Gerecht EU 2 oktober 2024, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)

2 oktober 2024 ( *1 )

„Dumping – Invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit China – Instelling van een definitief antidumpingrecht – Beroep tot nietigverklaring – Ontvankelijkheid – Procesbevoegdheid – Representatieve vereniging van exporteurs – Artikel 2, lid 6 bis, van verordening (EU) 2016/1036 – Berekening van de normale waarde – Keuze van het passende representatieve land – Artikel 2, lid 10, van verordening 2016/1036 – Correcties – Niet-medewerking – Artikel 18 van verordening 2016/1036 – Berekening van de dumpingmarge voor de niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs – Omschrijving van het betrokken product – Schade voor de bedrijfstak van de Unie – Schadeanalyse per segment – Causaal verband – Berekening van de prijsonderbieding en de schademarge – Macro-economische indicatoren – Procedurele rechten – Vertrouwelijke behandeling”

In zaak T‑263/22,

China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products (CCCME), gevestigd te Beijing (China), en de andere verzoekende partijen waarvan de namen zijn opgenomen in de bijlage ( 1 ), vertegenwoordigd door R. Antonini, E. Monard en B. Maniatis, advocaten,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Luengo, L. Di Masi en J. Zieliński als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

European Industrial Fasteners Institute AISBL (EIFI), vertegenwoordigd door B. O’Connor en M. Hommé, advocaten,

interveniënte,

wijst

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: F. Schalin, president, G. Steinfatt en D. Kukovec (rapporteur), rechters,

griffier: I. Kurme, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 7 februari 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met hun beroep vorderen verzoeksters, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products (CCCME) en de andere rechtspersonen waarvan de namen zijn opgenomen in de bijlage, nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2022/191 van de Commissie van 16 februari 2022 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2022, L 36, blz. 1; hierna: „bestreden verordening”), voor zover deze hen betreft.

I. Voorgeschiedenis van het geding

2 Naar aanleiding van een klacht die op 6 november 2020 door interveniënte, European Industrial Fasteners Institute, namens de bedrijfstak van de Europese Unie is ingediend, heeft de Europese Commissie op grond van artikel 5, lid 1, van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21; hierna: „basisverordening”) een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van bevestigingsmiddelen van oorsprong uit China.

3 Op 21 december 2020 heeft de Commissie krachtens artikel 5 van de basisverordening het bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2020, C 442, blz. 6) gepubliceerd.

4 Het onderzoek naar dumping en schade had betrekking op de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 (hierna: „onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling en naar het causale verband had betrekking op de periode van 1 januari 2017 tot aan het einde van het onderzoektijdvak (hierna: „beoordelingsperiode”).

5 De CCCME verzocht om als belanghebbende te worden beschouwd, met het argument dat zij de Chinese bedrijfstak voor bevestigingsmiddelen vertegenwoordigde. Interveniënte heeft dit verzoek aangevochten. De Commissie heeft vastgesteld dat een aantal producenten van bevestigingsmiddelen in China de CCCME had gemachtigd om namens hen op te treden en dat de CCCME bij deze procedure alleen belanghebbende kon zijn voor zover zij specifiek door deze producenten van bevestigingsmiddelen gemachtigd was om hen te vertegenwoordigen.

6 De Commissie heeft in haar bericht van inleiding aangegeven dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld op basis van de productie- en verkoophoeveelheden in de Unie, waarbij ook rekening was gehouden met hun geografische locatie en de vertegenwoordiging van het midden- en kleinbedrijf ofwel kleine en middelgrote ondernemingen (mkb/kmo’s) in de steekproef. Deze steekproef bestond uit zes producenten in de Unie in vier verschillende lidstaten. Een van de in de voorlopige steekproef opgenomen producenten in de Unie (een kmo / onderneming uit het mkb) deelde de Commissie mee dat hij niet in staat was om de vragenlijst volledig in te vullen. De Commissie heeft daarom besloten de steekproef van producenten in de Unie te herzien door deze onderneming te vervangen door de volgende grootste kmo / onderneming uit het mkb in dezelfde lidstaat. In overweging 34 van de bestreden verordening heeft de Commissie gepreciseerd dat de methode voor het samenstellen van de steekproef naar behoren aan de belanghebbenden was meegedeeld en dat er geen opmerkingen over de methode als zodanig waren ontvangen.

7 Tijdens het onderzoek heeft een van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie de Commissie meegedeeld dat hij niet in staat was de vragenlijst van de Commissie volledig in te vullen. Een andere in de steekproef opgenomen producent in de Unie was niet in staat voldoende zekerheid te verschaffen over de te verifiëren verstrekte gegevens. Deze producenten werden daarom vervangen door de volgende twee grootste producenten in termen van hoeveelheden en verkoop, waarbij ook rekening werd gehouden met de geografische spreiding en de brede mix van productsoorten.

8 Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie drie producenten-exporteurs of groepen van producenten-exporteurs geselecteerd, die samen goed zijn voor het grootste uitvoervolume dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs zou kunnen worden onderzocht, te weten Jiangsu Yongyi Fastener Co., Ltd (hierna: „Jiangsu”), Ningbo Jinding Fastening Piece Co., Ltd (hierna: „Ningbo Jinding”) en Wenzhou Junhao Industry Co., Ltd (hierna: „Wenzhou”). De Commissie heeft verduidelijkt dat de specifieke productsoorten die door de geselecteerde ondernemingen werden geproduceerd geen criterium waren, aangezien alle bevestigingsmiddelen in het kader van het onderzoek als één enkel product werden beschouwd.

9 Het betrokken product betreft bepaalde soorten bevestigingsmiddelen van ijzer of staal, andere dan van roestvrij staal, d.w.z. in wezen schroeven, bouten en sluitringen van oorsprong uit China.

10 Bevestigingsmiddelen kunnen standaard zijn (hierna: „standaardbevestigingsmiddelen”) of op basis van tekeningen van de afnemer worden gemaakt (hierna: „niet-standaardbevestigingsmiddelen”). Binnen dezelfde nationale en internationale normen dienen bevestigingsmiddelen te voldoen aan dezelfde fysieke en technische basiseigenschappen met inbegrip van met name stevigheid, tolerantie, afwerking en deklaag. Op grond van hun fysieke en technische basiseigenschappen en uiteindelijke gebruik werden alle bevestigingsmiddelen beschouwd als één enkel product voor het doel van de procedure die tot de bestreden verordening heeft geleid.

11 De Commissie was voorts van mening dat het productieproces op zich niet relevant was voor de vaststelling van de productomschrijving van het onderzoek. Bijgevolg was het onderzoek van toepassing op alle productsoorten, ongeacht of zij door middel van warme of koude smeedprocessen worden vervaardigd.

12 De Commissie was van oordeel dat het bewijsmateriaal dat bij de opening van het onderzoek beschikbaar was, wees op het bestaan van verstoringen van betekenis in China in de zin van artikel 2, lid 6 bis, onder b), van de basisverordening.

13 Na de partijen in dit verband te hebben gehoord, heeft de Commissie Thailand gekozen als passend representatief land, waarvan de niet-verstoorde prijzen en kosten zouden worden gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde, overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening.

14 Bij de bestreden verordening heeft de Commissie een definitief antidumpingrecht van 22,1 % tot 86,5 % ingesteld op de invoer van bepaalde soorten bevestigingsmiddelen van oorsprong uit China.

II. Conclusies van partijen

15 Verzoeksters verzoeken het Gerecht: – de bestreden verordening nietig te verklaren, voor zover die op hen van toepassing is; – de Commissie en interveniënte te verwijzen in de kosten.

16 De Commissie, ondersteund door interveniënte, verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

A. Ontvankelijkheid

17 Interveniënte stelt dat de CCCME geen representatieve vereniging in de zin van artikel 6, lid 7, van de basisverordening is en dat de Commissie haar tijdens de administratieve procedure voorafgaand aan de vaststelling van de bestreden verordening niet als zodanig had mogen beschouwen, aangezien de CCCME niet de belangen van haar leden vertegenwoordigt, maar die van de Chinese Staat. Het mandaat dat de CCCME van individuele producenten-exporteurs zou hebben gekregen, verandert dus niets aan het feit dat zij tot doel heeft concurrentie tussen haar leden te voorkomen wanneer deze hun producten naar de Unie uitvoeren. De procesbevoegdheid in de zin van artikel 263 VWEU kon dus alleen gebaseerd zijn op de vergissing van de Commissie tijdens het administratieve onderzoek en niet op de in de basisverordening vastgestelde rechten. Interveniënte verzoekt het Gerecht derhalve om deze kwestie ambtshalve te onderzoeken.

18 Verzoeksters bestrijden dit betoog.

19 Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat de interventie volgens artikel 142, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht geen ander doel mag dienen dan de conclusies van een van de hoofdpartijen geheel of ten dele te ondersteunen. In casu worden de argumenten van interveniënte betreffende de ontvankelijkheid van het beroep niet ondersteund door de bevindingen van de Commissie.

