Gerecht EU 30 juni 2016, T-424/13, ECLI:EU:T:2016:378
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
30 juni 2016 ( *1 )
„Dumping — Invoer van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit China — Definitief antidumpingrecht — Vertrouwelijke behandeling van de berekening van de normale waarde — Informatie die tijdig is verstrekt — Termijn voor de vaststelling van een besluit betreffende behandeling als marktgerichte onderneming — Rechten van de verdediging — Gelijke behandeling — Verbod van terugwerkende kracht — Artikel 2, leden 7 tot en met 11, artikel 3, leden 1 tot en met 3, artikel 6, lid 7, artikel 19, leden 1 en 5, en artikel 20, leden 2 en 4, van verordening (EG) nr. 1225/2009”
In zaak T‑424/13,
Jinan Meide Casting Co. Ltd, gevestigd te Jinan (China), vertegenwoordigd door R. Antonini en E. Monard, advocaten,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Boelaert en B. Driessen als gemachtigden, bijgestaan door S. Gubel, advocaat, en B. O’Connor, solicitor,
verweerder,
ondersteund door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Brakeland en M. França als gemachtigden,
interveniënte,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013 van 13 mei 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van Indonesië (PB L 129, blz. 1), voor zover deze van toepassing is op verzoekster,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias (rapporteur), president, M. Kancheva en C. Wetter, rechters,
griffier: L. Grzegorczyk, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 oktober 2015,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1 Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343, blz. 51; hierna: „basisverordening”), regelt de antidumpingprocedures in het recht van de Europese Unie. Ter verzekering van een correcte en doorzichtige uitvoering van de regels die vervat liggen in de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (GATT) (PB L 336, blz. 103; hierna „antidumpingovereenkomst”), die is opgenomen in bijlage I A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (PB 1994, L 336, blz. 3), zet deze verordening, volgens overweging 3 ervan, de antidumpingovereenkomst voor zover mogelijk in Unierecht om.
2 Verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot wijziging van verordening nr. 1225/2009 (PB L 344, blz. 1; hierna: „wijzigingsverordening”) is in werking getreden op 15 december 2012.
3 Verzoekster, Jinan Meide Casting Co. Ltd, is een in China gevestigde vennootschap die voor de interne markt en voor uitvoer bestemde gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, produceert.
Relevante feiten van de onderzoeksprocedure die aan de voorlopige verordening voorafgingen
4 Op 16 februari 2012 heeft de Europese Commissie, ten vervolge op een door het Defence Committee of Tube or Pipe Cast Fittings, of Malleable Cast Iron of the European Union op 3 januari 2012 ingediende klacht, een bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Thailand en Indonesië (PB C 44, blz. 33) bekendgemaakt. Uit punt 3 van dit bericht blijkt, dat het bij het product dat met dumping zou worden ingevoerd, gaat om een product dat is ingedeeld onder GN-code ex 7307 19 10 van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1). In punt 5.1.1.1, onder a), van dit bericht heeft de Commissie gepreciseerd dat zij, gezien het potentieel grote aantal Chinese producenten-exporteurs van dit product, een steekproef van producenten-exporteurs zou samenstellen overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening.
5 Op 3 april 2012 heeft verzoekster een verzoek tot behandeling als marktgerichte onderneming (hierna: „BMO”) ingediend op grond van artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening. Gepland werd dat de diensten van de Commissie van 30 mei tot 1 juni 2012 de lokalen van verzoekster zouden bezoeken met het oog op het onderzoek van dat verzoek. Op 9 juli 2012 heeft de Commissie verzoekster in kennis gesteld van de essentiële feiten en overwegingen op basis waarvan zij heeft beslist, haar geen BMO toe te kennen. Bij brief van 23 juli 2012 heeft verzoekster de Commissie haar opmerkingen over deze beslissing meegedeeld. Net als de andere in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs is aan verzoekster echter individuele behandeling toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, lid 5, tweede alinea, van de basisverordening.
Voorlopige verordening en voorlopige mededeling
6 Op 14 november 2012 heeft de Commissie verordening (EU) nr. 1071/2012 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand (PB L 318, blz. 10; hierna: „voorlopige verordening”) vastgesteld.
7 In overweging 14 van de voorlopige verordening verklaart de Commissie dat voor de vaststelling van een normale waarde voor de Chinese producenten-exporteurs aan wie geen BMO was toegekend, een controle van de gegevens uit India als referentieland (zie punt 13 hieronder) heeft plaatsgevonden in de lokalen van een producent uit dit land met als handelsnaam „Jainson Industries, Jalandhar, Pendjab, India”.
8 In overweging 15 van de voorlopige verordening heeft de Commissie verklaard dat het dumpingonderzoek betrekking had gehad op de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 en dat onderzoek naar de ontwikkelingen die van belang zijn voor de beoordeling van de schade, betrekking had gehad op de periode tussen 2008 en het einde van het onderzoektijdvak.
9 In de overwegingen 16, 17 en 18 van de voorlopige verordening heeft de Commissie het betrokken product afgebakend en met name verklaard dat het ging om gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, dat thans is ingedeeld onder GN-code ex 7307 19 10.
10 Volgens overweging 19 van de voorlopige verordening staat vast dat het betrokken product en het product dat wordt geproduceerd en verkocht op de binnenlandse markt van China, Thailand en Indonesië en op de binnenlandse markt van India, dat dienst deed als referentieland, alsook het product dat in de Unie wordt vervaardigd en verkocht door de bedrijfstak van de Unie, dezelfde fysieke en technische basiskenmerken te hebben. Bijgevolg zijn deze producten voorlopig als soortgelijk in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening beschouwd.
11 In overweging 30 van de voorlopige verordening wordt verklaard dat, wat de uitvoer uit China betreft, twaalf producenten-exporteurs die goed waren voor 51 % van de Chinese uitvoer naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak, hebben meegewerkt door de gevraagde informatie te verstrekken. In deze overweging wordt eveneens gezegd dat de Commissie, overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening, een steekproef heeft samengesteld bestaande uit drie van deze twaalf producenten-exporteurs, die samen goed waren voor 88 % van de door die twaalf producenten-exporteurs uitgevoerde hoeveelheid. Verzoekster maakt deel uit van die steekproef.
12 In overweging 40 van de voorlopige verordening staat te lezen dat de twee maanden vertraging waarmee de Commissie heeft beslist over BMO van een van de Chinese vennootschappen die daarom hadden gevraagd, namelijk verzoekster, vooral te wijten was aan het feit dat een BMO-controle niet eerder kon plaatsvinden, omdat de betrokken producenten niet beschikbaar waren. In deze overweging wordt eveneens gezegd dat het tijdstip van de BMO-beslissing geen invloed heeft gehad op de uitkomst ervan.
13 In de overwegingen 49 tot en met 53 van de voorlopige verordening heeft de Commissie heeft uitgezet, om welke redenen zij voorlopig tot de slotsom was gekomen dat India een geschikt referentieland in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening was voor de uitvoer uit China.
14 In de overwegingen 54 tot en met 63 van de voorlopige verordening heeft de Commissie de methode uiteengezet die zij met betrekking tot de uitvoer van het betrokken product uit China heeft gevolgd voor het bepalen van de normale waarde van het soortgelijke product in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.
15 Allereerst heeft zij in overweging 54 verklaard dat, aangezien aan geen enkele in de steekproef opgenomen Chinese exporteur BMO was verleend, de normale waarde voor hen was vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening, met India als referentieland.
16 Vervolgens heeft de Commissie in overweging 55 verklaard dat zij ten eerste heeft nagegaan of de totale verkoop van het soortgelijke product door de producent uit het referentieland representatief was, dat wil zeggen ten minste 5 % van de totale hoeveelheid van het door elke in de steekproef opgenomen Chinese producent-exporteur tijdens het onderzoektijdvak voor uitvoer naar de Unie verkochte betrokken product vertegenwoordigde. Verder heeft de Commissie in deze overweging verklaard dat dit het geval was voor twee van deze producenten-exporteurs. Zoals in punt 130 hieronder zal worden uiteengezet, was zij in de fase van de vaststelling van de voorlopige verordening echter tot de tegenovergestelde slotsom gekomen met betrekking tot verzoekster.
17 Uit de overwegingen 56 en 57 blijkt dat de Commissie ten tweede de verschillende voor het bepalen van de normale waarde in aanmerking te nemen productsoorten van het soortgelijke product heeft geïdentificeerd. Daartoe heeft de Commissie elke door de producent uit het referentieland verkochte productsoort geïdentificeerd die identiek of rechtstreeks vergelijkbaar was met de verschillende productsoorten van het betrokken product die door de Chinese producenten-exporteurs naar de Unie werden uitgevoerd. Nadat de in aanmerking te nemen productsoorten van het soortgelijke product aldus waren geïdentificeerd, heeft de Commissie, zoals in overweging 57 van de voorlopige verordening wordt aangegeven, ten derde onderzocht of de verkopen van elke van deze productsoorten van het soortgelijke product op de binnenlandse markt van het referentieland voldoende representatief waren, dat wil zeggen of die verkoop aan onafhankelijke afnemers tijdens het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedroeg van de totale hoeveelheid door elke producent-exporteur voor uitvoer naar de Unie verkochte producten van de vergelijkbare productsoort.
18 Ten vierde heeft de Commissie, zoals zij in de overwegingen 58 tot en met 62 van voorlopige verordening heeft verklaard, onderzocht of de in representatieve hoeveelheden in de zin van punt 17 hierboven verrichte verkopen van deze productsoorten van het soortgelijke product, op basis van het aandeel van de winstgevende verkopen, dat wil zeggen de verkopen waarbij de nettoprijs gelijk was aan of hoger was dan de berekende productiekosten, konden worden beschouwd als zijnde verkocht in het kader van normale handelstransacties. Na afloop van dit onderzoek heeft zij de methode voor de berekening van de normale waarde gekozen.
19 Zo staat in overweging 59 te lezen dat, wanneer het aandeel van de aldus omschreven winstgevende verkopen van een soortgelijkproductsoort meer dan 80 % van de totale verkoop van deze productsoort bedroeg en de gewogen gemiddelde verkoopprijs van deze productsoort gelijk was aan of hoger was dan de productiekosten, de normale waarde van deze productsoort werd gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs, berekend als het gewogen gemiddelde van de prijzen van alle verkopen van deze productsoort tijdens het onderzoektijdvak. Daarentegen werd, volgens overweging 60, wanneer dit aandeel van de winstgevende verkopen 80 % of minder van de totale verkoop van een soortgelijkproductsoort bedroeg of de gewogen gemiddelde prijs lager was dan de productiekosten, de normale waarde gebaseerd op een werkelijke binnenlandse prijs, berekend op basis van alleen de winstgevende verkopen van die productsoort.
20 Ten slotte zijn, volgens overweging 61, de met verlies verkochte soortgelijkproductsoorten niet beschouwd als zijnde in het kader van normale handelstransacties verkocht. In overweging 62 wordt verklaard dat voor deze productsoorten en voor de productsoorten waarvan de verkopen niet voldoende representatief waren in de zin van punt 17 hierboven, de methode van de berekende waarde in de zin artikel 2, lid 3, en lid 7, onder a), van de basisverordening is aangewend.
21 Wat de vaststelling van de uitvoerprijzen betreft, blijkt uit overweging 64 van de voorlopige verordening dat deze prijzen zijn vastgesteld volgens artikel 2, lid 8, van de basisverordening, dat wil zeggen op basis van de door elke in de steekproef opgenomen Chinese producent-exporteur werkelijk betaalde of te betalen prijs
22 Volgens de overwegingen 65 tot en met 67 van de voorlopige verordening is, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening, de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs verricht in het stadium af fabriek waarbij correcties zijn toegepast om rekening te houden met de verschillen in fysieke kenmerken, indirecte belastingen, kosten van vervoer, verzekering, lading, overlading, lossing en bijkomende kosten, kosten van verpakking, krediet, commissies en bankkosten, in alle gevallen waarin deze redelijk en nauwkeurig bleken en met gecontroleerd bewijsmateriaal waren gestaafd.
23 Volgens overweging 68 van de voorlopige verordening is de dumpingmarge van de in de steekproef opgenomen Chinese vennootschappen vastgesteld op basis van een vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soortgelijkproductsoort vastgesteld voor het referentieland met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige productsoort van het betrokken product overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening.
