blijven worden en niet om milieuredenen moeten worden ontmanteld en verwijderd (zie punt 137 hierboven).
150 De doelstelling van behoud van de werkgelegenheid en van de activiteit van de bij de herstructurering betrokken ondernemingen moet evenwel samen worden beoordeeld met het hoofddoel van de aan de orde zijnde regeling, te weten inkrimping van de onrendabele productiecapaciteit voor suiker in de Unie, overeenkomstig overwegingen 1 en 5 van verordening nr. 320/2006 (zie punt 131 hierboven).
151 Bovendien kunnen de door de Italiaanse Republiek aangevoerde overwegingen van sociale aard geen rechtvaardiging vormen voor de door haar voorgestelde uitlegging van de aan de orde zijnde regeling, die voorbij gaat aan het wezenlijke onderscheid dat de Uniewetgever heeft willen aanbrengen tussen gedeeltelijke en volledige ontmanteling (zie punten 133, 134 en 145 hierboven) en derhalve in strijd is met die regeling.
152 Bijgevolg moet het argument van de Italiaanse Republiek worden afgewezen.
153 In de tweede plaats voeren de Italiaanse Republiek, de Franse Republiek en Hongarije in essentie aan dat zelfs indien de voor het verpakken of inpakken bestemde silo’s niet zijn afgebroken, aan de verplichting tot volledige ontmanteling van de productie-installaties kan zijn voldaan, wanneer afstand is gedaan van het productiequotum en derhalve de suikerproductie definitief is gestaakt.
154 Uit de punten 133, 134 en 145 hierboven blijkt dat de Uniewetgever, teneinde de met de aan de orde zijnde regeling nagestreefde inkrimping van de onrendabele productiecapaciteit van suiker in de Unie te verwezenlijken, heeft voorzien in twee verschillende herstructureringsregelingen, naargelang van het soort ontmanteling dat wordt uitgevoerd, waarvoor verschillende bedragen aan herstructureringssteun gelden. Zoals vermeld in de punten 139 tot en met 141 hierboven, impliceert de keuze tussen volledige en gedeeltelijke ontmanteling bovendien dat de onderneming die de herstructureringssteun aanvraagt, al bij die aanvraag alle op de betrokken locatie aanwezige productie-installaties aanwijst die zij vóór het einde van het herstructureringsproces volledig of gedeeltelijk zal afbreken.
155 De logica van het door de Uniewetgever ingevoerde systeem verlangt derhalve dat de te ontmantelen productie-installaties al bij de aanvraag voor herstructureringssteun worden aangewezen. Anders dan Hongarije stelt, is het door de Commissie geformuleerde criterium dus niet in tegenspraak met de opzet van de regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie.
156 Gelet op het voorgaande moeten de argumenten van de Italiaanse Republiek, de Franse Republiek en Hongarije worden afgewezen.
157 In de derde plaats verwijt de Italiaanse Republiek de Commissie in de brief van 28 maart 2014 van haar te hebben verlangd dat zij aantoonde dat de omstreden verpakkingssilo’s uitsluitend werden gebruikt voor het verpakken van door andere producenten geproduceerde suiker. De instandhouding van de voor verpakking bestemde silo’s werd volgens haar immers toegestaan door artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006 en het was derhalve irrelevant of de te verpakken suiker afkomstig was van andere producenten of van de exploitant van de installatie. Zij stelt voorts, in navolging van de Franse Republiek, dat uit punt 33 van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), volgt dat silo’s bestemd voor het inpakken of verpakken van suiker niet onder de kwalificatie productie-installaties vallen indien de in die silo’s opgeslagen suiker „elders geproduceerde quotumsuiker” is, terwijl, volgens punt 32 van het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737), voor opslagsilo’s is vereist dat de suiker van andere producenten is gekocht.
158 Ten eerste is in de punten 136 en 137 hierboven reeds aangegeven dat artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006 uitsluitend de instandhouding toestaat van installaties die geen productie-installaties zijn. De Commissie heeft de Italiaanse Republiek dus terecht in essentie verzocht om aan te tonen dat de omstreden verpakkingssilo’s, waarvan de aanwezigheid op de ontmantelde productielocaties was vastgesteld in het kader van onderzoek EX/2010/010/IT, op de datum van de aanvraag voor herstructureringssteun onder een van de door het Hof geformuleerde uitzonderingen viel en dat de kwalificatie productie-installatie daarop dus niet van toepassing was.