20 Het is echter vaste rechtspraak dat de Unierechter zich – indien nodig ambtshalve – kan uitspreken over het middel van openbare orde dat inhoudt dat niet is voldaan aan de bij artikel 263 VWEU gestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden [zie arrest van 22 juni 2021, Venezuela/Raad (Geraaktheid van een derde staat), C‑872/19 P, EU:C:2021:507, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

21 Volgens vaste rechtspraak kunnen degenen die niet de adressaat van een besluit zijn, slechts stellen individueel te worden geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, indien dit besluit hen betreft uit hoofde van bepaalde bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en daardoor individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (zie arrest van 21 september 2023, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,C‑478/21 P, EU:C:2023:685, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22 Bij de personen die op dezelfde wijze door een Uniehandeling geïndividualiseerd kunnen worden als de adressaten van een besluit, gaat het onder meer om degenen die hebben deelgenomen aan de procedure tot vaststelling van deze handeling. Het feit dat een persoon bij de procedure tot vaststelling van een dergelijke handeling betrokken is, kan hem echter uitsluitend met betrekking tot deze handeling individualiseren indien de Unieregelgeving procedurele garanties voor deze persoon bevat. De exacte omvang van het recht van een particulier om beroep in te stellen tegen een Uniehandeling hangt namelijk af van de rechtspositie die hij krachtens het Unierecht ter bescherming van de aldus erkende wettige belangen geniet (zie arrest van 21 september 2023, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,C‑478/21 P, EU:C:2023:685, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23 In casu wordt in het inleidende gedeelte van het verzoekschrift gepreciseerd dat dit beroep in de eerste plaats is ingesteld door de CCCME, voor rekening van haar in bijlage A.2 bedoelde leden (hierna: „betrokken leden van de CCCME”) en, wat bepaalde grieven betreft, voor haar eigen rekening; in de tweede plaats door de drie Chinese producenten-exporteurs die in de steekproef van de Commissie zijn opgenomen en in de derde plaats door vijf andere medewerkende Chinese producenten-exporteurs die niet in de steekproef zijn opgenomen en van wie de namen in de bijlage bij de bestreden verordening zijn vermeld. Noch de namen van de drie in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, noch die van de vijf andere niet in de steekproef opgenomen medewerkende Chinese producenten-exporteurs staan in de door verzoeksters verstrekte bijlage A.2 vermeld als lid van de CCCME, en deze producenten-exporteurs hebben geen documenten verstrekt waaruit blijkt dat zij lid zijn van de CCCME.

24 Ten eerste zij erop gewezen dat de CCCME, naar aanleiding van een vraag van het Gerecht met betrekking tot de gevolgen die moeten worden verbonden aan het arrest van 21 september 2023, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie (C‑478/21 P, EU:C:2023:685), dat is gewezen na het schriftelijke gedeelte van de procedure, heeft aanvaard dat het beroep niet-ontvankelijk was voor zover het in haar eigen naam was ingesteld. Desgevraagd heeft de CCCME ter terechtzitting verklaard dat alle grieven in het beroep zowel voor haar eigen rekening als in het belang van haar leden werden aangevoerd. Geen enkele grief is dus afzonderlijk voor eigen rekening door de CCCME opgeworpen.

25 Wat de vertegenwoordiging van de leden van de CCCME in rechte door deze laatste betreft, blijkt uit punt 23 hierboven dat de CCCME in het kader van dit beroep zegt de 31 ondernemingen te vertegenwoordigen die zijn opgenomen in de lijst in bijlage A.2 bij het verzoekschrift en waarvoor zij documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij lid zijn van de CCCME. Uit die bijlage volgt dat deze 31 ondernemingen medewerkende producenten-exporteurs zijn die niet in de steekproef zijn opgenomen.

26 Een vereniging kan alleen maar geldig een beroep voor de rechterlijke instanties van de Unie instellen indien ten eerste de natuurlijke of rechtspersonen uit wier naam zij handelt tot haar leden behoren, ten tweede deze vereniging bevoegd is om in hun naam in rechte op te treden, ten derde dit beroep namens hen wordt ingesteld, ten vierde ten minste één van de leden uit wiens naam deze vereniging optreedt zelf een ontvankelijk beroep had kunnen instellen en ten vijfde de leden uit wier naam zij handelt niet parallel daaraan ook zelf een beroep voor de rechterlijke instanties van de Unie hebben ingesteld (arrest van 21 september 2023, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,C‑478/21 P, EU:C:2023:685, punt 83).

27 In casu heeft de CCCME ten eerste bewijs van het lidmaatschap van de betrokken leden verstrekt, dat niet werd betwist.

28 Ten tweede is het doel van de CCCME in de statuten die zij als bijlage heeft overgelegd zodanig omschreven dat dit een rechtsvordering om de belangen van haar leden te beschermen tegen handelsbeschermingsmaatregelen kan omvatten (arrest van 19 mei 2021, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,T‑254/18, EU:T:2021:278, punt 88).

29 Ten derde is in het verzoekschrift vermeld dat het beroep eveneens in naam van de betrokken leden wordt ingesteld.

30 Ten vierde hadden de betrokken leden beroep kunnen instellen tegen de bestreden verordening. In dat verband wordt in artikel 263, vierde alinea, VWEU bepaald dat iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon onder de in de eerste en de tweede alinea van die bepaling vastgestelde voorwaarden beroep kan instellen tegen handelingen die tot hem zijn gericht of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.

31 In casu wordt aan de voorwaarde van rechtstreekse geraaktheid voldaan, aangezien de bestreden verordening rechtstreekse gevolgen heeft voor de rechtspositie van de leden van de CCCME, en de douaneautoriteiten van de lidstaten over geen enkele beoordelingsmarge beschikken en verplicht zijn de bij de bestreden verordening opgelegde rechten te innen (zie in die zin arrest van 19 mei 2021, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie (T‑254/18, EU:T:2021:278, punt 118 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Wat betreft de individuele geraaktheid dient eraan te worden herinnerd dat verordeningen waarbij een antidumpingrecht wordt ingesteld volgens de rechtspraak naar de aard en de strekking ervan normatief zijn, aangezien zij toepasselijk zijn op alle betrokken marktdeelnemers (zie arrest van 28 februari 2019, Raad/Marquis Energy,C‑466/16 P, EU:C:2019:156, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit normatieve karakter staat er evenwel niet aan in de weg dat door die verordeningen juist die producenten en exporteurs individueel kunnen worden geraakt aan wie de dumpingpraktijken worden toegerekend op grond van gegevens inzake hun commerciële activiteiten, zoals het geval is met productie‑ en exportondernemingen die kunnen aantonen dat hun identiteit blijkt uit de handelingen van de Commissie en de Raad, dan wel dat het vooronderzoek hen heeft betroffen (arrest van 28 februari 2019, Raad/Growth Energy en Renewable Fuels Association, C‑465/16 P, EU:C:2019:155, punt 79).

33 In dit verband moet worden vastgesteld dat de betrokken leden van de CCCME producenten-exporteurs van het betrokken product zijn die de Commissie hun medewerking hebben verleend tijdens haar onderzoek en waarvan de namen voorkomen in de bijlage waarnaar in artikel 1, lid 2, van het dispositief van die verordening wordt verwezen. Als andere, in die bijlage opgenomen medewerkende ondernemingen worden de betrokken leden van de CCCME in wier naam het onderhavige beroep is ingesteld onderworpen aan een antidumpingrecht van een specifiek bedrag dat afwijkt van het bedrag dat van toepassing is op alle andere niet-geïdentificeerde ondernemingen waarop de bestreden verordening van toepassing is. Deze leden worden dus rechtstreeks en individueel geraakt.

34 Ten vijfde heeft geen van de betrokken leden van de CCCME parallel beroep ingesteld ten opzichte van het in casu aan de orde zijnde beroep.