24 Volgens overweging 69 van de voorlopige verordening is de voorlopige gewogen gemiddelde dumpingmarge van verzoekster berekend op de in punt 23 hierboven beschreven basis en vastgesteld op 39,3 % van de CIF(cost, insurance, freight)-prijs, grens Unie, vóór uitklaring, van het betrokken product.
25 In artikel 1, lid 2, van de voorlopige verordening is het voorlopige antidumpingrecht voor verzoekster vastgesteld op 39,3 %.
26 Bij brief van 15 november 2012 heeft de Commissie verzoekster de in artikel 20, lid 1, van de basisverordening bedoelde voorlopige mededeling toegestuurd. Dit document omvat een bijlage 1 met de voorlopige verordening, een bijlage 2 met de voor de berekening van de dumping aangewende methode en een bijlage 3 met de voor de berekening van de prijsonderbiedingen en de schade aangewende methode.
27 In bijlage 2 bij deze voorlopige mededeling heeft de Commissie allereerst wat algemene uitleg over de berekening van de dumpingmarge verstrekt. Verder heeft zij nadere gegevens verstrekt over de uitsluiting van een bepaalde productsoort uit de door verzoekster verrichte verkopen voor uitvoer van het betrokken product en over de verschillende correcties die zij heeft toegepast met het oog op een billijke vergelijking als bedoeld in artikel 2, lid 10, van de basisverordening. In die bijlage 2 heeft de Commissie ook een aantal tabellen met gedetailleerde berekeningen van de dumpingmarge per productsoort verstrekt met weglating van de elementen die op de door de producent uit het referentieland verstrekte gegevens waren gebaseerd. Zoals de Commissie in deze bijlage verklaart, had immers slechts één enkele producent uit het referentieland aan het onderzoek meegewerkt, zodat de uit het referentieland afkomstige informatie niet op het niveau van de productcontrolenummers kon worden onthuld.
Uitwisseling van opmerkingen tussen verzoekster en de Commissie na de voorlopige verordening
28 Op 17 december 2012 heeft verzoekster de Commissie haar opmerkingen over de voorlopige mededeling toegestuurd. Deze opmerkingen hadden betrekking op vijf punten, te weten de beslissing over de BMO, de normale waarde, de correctie voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw), de noodzaak van een correctie voor het productieproces en de uitvoerprijzen.
29 Met name ter zake van het tweede punt heeft verzoekster aangevoerd dat de Commissie ten onrechte een berekende waarde had gebruikt voor alle soortgelijkproductsoorten die waren vergeleken met de betrokkenproductsoorten die zij naar de Unie uitvoerde. Enerzijds had de Commissie volgens verzoekster de binnenlandse prijzen van de producent uit het referentieland moeten gebruiken en de methode van de berekende waarde niet mogen aanwenden, daar het aanwenden van laatstgenoemde methode slechts gerechtvaardigd is wanneer het niet mogelijk is de binnenlandse prijzen te gebruiken, hetgeen in casu niet het geval was. Anderzijds was verzoekster van mening dat het gebruik van de drempel van 5 % voor het bepalen van de representativiteit van de verkoop van het soortgelijke product niet gerechtvaardigd was wanneer het, zoals in het onderhavige geval, ging om het vergelijken van de binnenlandse prijzen van een bepaalde producent op de Indische markt met de uitvoerprijzen van de Chinese producenten. Volgens verzoekster werkte het gebruik van die drempel al te zeer in het nadeel van de producenten-exporteurs met grote uitvoerhoeveelheden, zoals zijzelf, daar het voor dezen veel moeilijker is aan een dergelijk representativiteitscriterium te voldoen. Bovendien was dit volgens de bewoordingen van artikel 2, lid 2, van de basisverordening geen absolute drempel. Om al deze redenen heeft verzoekster de Commissie verzocht, de normale waarde overeenkomstig haar opmerkingen te berekenen. Vervolgens heeft verzoekster twee andere bezwaren betreffende de vaststelling van de normale waarde geformuleerd, die betrekking hadden op, enerzijds, het gebruik van de omzet voor het bepalen van de productiekosten van de producent uit het referentieland, en anderzijds, het gebruik van één enkele gemiddelde winstmarge voor alle productsoorten. Verder heeft verzoekster, na „nota te hebben genomen van het feit dat Jainson Industries de producent uit het referentieland was”, commentaar geleverd op de correcties die op de normale waarde waren aangebracht, en in het bijzonder uiteengezet om welke redenen zij een correctie voor de verschillen in productieproces en productiviteit tussen haar haarzelf en de producent uit het referentieland vorderde.
30 Ten slotte heeft verzoekster met betrekking tot de uitvoerprijzen aan de Commissie gevraagd, enerzijds, de dumpingmarge te berekenen op basis van al haar verkopen voor uitvoer van het betrokken product, en anderzijds, haar aanvullende uitleg te verstrekken over de berekening van de op de verkopen voor uitvoer toegepaste correcties voor fysieke verschillen.
31 Tijdens de hoorzitting van 6 februari 2013 heeft verzoekster in wezen al haar in haar brief van 17 december 2012 geformuleerde opmerkingen over de voorlopige mededeling herhaald. Ter onderbouwing van haar verzoeken om correcties voor het productieproces en de productiviteit heeft verzoekster in het bijzonder verwezen naar informatie betreffende de producent uit het referentieland, te weten, enerzijds, naar een uittreksel uit de website van de producent uit het referentieland, dat onder meer informatie bevatte over de omvang van het personeelsbestand, de omvang van de jaarlijkse productie en de belangrijkste installaties van deze producent, en anderzijds, naar de e-mails die tussen 29 januari en 1 februari 2013 tussen deze producent en verzoekster zijn gewisseld.
32 Op 15 maart 2013 heeft de Commissie verzoekster de definitieve mededeling toegestuurd. Deze omvatte als bijlage 1 een document met algemene informatie waarin, overeenkomstig artikel 20, lid 2, van de basisverordening, de essentiële feiten en overwegingen stonden op grond waarvan de Commissie overwoog, de instelling van definitieve maatregelen aan te bevelen. In de bijlagen 2 en 3 bij deze definitieve mededeling heeft de Commissie bijzondere opmerkingen geformuleerd over, respectievelijk, de berekening van de dumpingmarge en de berekening van de prijsonderbiedingen en de schade. In het bijzonder in bijlage 2 heeft de Commissie verklaard, in te stemmen met de opmerking van verzoekster, dat de normale waarde dient te worden berekend op basis van de binnenlandse verkoop van de enige producent uit het referentieland die heeft meegewerkt, ook al was de omvang van die verkoop niet representatief in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. Bijgevolg werd de vaststelling van de normale waarde voor de vaststelling van de definitieve dumpingmarge van verzoekster gebaseerd op de binnenlandse verkoop die de producent uit het referentieland in het kader van normale handelstransacties had verricht. Vervolgens heeft de Commissie verklaard, ook in te stemmen met het bezwaar van verzoekster, dat de dumpingmarge dient te worden vastgesteld op basis van de gehele uitvoer en niet alleen op basis van de uitvoer van de betrokkenproductsoorten die overeenkomen met de door de producent uit het referentieland op de binnenlandse markt verkochte soortgelijkproductsoorten. Zij heeft gepreciseerd dat voor de betrokkenproductsoorten zonder overeenstemmende soortgelijkproductsoorten de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening was gecorrigeerd op basis van de marktwaarde van de verschillen in fysieke kenmerken.
33 De Commissie heeft daarentegen verklaard, afwijzend te beslissen op verzoeksters vragen om correctie voor de tussen verzoekster en de producent uit het referentieland bestaande verschillen in productieproces en productiviteit. Wat allereerst het verzoek om een correctie voor het productieproces betreft, erkende de Commissie weliswaar dat er bepaalde verschillen in productieproces bestonden tussen de twee betrokken producenten, maar verklaarde zij dat het verbruik van staalschroot per eenheid nagenoeg identiek was. Wat het tweede verzoek om een correctie betreft, heeft de Commissie in wezen aangevoerd, dat alleen verschillen die gevolgen hebben voor de prijzen en voor de vergelijkbaarheid van de prijzen tussen een producent uit het referentieland en een exporteur uit een land zonder markteconomie, toepassing van een correctie rechtvaardigden, en dat alleen een volledige analyse alle verschillen in de kostenfactoren aan het licht zou kunnen brengen en zou kunnen aantonen dat deze gevolgen hadden voor de prijzen en voor de vergelijkbaarheid daarvan, wat dan een correctie zou rechtvaardigen.
34 De Commissie heeft in bijlage 2 bij de definitieve mededeling ook een aantal tabellen met gedetailleerde berekeningen van de dumpingmarge per productsoort verstrekt, die vergelijkbaar zijn met de in punt 27 hierboven genoemde tabellen die als bijlage 2 bij de voorlopige mededeling waren gevoegd. Net als in de voorlopige mededeling heeft de Commissie in de definitieve mededeling de elementen die op de door de producent uit het referentieland verstrekte gegevens waren gebaseerd, volledig verhuld.
Uitwisseling van opmerkingen tussen verzoekster en de Commissie na de definitieve mededeling
35 Op 18 maart 2013 heeft de producent uit het referentieland de Commissie een brief gezonden waarin hij heeft verklaard „de Commissie uitdrukkelijk toe te staan [aan de raadsman van verzoekster] de vertrouwelijke versie van zijn antwoord op de vragenlijst en de stukken afkomstig uit de in zijn lokalen verrichte controle mee te delen”. Verder heeft deze producent in dezelfde brief verklaard, dat hij deze documenten nog dezelfde dag aan verzoekster had toegezonden.
36 Bij e-mail van 18 maart 2013 heeft verzoekster de Commissie op basis van bovengenoemde brief van de producent uit het referentieland gevraagd, haar de vertrouwelijke versie van diens antwoord op de antidumpingvragenlijst en de stukken afkomstig uit de in diens lokalen verrichte controle mee te delen. Bovendien heeft verzoekster „tegen de achtergrond van de instemming van de producent uit het referentieland met de mededeling van de vertrouwelijke versie van zijn antwoord op de vragenlijst” de Commissie in diezelfde e-mail verzocht haar volledige inzage te geven in de berekening van de normale waarde. Ten slotte heeft zij verzocht om specifieke informatie over, ten eerste, de wijze van vaststelling van de normale waarde van de betrokkenproductsoorten waarvoor er geen soortgelijkproductsoorten bestonden, ten tweede, de wijze waarop de Commissie onderscheid had gemaakt tussen de hulpstukken met zwart oppervlak en de hulpstukken met gegalvaniseerd oppervlak, en ten derde, de grondslag waarop de Commissie tot de slotsom was gekomen dat de producent uit het referentieland en verzoekster nagenoeg dezelfde hoeveelheid staalschroot per eenheid verbruikten.
37 In een tweede e-mail, van 19 maart 2013, heeft verzoekster haar verzoek herhaald. Zij heeft met name geantwoord op de grond die de Commissie, volgens de door de producent uit het referentieland verstrekte informatie, aan deze laatste voor de weigering had gegeven, namelijk dat de vertrouwelijkheid niet selectief voor bepaalde specifieke belanghebbende partijen kon worden opgeheven. Verzoekster heeft dienaangaande aangevoerd dat, enerzijds, de berekening van de dumpingmarge, en bijgevolg de gegevens betreffende de normale waarde, specifiek waren voor de betrokken onderneming, en anderzijds, de basisverordening niet uitsloot dat de specifieke toestemming van de persoon die de vertrouwelijke gegevens verstrekt, tot één enkele belanghebbende partij kon worden beperkt. Verder voert zij aan dat haar rechten van verdediging in het geding zijn, en verzoekt zij om die reden, dat het betrokken geschil wordt beslecht door de raadadviseur-auditeur, wiens rol wordt geregeld door besluit 2012/199/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 29 februari 2012 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde handelsprocedures (PB L 107, blz. 5).