159 Ten tweede heeft het Hof in het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737EU:C:2013:737, punten 26 en 31), geoordeeld dat een silo die was gebruikt voor de opslag van suiker van de begunstigde van de steun, een installatie was die rechtstreeks verband hield met de productie van suiker in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 968/2006. Die silo viel dus niet onder de in artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006 bedoelde andere installaties, zoals verpakkingsinstallaties, waarvan de instandhouding bij volledige ontmanteling kan worden toegestaan indien zij gebruikt blijven worden en niet om milieuredenen moeten worden ontmanteld en verwijderd.
160 Silo’s die werden gebruikt voor de opslag van de productie van de begunstigde van de steun, kunnen op grond van artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 968/2006 dus niet in stand worden gehouden, aangezien dit alleen mogelijk is bij gedeeltelijke ontmanteling en op voorwaarde dat die silo’s na de herstructurering niet langer worden gebruikt voor de productie van producten die onder de GMO voor suiker vallen.
161 Gelet op het voorgaande moet ook het door Hongarije in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht aangevoerde argument worden afgewezen dat overweging 4 verordening nr. 968/2006 binnen de productie-installaties een subgroep van installaties onderscheidt „die geen deel uitmaken van de productielijn”, waaronder de silo’s voor de opslag van suiker, en die ongeacht de volledige of gedeeltelijke aard van de ontmanteling in stand mogen worden gehouden.
162 Ten derde heeft de Italiaanse Republiek tijdens de betrokken goedkeuringsprocedure niet aangetoond en zelfs niet gesteld dat de omstreden silo’s op de datum van de aanvraag voor herstructureringssteun werden gebruikt voor het inpakken en verpakken van suiker die de begunstigde van de steun op basis van een ander productiequotum elders had geproduceerd. Bijgevolg hoeft niet te worden geantwoord op het argument van de Italiaanse Republiek dat, in essentie, silo’s bestemd voor het inpakken of het verpakken van „elders geproduceerde quotumsuiker” onder een van de door het Hof geformuleerde uitzonderingen vallen, omdat hiermee niet de vaststelling van de Commissie wordt tegengesproken dat de omstreden silo’s op de datum van de aanvraag voor herstructureringssteun niet onder een van de door het Hof geformuleerde uitzonderingen vielen.
163 Bijgevolg moet het argument van de Italiaanse Republiek worden afgewezen.
164 In de vierde plaatst betoogt de Italiaanse Republiek in essentie dat de gevolgen van de door de Commissie toegepaste financiële correctie en van de ontmanteling van de omstreden silo’s onevenredig zijn aan de doelstellingen van de aan de orde zijnde regeling, die volledig zijn verwezenlijkt doordat afstand is gedaan van het quotum en als gevolg daarvan de suikerproductie definitief is gestaakt.
165 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de aan de orde zijnde regeling alleen bij volledige ontmanteling verplicht tot afbraak van de productie-installaties, daaronder begrepen de silo’s die hebben gediend voor de opslag van door de begunstigde van de steun geproduceerde suiker. Een dergelijke verplichting lijkt niet onevenredig aan de doelstelling van inkrimping van de onrendabele productiecapaciteit voor suiker in de Unie die met de aan de orde zijnde regeling wordt nagestreefd.
166 Voorts is het bij gedeeltelijke ontmanteling toegestaan de silo’s die op de datum van de steunaanvraag als productie-installaties waren gekwalificeerd, in stand te houden. In dat geval hoeft de begunstigde van de steun de silo’s niet te ontmantelen en kan hij economische activiteiten blijven uitoefenen op de gedeeltelijk ontmantelde productielocatie. Om deze redenen ontvangt hij een bedrag aan herstructureringssteun dat 25 % lager ligt dan het bedrag dat hij bij volledige ontmanteling zou krijgen.
167 Overigens moet worden geconstateerd dat het bestreden besluit de Italiaanse Republiek niet verplicht tot afbraak van de omstreden silo’s, maar een financiële correctie van 25 % oplegt die gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van de herstructureringssteun voor volledige ontmanteling en dat van de herstructureringssteun voor gedeeltelijke ontmanteling.