35 De in punt 26 hierboven genoemde ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn derhalve vervuld.

36 Uit de rechtspraak blijkt evenwel dat een beroep tot nietigverklaring van een verordening die antidumpingrechten oplegt, indien het wordt toegewezen, nietigverklaring van die verordening met zich meebrengt voor zover daarin een antidumpingrecht aan de verzoekende partij is opgelegd, en dat deze nietigverklaring niet de geldigheid aantast van de andere onderdelen van die verordening, met name niet van het antidumpingrecht dat van toepassing is op de andere handelaren. Hieruit volgt dat, wat de vertegenwoordiging van de leden van de CCCME door de CCCME voor het Gerecht in het kader van het onderhavige beroep betreft, uitsluitend die betrokken leden van de CCCME in wier naam het onderhavige beroep is ingesteld, kunnen profiteren van een nietigverklaring indien het in hun naam door de CCCME ingestelde beroep door het Gerecht wordt toegewezen (zie in die zin arrest van 19 mei 2021, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,T‑254/18, EU:T:2021:278, punten 110 en 112). Het betreft de leden Haining Hisener Trade Co., Ltd, Changshu City Standard Parts Factory Co., Ltd., Ningbo Nanjubaoge Fastener Manufacturing Co. Ltd, Jinan Star Fastener Co., Haiyan Xinglong Fastener Co., Ltd, Zhejiang Excellent Industries Co. Ltd, Zhejiang Channov Auto Parts Co., Ltd, Zhejiang New Shengda Fastener Co., Ltd., Shanghai East Best Foreign Trade Co., Ltd., Lianyungang Suli Hardware Technology Co., Ltd., Yuyao Alfirste Hardware Co., Ltd, Zhejiang Chaoboer Hardware Co., Ltd, Haiyan Shangxin Standarf Parts Co., Ltd, Jiaxing Shangxiang Import and Export Co., Ltd, Zhejiang Tianyuan Metal Products Co., Ltd, Jiashan Xiaohai Metal Products Factory, Jia Xing Tai Cheng Aoto Parts Co., Ltd, Haiyan Yousun Entreprise Co., Ltd, Haiyan Wancheng Fasteners Co., Ltd., EC International (Nantong) Co., Ltd., Jiaxing Zhengying Hardware Co., Ltd, SSF Industrial Co. Limited, Zhe Jiang World Win Fastener Co., Ltd, Haiyan Tianqi Standard Parts Co., Ltd, Jiashan Sanxin Fastener Company Limited, Jiaxing Huanhuan Tong Plastic Industry Co., Ltd, Yuyao Zhenrui Metal Co., Beijing Jinzhaobo High Strength Fastener Co., Ltd., Jiashan Yongxin Fastener Co., Ltd, Haiyan Yihui Hardware Technology Co., Ltd en Shanghai Moregood Hardware Co., Ltd.

37 Daaruit volgt dat het onderhavige beroep ontvankelijk is voor zover het is ingesteld door de CCCME namens haar 31 in punt 36 hierboven genoemde leden die producenten-exporteurs zijn die met de Commissie hebben meegewerkt aan het onderzoek dat tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid, door de drie in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs en door de vijf andere niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs die geen certificaat van lidmaatschap van de CCCME hebben overgelegd.

B. Ten gronde

38 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters negen middelen aan: ten eerste, schending van artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening en het beginsel van behoorlijk bestuur bij de vaststelling van de normale waarde; ten tweede, schending van artikel 2, lid 10, van de basisverordening, voor zover de Commissie niet de nodige correcties heeft aangebracht in de gegevens inzake de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (hierna: „VAA-kosten”) en de winst van de Thaise producenten; ten derde, schending van artikel 18, leden 1, 3 en 4, van de basisverordening, artikel 6.8 van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (GATT) (PB 1994, L 336, blz. 103; hierna: „antidumpingovereenkomst”), die is opgenomen in bijlage 1 A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (PB 1994, L 336, blz. 3) en bijlage II bij de antidumpingovereenkomst (PB 1994, L 336, blz. 118; hierna: „bijlage II”), bij de vaststelling van de loonkosten van twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs; ten vierde, schending van artikel 9, lid 6, van de basisverordening door de vaststelling van de dumpingmarge van niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs; ten vijfde, schending van artikel 3, leden 2, 3, 5 en 6, van de basisverordening juncto artikel 4, lid 1, van die verordening, doordat bij de beoordeling van de schade en het causale verband geen rekening is gehouden met het verschil tussen standaard- en niet-standaardbevestigingsmiddelen; ten zesde, schending van artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 9, lid 4, van de basisverordening door de onderbiedingsanalyse van de Commissie, voor zover deze is vastgesteld met betrekking tot slechts 24 % van de productie van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie; ten zevende, schending van artikel 3, leden 2, 3 en 6, en artikel 9, lid 4, van de basisverordening, doordat de Commissie bij de analyse van de prijseffecten en de vaststelling van de schademarge de Chinese prijzen voor distributeurs heeft vergeleken met de prijzen in de Unie voor eindgebruikers; ten achtste, schending van artikel 3, leden 2 en 5, van de basisverordening, doordat de Commissie heeft nagelaten een objectief onderzoek op basis van positief bewijsmateriaal uit te voeren met betrekking tot de macro-economische schade-indicatoren en, ten negende, schending van artikel 6, lid 7, artikel 19, leden 1, 2 en 3, en artikel 20, leden 2 en 4, van de basisverordening en van verzoeksters’ rechten van verdediging door de Commissie wegens de vertrouwelijke behandeling van bepaalde gegevens tijdens de administratieve procedure.

1. Eerste middel: schending van artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening en het beginsel van behoorlijk bestuur

39 Vooraf zij eraan herinnerd dat de instellingen van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek – en meer in het bijzonder op het gebied van handelsbeschermingsmaatregelen – over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische en politieke situaties die zij moeten onderzoeken (zie arrest van 20 januari 2022, Commissie/Hubei Xinyegang Special Tube,C‑891/19 P, EU:C:2022:38, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bij het rechterlijk toezicht op een dergelijke beoordeling dient dan ook alleen te worden nagegaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie arrest van 20 januari 2022, Commissie/Hubei Xinyegang Special Tube,C‑891/19 P, EU:C:2022:38, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Het is eveneens vaste rechtspraak van het Hof dat de toetsing door het Gerecht van het bewijsmateriaal waarop de instellingen van de Unie hun vaststellingen baseren, geen nieuwe beoordeling van de feiten vormt die in de plaats komt van de beoordeling door die instellingen. Die toetsing houdt enkel in dat wordt vastgesteld of dat bewijsmateriaal de door de instellingen gemaakte gevolgtrekkingen kan schragen. Het Gerecht dient bijgevolg niet alleen de materiële juistheid, de betrouwbaarheid en de samenhang van het aangedragen bewijsmateriaal na te gaan, maar moet tevens toetsen of dat bewijsmateriaal het relevante feitenkader voor de beoordeling van een complexe toestand vormt en de daaruit getrokken conclusies kan schragen (arrest van 12 mei 2022, Commissie/Hansol Paper,C‑260/20 P, EU:C:2022:370, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat de bepaling van de normale waarde van een product een van de essentiële stappen is om het bestaan van eventuele dumping te kunnen vaststellen (arresten van 22 maart 2012, GLS,C‑338/10, EU:C:2012:158, punt 19, en 1 oktober 2014, Raad/Alumina,C‑393/13 P, EU:C:2014:2245, punt 20).

42 Daarbij zij aangetekend dat het vaste rechtspraak is dat de instellingen van de Unie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wanneer het gaat om het bepalen van de normale waarde voor landen die geen markteconomie hebben (zie arrest van 19 september 2019, Zhejiang Jndia Pipeline Industry/Commissie,T‑228/17, EU:T:2019:619, punt 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en dat de daartoe te maken keuze van het passende representatieve land ook valt onder de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken. De beoordelingsmarge van de Commissie wordt in het kader van artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening evenwel in die zin beperkt dat het gekozen land een niveau van economische ontwikkeling moet hebben dat vergelijkbaar is met dat van het land van uitvoer (zie in die zin arrest van 21 juni 2023, Guangdong Haomei New Materials en Guangdong King Metal Light Alloy Technology/Commissie, T‑326/21, EU:T:2023:347, punt 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Tevens is geoordeeld dat moet worden nagegaan of de Commissie bij de beoordeling van de geschiktheid van het gekozen land geen wezenlijke factoren buiten beschouwing heeft gelaten en of de gegevens van het dossier met de nodige zorgvuldigheid zijn onderzocht, zodat de normale waarde van het betrokken product kan worden geacht op passende en niet onredelijke wijze te zijn vastgesteld. Deze rechtspraak kan worden toegepast wanneer vanwege verstoringen van betekenis in het land van uitvoer gegevens uit een passend representatief land kunnen worden gebruikt voor de berekening van de normale waarde, hetgeen eveneens het onderzoek van ingewikkelde economische en politieke situaties impliceert (zie arrest van 21 juni 2023, Guangdong Haomei New Materials en Guangdong King Metal Light Alloy Technology/Commissie, T‑326/21, EU:T:2023:347, punt 128 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 Met deze beginselen moet rekening worden gehouden bij het onderzoek van verzoeksters’ eerste middel, dat betrekking heeft op de berekening van de normale waarde van het betrokken product en bestaat uit vijf onderdelen.

a) Eerste onderdeel: keuze van Thailand als passend representatief land in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening voor de berekening van de normale waarde van het betrokken product

45 Met het eerste onderdeel van hun eerste middel betogen verzoeksters in de eerste plaats dat de Commissie Thailand niet als passend representatief land in het kader van het onderhavige onderzoek had mogen kiezen wegens de invoer in dat land van walsdraad met een speciale kwaliteit van oorsprong uit Japan, in de tweede plaats dat de gegevens die door de Commissie werden gebruikt om de VAA-kosten en winst te berekenen niet correct waren gekozen en in de derde plaats dat de Commissie deze gegevens had moeten aanpassen om de normale waarde te berekenen die de productiewaarden van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs zo dicht mogelijk benaderde.