38 In antwoord daarop heeft het hoofd van de afdeling Antidumpingonderzoeken van de Commissie in zijn e-mail van 21 maart 2013 het verzoek van verzoekster afgewezen met de volgende motivering: „De informatie betreffende de normale waarde is gebruikt voor de drie in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en niet alleen voor Jinan Meide. Een mededeling aan Jinan Meide alleen zou er dus op neerkomen dat vertrouwelijke informatie selectief aan één enkele belanghebbende partij wordt meegedeeld, terwijl andere partijen die belang hebben bij die informatie, die bevoorrechte toegang tot die vertrouwelijke informatie niet genieten.” In een latere e-mail van dezelfde dag heeft de raadadviseur-auditeur verklaard, dat hij zich achter het in de eerder genoemde e-mail geformuleerde standpunt schaart, en hij heeft beklemtoond, dat de niet-discriminerende behandeling van de partijen de essentie daarvan vormde.
39 Op 25 maart 2013 heeft verzoekster haar opmerkingen over de definitieve mededeling toegestuurd. Verzoekster is teruggekomen op haar uit de in de punten 36 tot met 38 hierboven vermelde e-mails blijkende meningsverschil met de Commissie en heeft haar verzoek tot mededeling van de vertrouwelijke versie van het antwoord van de producent uit het referentieland op de antidumpingvragenlijst en van de stukken afkomstig uit de in diens lokalen verrichte controle en tot volledige inzage in de berekening van de normale waarde herhaald. Verder heeft verzoekster een aantal specifieke punten betreffende de vaststelling van de normale waarde aangesneden, waarvan zij sommige al in haar opmerkingen over de voorlopige mededeling ter sprake had gebracht. Verzoekster heeft zich thans gebaseerd op de gegevens die de producent uit het referentieland haar inmiddels had meegedeeld, zoals in diens e-mail van 18 maart 2013 werd gezegd (zie punt 35 hierboven).
40 Verzoekster heeft in het bijzonder haar specifieke, in haar e-mail van 18 maart 2013 (zie punt 36 hierboven) geformuleerde verzoek tot onthulling van de wijze van berekening van de normale waarde van de betrokkenproductsoorten zonder soortgelijkproductsoorten herhaald. Zij was immers van mening dat de door de Commissie in de definitieve mededeling verstrekte precisering dat op de normale waarde van deze producten een correctie op basis van de marktwaarde van de verschillen in fysieke kenmerken was toegepast, niet toereikend was. Verder heeft zij aangevoerd dat zijzelf 1645 betrokkenproductsoorten produceerde, terwijl de producent uit de referentieland slechts 287 soortgelijkproductsoorten produceerde, zodat er voor 83 % van de betrokkenproductsoorten geen soortgelijkproductsoort bestond. Bovendien had slechts 5738 van de 11130 ton die zij tijdens het onderzoektijdvak naar de Unie had uitgevoerd, betrekking op productsoorten waarvoor er een soortgelijkproductsoort bestond. In die omstandigheden was de gevraagde onthulling van vitaal belang voor haar rechten van verdediging.
41 Verder heeft verzoekster verbeteringen voorgesteld betreffende, enerzijds, de toedeling van de productiekosten op basis van de omzet, en anderzijds, de berekening van de correctie die voor vracht- en verpakkingskosten op de normale waarde is toegepast. Verzoekster heeft ook haar in haar opmerkingen over de voorlopige mededeling geformuleerde verzoeken om correcties voor het productieproces en de productiviteit en haar eveneens in het kader van bovengenoemde opmerkingen geformuleerde kritiek op de correctie voor niet-terugvorderbare btw herhaald en gepreciseerd. Verder heeft zij een nieuw verzoek om correctie voor de verkochte hoeveelheden geformuleerd.
42 Tijdens de door de diensten van de Commissie georganiseerde hoorzitting van 26 maart 2013 heeft verzoekster haar in het kader van haar opmerkingen over de definitieve mededeling geformuleerde verzoeken en bezwaren herhaald. Na die hoorzitting heeft verzoekster er in een brief van 27 maart 2013 op gewezen dat de Commissie tijdens de hoorzitting van 26 maart 2013 had verklaard, dat voor deze berekening was uitgegaan van de gemiddelde normale waarde vastgesteld voor de met de betrokkenproductsoorten overeenkomende soortgelijkproductsoorten, gecorrigeerd op basis van een marktwaarde [van de verschillen in fysieke kenmerken] vastgesteld op basis van de door verzoekster voor de betrokkenproductsoorten zonder soortgelijkproductsoorten vastgestelde prijzen voor uitvoer naar de Unie. Verzoekster heeft dienaangaande verklaard dat deze methode volgens haar berustte op een onredelijk en oncontroleerbaar vermoeden dat de marktwaarde van de verschillen in fysieke kenmerken tot uitdrukking komt in de uitvoerprijzen, en heeft een andere methode voorgesteld, die erin bestaat het aantal productsoorten zonder soortgelijkproductsoorten te verminderen door de productcontrolenummers waarmee zij kunnen worden geïdentificeerd, in te korten.
Bestreden verordening
43 Op 13 mei 2013 heeft de Raad van de Europese Unie uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van Indonesië (PB L 129, blz. 1; hierna: „bestreden verordening”) vastgesteld.
44 In overweging 15 van de bestreden verordening heeft de Raad verklaard dat, aangezien geen opmerkingen over de BMO waren ingediend, de in de overwegingen 32 tot en met 46 van de voorlopige verordening geformuleerde voorlopige conclusies worden bevestigd.
45 In overweging 17 van de bestreden verordening verklaart de Raad dat hij het argument van een Chinese producent-exporteur, dat de normale waarde dient te worden berekend op basis van de binnenlandse verkoop van de producent uit het referentieland, ook al bereikt deze verkoop niet de representatieve hoeveelheid, heeft aanvaard. Hij verklaart dat dan ook deze in het kader van normale handelstransacties verrichte verkoop is gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde.
46 In overweging 18 van de bestreden verordening verklaart de Raad dat hij ook heeft ingestemd met het argument van dezelfde Chinese producent-exporteur, dat bij de vaststelling van de dumpingmarge rekening moet worden gehouden met de gehele verkoop voor uitvoer en niet alleen met de verkoop voor uitvoer van de betrokkenproductsoorten die overeenkomen met productsoorten die rechtstreeks vergelijkbaar zijn met de door de producent in het referentieland op de binnenlandse markt verkochte productsoorten.
47 In overweging 19 van de bestreden verordening verklaart de Raad dat, aangezien er geen verdere opmerkingen over de normale waarde, de uitvoerprijs en de billijke vergelijking werden ontvangen, de bevindingen in de overwegingen 54, 59 tot en met 61 en 64 tot en met 67 van de voorlopige verordening werden bevestigd.
48 Uit overweging 20 van de bestreden verordening blijkt dat de overeenkomstig de in de overwegingen 17 tot en met 19 van deze verordening voor het referentieland vastgestelde gewogen gemiddelde normale waarde van elke soortgelijkproductsoort is vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige betrokkenproductsoort.
49 Volgens de tabel in overweging 21 van de bestreden verordening bedraagt de definitieve dumpingmarge voor verzoekster 40,8 %.
50 Artikel 1, lid 1, van de bestreden verordening bepaalt: „Een definitief antidumpingrecht wordt ingesteld op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, uitgezonderd binnenringen van knelkoppelingen met metrisch schroefdraad overeenkomstig ISO DIN 13, en ronde aansluitdozen van smeedbaar ijzer, met schroefdraad, zonder deksel, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 7307 19 10 (TARIC-code 7307 19 10 10) en van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand.”
51 Artikel 1, lid 2, van de bestreden verordening bepaalt met betrekking tot verzoekster dat het definitieve antidumpingrecht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het betrokken product, 40,8 % bedraagt.
Procesverloop en conclusies van partijen
52 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 augustus 2013, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
53 Bij een op 26 september 2013 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Raad, verweerder. Verzoekster en de Raad hebben geen opmerkingen over dit verzoek ingediend. Bij beschikking van 19 november 2013 heeft de president van de Achtste kamer van het Gerecht de Commissie toegelaten tot interventie. De Commissie heeft een memorie in interventie ingediend en de andere partijen hebben binnen de gestelde termijn opmerkingen ingediend over deze memorie.
54 Verzoekster verzoekt het Gerecht: — de bestreden verordening nietig te verklaren voor zover deze op haar van toepassing is; — de Raad en de Commissie te verwijzen in de kosten.
55 De Raad verzoekt het Gerecht: — het beroep te verwerpen; — verzoekster te verwijzen in de kosten.
56 De Commissie verzoekt het Gerecht: — het beroep te verwerpen; — verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
57 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan. Als eerste middel voert zij aan dat de instellingen van de Unie haar rechten van verdediging en de artikelen 6, lid 7, en 20, leden 2 en 4, van de basisverordening hebben geschonden door te weigeren haar de voor de vaststelling van de normale waarde relevante informatie te onthullen. Het tweede middel betreft, primair, schending van artikel 2, lid 10, van de basisverordening en van artikel 2.4 van de antidumpingovereenkomst doordat de instellingen de door verzoekster geformuleerde verzoeken tot correctie van de normale waarde hebben afgewezen, en subsidiair, ontoereikende motivering. Het derde middel betreft schending van artikel 2, lid 7, onder a), artikel 2, lid 10, aanhef en onder a), en artikel 2, lid 11, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 7, onder a), en leden 8 en 9, en artikel 9, lid 5, van de basisverordening, alsmede van het discriminatieverbod, doordat de instellingen een onjuiste methode hebben toegepast voor de vaststelling van de normale waarde van de producten zonder soortgelijkproductsoorten. Het vierde middel betreft schending van artikel 2, lid 7, van de basisverordening doordat de Commissie haar slotsom over de BMO pas op 9 juli 2012 officieel ter kennis heeft gebracht. Het vijfde middel betreft schending van artikel 3, leden 1, 2 en 3, van de basisverordening doordat de vaststelling van de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade op onjuiste gegevens betreffende de omvang van de invoer met dumping uit China zou zijn gebaseerd.
58 Het Gerecht acht het wenselijk, eerst het vierde middel en vervolgens het eerste middel te onderzoeken.
Vierde middel
59 Verzoekster betoogt, zakelijk weergegeven, dat de slotsom betreffende de BMO pas vijf maanden na de inleiding van de procedure heeft plaatsgevonden, hetgeen een schending van de in artikel 2, lid 7, van de basisverordening bepaalde termijn van drie maanden zou opleveren. Deze uitlegging zou worden bevestigd door de rechtspraak van het Hof. Verder betoogt zij dat zij haar rechten van verdediging beter had kunnen uitoefenen indien de beslissing over de BMO eerder was genomen. Bovendien zou de stelling van de instellingen, dat de vertraging bij de beslissing over de BMO te wijten was aan het feit dat de Chinese producenten-exporteurs niet beschikbaar waren voor controlebezoeken, feitelijk onjuist en juridisch niet ter zake dienend zijn. Ten slotte betoogt verzoekster dat, aangezien de schending van artikel 2, lid 7, van de basisverordening op 16 mei 2012 heeft plaatsgevonden, deze niet werd geraakt door artikel 2 van de wijzigingsverordening, volgens hetwelk deze verordening van toepassing is op alle nieuwe en op alle hangende onderzoeken met ingang van 15 december 2012, welk artikel in elk geval onrechtmatig zou zijn.
60 Volgens de Raad en de Commissie dient dit betoog te worden afgewezen.
61 Om te beginnen dient erop te worden gewezen, dat de basisverordening, in de versie vóór de inwerkingtreding van de in punt 2 hierboven bedoelde wijzigingsverordening op 15 december 2012, in artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, bepaalde dat binnen drie maanden na inleiding van de procedure diende te worden vastgesteld of de producent aan de genoemde criteria voor BMO voldeed. Sinds de inwerkingtreding van artikel 1, punt 1, onder a), van de wijzigingsverordening bepaalt de basisverordening thans dat de beslissing over de BMO normaliter binnen zeven maanden, maar uiterlijk binnen acht maanden, na de inleiding van de procedure moet worden genomen. Verder bepaalt artikel 2 van de wijzigingsverordening dat deze verordening van toepassing is op alle nieuwe en op alle hangende onderzoeken met ingang van 15 december 2012.