168 Tot slot zij eraan herinnerd dat, wat de kwestie van de evenredigheid van de aan de orde zijnde regeling betreft, het Hof in het arrest van 14 november 2013, SFIR e.a. (C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737EU:C:2013:737), heeft opgemerkt dat deze regeling de producent de vrije keuze liet of hij wilde profiteren van de steun, voor welke fabriek hij afstand deed van zijn quotum en, in voorkomend geval, of hij de productie-installaties volledig of gedeeltelijk ontmantelde. Het heeft bovendien geoordeeld dat het voordeel dat de producent kon hebben van de herstructureringssteun dus voor een groot deel afhing van zijn eigen keuzen. Het heeft dan ook geconcludeerd dat de aan de orde zijnde regeling niet onevenredig was (arrest van 14 november 2013, SFIR e.a., C‑187/12–C‑189/12, EU:C:2013:737, punten 44‑46).
169 Bijgevolg moet het argument van de Italiaanse Republiek worden afgewezen.
170 In de vijfde plaats voeren de Franse Republiek en Hongarije aan dat het door de Commissie geformuleerde criterium geen rekening houdt met de seizoensgebondenheid van de suikerproductie en vragen oproept over de praktische toepasbaarheid van de door het Hof geformuleerde uitzonderingen. In dit verband herinneren zij eraan dat de aanvragen voor herstructureringssteun overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening nr. 320/2006 uiterlijk op 31 januari van het verkoopseizoen vóór het verkoopseizoen waarin afstand had moeten worden gedaan van het quotum bij de lidstaat moesten worden ingediend. Aangezien deze datum echter binnen het suikerproductieseizoen viel, was het zeer waarschijnlijk dat de silo’s, gelet op de werkings- en gebruikskenmerken ervan, nog werden gebruikt voor de productie van quotumsuiker van de aanvrager van de herstructureringssteun. Hongarije stelt dat het dus niet realistisch is dat de ondernemingen op die datum in de silo’s uitsluitend door anderen geproduceerde suiker hadden opgeslagen. De Franse Republiek voegt daaraan toe dat een onderneming slechts zelden op één en dezelfde plaats beschikt over een productie-installatie voor eigen quotumsuiker en over silo’s om quotumsuiker van andere producenten op te slaan, te verpakken of in te pakken.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 14 november 2013, C-187/12, ECLI:EU:C:2013:737
- Gerecht EU 27 september 2012, T-387/09, ECLI:EU:T:2012:501
- Gerecht EU 26 september 2012, T-84/09, ECLI:EU:T:2012:471
- HvJ EU 3 mei 2012, C-24/11, ECLI:EU:C:2012:266
- Gerecht EU 14 december 2011, T-106/10, ECLI:EU:T:2011:740
- Gerecht EU 20 september 2011, T-394/08, ECLI:EU:T:2011:493
- Gerecht EU 9 september 2011, T-344/05, ECLI:EU:T:2011:440
- HvJ EU 21 juli 2011, C-21/10, ECLI:EU:C:2011:505
- Gerecht EU 11 juni 2009, T-33/07, ECLI:EU:T:2009:195
- Gerecht EU 10 juni 2009, T-257/04, ECLI:EU:T:2009:182
- Gerecht EU 10 september 2008, T-181/06, ECLI:EU:T:2008:331
- Gerecht EU 12 september 2007, T-243/05, ECLI:EU:T:2007:270
- HvJ EU 24 februari 2005, C-300/02, ECLI:EU:C:2005:103
- HvJ EU 14 december 2004, C-210/03, ECLI:EU:C:2004:802
- HvJ EU 7 oktober 2004, C-312/02, ECLI:EU:C:2004:594
- HvJ EU 9 september 2004, C-304/01, ECLI:EU:C:2004:495
- HvJ EU 16 oktober 2003, C-339/00, ECLI:EU:C:2003:545
- HvJ EU 18 september 2003, C-331/00, ECLI:EU:C:2003:472
- HvJ EU 9 januari 2003, C-257/00, ECLI:EU:C:2003:8
- HvJ EU 26 februari 2002, C-23/00, ECLI:EU:C:2002:118