1) Prijzen van de grondstoffen die nodig zijn voor de vervaardiging van het betrokken product in Thailand

46 Verzoeksters voeren in wezen aan dat de Commissie Thailand niet als „passend representatief land” in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening had mogen kiezen wegens de prijs van de hoogwaardige walsdraad die uit Japan in Thailand wordt ingevoerd, die als grondstof zou dienen voor de vervaardiging van het betrokken product. De CCCME heeft tijdens de administratieve procedure een grote hoeveelheid gegevens en bewijsmateriaal overgelegd waaruit bleek dat de prijzen van de Thaise invoer niet overeenkwamen met de productiekosten van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten, aangezien deze laatste bijna uitsluitend standaardbevestigingsmiddelen naar de Unie uitvoerden, en erg weinig speciale bevestigingsmiddelen. De walsdraad met een speciale kwaliteit van oorsprong uit Japan wordt daarentegen voor specifieke toepassingen gebruikt, en niet voor de vervaardiging van standaardbevestigingsmiddelen. Verder betogen verzoeksters dat de Commissie het aanzienlijke prijsverschil van 17 % tussen de Japanse uitvoer naar Thailand, enerzijds, en naar de vijf andere belangrijkste exportlanden, anderzijds, niet naar behoren heeft onderzocht.

47 Verzoeksters zijn van mening dat de productiekosten in Thailand niet „overeenkomen” met die van de Chinese producenten-exporteurs in de zin van artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening. Door een buitensporig hoge bewijslast op te leggen, heeft de Commissie eveneens het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden.

48 De Commissie betwist het betoog van verzoeksters. Zij voert voorts aan dat verzoeksters de grief inzake schending van het beginsel van behoorlijk bestuur niet hebben onderbouwd en dat deze grief derhalve niet-ontvankelijk is.

i) Ontvankelijkheid van de grief inzake schending van het beginsel van behoorlijk bestuur

49 Naar aanleiding van een vraag van het Gerecht over de door de Commissie in haar verweerschrift aangevoerde niet-ontvankelijkheid van de grief, hebben verzoeksters ter terechtzitting verduidelijkt dat de grief inzake schending van het beginsel van behoorlijk bestuur betrekking had op de buitensporig hoge bewijslast die de Commissie hun zou hebben opgelegd, voor zover zij uitvoerig de redenen hadden uiteengezet waarom de door de Commissie in aanmerking genomen gegevens niet de meest passende waren en voldoende informatie hadden verstrekt.

50 Uit het beginsel van behoorlijk bestuur, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het Unierecht, volgt immers dat de bewijslast die zo krachtens artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening kan worden opgelegd aan producenten-exporteurs niet onredelijk mag zijn (zie naar analogie arrest van 21 juni 2023, Guangdong Haomei New Materials en Guangdong King Metal Light Alloy Technology/Commissie, T‑326/21, EU:T:2023:347, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Bijgevolg volstaat omtrent de niet-ontvankelijkheid van de grief inzake schending van het beginsel van behoorlijk bestuur de vaststelling dat deze grief met de argumenten wordt onderbouwd die verzoeksters in het eerste onderdeel van het eerste middel hebben uiteengezet en waarmee zij de keuze voor Thailand als passend representatief land in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening betwisten, ondanks de informatie die zij aan de Commissie hebben verstrekt waaruit blijkt dat dit land geen passend representatief land is voor de berekening van de normale waarde van het betrokken product.

52 Derhalve dient de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te worden afgewezen.

ii) Gegrondheid van de keuze voor Thailand als passend representatief land voor de berekening van de normale waarde van het betrokken product

53 Artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening bepaalt: „a) Wanneer bij de toepassing van deze of elke andere relevante bepaling van deze verordening wordt vastgesteld dat het wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van punt b) in het land van uitvoer niet passend is gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in dat land, wordt de normale waarde uitsluitend berekend aan de hand van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uitdrukking komen, waarbij de volgende regels van toepassing zijn. Hiervoor kan de Commissie onder meer de volgende bronnen gebruiken: – de overeenkomstige productie- en verkoopkosten in een passend representatief land met een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van het land van uitvoer, mits de desbetreffende gegevens onmiddellijk beschikbaar zijn; wanneer er sprake is van meer dergelijke landen wordt, indien van toepassing, de voorkeur gegeven aan landen met een toereikend niveau van sociale en milieubescherming; – indien het passend wordt geacht, niet-verstoorde internationale prijzen, kosten of benchmarks, of – binnenlandse kosten, maar uitsluitend wanneer op basis van nauwkeurig en passend bewijsmateriaal is vastgesteld dat zij niet verstoord zijn, onder meer in het kader van de onder c) opgenomen bepalingen inzake belanghebbenden. Onverminderd artikel 17 wordt die beoordeling voor iedere exporteur en producent afzonderlijk uitgevoerd. De door berekening vastgestelde normale waarde omvat een niet-verstoord en redelijk bedrag voor administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten en voor winst. b) Verstoringen van betekenis zijn de verstoringen die zich voordoen wanneer de gerapporteerde prijzen en kosten, waaronder de kosten van grondstoffen en energie, niet door de vrije marktwerking tot stand komen, doordat zij door aanzienlijk overheidsingrijpen worden beïnvloed. Bij de beoordeling van de aanwezigheid van verstoringen van betekenis, wordt onder meer acht geslagen op de mogelijke gevolgen van een of meer van de volgende factoren: – het feit dat de markt in kwestie voor een groot deel wordt bediend door ondernemingen die in handen zijn van de autoriteiten van het land van uitvoer, waarover deze zeggenschap hebben, waarop deze beleidstoezicht uitoefenen of waarvoor deze beleidsadvies geven; – overheidsaanwezigheid in bedrijven, waardoor inmenging van de overheid in de prijzen of kosten mogelijk wordt; – discriminerend overheidsbeleid of discriminerende overheidsmaatregelen die binnenlandse leveranciers bevoordelen of de vrije marktwerking anderszins beïnvloeden; – het ontbreken, de discriminerende toepassing of de ontoereikende handhaving van faillissements-, vennootschaps- of eigendomswetgeving; – verstoringen van loonkosten; – toegang tot financiering door instellingen die de doelstellingen van het overheidsbeleid uitvoeren of anderszins in hun werking niet onafhankelijk zijn ten opzichte van de staat. [...]”

54 Volgens overweging 220 van de bestreden verordening heeft de Commissie haar keuze van het passende representatieve land gebaseerd op drie criteria, te weten een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van de VRC, productie van het betrokken product in dat land en beschikbaarheid van de relevante openbare gegevens.

55 Tijdens het onderzoek heeft de Commissie in het dossier twee mededelingen over de bronnen voor de vaststelling van de normale waarde beschikbaar gesteld en belanghebbenden om opmerkingen daarover verzocht. Uit de op 5 februari 2021 bekendgemaakte mededeling in het dossier (hierna: „eerste mededeling”) blijkt dat de Commissie heeft vastgesteld dat het betrokken product in acht landen met een vergelijkbaar economisch niveau als de VRC in aanzienlijke hoeveelheden werd geproduceerd, maar dat zij alleen voor Brazilië, Rusland, Turkije en Thailand relevante onmiddellijk beschikbare gegevens heeft kunnen vinden. Volgens overweging 223 van de bestreden verordening heeft de Commissie in de op 4 mei 2021 bekendgemaakte mededeling in het dossier (hierna: „tweede mededeling”) dat er ook voor Maleisië gegevens beschikbaar waren.

56 Bij de analyse van de gegevens over de invoer in de vijf potentieel representatieve landen heeft de Commissie vastgesteld dat meer dan 75 % van de invoer van de bij de vervaardiging van het onderzochte product in Brazilië en Maleisië gebruikte grondstof afkomstig was uit de VRC en niet-WTO-landen die zijn opgenomen in bijlage I bij verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (PB 2015, L 123, blz. 33). Aangezien de prijzen van deze invoer konden worden beïnvloed door verstoringen en op hun beurt de overige invoervolumes konden verstoren, heeft de Commissie deze invoervolumes geanalyseerd in het licht van hun absolute hoeveelheden en prijzen en heeft zij geconcludeerd dat de reeks onmiddellijk toegankelijke gegevens die voor Brazilië en Maleisië beschikbaar was voor de berekening van de niet-verstoorde waarde, van een lagere kwaliteit was. Rusland werd verworpen omdat geen enkele belanghebbende zich vóór dit land had uitgesproken. Thailand heeft de voorkeur gekregen boven Turkije omdat Thailand grotere hoeveelheden van de vier belangrijkste grondstoffen voor de vervaardiging van het onderzochte product invoerde en lagere invoerrechten op deze productiefactoren toepaste.