62 Bovendien heeft de Commissie, zoals in punt 5 hierboven in herinnering is gebracht, verzoekster bij brief van 9 juli 2012 in kennis gesteld van de essentiële feiten en overwegingen op basis waarvan zij heeft beslist haar geen BMO toe te kennen. Zoals blijkt uit deze brief, die in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang aan het dossier is toegevoegd, verwijst de Commissie dienaangaande naar de „essentiële feiten en overwegingen op basis waarvan [zij] van plan is [verzoekster] geen BMO toe te kennen”. Zoals de partijen ter terechtzitting hebben verklaard, wordt deze formulering echter verklaard door het feit dat, volgens de rechtspraak, de Commissie haar beslissing over de BMO in de loop van het onderzoek kan herzien (arrest van 1 oktober 2009, Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware/Raad, C‑141/08 P, Jurispr., EU:C:2009:598, punten 110‑113). Ondanks deze formulering heeft de Commissie aldus daadwerkelijk bij deze brief van 9 juli 2012 overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, van de basisverordening beslist op de vraag of verzoekster aan de criteria voor BMO voldeed.
63 Bijgevolg dient in de eerste plaats te worden onderzocht, welke versie van artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, van de basisverordening op die beslissing van toepassing is, om uit te maken of de beslissing van de Commissie van 9 juli 2012 na het verstrijken van de in die bepaling gestelde termijn is genomen. In dit verband betogen de instellingen, zakelijk weergegeven, dat de bij de wijzigingsverordening ingevoerde wijziging van de in artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, van de basisverordening bepaalde termijn, op de beslissing van 9 juli 2012 over de BMO van toepassing is, op grond dat het onderzoek waar het in het onderhavige geval om gaat, op 15 december 2012 hangende was en artikel 2 van de wijzigingsverordening bepaalt dat de bovengenoemde wijziging op dergelijke onderzoeken van toepassing is. Deze uitlegging moet worden afgewezen.
64 Er dient immers aan te worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak, een nieuwe rechtsregel van toepassing is vanaf de inwerkingtreding van de handeling waarbij hij is ingevoerd, en dat een dergelijke regel weliswaar niet van toepassing is op rechtssituaties die zijn ontstaan en definitief zijn verworven onder het oude recht, maar wel op de toekomstige gevolgen daarvan en op nieuwe rechtssituaties. Dit ligt slechts anders, onder voorbehoud van het beginsel dat rechtshandelingen geen terugwerkende kracht hebben, wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere bepalingen die specifiek de toepassing ratione temporis ervan vastleggen. In het bijzonder worden de procedureregels in het algemeen geacht te gelden vanaf de datum waarop zij in werking treden, in tegenstelling tot de materiële regels, die doorgaans aldus worden uitgelegd dat zij op situaties die vóór de inwerkingtreding ervan zijn verworven, slechts van toepassing zijn voor zover uit de bewoordingen, de doelstelling of de opzet ervan blijkt dat er dergelijke gevolgen aan dienen te worden toegekend (zie arrest van 26 maart 2015, Commissie/Moravia Gas Storage, C‑596/13 P, Jurispr., EU:C:2015:203, punten 32 en 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Het Hof heeft ook geoordeeld dat de bepaling die de rechtsgrondslag van een handeling vormt en een instelling van de Unie machtigt, de betrokken handeling vast te stellen, van kracht moet zijn op het moment van de vaststelling van die handeling (zie arrest Commissie/Moravia Gas Storage, punt 64 supra, EU:C:2015:203, punt 34en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 In het onderhavige geval bepaalt artikel 2 van de wijzigingsverordening dat deze verordening met ingang van 15 december 2012, haar datum van inwerkingtreding, van toepassing is op de hangende procedures. Verder volgt uit de in punt 64 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, dat de bij artikel 1, punt 1, onder a), van de wijzigingsverordening ingevoerde wijziging van de termijn om te beslissen over de BMO, ook zonder de bepalingen van dat artikel 2 van toepassing zou zijn geweest, omdat het gaat om de wijziging van een procedureregel. In dat artikel moest worden gepreciseerd dat de wijzigingsverordening met ingang van de datum van haar inwerkingtreding van toepassing was op alle nieuwe en op alle hangende onderzoeken, omdat deze verordening, naast de wijziging van die termijn, ook bepalingen houdende wijziging van de materiële regels betreffende de beslissing over de BMO bevatte [artikel 1, punt 1, onder b) en artikel 1, punt 2] bevatte. Volgens de in punt 64 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak kunnen dergelijke materiële regels echter in beginsel niet worden toegepast op situaties die vóór de inwerkingtreding van die regels zijn verworven, tenzij dit uitdrukkelijk is bepaald of althans uit de doelstelling of de opzet van die regels blijkt.
67 Bovengenoemde wijziging van de termijn om te beslissen over de BMO gold in het kader van een hangend antidumpingonderzoek aldus in beginsel voor elke op of na 15 december 2012 genomen beslissing van de Commissie over de vraag of een onderneming aan de criteria voor BMO voldoet in de zin van artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, van de basisverordening.
68 Anders dan de instellingen betogen, kan artikel 2 van de wijzigingsverordening echter niet tot gevolg hebben gehad dat artikel 1, punt 1, onder a), van de wijzigingsverordening van toepassing werd op een vóór de inwerkingtreding van die verordening genomen beslissing over de BMO. Daardoor zou aan die bepaling immers een terugwerkende kracht worden verleend die niet uit de bewoordingen van dat artikel 2 van de wijzigingsverordening volgt. Verder volgt uit de in punt 64 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak dat nieuwe regels, in het bijzonder nieuwe proceduregels, weliswaar kunnen zien op rechtssituaties die zijn ontstaan en definitief zijn verworven onder het oude recht, maar moet bij de toepassing van deze nieuwe regels wel het verbod van terugwerkende kracht worden geëerbiedigd. De eerbiediging van dit verbod van terugwerkende kracht heeft met name tot gevolg, zoals uit de in punt 65 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak volgt, dat de rechtmatigheid van een Uniehandeling in beginsel moet worden getoetst aan de op de datum van de vaststelling van die handeling van kracht zijnde bepaling die de rechtsgrondslag van die handeling vormt.
69 In het onderhavige geval bepaalde artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, van de basisverordening, die de rechtsgrondslag vormt van de beslissing van de Commissie om verzoekster geen BMO toe kennen, op de datum van de beslissing, namelijk op 9 juli 2012, echter dat de Commissie voor een dergelijke beslissing beschikte over een termijn van drie maanden vanaf de inleiding van de procedure. Anders dan de instellingen betogen, moet de rechtmatigheid van die beslissing dus aan laatstgenoemde termijn worden getoetst en niet aan de termijn die gold vanaf de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening op 15 december 2012.
70 In de tweede plaats is de in artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, van de basisverordening bepaalde termijn, anders dan de instellingen suggereren, geen louter indicatieve termijn op grond dat, volgens de punten 110 tot en met 113 van het arrest Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware/Raad, punt 62 supra (EU:C:2009:598), de Commissie haar aanvankelijke beslissing op elk moment van de onderzoeksprocedure kan wijzigen. Uit deze punten blijkt immers dat het Hof daar geen uitspraak heeft gedaan over de mogelijkheid voor de Commissie om die termijn niet in acht te nemen, een mogelijkheid die overigens niet aan de orde was in het geding dat het Hof in dat arrest heeft beslecht. In die punten heeft het Hof er slechts op gewezen dat artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, van de basisverordening niet aldus mag worden uitgelegd dat Commissie verplicht wordt aan de Raad definitieve maatregelen voor te stellen die een ten nadele van de betrokken onderneming begane fout bij de aanvankelijke beoordeling of aan de in artikel 2, lid 7, onder c), eerste alinea, van de basisverordening bepaalde materiële criteria was voldaan, zouden bestendigen. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat, ingeval de Commissie merkt dat haar aanvankelijke beoordeling een dergelijke fout bevatte, zij daaraan de passende gevolgen moet verbinden met inachtneming van de procedurele waarborgen (arrest Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware/Raad, punt 62 supra, EU:C:2009:598, punten 111 en 112). Het feit alleen dat de Commissie volgens deze rechtspraak de mogelijkheid, ja zelfs de verplichting, heeft om een op een beoordelingsfout berustende eerste beslissing over de BMO te herzien, heeft dus geen gevolgen voor haar verplichting om de in basisverordening gestelde termijn voor de vaststelling van die eerste beslissing in acht nemen.
71 De bewoordingen van artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, van de basisverordening bevatten overigens geen enkele aanwijzing dat die termijn een louter indicatieve termijn is. Sommige taalversies van die bepaling, zoals de Engelse en de Franse taalversie waarin respectievelijk de werkwoorden „shall” en „doit” worden gebruikt, wijzen overigens uitdrukkelijk op een verplichting voor de Commissie om binnen die termijn te beslissen. Zoals verzoekster aanvoert, is het dwingende karakter van die termijn overigens uitdrukkelijk bevestigd in de punten 36 tot en met 39 van het arrest van 2 februari 2012, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad (C‑249/10 P, Jurispr., EU:C:2012:53) en in de punten 29 tot en met 32 van het arrest van 15 november 2012, Zhejiang Aokang Shoes/Raad (C‑247/10 P, EU:C:2012:710).
72 Bijgevolg was de inachtneming van de in artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, van de basisverordening bepaalde termijn van drie maanden om te beslissen over de BMO voor de Commissie geen mogelijkheid maar een verplichting.
73 In de derde plaats stonden de omstandigheden betreffende de organisatie van de controlebezoeken, die de Raad en de Commissie hebben aangevoerd ter rechtvaardiging van de vertraging bij de beslissing over de BMO van verzoekster, de Commissie niet toe, af te wijken van een dergelijke verplichting.
74 Enerzijds voorzag artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, van de basisverordening, in de versie die van kracht was op 9 juli 2012, de datum van die beslissing, niet in de mogelijkheid om af te wijken van de verplichting om binnen een termijn van drie maanden te beslissen over de BMO.
75 Anderzijds dient erop te worden gewezen dat in het onderhavige geval, zoals blijkt uit overweging 40 van de voorlopige verordening (zie punt 12 hierboven) en is bevestigd in overweging 15 van de bestreden verordening, de instellingen ter rechtvaardiging van de vertraging bij de beslissing over de BMO van verzoekster aanvoeren dat de Commissie controlebezoeken in de lokalen van de Chinese exporteurs niet eerder heeft kunnen verrichten omdat deze laatsten niet beschikbaar waren. In zijn verweerschrift heeft de Raad ter precisering van deze rechtvaardiging verklaard dat de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs hadden aangegeven slechts tijdens één van de drie door de Commissie voorgestelde perioden, namelijk de periode tussen 9 en 11 mei 2012, beschikbaar te zijn. Volgens de Raad was het voor de Commissie echter materieel onmogelijk om tijdens die ene periode tegelijkertijd controlebezoeken te verrichten bij de drie betrokken producenten-exporteurs. Om die reden dienden die bezoeken opnieuw te worden geprogrammeerd, zodat het voor de Commissie onmogelijk is geweest binnen de gestelde termijn te beslissen over de BMO.
76 De instellingen gaan echter niet zover dat zij stellen dat het als gevolg van die omstandigheden voor de Commissie volstrekt onmogelijk was om binnen de gestelde termijn te beslissen over de BMO, of dat de tardieve beslissing een geval van overmacht was, dat wil zeggen, volgens vaste rechtspraak, dat de niet-inachtneming van de betrokken termijn te wijten was aan abnormale en onvoorzienbare omstandigheden waarop de instellingen geen invloed hadden en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden voorkomen (zie, in die zin, arresten van 8 maart 1988, McNicholl e.a., 296/86, Jurispr., EU:C:1988:125, punt 11, en 4 maart 2010, Commissie/Italië, C‑297/08, Jurispr., EU:C:2010:115, punt 85). In elk geval dient erop te worden gewezen dat, zelfs al zouden de instellingen zich door het aanvoeren van de in punt 75 hierboven bedoelde omstandigheden op het begrip overmacht hebben willen beroepen, in het onderhavige geval de in de aangehaalde rechtspraak geformuleerde criteria voor toepassing van dit begrip overduidelijk niet zijn vervuld. In dit verband blijkt uit de stukken dat de Commissie de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs bij e-mail van 4 april 2012 drie perioden voor controlebezoeken in hun lokalen heeft voorgesteld, te weten de perioden tussen respectievelijke 2 en 4 mei 2012, 7 en 9 mei 2012 en 9 en 11 mei 2012. Verder dient erop te worden gewezen dat deze drie perioden alle vrij dicht bij de datum van het verstrijken van de termijn voor een beslissing over de BMO, te weten 17 mei 2012, waren gelegen. Zo tonen de instellingen niet aan, en stellen zij zelfs niet, dat de Commissie al het mogelijke heeft gedaan om perioden voor controlebezoeken voor te stellen die haar voldoende speelruimte lieten om vóór het verstrijken van genoemde termijn over de BMO te beslissen. Bovendien vormt het feit dat de drie in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs slechts tijdens één van de drie door de Commissie voorgestelde perioden beschikbaar waren, in het onderhavige geval overduidelijk geen ongewone en onvoorzienbare omstandigheid.