57 De Commissie heeft de belanghebbenden verzocht opmerkingen te maken en openbaar beschikbare informatie voor te stellen over niet-verstoorde waarden voor elk van de productiefactoren. Uit het dossier blijkt dat verzoeksters, en met name de CCCME en de drie in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs, als belanghebbenden het dossier van de Commissie konden raadplegen en opmerkingen konden maken over de keuze van het passende representatieve land.

58 Als reactie op de opmerkingen van de CCCME over de aanwezigheid van aanzienlijke hoeveelheden van wat zij omschreef als hoogwaardige grondstoffen uit Japan, heeft de Commissie de Japanse uitvoerprijzen van de vier belangrijkste grondstoffen geanalyseerd teneinde te bepalen of er sprake was van verstoringen die erop wezen dat de invoer in Thailand uit Japan niet aan de marktregels was onderworpen. Uit overweging 232 van de bestreden verordening blijkt dat Thailand in het onderzoektijdvak een van de vijf belangrijkste exportmarkten van Japan was, goed voor 17 % van zijn totale uitvoer van deze materialen, terwijl de top vijf – met uitzondering van de VRC – meer dan 60 % voor zijn rekening nam. De gemiddelde prijs bij uitvoer naar Thailand was 17 % hoger dan die bij uitvoer naar de andere van de vijf belangrijkste landen van uitvoer. De Commissie heeft geconcludeerd dat de Japanse prijzen bij uitvoer naar Thailand niet uitzonderlijk hoog of niet representatief waren. De Commissie heeft daarom geoordeeld dat de Japanse uitvoer naar Thailand geen afbreuk kon doen aan de representativiteit van Thailand voor het onderzoek naar het betrokken product.

59 Derhalve moet worden nagegaan of de Commissie in casu een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat Thailand een passend representatief land was voor de berekening van de normale waarde van het onderzochte product. In dit verband en gezien het feit dat de bewijslast berust bij verzoeksters, die sluitend bewijs dienen over te leggen ter ondersteuning van hun stelling, moet worden nagegaan of verzoeksters bewijsmateriaal hebben overgelegd waarmee zij hun stelling kunnen staven dat de Commissie bij de keuze van Thailand als passend representatief land een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt in de zin van de in punt 39 aangehaalde rechtspraak (zie in dat verband arrest van 21 juni 2023, Guangdong Haomei New Materials en Guangdong King Metal Light Alloy Technology/Commissie, T‑326/21, EU:T:2023:347, punt 131 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoeksters in het kader van het onderhavige beroep niet opkomen tegen de conclusies van de Commissie in de bestreden verordening inzake het bestaan van bewijsmateriaal bij de opening van het onderzoek waaruit bleek dat er sprake was van verstoringen van betekenis in de VRC in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. Verzoeksters bestrijden bovendien niet dat het ontwikkelingsniveau van Thailand over het algemeen vergelijkbaar is met dat van de VRC.

61 Wat dat betreft zij er in de eerste plaats op gewezen dat de Commissie alle Chinese producenten-exporteurs heeft verzocht informatie over de basisproducten voor de vervaardiging van bevestigingsmiddelen te verstrekken, teneinde de prijs te berekenen die een producent van bevestigingsmiddelen in Thailand zou betalen voor de grondstoffen die aan de fabriekspoort worden geleverd. Voor de omschrijving van de grondstoffen die nodig zijn voor de vervaardiging van het onderzochte product heeft de Commissie gebruikgemaakt van de methode van het wereldwijd geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, dat is opgesteld door de Internationale Douaneraad, thans de Werelddouaneorganisatie, en heeft zij de desbetreffende codes van het geharmoniseerd systeem (GS) gedefinieerd. De Commissie heeft uitgelegd dat zij, om de niet-verstoorde prijzen voor de relevante grondstoffen in het passende representatieve land te verkrijgen, verplicht was om benaderingen te gebruiken, op basis van de gegevens waarover zij beschikte.

62 Zoals verzoeksters ter terechtzitting hebben bevestigd, betwisten zij de definitie van de GS-codes van de voor de vervaardiging van het betrokken product noodzakelijke grondstoffen als zodanig niet. De Commissie heeft echter vastgesteld dat deze methode een zekere mate van benadering veronderstelt, aangezien meerdere kwaliteiten van een grondstof in verschillende verhoudingen onder dezelfde GS-code kunnen vallen, hetgeen verzoeksters niet hebben tegengesproken. Het is dan ook moeilijk om een exacte overeenstemming tussen de GS-codes van verschillende producenten vast te stellen.

63 Verzoeksters stellen daarentegen dat de Commissie de gegevens waarover zij beschikte had moeten aanpassen en met name de waarden met betrekking tot de invoer van walsdraad uit Japan in Thailand buiten beschouwing had moeten laten, aangezien die walsdraad van betere kwaliteit was dan de walsdraad die werd gebruikt door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs en de prijs van de normale waarde van het onderzochte product onredelijk verhoogde.

64 Volgens verzoeksters is deze hoogwaardige walsdraad geassocieerd met niet-standaard bevestigingsmiddelen, aangezien deze laatste over het algemeen bestemd zijn voor sectoren waar bevestigingsmiddelen van hogere kwaliteit benodigd zijn. Desalniettemin moet in dit verband ten eerste worden opgemerkt dat zelfs in de sectoren waarnaar verzoeksters verwijzen, met name de automobielsector en de luchtvaart, zowel van standaard- als van niet-standaardbevestigingsmiddelen gebruik kan worden gemaakt. Hoe dan ook heeft dit onderzoek, volgens de omschrijving van het onderzochte product door de Commissie, zowel betrekking op standaardbevestigingsmiddelen als op niet-standaardbevestigingsmiddelen.

65 Ten tweede hebben verzoeksters geen bewijs aangeleverd voor het specifieke aandeel van walsdraad met een speciale kwaliteit in de standaard- en niet-standaardbevestigingsmiddelen. Zij verwijzen in dat verband naar bezoeken van vertegenwoordigers van de European Fasteners Distributor Association (hierna: „EFDA”) aan Thaise fabrieken en naar getuigenissen van die vertegenwoordigers dat in de Thaise automobielsector walsdraad met een speciale kwaliteit wordt gebruikt. Deze gegevens kunnen echter geen betrouwbaar en objectief bewijs vormen dat alle Thaise producenten van bevestigingsmiddelen uitsluitend dergelijke producten vervaardigen. In dat verband zij erop gewezen dat de Commissie in de loop van het onderzoek moet controleren of de inlichtingen die belanghebbenden hebben verstrekt en waarop zij hun bevindingen baseren, juist zijn. Deze controleverplichting vormt in de context van antidumpingmaatregelen de uitdrukking van een algemeen beginsel volgens hetwelk de instellingen ondanks hun ruime beoordelingsbevoegdheid een nauwkeurig onderzoek dienen te verrichten en hun beoordeling dienen te baseren op bewijsmateriaal dat van voldoende kwaliteit is (zie in dat verband arrest van 3 december 2019, Yieh United Steel/Commissie,T‑607/15, EU:T:2019:831, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66 Ten derde moet worden opgemerkt dat verzoeksters geen concreet bewijs hebben geleverd dat aantoonde welke aandelen walsdraad verwerkt waren in de niet-standaardbevestigingsmiddelen waarvan de Commissie gebruik zou hebben kunnen maken. Om te beginnen hebben verzoeksters, zoals de Commissie heeft opgemerkt, niet kunnen aantonen dat de walsdraad met een speciale kwaliteit niet werd gebruikt door de Chinese producenten-exporteurs van bevestigingsmiddelen. Bovendien blijkt uit bijlage B.1 van het verweerschrift dat verzoeksters niet betwisten dat de VRC in 2020 de belangrijkste exportmarkt was voor walsdraad uit Japan die onder de desbetreffende codes viel. Walsdraad „met een speciale kwaliteit” van oorsprong uit Japan werd dus ook in aanzienlijke hoeveelheden ingevoerd in de VRC.

67 Voorts heeft de Commissie in overweging 301 van de bestreden verordening uitgelegd dat uit de door een van de belanghebbenden verstrekte vertrouwelijke gegevens bleek dat bevestigingsmiddelen voor de automobielsector in 2018 minder dan 50 % van de totale vraag naar industriële bevestigingsmiddelen in Thailand vertegenwoordigden, zodat er in Thailand vraag was naar grondstoffen voor zowel standaard- als niet-standaardbevestigingsmiddelen.