77 Vast staat echter dat, zoals in punt 62 hierboven is opgemerkt, de beslissing over de BMO van verzoekster is genomen op 9 juli 2012, dus na het verstrijken van de termijn die is bepaald in artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, van de basisverordening, die, zoals in punt 76 hierboven is gezegd, uiterlijk op 17 mei 2012 is verstreken.
78 Uit een en ander volgt dus dat de Commissie niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, van de basisverordening op haar rustende verplichting om binnen een termijn van drie maanden na de inleiding van de onderzoeksprocedure over de BMO te beslissen.
79 Dit gezegd zijnde, geven noch de tekst van artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, van de basisverordening noch de voorstukken die tot invoeging ervan in de basisverordening hebben geleid enige aanwijzing over de gevolgen van de niet-inachtneming van de in die bepaling gestelde termijn van drie maanden (conclusie van advocaat-generaal Bot in de gevoegde zaken C & J Clark International en Puma, C‑659/13 en C‑34/14, Jurispr., EU:C:2015:620, punt 82).
80 Zoals in punt 59 hierboven is gezegd, voert verzoekster in dit verband aan dat zij haar rechten van verdediging beter had kunnen uitoefenen indien de beslissing over de BMO eerder was genomen. Ter ondersteuning van die stelling voert verzoekster algemeen aan dat, enerzijds, die termijn van drie maanden tot doel heeft ervoor te zorgen dat de in landen zonder markteconomie werkzame producenten-exporteurs gedurende een voldoende lange periode van de onderzoeksprocedure een duidelijke juridische status genieten, anderzijds, de tardieve beslissing over de BMO andere elementen van deze procedure ongunstig kan beïnvloeden.
81 Volgens vaste rechtspraak, in het bijzonder op het gebied van dumping, kan een onregelmatigheid betreffende de rechten van de verdediging slechts tot nietigverklaring van de litigieuze verordening leiden indien de mogelijkheid dat als gevolg van deze onregelmatigheid de administratieve procedure tot een ander resultaat had kunnen leiden, niet volledig kan worden uitgesloten, en daardoor dus daadwerkelijk afbreuk is gedaan aan de rechten van verdediging van de verzoeker (arresten Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware/Raad, punt 62 supra, EU:C:2009:598, punten 81 en 94, en 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NRTP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, Jurispr., EU:C:2012:78, punten 78 en 79).
82 Niet elke overschrijding van de termijn van drie maanden waarover de Commissie voor haar beslissing over de BMO beschikt, leidt dus automatisch tot nietigverklaring van de bestreden verordening, in het bijzonder indien niet daadwerkelijk afbreuk is gedaan aan de rechten van verdediging van de verzoeker (zie, in die zin, conclusie van advocaat-generaal Bot in de gevoegde zaken C & J Clark International en Puma, punt 79 supra, EU:C:2015:620, punt 87, en arrest van 10 oktober 2012, Ningbo Yonghong Fasteners/Raad, T‑150/09, EU:T:2012:529, punten 51‑54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83 In het onderhavige geval draagt verzoekster, behalve algemene overwegingen over de doelstellingen en de opzet van bovengenoemde termijn van drie maanden, geen enkel concreet argument aan dat steun kan bieden aan haar stelling dat de niet-inachtneming van deze termijn afbreuk heeft gedaan aan haar rechten van verdediging, en in het bijzonder ter verduidelijking van de wijze waarop zij haar rechten beter had kunnen uitoefenen indien die termijn in acht was genomen. Ter terechtzitting heeft verzoekster, in antwoord op een vraag van het Gerecht om nader aan te geven welke elementen van de procedure door de tardiviteit van de beslissing over de BMO konden zijn beïnvloed, verklaard dat zij de gegevens van de producent uit het referentieland eerder had kunnen verkrijgen en daardoor meer tijd zou hebben gehad om haar verdediging voor te bereiden en in voorkomend geval de Commissie in een eerder stadium ertoe over te halen, haar inzage te geven in de berekening van de normale waarde. Verder heeft zij ook, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat, aangezien de belanghebbende partijen pas in een late fase van de onderzoeksprocedure kennis hebben gekregen van de dumpingmarge, zij mogelijkerwijze in die fase niet meer in staat waren de autoriteiten ertoe te brengen hun standpunt te veranderen.
84 Dit betoog maakt echter niet aannemelijk dat andere elementen van de onderzoeksprocedure, in het bijzonder de andere in de loop van de procedure in acht te nemen termijnen, ongunstig zijn beïnvloed door de tardiviteit van de beslissing over de BMO, en evenmin dat afbreuk is gedaan aan de rechten van verdediging van verzoekster.
85 Allereerst blijkt uit de stukken immers dat, zoals in punt 5 hierboven in herinnering is gebracht, verzoekster opmerkingen heeft kunnen maken over de beslissing over de BMO – welke opmerkingen op 23 juli 2012 bij de Commissie zijn ingediend –, en dat de Commissie pas op 14 november 2012, dus nagenoeg vier maanden later, de voorlopige verordening heeft vastgesteld (zie punt 6 hierboven). Bovendien heeft de Commissie haar voorstel voor een definitieve verordening pas op 15 april 2013 toegestuurd. Bijgevolg had de Commissie de nodige tijd om kennis te nemen van de opmerkingen van verzoekster, om de relevantie daarvan te beoordelen en om, in voorkomend geval, haar beslissing over de BMO te heroverwegen alvorens de voorlopige dumpingmarge van deze onderneming vast te stellen en definitieve maatregelen voor te stellen.
86 Verder blijkt uit de stukken dat op de datum van de beslissing over de BMO, te weten op 9 juli 2012, de vaststelling van de normale waarde nog niet was afgerond. Uit stukken die uitgaan van de producent uit het referentieland blijkt immers dat deze laatste heeft geantwoord op door de diensten van de Commissie geformuleerde verzoeken om precisering van de informatie die hij op 29 augustus 2012 aan deze diensten had verstrekt. Uit diezelfde stukken en uit de brief die de producent uit het referentieland op 18 maart 2013 aan verzoekster heeft gezonden (zie punt 35 hierboven), blijkt eveneens dat het controlebezoek van deze instelling in lokalen van die producent heeft plaatsgevonden van 19 tot 21 september 2012. Bijgevolg had verzoekster in elk geval vóór die datum geen toegang kunnen hebben tot alle door de producent uit het referentieland aan de Commissie verstrekte gegevens. In elk geval blijkt uit de opmerkingen van verzoekster over de voorlopige mededeling dat deze laatste pas door dit document, dat haar op 15 november 2012 officieel ter kennis is gebracht, kennis heeft gekregen van de identiteit van de producent uit het referentieland (zie punt 26 hierboven). De tardiviteit van de beslissing over de BMO heeft dus geen enkele invloed kunnen hebben op het vermogen van verzoekster om haar verdediging met de nodige tijd voor te bereiden op basis van informatie die zij bij de producent uit referentieland zou hebben kunnen inwinnen.
87 Ten slotte blijkt uit de stukken niet dat in de periode tussen het verstrijken van bovengenoemde termijn van drie maanden, te weten 17 mei 2012, en de datum van vaststelling van de voorlopige verordening fasen van de onderzoeksprocedure hebben plaatsgevonden die ongunstig zouden zijn beïnvloed door de niet-inachtneming van bovengenoemde termijn.
88 Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat verzoekster niet heeft aangetoond dat ingeval de beslissing over de BMO was genomen binnen de termijn die was vastgesteld in artikel 2, lid 7, onder c), tweede alinea, van de basisverordening, in de versie die van kracht was vóór de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening, de procedure een andere uitkomst had kunnen hebben gehad, en dat de niet-inachtneming van die termijn dus daadwerkelijk afbreuk heeft gedaan aan haar rechten van verdediging.
89 Uit het voorgaande volgt, dat het vierde middel moet worden afgewezen.
Eerste middel
90 Het eerste middel berust op drie grieven. Met haar eerste grief verwijt verzoekster de instellingen van de Unie, in strijd met artikel 20, leden 2 en 4, van de basisverordening te hebben geweigerd haar inzage te geven in de berekening van de normale waarde, nadat zij van de producent uit het referentieland toestemming had gekregen om kennis te nemen van de aan deze berekening ten grondslag liggende gegevens. Met haar tweede grief verwijt verzoekster de instellingen, haar in strijd met artikel 6, lid 7, van de basisverordening geen inzage te hebben gegeven van de e-mails tussen de producent uit het referentieland en de Commissie. Ten slotte verwijt verzoekster de instellingen met haar derde grief, haar in strijd met artikel 20, leden 2 en 4, van de basisverordening niet tijdig en schriftelijk in kennis te hebben gesteld van de methode die is gebruikt voor de vaststelling van de marktwaarde die is aangewend voor de vaststelling van de normale waarde van de producten zonder soortgelijkproductsoorten. Verder is verzoekster van mening dat elk van deze gestelde schendingen van de bepalingen van de basisverordening tot een schending van haar rechten van verdediging heeft geleid.
Overwegingen vooraf
91 Om te beginnen dient worden herinnerd aan de beginselen en de procedurele waarborgen die de instellingen in acht dienen te nemen wanneer de belanghebbende partijen bij een antidumpingonderzoek voor de uitoefening van hun rechten van verdediging toegang willen krijgen tot feiten of overwegingen die de grondslag kunnen vormen voor antidumpingmaatregelen.
92 Allereerst is het vaste rechtspraak dat de eisen inzake eerbiediging van de rechten van de verdediging niet alleen gelden bij procedures die tot de oplegging van sancties kunnen leiden, maar ook in onderzoekprocedures die voorafgaan aan de vaststelling van antidumpingverordeningen die de betrokken ondernemingen rechtstreeks en individueel kunnen raken en nadelige gevolgen voor hen kunnen hebben. In het bijzonder houdt de eerbiediging van de rechten van verdediging van de belanghebbende ondernemingen in het kader van de mededeling van informatie aan deze ondernemingen in de loop van de onderzoeksprocedure in, dat deze ondernemingen tijdens de administratieve procedure in staat zijn gesteld, zinvol hun standpunt kenbaar te maken omtrent het bestaan en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en omtrent het bewijsmateriaal dat de Commissie gebruikt tot staving van het door haar gestelde bestaan van dumping en van daaruit voortvloeiende schade (zie arresten van 10 maart 2009, Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad, T‑249/06, Jurispr., EU:T:2009:62, punt 64en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, punt 81 supra, EU:C:2012:78, punt 76en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93 Uit de rechtspraak van het Gerecht blijkt echter dat het aan de belanghebbende partijen bij een antidumpingonderzoeksprocedure staat, de instellingen in staat te stellen de moeilijkheden te beoordelen die zij kunnen ondervinden door het ontbreken van een element in de informatie die hun is verstrekt. A fortiori kan een dergelijke belanghebbende partij niet op goede gronden voor de Unierechter klagen over het feit dat bepaalde informatie haar niet meegedeeld, indien zij in de loop van de onderzoeksprocedure die tot de litigieuze antidumpingverordening heeft geleid, bij de instellingen geen enkel verzoek betreffende die specifieke informatie heeft ingediend (zie, in die zin, arresten van 17 december 2008, HEG en Graphite India/Raad, T‑462/04, Jurispr., EU:T:2008:586, punt 47en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 oktober 2012, Shanghai Biaowu High-Tensile Fastener en Shanghai Prime Machinery/Raad, T‑170/09, EU:T:2012:531, punten 134 en 135).
94 Bovendien moeten de beginselen die het recht op informatie beheersen, in overeenstemming worden gebracht met de eisen van vertrouwelijkheid, in het bijzonder met de verplichting voor de instellingen om het zakengeheim te eerbiedigen (zie, in die zin, arresten van 20 maart 1985, Timex/Raad en Commissie, 264/82, Jurispr., EU:C:1985:119, punt 24; 18 december 1997, Ajinomoto en NutraSweet/Raad, T‑159/94 en T‑160/94, Jurispr., EU:T:1997:209, punt 75, en 11 juli 2013, Hangzhou Duralamp Electronics/Raad, T‑459/07, EU:T:2013:369, punt 115). In dit verband mag de verplichting van de instellingen tot vertrouwelijke behandeling van informatie waarvan de onthulling de onderneming die deze informatie heeft verstrekt, ernstig zou benadelen, de andere betrokken partijen, in het bijzonder de exporteurs, niet de procedurele waarborgen ontnemen waarin de basisverordening voorziet, en de rechten die deze partijen op grond van die bepalingen genieten, niet uithollen (zie, in die zin, arresten Timex/Commissie en Commissie, reeds aangehaald, EU:C:1985:119, punt 29, en 8 november 2011, Zhejiang Harmonic Hardware Products/Raad, T‑274/07, EU:T:2011:639, punt 59).
95 Vervolgens staat het in het kader van antidumpingonderzoeken aan de instellingen, toe te zien op de eerbiediging van het in artikel 41, leden 1 en 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde beginsel van behoorlijk bestuur, volgens hetwelk eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld. Het recht op behoorlijk bestuur behelst met name, volgens artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten, het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen (zie, in die zin en naar analogie, arrest van 20 mei 2015, Yuanping Changyuan Chemicals/Raad, T‑310/12, EU:T:2015:295, punt 224).
96 Ten slotte dient eraan te worden herinnerd dat deze beginselen in de basisverordening ten uitvoer worden gebracht door een volledig stelsel van procedurele waarborgen, die erop gericht zijn, enerzijds, de belanghebbende partijen in staat stellen hun belangen nuttig te verdedigen, en anderzijds, indien nodig, de vertrouwelijkheid van de in de loop van het antidumpingonderzoek gebruikte informatie te beschermen, en door regels waarmee deze twee eisen met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht.
97 In de eerste plaats omschrijven artikel 6, lid 7, en artikel 20 van de basisverordening, die in wezen overeenkomen met artikel 6.4 en artikel 6.9 van de antidumpingovereenkomst, de procedurele waarborgen die het recht op informatie van de belanghebbende partijen verzekeren.
98 Enerzijds bepaalt artikel 6, lid 7, van de basisverordening, dat de belanghebbende partijen op schriftelijk verzoek inzage kunnen verkrijgen in alle door een bij het onderzoek betrokken partij verstrekte informatie, doch niet in de interne documenten van de autoriteiten van de Unie of van de lidstaten, voor zover die informatie betrekking heeft op hun zaak, niet vertrouwelijk is en bij het onderzoek wordt gebruikt.
99 Anderzijds bepaalt artikel 20 van de basisverordening dat de belanghebbende partijen in twee fasen van de onderzoeksprocedure specifieke informatie kunnen krijgen over de essentiële feiten en overwegingen waarop de antidumpingmaatregelen kunnen worden gebaseerd. Zo hebben deze partijen enerzijds volgens lid 1 van dit artikel, na de instelling van voorlopige maatregelen, recht op mededeling van de bijzonderheden betreffende de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan die voorlopige maatregelen zijn ingesteld. Anderzijds hebben die partijen, volgens de leden 2 en 4 van dat artikel in de versie ervan die van toepassing is op de feiten van de onderhavige zaak, recht om vóór de vaststelling van de definitieve beslissing of vóór de Commissie dienaangaande een voorstel doet, mededeling te krijgen van de essentiële feiten en overwegingen waarop de definitieve beslissing kan worden gebaseerd.
100 Verder verbindt artikel 20 van de basisverordening een aantal procedurele waarborgen aan het verstrekken van die specifieke informatie. Zo moet zowel de voorlopige als de definitieve mededeling aan de belanghebbende partijen schriftelijk en „zo spoedig mogelijk” worden gedaan. Vervolgens dient volgens lid 4 van dit artikel in de versie die van toepassing is op het geschil, de definitieve mededeling te worden gedaan uiterlijk één maand voordat de Commissie een definitieve beslissing neemt of een voorstel daartoe doet. Ten slotte mag, volgens lid 5 ervan, de aan de belanghebbende partijen verleende termijn om opmerkingen in te dienen over deze definitieve mededeling niet minder dan tien dagen bedragen.
101 Hieraan dient te worden toegevoegd dat artikel 20, lid 2, van de basisverordening de instellingen van de Unie verplicht, in het kader van de definitieve mededeling bijzondere aandacht te schenken aan de feiten en overwegingen die afwijken van die waarop de voorlopige maatregelen zijn gebaseerd. Verder kan de Commissie op grond van lid 4 verplicht zijn, de partijen na de definitieve mededeling aanvullende mededelingen te doen, hetzij wanneer zij bepaalde feiten of overwegingen op dat tijdstip niet kon mededelen, hetzij wanneer zij later een beslissing neemt die op andere feiten of overwegingen is gebaseerd.
102 Uit artikel 20, leden 1 en 3, van de basisverordening volgt echter dat deze specifieke mededeling aan de belanghebbende partijen slechts wordt gedaan indien dezen een schriftelijk verzoek daartoe indienen, voor de voorlopige mededeling onmiddellijk na de instelling van de voorlopige maatregelen, en voor de definitieve mededeling uiterlijk één maand na de bekendmaking van de instelling van die voorlopige maatregelen.
103 In de tweede plaats bakent artikel 19 van de basisverordening, dat overeenkomt met artikel 6.5 van de antidumpingovereenkomst, het kader af waarbinnen de bevoegde autoriteiten de vertrouwelijkheid van de in het kader van de antidumpingonderzoeken ingewonnen inlichtingen moeten eerbiedigen.
104 In dit verband dient erop te worden gewezen dat artikel 19, lid 1, van de basisverordening het beginsel bevat, dat alle vertrouwelijke inlichtingen door de autoriteiten als dusdanig worden behandeld indien daarvoor geldige redenen worden gegeven. Dit artikel maakt bovendien onderscheid tussen twee categorieën vertrouwelijke inlichtingen. Enerzijds wordt daarin melding gemaakt van inlichtingen die naar de aard ervan vertrouwelijk zijn, en wordt als voorbeeld daarvan genoemd, inlichtingen waarvan de bekendmaking een concurrent aanmerkelijke voordelen zou geven, of degene die de inlichtingen heeft verstrekt of van wie deze die inlichtingen heeft verkregen, ernstig zou benadelen. Anderzijds wordt daarin melding gemaakt van inlichtingen die door partijen bij een antidumpingonderzoek als vertrouwelijk worden verstrekt. Verder wordt in lid 5, eerste zin, van dit artikel gezegd dat de Raad, de Commissie en de lidstaten en de ambtenaren van de Raad, de Commissie en de lidstaten geen gegevens bekendmaken die zij ingevolge de basisverordening hebben verkregen en waarvoor de persoon die deze gegevens heeft verstrekt, een vertrouwelijke behandeling heeft gevraagd, zonder dat deze persoon daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven. In de tweede zin van dit lid wordt daaraan de verplichting toegevoegd om informatie die tussen de Commissie en de lidstaten is uitgewisseld, overleg op grond van de basisverordening of interne documenten van de instellingen en de lidstaten niet bekend te maken, behalve wanneer in deze verordening anders is bepaald.
105 In de derde plaats bevat de basisverordening een aantal bepalingen waarmee de eisen inzake de rechten van verdediging van de belanghebbende partijen in overeenstemming kunnen worden gebracht met de eisen inzake bescherming van vertrouwelijke inlichtingen. Enerzijds wordt de toegang tot de inlichtingen die op grond van artikel 6, lid 7, en artikel 20 van de basisverordening voor de belanghebbende partijen open staan, beperkt door de vertrouwelijkheid van die inlichtingen. Uit de in punt 98 hierboven in herinnering gebrachte tekst van artikel 6, lid 7, van die verordening blijkt immers dat de vertrouwelijkheid van een door een bij het onderzoek betrokken partij verstrekte inlichting eraan in de weg staat dat de belanghebbende partijen daarvan kennis nemen. Verder bepaalt artikel 20, lid 4, van deze verordening dat de definitieve mededeling moet worden gedaan „met inachtneming van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke gegevens”. Anderzijds voorziet artikel 19, leden 2 tot en met 4, van de basisverordening ter bescherming van de rechten van verdediging van de belanghebbende partijen in een aantal afwijkingen van de eerbiediging van de vertrouwelijkheid van de inlichtingen, die met name erop gericht zijn, ervoor te zorgen dat in de mate van het mogelijke niet-vertrouwelijke samenvattingen van de vertrouwelijke inlichtingen worden gemaakt die gedetailleerd genoeg moeten zijn om een redelijk inzicht in de wezenlijke inhoud van de verstrekte inlichtingen te verschaffen, en dat de instellingen algemene gegevens, en met name de motivering van in het kader van de basisverordening genomen beslissingen, kunnen bekendmaken.
106 Tegen de achtergrond van deze beginselen en bepalingen dient in het kader van het onderzoek van bovengenoemde grieven te worden nagegaan, of daadwerkelijk afbreuk is gedaan aan verzoeksters rechten van verdediging.
107 Achtereenvolgens dienen de tweede, de derde en de eerste grief te worden onderzocht.
Tweede grief
108 Ter ondersteuning van haar tweede grief voert verzoekster, zakelijk weergegeven, aan dat de e-mailberichten tussen de producent uit het referentieland en de Commissie over de voorbereiding van het antwoord op de vragenlijst voor de belanghebbende partijen relevant zijn om hun standpunt geldend te kunnen maken en niet vertrouwelijk zijn. Het ontbreken van die berichten en eventueel van andere relevante documenten in het niet-vertrouwelijke dossier waarin de belanghebbende partijen inzage is verleend, zou dus een schending van de rechten van de verdediging opleveren. Volgens de Raad dient deze grief te worden afgewezen.
109 In dit verband volgt uit de in punt 98 hierboven in herinnering gebrachte tekst van artikel 6, lid 7, van de basisverordening, dat de belanghebbende partijen bij een antidumpingonderzoeksprocedure, zoals verzoekster, slechts over het ontbreken van een document in het niet-vertrouwelijke onderzoeksdossier kunnen klagen indien aan vier cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet een dergelijk document door een bij het onderzoek betrokken partij aan de Commissie verstrekte inlichtingen bevatten die in de loop van dit onderzoek zijn gebruikt. Ten tweede mag dit document geen door de autoriteiten van de Unie opgesteld intern document zijn en mag het niet vertrouwelijk zijn. Ten derde moeten de in dat document besloten liggende inlichtingen relevant zijn voor de verdediging van de belangen van de betrokken belanghebbende partij. Ten vierde en ten slotte moet laatstgenoemde partij schriftelijk om inzage van dat document hebben verzocht.
110 In het onderhavige geval is overduidelijk niet voldaan aan meer dan een van deze cumulatieve voorwaarden.
111 Allereerst blijkt uit bijlage A.16, die de litigieuze e-mailberichten bevat, dat deze slechts betrekking hebben op de moeilijkheden die de producent uit het referentieland ondervond om de door de Commissie met het oog op de vaststelling van de normale waarde gevraagde inlichtingen te verstrekken, en op de preciseringen die de Commissie heeft verstrekt om deze moeilijkheden te verhelpen. Zij bevatten zelf dus geen inlichtingen die door deze producent aan de Commissie zouden zijn verstrekt en die in de loop van het onderzoek zouden zijn gebruikt.
112 Vervolgens heeft verzoekster, ter ondersteuning van haar stelling dat die berichten relevant waren voor de verdediging van haar belangen, alleen aangevoerd, dat die berichten betrekking hebben op gegevens en inlichtingen die voor de vaststelling van de normale waarde zijn gebruikt. In punt 111 hierboven is er echter op gewezen dat deze berichten geen dergelijke inlichtingen of gegevens bevatten. Bovendien wijst verzoekster in deze berichten geen bijzonder element aan dat nuttig kan zijn voor haar verdediging.
113 Ten slotte stelt en bewijst verzoekster in elk geval niet dat zij de Commissie in de loop van de onderzoeksprocedure schriftelijk om inzage in die berichten heeft verzocht.