68 Verzoeksters hebben hun stelling dat de invoer uit Japan voornamelijk de invoer van walsdraad met een speciale kwaliteit betrof dus niet gestaafd. Dat een grondstof van betere kwaliteit is en dus duurder is, volstaat hoe dan ook niet om de nauwkeurigheid of waarachtigheid van dit gegeven in twijfel te trekken. Dat betekent dus niet dat dit gegeven van de berekening moet worden uitgesloten.

69 Ten vierde hebben verzoeksters tabellen met „productiefactoren” overgelegd die betrekking hebben op prijsverschillen tussen de verschillende soorten walsdraad. Er is echter geen concreet bewijs geleverd over hoe het gebruik van deze walsdraad over de vervaardiging van het betrokken product is verdeeld. Hieruit volgt dat deze bewijzen producten kunnen betreffen die geen deel uitmaken van het onderzoek. De tabellen vormen derhalve onvoldoende bewijs om de waarden die de Commissie in aanmerking heeft genomen, ter discussie te stellen.

70 Hoe dan ook behelzen de relevante GS-codes, zoals blijkt uit punt 61 hierboven, soorten en kwaliteiten van grondstoffen die niet worden gebruikt voor de vervaardiging van bevestigingsmiddelen. Dit is een logisch gevolg van de methode die de Commissie heeft gekozen, binnen de ruime beoordelingsmarge waarover zij beschikt bij de bepaling van het passende representatieve land in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. Hoewel dit artikel bepaalde criteria voor de keuze van dat land bevat, schrijft het immers niet voor welke methode de Commissie precies moet volgen om de normale waarde van het onderzochte product te berekenen op basis van gegevens van een ander land dan dat waarop het onderzoek rechtstreeks betrekking heeft.

71 Bovendien zij erop gewezen dat de normale waarde van het betrokken product is berekend op basis van alle invoer in Thailand, en niet alleen op basis van de invoer uit Japan. Volgens overweging 301 van de bestreden verordening was de Japanse invoer van de vier belangrijkste grondstoffen naar Thailand slechts goed voor ongeveer 33 % van de totale invoer van deze materialen.

72 Ten vijfde blijkt uit overweging 232 van de bestreden verordening dat, wat betreft verzoeksters’ argument dat de gemiddelde prijs bij uitvoer van Japan naar Thailand 17 % hoger was dan die bij uitvoer naar de andere van de vijf belangrijkste landen, Thailand goed was voor 17 % van de totale Japanse uitvoer van deze materialen, terwijl de vijf belangrijkste exportmarkten, met uitzondering van de VRC, meer dan 60 % voor hun rekening namen. De gemiddelde prijs bij uitvoer naar Thailand was 17 % hoger dan die bij uitvoer naar de andere van de vijf belangrijkste landen van uitvoer. De Commissie heeft geconcludeerd dat dit niet aantoonde dat de Japanse gegevens moesten worden uitgesloten, aangezien de Japanse prijzen bij uitvoer naar Thailand niet onredelijk hoog of niet-representatief waren. Na vragen hierover ter terechtzitting, heeft de Commissie gesteld dat de Japanse prijzen bij uitvoer naar Thailand louter de hoogste waarde van de bandbreedte vormden. Er is immers geen bewijs dat dit verschil tussen de Japanse prijzen bij uitvoer naar Thailand en die van andere landen niet beantwoordt aan het normale marktmechanisme en afbreuk doet aan de keuze van Thailand als passend representatief land.

73 Zoals blijkt uit de in punt 59 hierboven aangehaalde rechtspraak, stond het hoe dan ook aan verzoeksters om voldoende materiaal aan te voeren tot bewijs dat dit verschil een rechtstreekse invloed had op de berekening van de normale waarde van het onderzochte product. Wat dat betreft, staat overigens vast dat verzoeksters, ondanks hun argumenten in die zin, geen enkel bewijs verstrekken dat de Commissie vertekende gegevens heeft gebruikt, of anders gezegd gegevens die gemanipuleerd waren of niet overeenstemden met de werkelijkheid.

74 In de tweede plaats zij erop gewezen dat, wat de overeenstemming tussen de Thaise kosten en de kosten van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs betreft, de Commissie volgens overweging 198 van de bestreden verordening heeft vastgesteld dat de Chinese bedrijfstak voor bevestigingsmiddelen profiteerde van richtsnoeren en interventies van de overheid ten aanzien van de belangrijkste grondstof voor de vervaardiging van bevestigingsmiddelen, namelijk staal. De Commissie heeft in overweging 206 van de bestreden verordening dan ook geconcludeerd dat ook de kosten voor basisproducten, en met name grondstoffen, aan verstoringen van betekenis onderhevig waren.

75 In dat verband blijkt uit de rechtspraak dat de ruime beoordelingsmarge waarover de Commissie met betrekking tot handelsbeschermingsmaatregelen beschikt, eveneens geldt voor de feitelijke situaties van politieke en juridische aard in het betrokken land, die zij moet beoordelen om te bepalen of een exporteur onder marktvoorwaarden handelt zonder staatsinmenging van betekenis (arrest van 11 september 2014, Gold East Paper en Gold Huasheng Paper/Raad, T‑443/11, EU:T:2014:774, punt 163).

76 De Commissie moet de normale waarde van het onderzochte product weliswaar berekenen zoals die voor de producenten-exporteurs van het betrokken land zou zijn geweest indien er geen verstoringen waren geweest, maar uit de bewoordingen van artikel 2, lid 6 bis, van de bestreden verordening blijkt duidelijk dat de normale waarde uitsluitend wordt berekend op basis van de gegevens van het gekozen representatieve land. De Commissie heeft derhalve geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door bij de vaststelling van de normale waarde rekening te houden met de kosten van de grondstoffen voor de Thaise producenten van bevestigingsmiddelen.

77 Zoals uit de rechtspraak blijkt, is China bovendien één van de grootste economieën ter wereld, zodat niet in redelijkheid van de Commissie kan worden geëist dat zij een land met een vergelijkbare economie als representatief land kiest (zie in die zin en naar analogie arrest van 21 juni 2023, Guangdong Haomei New Materials en Guangdong King Metal Light Alloy Technology/Commissie, T‑326/21, EU:T:2023:347, punt 135). Hieruit volgt dat de Commissie, binnen haar ruime beoordelingsmarge, de normale waarde bij benadering mag berekenen, voor zover berekeningen op basis van benaderingen worden gerechtvaardigd door de gegevens waarover zij beschikt. Zoals de Commissie aanvoert, veronderstelt het gebruik van de GS-codes benaderingen, aangezien de grondstoffen hierbij niet precies worden weergegeven in de verhoudingen waarin zij door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs worden gebruikt.

78 Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters niet hebben aangetoond dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt toen zij in overweging 303 van de bestreden verordening concludeerde dat, bij gebreke van meer onderbouwde gegevens over het aandeel van de uit Japan ingevoerde grondstoffen voor niet-standaardbevestigingsmiddelen en over de wijze waarop de grondstof met een speciale kwaliteit kan worden onderscheiden van de vier GS-codes, de gegevens van de Thaise producenten, gelet op de vraag naar grondstoffen voor de productie van zowel standaard- als niet-standaardbevestigingsmiddelen in Thailand, konden worden gebruikt om de normale waarde van het betrokken product te berekenen.

2) Representativiteit van de berekening van de VAA-kosten en de winst

79 Verzoeksters voeren aan dat de gegevens betreffende de VAA-kosten en de winst niet overeenstemmen met die van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten en dat deze gegevens bijgevolg niet representatief zijn.

80 Wat dat betreft, stellen verzoeksters in de eerste plaats dat drie van de vijf door de Commissie geselecteerde Thaise producenten het onderzochte product niet vervaardigen. Zo zou Topy Thailand geen schroeven of bouten produceren, terwijl de sluitringen die zij produceert geen deel zouden uitmaken van het betrokken product. Daartegenover staat dat geen enkele van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten sluitringen zou produceren, wat heel andere producten zijn dan schroeven en bouten. De bezoeken van de EFDA zouden bovendien hebben bevestigd dat Topy Thailand het onderzochte product niet vervaardigde. Daarnaast zou ThaiSin hoofdzakelijk speciale bevestigingsmiddelen produceren en zou S. J Screwthai tot slot hoofdzakelijk producten vervaardigen die niet overeenstemmen met het betrokken product.

81 Voorts voeren verzoeksters aan dat de gegevens van Dun & Bradstreet (hierna: „D&B-gegevens”) over de Thaise producenten die de Commissie heeft gebruikt om de VAA-kosten en de winst te berekenen, niet betrouwbaar zijn. Deze gegevens zouden verschillen van de Orbis-gegevens die in andere antidumpingonderzoeken zijn gebruikt. Deze verschillen zouden van invloed zijn op de betrouwbaarheid van de gegevens. Zo zouden de D&B-gegevens, aangezien zij veeleer betrekking hebben op de Topy Group in plaats van op de Thaise entiteit van de groep, niet representatief zijn.