114 Uit een en ander volgt dus dat de Commissie, door verzoekster geen inzage te verlenen in die berichten, artikel 6, lid 7, van de basisverordening noch verzoeksters rechten van verdediging heeft geschonden.
Derde grief
115 Ter ondersteuning van haar derde grief betoogt verzoekster dat tijdige informatie over de methode voor de vaststelling van de marktwaarde van de correcties op de berekening van de normale waarde van de producten zonder soortgelijke producten van kapitaal belang was. Deze methode verschilde immers van de voor de vaststelling van de voorlopige verordening gevolgde methode, was nieuw en betrof het merendeel van de door verzoekster geproduceerde productsoorten. Bovendien zouden de door artikel 20, leden 2 en 4, van de basisverordening voor onthulling van deze informatie gestelde termijnen en geëiste schriftelijke vorm niet in acht zijn genomen. Ten slotte zou de tardieve mededeling van deze informatie verzoekster de mogelijkheid hebben ontnomen diepgaandere opmerkingen in te dienen die de instellingen van de Unie er waarschijnlijk toe zouden hebben gebracht hun eindoordeel te wijzen.
116 De Raad voert, zakelijk weergegeven, aan dat deze argumenten dienen te worden afgewezen.
117 Om te beginnen dient erop te worden gewezen dat verzoekster in het kader van de onderhavige grief, anders dan in het kader van de eerste grief, geen kritiek levert op het feit dat zij geen toegang heeft gekregen tot bepaalde informatie over de berekening van de normale waarde, maar wel op het feit dat zij niet binnen de in artikel 20, lid 4, van de basisverordening gestelde termijnen en in de aldaar bepaalde vormen toegang heeft gekregen tot die informatie.
118 In het onderhavige geval dient eraan te worden herinnerd dat, zoals in punt 32 hierboven is gezegd, de Commissie in de definitieve mededeling heeft verklaard, het bezwaar van verzoekster, dat de dumpingmarge diende te worden vastgesteld op basis van de gehele uitvoer en niet alleen voor de betrokkenproductsoorten die overeenkomen met de door de producent uit het referentieland op de binnenlandse markt verkochte soortgelijkproductsoorten, te hebben aanvaard. Zij heeft dienaangaande gepreciseerd dat voor de betrokkenproductsoorten zonder soortgelijkproductsoorten de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening was gecorrigeerd op basis van de marktwaarde van de verschillen in fysieke kenmerken.
119 Zoals verzoekster stelt, heeft de Commissie in die mededeling echter niet nader aangegeven op welke wijze zij de marktwaarde van de verschillen in fysieke kenmerken had bepaald. Artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening bepaalt immers alleen dat het bedrag van de correctie voor verschillen in fysieke kenmerken overeenkomt met een redelijke raming van de marktwaarde van het verschil, zonder nader aan te geven volgens welke methode een dergelijke redelijke raming dient te worden verricht. Zoals verzoekster ter terechtzitting in wezen heeft beklemtoond, heeft de Commissie, door in de definitieve mededeling te verklaren dat zij de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening had gecorrigeerd, geen nadere gegevens verstrekt over de methode die zij daarvoor had aangewend, behalve dat zij deze correctie heeft toegepast op basis van een „redelijke raming”.
120 Vast staat dat deze informatie verzoekster, anders dan deze suggereert, weliswaar niet belette voor haar verdediging nuttige opmerkingen in te dienen, maar niettemin de draagwijdte en de nauwkeurigheid van die opmerkingen beperkte. Uit die informatie kon verzoekster immers niet opmaken welke markt en welke referentieprijzen de Commissie had gebruikt voor het bepalen van de marktwaarde van de verschillen in fysieke kenmerken tussen de productsoorten zonder soortgelijkproductsoorten en de productsoorten waarvoor er rechtstreeks vergelijkbare soortgelijkproductsoorten bestonden die door de producent uit het referentieland op de binnenlandse markt werden verkocht. Niet betwist wordt echter dat, zoals verzoekster in haar verzoekschrift heeft aangevoerd, deze productsoorten zonder soortgelijkproductsoorten 83 % van alle voor de berekening van haar dumpingmarge in aanmerking genomen voor uitvoer verkochte productsoorten vormden. In zijn verweerschrift heeft de Raad weliswaar aangevoerd, zonder te zijn weersproken, dat deze productsoorten zonder soortgelijkproductsoorten „slechts” 40 % van de totale hoeveelheid van die verkopen voor uitvoer vormden. Dit is niettemin een aanzienlijk deel van de voor de berekening van de dumpingmarge in aanmerking genomen transacties. Bijgevolg kon de keuze van de markt en van de referentieprijzen voor het bepalen van de marktwaarde van de verschillen in fysieke kenmerken tussen de productsoorten zonder soortgelijkproductsoorten en de andere productsoorten een aanzienlijke invloed hebben op de berekening van de normale waarde en dus op de dumpingmarge van verzoekster.
121 Zoals uit de stukken blijkt, heeft de Commissie verzoekster echter pas tijdens de hoorzitting van 26 maart 2013 nadere gegevens verstrekt over de methode die zij had aangewend voor het bepalen van de marktwaarde van de correctie voor verschillen in fysieke kenmerken die op de normale waarde van de producten zonder soortgelijke producten was toegepast. Zoals uit de brief van verzoekster van 27 maart 2013 (zie punt 42 hierboven) blijkt, heeft de Commissie tijdens deze hoorzitting uitgelegd dat de marktwaarde van deze correctie was bepaald op basis van de door verzoekster voor de betrokkenproductsoorten zonder soortgelijkproductsoorten vastgestelde prijzen voor uitvoer naar de Unie. Zoals verzoekster heeft opgemerkt, is deze uitleg verstrekt één dag na het verstrijken van de termijn van tien dagen die de Commissie voor het indienen van schriftelijke opmerkingen over de definitieve mededeling aan de belanghebbende partijen had verleend.
122 Zoals uit diezelfde brief van 27 maart 2013 blijkt, heeft het tijdstip waarop de Commissie deze nadere gegevens over het bepalen van de marktwaarde van bovengenoemde correctie heeft verstrekt, verzoekster echter niet belet opmerkingen daarover bij de Commissie in te dienen, en de Commissie niet belet daarmee rekening te houden in haar voorstel voor een definitieve verordening.
123 Enerzijds heeft verzoekster immers tijdens de hoorzitting van 26 maart 2013 en in haar brief van 27 maart 2013 aangevoerd dat de door de Commissie gekozen methode berustte op een onredelijk en oncontroleerbaar vermoeden dat de marktwaarde van de verschillen in fysieke kenmerken tot uitdrukking zou komen in de uitvoerprijzen. Volgens verzoekster vond deze stelling steun in het feit dat die aanpak leidde tot een dumpingmarge van een niveau dat overeenkwam met de dumpingmarge die uitsluitend op basis van producten met soortgelijke producten was berekend. Bovendien heeft verzoekster een andere methode voorgesteld, die erin bestaat het aantal productsoorten zonder soortgelijkproductsoorten te verminderen door de productcontrolenummers waarmee zij kunnen worden geïdentificeerd, in te korten. Die controlenummers hadden aldus moeten worden beperkt tot de eerste vier cijfers, die verwijzen naar de vorm van het hulpstuk, en naar het negende cijfer, dat verwijst naar het oppervlak ervan. Verzoekster stelde voor, voor hulpstukken met zwart oppervlak uit te gaan van de normale waarde van de identieke of soortgelijke hulpstukken en met gegalvaniseerd oppervlak, die overeenkomstig de aanwijzingen van de producent uit het referentieland bij wege van correctie met 15 % diende te worden verminderd. Voor de overige productsoorten zonder soortgelijkproductsoorten diende de Commissie volgens verzoekster veeleer uit te gaan van de gemiddelde normale waarde van alle vergelijkbare soortgelijkproductsoorten zonder een correctie voor de verschillen in fysieke kenmerken toe te passen.
124 Anderzijds zijn deze opmerkingen, anders dan verzoekster suggereert, ingediend op een datum die de Commissie voldoende tijd liet om er rekening mee te houden. Zoals verzoekster in het verzoekschrift zelf heeft verklaard, heeft de Commissie haar voorstel voor een definitieve verordening op 15 april 2013 bij de Raad ingediend, zodat zij over een termijn voor het onderzoek van de opmerkingen van verzoekster beschikte die haar beoordelingsmarge niet al te zeer beperkte. In dit verband dient erop te worden gewezen dat geen enkele bepaling van de basisverordening, ook niet artikel 15 betreffende het overleg van de Commissie in het raadgevend comité, een bepaalde termijn voor dat aan de voorlegging van een voorstel voor een definitieve verordening aan de Raad voorafgaand overleg vaststelt. In dat artikel 15 wordt alleen bepaald dat dit overleg moet plaatsvinden binnen een periode die het mogelijk maakt de in de basisverordening gestelde termijnen te eerbiedigen. Bovendien blijkt uit artikel 20, lid 4, van de basisverordening met zoveel woorden dat de Commissie of de Raad ook na de definitieve mededeling een beslissing kan nemen die op andere feiten en overwegingen is gebaseerd dan die welke in die mededeling zijn vermeld.
125 Verder kan niet worden ingestemd met verzoeksters argument dat volgens artikel 20, lid 4, van de basisverordening de mededeling van deze informatie, enerzijds, schriftelijk, en anderzijds uiterlijk één maand voor de voorlegging van het voorstel voor een definitieve verordening had moeten worden gedaan. Allereerst was de Commissie, aangezien het ging om een antwoord op een door verzoekster geformuleerd verzoek tot precisering van in de definitieve mededeling verstrekte informatie, immers geenszins verplicht, dit antwoord schriftelijk te verstrekken. De in artikel 20, lid 4, van de basisverordening bepaalde verplichting geldt immers alleen voor de definitieve mededeling, die aan alle belanghebbende partijen wordt toegestuurd. Het feit dat dit antwoord mondeling en niet schriftelijk is verstrekt, heeft hoe dan ook geen enkel gevolg, aangezien, zoals uit punt 123 hierboven blijkt, het verzoekster in staat heeft gesteld, tijdig haar opmerkingen in te dienen. Ook de termijn van uiterlijk één maand vóór de voorlegging van een voorstel voor een definitieve beslissing geldt volgens dezelfde bepaling slechts voor de definitieve mededeling, en niet betwist wordt dat die termijn voor deze mededeling in acht is genomen. Die termijn kan echter per definitie niet gelden voor een toelichting die is verstrekt in antwoord op een door een belanghebbende partij geformuleerd verzoek tot precisering van de inhoud van deze definitieve mededeling.
126 Ook verzoeksters argument dat uit de bestreden verordening duidelijk blijkt dat geen rekening is gehouden met haar opmerkingen, kan niet worden aanvaard. In dit verband dient te worden beklemtoond dat, zoals verzoekster in repliek impliciet heeft toegegeven, met dit argument niet wordt aangevoerd dat de bestreden verordening ontoereikend is gemotiveerd, maar veeleer wordt geprobeerd, aan te tonen dat de Commissie niet in staat is geweest verzoeksters opmerkingen te onderzoeken of daarmee rekening te houden. Volgens de rechtspraak vormt het feit dat opmerkingen van de verzoekster niet in aanmerking zouden zijn genomen, echter geen schending van de rechten van verdediging of van het recht om te worden gehoord van deze verzoekster. De eerbiediging van deze rechten eist van de instellingen van de Unie immers weliswaar dat zij de belanghebbende partijen in staat stellen hun standpunt nuttig kenbaar te maken, maar kan deze instellingen niet verplichten, zich achter dat standpunt te scharen. Om hun standpunt nuttig kenbaar te maken, volstaat het dat de verzoeksters dat standpunt te gelegener tijd kunnen meedelen, zodat de instellingen van de Unie er kennis van kunnen nemen en met de nodige aandacht kunnen beoordelen of het relevant is voor de inhoud van de vast te stellen handeling [zie arrest van 12 december 2014, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑643/11, Jurispr. (Uittreksels), EU:T:2014:1076, punt 43en aldaar aangehaalde rechtspraak]. In elk geval dient er met de Raad op te worden gewezen, dat deze laatste niet verplicht is om in een verordening houdende vaststelling van definitieve antidumpingrechten te antwoorden op alle door de belanghebbende partijen in de loop van de onderzoeksprocedure aangevoerde argumenten, en dat het ontbreken van een antwoord niet automatisch betekent dat die argumenten niet zijn onderzocht. Het Gerecht heeft overigens geoordeeld dat niet kan worden geëist dat de motivering van een definitieve antidumpingverordening de verschillende, soms zeer talrijke en complexe, feitelijke en juridische elementen vermeldt waarop zij betrekking heeft, of dat de instellingen een standpunt bepalen over alle argumenten van de belanghebbenden. Het volstaat dat degene die de handeling vaststelt, de feiten en de juridische overwegingen uiteenzet die van wezenlijk belang zijn voor de opzet van de betwiste verordening (arresten van 13 september 2010, Whirlpool Europe/Raad, T‑314/06, Jurispr., EU:T:2010:390, punt 114, en 20 mei 2015, Yuanping Changyuan Chemicals/Raad, T‑310/12, EU:T:2015:295, punt 172).
127 Uit een en ander volgt dus dat de derde grief moet worden afgewezen.
Eerste grief
128 Ter ondersteuning van haar eerste grief voert verzoekster in de eerste plaats aan dat de berekening van de normale waarde behoort tot de essentiële feiten en overwegingen in de zin van artikel 20, lid 2, van de basisverordening. Zij is van mening dat, aangezien deze berekening niet meer tot de vertrouwelijke gegevens in de zin van lid 4 van dit artikel behoorde nadat de producent uit het referentieland toestemming had gegeven om de aan deze berekening ten grondslag liggende gegevens te onthullen, de Commissie vanaf dat ogenblik verplicht was, deze aan haar mee te delen. Deze verplichting zou bovendien steun vinden in de tekst van artikel 19, lid 5, van de basisverordening. In de tweede plaats betoogt zij dat de weigering van de instellingen haar heeft belet haar rechten van verdediging uit te oefenen en in het bijzonder opmerkingen in te dienen over deze berekening, zodat de procedure een andere uitkomst zou kunnen hebben gehad. Ten slotte stelt zij in de derde en laatste plaats dat de onthulling van deze berekening geen schending van het discriminatieverbod zou hebben opgeleverd, aangezien zij door de toestemming van de producent uit het referentieland, die specifiek voor haar gold, objectief gezien in een andere situatie verkeerde dan de andere producenten-exporteurs.
129 In de eerste plaats dient, om te beoordelen of de weigering van de instellingen om de berekening van de normale waarde aan verzoekster te onthullen een schending van artikel 20, leden 2 tot en met 4, van de basisverordening oplevert, de ware aard te worden bepaald van de informatie die instellingen volgens verzoekster aan haar hadden moeten onthullen en waarvoor verzoekster de uitdrukking „berekening van de normale waarde” gebruikt.
130 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat, zoals uit de opmerkingen van verzoekster over de voorlopige mededeling van 17 december 2012 (zie punten 16 en 29 hierboven) kan worden afgeleid en door de Raad in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht is bevestigd, de normale waarde voor de vaststelling de dumpingmarge van verzoekster aanvankelijk in de voorlopige verordening was bepaald op basis van de berekende waarde in de zin van artikel 2, lid 3, van de basisverordening. Zoals uit overweging 55 van de voorlopige verordening kan worden afgeleid, was immers geoordeeld dat de verkoop van het soortgelijke product niet voldoende representatief was voor verzoeksters verkoop voor uitvoer van het betrokken product, hetgeen door de Raad is bevestigd. Zoals in overweging 17 van de bestreden verordening staat te lezen, heeft de Raad aldus, ten gevolge van de opmerkingen van verzoekster, in de bestreden verordening de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product door de producent uit het referentieland in het kader van normale handelstransacties gebruikt voor het bepalen van de normale waarde met het oog op de vaststelling van de dumpingmarge van verzoekster.
131 Zoals uit de overwegingen 56 en 58 van de voorlopige verordening (zie punten 17 en 23 hierboven) volgt, had de Commissie zich bovendien aanvankelijk voor het bepalen van de normale waarde beperkt tot de door de producent uit het referentieland verkochte soortgelijkproductsoorten die rechtstreeks vergelijkbaar waren met de door verzoekster voor uitvoer verkochte betrokkenproductsoorten. Daardoor was de dumpingmarge van verzoekster berekend op basis van een vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs voor alleen deze soortgelijkproductsoorten en de daarmee overeenkomende betrokkenproductsoorten, dat wil zeggen, volgens een e-mail van de Commissie van 26 november 2012, voor 369 productsoorten. Deze productsoorten vertegenwoordigden dus ongeveer 20 % van de door verzoekster voor uitvoer verkochte productsoorten, te weten 1645 productsoorten volgens een door verzoekster in haar opmerkingen over de definitieve mededeling verstrekt cijfer dat niet wordt betwist (zie punt 40 hierboven). In dit verband is het, zoals de Commissie in de definitieve mededeling van 15 maart 2013 (zie punt 32 hierboven) aan verzoekster heeft meegedeeld, ten gevolge van de opmerkingen van verzoekster dat zij in haar voorstel voor een definitieve maatregel, de dumpingmarge van verzoekster heeft vastgesteld op basis van alle verkopen voor uitvoer van verzoekster met toepassing van een correctie van de normale waarde voor de betrokkenproductsoorten zonder door de producent uit het referentieland verkochte soortgelijkproductsoort. Zoals uit overweging 18 van de bestreden verordening (zie punt 46 hierboven) blijkt, is deze wijziging in de vaststelling van de dumpingmarge bevestigd in die verordening. Zoals uit overweging 20 van de bestreden verordening (zie punt 48 hierboven) volgt, is dus op basis daarvan de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soortgelijkproductsoort vergeleken met het gewogen gemiddelde van elke daarmee overeenstemmende betrokkenproductsoort volgens de eerste in artikel 2, lid 11, van de basisverordening vermelde methode.
132 De berekening van de normale waarde voor de vaststelling van de dumpingmarge van verzoekster berust aldus in werkelijkheid, zoals uit de punten 130 en 131 hierboven blijkt, op een samenstel van 1645 waarden waarvan elke waarde overeenkomt met het gewogen gemiddelde van de verkopen van een bepaalde soortgelijkproductsoort door de producent uit het referentieland, in voorkomend geval gecorrigeerd – voor ongeveer 80 % van deze waarden – om rekening te houden met de verschillen in fysieke kenmerken per betrokkenproductsoort zonder soortgelijkproduct.
133 Zoals in punt 27 hierboven is gezegd, heeft de Commissie in de voorlopige mededeling gepreciseerd dat, aangezien slechte één enkele producent uit het referentieland aan het onderzoek had meegewerkt, de informatie uit het referentieland dus niet „op het niveau van de [productcontrolenummers]” kon worden onthuld. Uit de stukken blijkt dat de productcontrolenummers de met een bepaalde productsoort overeenkomende alfanumerieke code bevatten. De precisering van de Commissie moet dan ook aldus worden begrepen dat deze instelling alle detailinformatie over elke door de producent uit het referentieland verkochte productsoort heeft verhuld. Verder heeft de Commissie in dezelfde mededeling verklaard dat zij om redenen van vertrouwelijkheid in de als bijlage bij de voorlopige mededeling gevoegde elektronische bestanden de gegevens had verhuld die waren gebaseerd op informatie die de producent uit referentieland had verstrekt. Uit de stukken blijkt immers dat de tabellen betreffende de productiekosten van de in het binnenland verkochte producten (2.2 DMCOP), betreffende de binnenlandse verkoop (2.4 DMSALES) en betreffende de berekening van de verkopen in het kader van normale handelstransacties en betreffende de normale waarde (2.5 OCOT en NV) geen enkel gegeven bevatten. Hetzelfde geldt voor de tabel betreffende het algemene overzicht van de berekening van de dumping (2.1), de kolommen betreffende de normale waarde en de kolommen betreffende het bedrag en de dumpingmarge voor elke productsoort. De gegevens in de kolommen van laatstgenoemde tabel die betrekking hebben op verzoeksters verkopen voor uitvoer naar de Unie, in de tabel betreffende deze verkopen (2.7 EUSALES) en in de tabel betreffende de uitvoerprijzen per productsoort (2.8) waren daarentegen niet verhuld. Zoals in punt 34 hierboven is gezegd, heeft de Commissie in de definitieve mededeling dezelfde categorieën van gegevens verhuld als in de voorlopige mededeling. Verder blijkt uit de stukken niet dat de Commissie sommige van die gegevens aan verzoekster zou hebben onthuld toen zij in antwoord op de verzoeken van laatstgenoemde nadere toelichting heeft verstrekt over de in de voorlopige mededeling en de in de definitieve mededeling verstrekte informatie.
134 Uit het voorgaande volgt dus, dat de berekening van de normale waarde voor elke soortgelijkproductsoort en de in punt 132 hierboven bedoelde waarden, die overeenkomen met de uitkomst van die berekening, niet aan verzoekster zijn onthuld. Zoals met zoveel woorden uit het verzoekschrift blijkt, is verzoekster in het kader van haar eerste grief van mening dat het niet onthullen van die gegevens een schending van haar rechten van verdediging oplevert. Verzoekster wijst in dit verband in het bijzonder op de in artikel 133 hierboven bedoelde gegevens die zijn verhuld in de tabellen van de definitieve mededeling die betrekking hebben op de berekening van de verkoop in normale handelstransacties en op de normale waarde (2.5 OCOT en NV). Volgens haar hadden die gegevens haar moeten worden meegedeeld, aangezien de producent uit het referentieland toestemming had gegeven voor de onthulling van de elementen waarop de Commissie zich voor het bepalen die gegevens had gebaseerd.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 3 september 2015, C-398/13, ECLI:EU:C:2015:535
- HvJ EU 16 juli 2015, C-21/14, ECLI:EU:C:2015:494
- HvJ EU 26 maart 2015, C-596/13, ECLI:EU:C:2015:203
- Gerecht EU 12 december 2014, T-643/11, ECLI:EU:T:2014:1076
- HvJ EU 22 mei 2014, C-356/12, ECLI:EU:C:2014:350
- HvJ EU 11 juli 2013, C-439/11, ECLI:EU:C:2013:513
- Gerecht EU 10 oktober 2012, T-150/09, ECLI:EU:T:2012:529
- Gerecht EU 10 oktober 2012, T-170/09, ECLI:EU:T:2012:531
- HvJ EU 29 maart 2012, C-1/11, ECLI:EU:C:2012:194
- HvJ EU 16 februari 2012, C-191/09, ECLI:EU:C:2012:78
- HvJ EU 2 februari 2012, C-249/10, ECLI:EU:C:2012:53
- HvJ EU 10 november 2011, C-319/10, ECLI:EU:C:2011:720
- Gerecht EU 8 november 2011, T-274/07, ECLI:EU:T:2011:639
- HvJ EU 25 oktober 2011, C-110/10, ECLI:EU:C:2011:687
- Gerecht EU 25 oktober 2011, T-190/08, ECLI:EU:T:2011:618
- Gerecht EU 13 september 2010, T-314/06, ECLI:EU:T:2010:390
- HvJ EU 4 maart 2010, C-297/08, ECLI:EU:C:2010:115
- HvJ EU 1 oktober 2009, C-141/08, ECLI:EU:C:2009:598
- HvJ EU 4 juni 2009, C-8/08, ECLI:EU:C:2009:343
- Gerecht EU 10 maart 2009, T-249/06, ECLI:EU:T:2009:62
Aangehaald in
- Gerecht EU 19 mei 2021, T-254/18, ECLI:EU:T:2021:278
- Gerecht EU 1 juni 2017, T-442/12, ECLI:EU:T:2017:372
- Gerecht EU 27 september 2018, T-288/15, ECLI:EU:T:2018:619
- Gerecht EU 10 april 2019, T-301/16, ECLI:EU:T:2019:234
- Gerecht EU 9 november 2022, T-246/19, ECLI:EU:T:2022:694
- Gerecht EU 10 april 2019, T-300/16, ECLI:EU:T:2019:235
- Gerecht EU 14 september 2017, T-504/16, ECLI:EU:T:2017:603
- Gerecht EU 20 september 2019, T-650/17, ECLI:EU:T:2019:644
- Gerecht EU 21 februari 2024, T-762/20, ECLI:EU:T:2024:113
- Gerecht EU 2 oktober 2024, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663
- Gerecht EU 21 februari 2024, T-763/20, ECLI:EU:T:2024:114