82 De Commissie is van mening dat het betoog van verzoeksters moet worden afgewezen.

83 Volgens artikel 2, lid 6 bis, onder a), moet in de normale waarde, wanneer deze wordt berekend aan de hand van de overeenkomstige productie- en verkoopkosten in een passend representatief land, een niet verstoord en redelijk bedrag worden opgenomen voor de VAA-kosten en voor de winst.

84 In de eerste plaats betwisten verzoeksters de keuze voor de Thaise producenten waarop de Commissie haar berekening van de VAA-kosten en de winst heeft gebaseerd.

85 Wat dat betreft, blijkt uit overweging 244 van de bestreden verordening dat de Commissie, naar aanleiding van de bezwaren van de CCCME en de EFDA over de geschiktheid van de in de tweede mededeling opgenomen Thaise producenten, de informatie heeft onderzocht die beschikbaar was voor de zes Thaise ondernemingen waarvan de gegevens moesten worden gebruikt. Zij heeft ten eerste vastgesteld dat Topy Thailand sluitringen produceerde die onder de productomschrijving vielen, naast andere producten waarop het onderzoek geen betrekking had. De Commissie heeft deze onderneming daarom in de analyse gehouden. Ten tweede heeft de Commissie vastgesteld dat TR Formac niet beschikte over een fabriek in Thailand en deze onderneming uiteindelijk van de analyse uitgesloten. Ten derde heeft de Commissie vastgesteld dat S.J. Screwthai een fabrikant van ankerbouten was die ook schroeven, betonankers en sluitringen produceerde. De Commissie heeft geoordeeld dat ankers, met name in combinatie met bouten of schroeven, binnen de reikwijdte van het onderzoek vielen. De Commissie heeft vastgesteld dat het bedrijf ook verschillende andere soorten bevestigingsmiddelen produceerde (bijvoorbeeld schroeven en sluitringen) en heeft deze onderneming daarom in de analyse gehouden. Ten vierde heeft de Commissie geconcludeerd dat Thaisin Metals Industries Co., Ltd een producent van boutschroeven was die ook zelftappende schroeven, machineschroeven, zeskantbouten en binnenzeskantschroeven voor verschillende sectoren produceerde. Aangezien deze onderneming verschillende soorten bevestigingsmiddelen produceerde, waaronder niet-standaardbevestigingsmiddelen, heeft de Commissie deze onderneming in de analyse gehouden.

86 Volgens overweging 307 van de bestreden verordening heeft de Commissie, na de mededeling van de definitieve bevindingen, als antwoord op opmerkingen van belanghebbenden (waaronder de CCCME) waarin deze verzochten om de financiële gegevens van bepaalde Thaise ondernemingen waarvan was aanvaard dat zij het onderzochte product produceerden buiten beschouwing te laten, bevestigd dat deze ondernemingen verschillende soorten bevestigingsmiddelen produceerden die onder het onderzochte product vielen. Op de website van Topy Thailand viel met name te lezen dat de onderneming niet alleen drukringen produceerde, zoals werd beweerd, maar ook standaardsluitringen die deel uitmaakten van het onderzochte product. De Commissie bevestigde derhalve dat de geselecteerde Thaise ondernemingen direct of indirect verband hielden met de vervaardiging en verkoop van het onderzochte product.

87 Wat dat betreft zij allereerst opgemerkt dat, zoals blijkt uit punt 9 hierboven, sluitringen bevestigingsmiddelen zijn die in het onderzoek zijn opgenomen.

88 Voorts blijkt uit de overwegingen 63 en 70 van de bestreden verordening dat de Commissie, overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening, uit de groep van 92 producenten-exporteurs uit de VRC die de gevraagde informatie hadden verstrekt en ermee hadden ingestemd om in de steekproef te worden opgenomen, de drie producenten-exporteurs of groepen van producenten-exporteurs heeft geselecteerd die samen goed zijn voor het grootste uitvoervolume dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs zou kunnen worden onderzocht. De specifieke productsoorten die door de geselecteerde ondernemingen werden geproduceerd, waren geen criterium voor die selectie, aangezien alle soorten bevestigingsmiddelen in het kader van het onderzoek als één enkel product werden beschouwd.

89 Volgens artikel 17, lid 1, van de basisverordening kan het onderzoek, indien het aantal producenten in de Unie, exporteurs of importeurs, productsoorten of transacties groot is, immers worden beperkt tot een redelijk aantal partijen, producten of transacties, door gebruik te maken van statistisch verantwoorde steekproeven op basis van op het tijdstip van de selectie beschikbare gegevens, of tot de grootste representatieve productie-, verkoop- of exporthoeveelheden die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kunnen worden onderzocht.

90 Niet betwist wordt dat de Commissie krachtens artikel 17 van de basisverordening gebruik van de steekproeftechniek kan maken, inzonderheid wanneer het om een groot aantal producenten-exporteurs gaat. Verzoeksters komen bovendien niet op tegen de samenstelling van de steekproef van Chinese producenten-exporteurs of de representativiteit ervan.

91 Tot slot leggen verzoeksters geenszins uit waarom de verschillen in de productie van bevestigingsmiddelen noodzakelijkerwijs een aanzienlijk verschil in de kosten met zich zouden brengen wat de VAA-kosten betreft. In dat verband zij eraan herinnerd dat in artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening is bepaald dat de berekening van de normale waarde een niet-verstoord en redelijk bedrag voor VAA-kosten en voor winst omvat. Uit deze bepaling blijkt dus dat de door de Commissie gebruikte gegevens, om relevant te kunnen zijn, representatief moeten zijn voor de ondernemingen die de onderzochte producten vervaardigen. Sluitringen maken deel uit van de omschrijving van het betrokken product, ook al worden zij niet geproduceerd door de drie in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs.

92 Aangezien de Commissie heeft geoordeeld dat alle soorten bevestigingsmiddelen als één enkel product moeten worden beschouwd en de steekproef in overeenstemming met de relevante bepalingen van de basisverordening is samengesteld, kan het argument dat de gegevens van een Thaise producent die bevestigingsmiddelen zou produceren die deel uitmaakten van het onderzoek maar niet precies overeenkwamen met de bevestigingsmiddelen die door de drie in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs werden geproduceerd, buiten beschouwing moeten worden gelaten, derhalve niet worden aanvaard. Het feit dat deze Chinese producenten-exporteurs geen sluitringen produceren, is dan ook niet relevant voor de representativiteit van de berekening van de VAA-kosten en de winst die verbonden zijn aan de normale waarde van het onderzochte product.

93 Zoals de Commissie opmerkt, is het in onderzoeken zoals dat waarop het onderhavige beroep betrekking heeft, waarin zij de normale waarde vaststelt op basis van gegevens van een passend representatief land, moeilijk om kwalitatief hoogwaardige, beschikbare gegevens te vinden die volledig zijn afgestemd op de steekproef van producenten-exporteurs. Hoe dan ook moet de representativiteit van de referentiegegevens van de Thaise producenten worden beoordeeld op het nationale niveau van het land waarvan de producten worden gedumpt, en niet alleen ten aanzien van elke producent-exporteur in de steekproef afzonderlijk. De Commissie heeft uitgelegd dat de niet-verstoorde, redelijke bedragen voor de VAA-kosten en de winst doorgaans werden vastgesteld op basis van een grondig onderzoek van alle mogelijk relevante ondernemingen in alle mogelijke passende representatieve landen en op basis van de gegevens waartoe zij toegang had. Deze gegevens worden doorgaans verstrekt door elke onderneming als geheel en zijn vrijwel nooit beperkt tot het betrokken product.

94 Hoe dan ook stond met name wat Topy Thailand betreft op de website van de onderneming te lezen dat zij standaardsluitringen vervaardigt, die deel uitmaken van het onderzochte product.

95 Verzoeksters betwisten deze beoordelingen voor zover ten eerste op de website van Topy Thailand enkel drukringen te zien zijn, welke soort ringen verschilt van de „in combinatie met een schroef en een moer” gebruikte ringen waarop het onderzoek van de Commissie betrekking heeft. Ten tweede heeft de EFDA, die over een aanzienlijke kennis van de Thaise producenten beschikt, bevestigd dat Topy Thailand het product in kwestie niet produceert. Zoals blijkt uit punt 65 hierboven volstaan dergelijke niet-gedocumenteerde bezoeken echter niet om de conclusies van de Commissie met betrekking tot de representativiteit van de Thaise producent in kwestie ter discussie te stellen.

96 In de tweede plaats zij er, wat betreft de databank die is gebruikt om de relevante gegevens van de Thaise producenten te verzamelen, allereerst aan herinnerd dat ook bij de vaststelling van redelijke marges voor de VAA‑kosten en de winst de in punt 39 hierboven aangehaalde rechtspraak van toepassing is, volgens welke de Commissie op het gebied van beschermende handelsmaatregelen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, zodat van de Unierechter slechts een beperkte toetsing wordt verwacht. Bij deze vaststelling spelen namelijk noodzakelijkerwijze ingewikkelde economische overwegingen (arrest van 10 april 2019, Jindal Saw en Jindal Saw Italia/Commissie, T‑301/16, EU:T:2019:234, punt 132), net zoals de analyse van de gegevens waarover de Commissie beschikt (zie in die zin arrest van 19 mei 2021, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,T‑254/18, EU:T:2021:278, punt 180).

97 Indien verzoeksters de betrouwbaarheid willen betwisten van de gegevens die de Commissie heeft gebruikt om de VAA-kosten en de winst te berekenen die aan de normale waarde van het betrokken product worden toegevoegd, staat het bijgevolg aan hen om hun beweringen te onderbouwen met bewijs dat op concrete wijze twijfel kan doen rijzen over de betrouwbaarheid van de door de Commissie gehanteerde methode of gebruikte gegevens (zie in die zin arrest van 19 mei 2021, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,T‑254/18, EU:T:2021:278, punt 178 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

98 Om in het gelijk te worden gesteld, mogen zij zich in dat verband niet beperken tot het aandragen van alternatieve cijfers, bijvoorbeeld cijfers die zijn verkregen uit een andere databank, maar moeten zij elementen aandragen die de door de Commissie verstrekte gegevens in twijfel kunnen trekken (zie in die zin arrest van 19 mei 2021, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,T‑254/18, EU:T:2021:278, punt 179 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

99 In dat verband zij erop gewezen dat verzoeksters tijdens het onderzoek op alle door hen aangevoerde geschilpunten een toelichting hebben gekregen. Uit overweging 241 van de bestreden verordening blijkt immers dat de Commissie in het niet-vertrouwelijke dossier de uittreksels uit de D&B-databank over de ondernemingen in Thailand heeft opgenomen en dat deze uittreksels links bevatten naar de D&B-website met betrekking tot de algemene methodologie, namelijk een verzameling van de balans, de winst- en verliesrekening en de belangrijkste ratio’s van een aantal ondernemingen wereldwijd, per land, met een uitleg van deze belangrijkste ratio’s.

100 In overweging 308 van de bestreden verordening heeft de Commissie de argumenten met betrekking tot de onbetrouwbaarheid van de D&B-gegevens weerlegd, aangezien de betrouwbaarheid zou worden aangetoond door het feit dat de winst van de Topy Group als geheel vergelijkbaar is met die van Topy Thailand. De Commissie heeft uitgelegd dat de geconsolideerde winst van de Topy Group het resultaat was van de inkomsten en kosten van de groep met betrekking tot de partijen buiten de groep en dat de winsten binnen de groep in de rekeningen op groepsniveau werden geëlimineerd. Een dergelijke gelijkenis zou dus niet ongebruikelijk zijn.

101 Volgens overweging 309 van de bestreden verordening kunnen de discrepanties tussen de gegevens van Orbis en D&B tot slot zijn veroorzaakt door de verschillende beschrijvingen van de financiële post die in de databank is opgenomen, of van het verschillende niveau van het verslag van de onderneming/groep, en doen zij als zodanig dus geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de gegevens. De Commissie heeft het argument van de CCCME dat de gegevens in kwestie slechts betrouwbaar waren voor zover ze openbaar beschikbaar waren daarom afgewezen. Dat gezegd zijnde, heeft de Commissie uitgelegd dat zij percentages gebruikte en geen absolute cijfers. Deze gegevens zouden een nauwkeurigere en meer redelijke benadering opleveren.

102 Hoe dan ook volgt uit de rechtspraak dat de wettigheid van een verordening tot instelling van antidumpingrechten moet worden getoetst aan de rechtsregels en met name aan de bepalingen van de basisverordening, en niet aan de hand van de vermeende eerdere beslissingspraktijk van de instellingen van de Unie [arrest van 18 oktober 2016, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑351/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:616, punt 107]. Het feit dat de Commissie in het verleden mogelijk andere databanken heeft gebruikt, kan de keuze voor de D&B-gegevens voor het onderhavige onderzoek dus niet ter discussie stellen.

103 Volgens de opzet van de basisverordening heeft de berekening van de normale waarde tot doel de verkoopprijs van een product te bepalen zoals deze zou zijn wanneer dit product in het land van oorsprong of van uitvoer zou worden verkocht, en moeten bijgevolg de kosten die verband houden met de verkoop op de binnenlandse markt in aanmerking worden genomen om de geconstrueerde waarde te berekenen. De instellingen hoeven bij de berekening van de normale waarde niet de reële kosten van de onderzochte onderneming in aanmerking te nemen, maar zij moeten een redelijke schatting maken van de VAA-kosten die deze onderneming zou moeten dragen indien zij het betrokken product in voldoende hoeveelheden in haar land van oorsprong zou verhandelen (arrest van 18 maart 2009, Shanghai Excell M&E Enterprise en Shanghai Adeptech Precision/Raad, T‑299/05, EU:T:2009:72, punt 258).

104 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Commissie in casu geen kennelijk onjuiste beoordeling heeft gemaakt door de berekening van een niet-verstoord en redelijk bedrag voor de VAA-kosten en de winst van de Thaise producenten te baseren op de D&B-gegevens. Verzoeksters hebben geen bewijzen aangevoerd die de betrouwbaarheid van de gegevens in kwestie in twijfel trekken.

105 De grief van verzoeksters dat er een fout is gemaakt bij de berekening van de VAA-kosten en de winst, die niet overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, onder a), vierde alinea, van de basisverordening zouden zijn vastgesteld, moet dus worden afgewezen.

3) Het vereiste van wijzigingen en correcties

106 Verzoeksters betogen dat de Commissie correcties had moeten toepassen op de gegevens van de Thaise producenten, zodat zij zouden overeenkomen met de kosten van een Chinese producent. In dat verband voeren zij aan dat volgens de beroepsinstantie van de WTO „de onderzoekende autoriteit, welke informatie zij ook gebruikt, altijd moet waarborgen dat die informatie wordt gebruikt om tot de productiekosten in het land van oorsprong te komen”.

107 De Commissie betwist het betoog van verzoeksters.

108 Ten eerste zij erop gewezen dat verzoeksters geen schending van een specifieke bepaling van de basisverordening aanvoeren, maar verwijzen naar de besluitvormingspraktijk van de beroepsinstantie van de WTO.

109 In dat verband blijkt uit de rechtspraak dat de overeenkomsten van de WTO, gelet op hun aard en opzet, in beginsel niet tot de normen behoren waaraan de Unierechter de rechtmatigheid van de handelingen van de instellingen van de Unie toetst uit hoofde van artikel 263, eerste alinea, VWEU. Evenwel geldt dat ingeval de Unie uitvoering had willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of indien de Uniehandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO-overeenkomsten zou verwijzen, de Unierechter de rechtmatigheid van de betrokken Uniehandeling aan de WTO-regels dient te toetsen (arrest van 14 juli 2021, Interpipe Niko Tube en Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant/Commissie, T‑716/19, EU:T:2021:457, punt 95).

110 Vervolgens moet in herinnering worden gebracht dat de Uniewetgever bij verordening (EU) 2017/2321 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van verordening (EU) 2016/1036 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie, en verordening (EU) 2016/1037 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2017, L 338, blz. 1), artikel 2 van de basisverordening heeft gewijzigd teneinde lid 6 bis in te voegen en lid 7 te wijzigen.

111 Volgens de rechtspraak gaf artikel 2, lid 7, van de basisverordening, in de versie vóór die welke voortvloeit uit verordening 2017/2321, uitdrukking aan de wil van de Uniewetgever om op dit gebied een voor de rechtsorde van de Unie passende benadering te volgen door een bijzondere regeling in te voeren met gedetailleerde regels voor de berekening van de normale waarde voor invoer uit landen zonder markteconomie. Daarom is er geoordeeld dat deze bepaling niet kan worden geacht een maatregel te zijn waarmee binnen de rechtsorde van de Unie moet worden gezorgd voor uitvoering van een bijzondere verplichting die in het kader van de WTO-overeenkomsten is aangegaan, waarin geen regels vervat zijn over de berekening van de normale waarde voor landen die geen markteconomie hebben. Het Gerecht heeft verduidelijkt dat in deze bepaling regels voor de berekening van de normale waarde worden vastgesteld die geen pendant hebben in de WTO-overeenkomsten en dat de Commissie daarom niet verplicht was deze bepaling uit te leggen in overeenstemming met de verplichtingen die voor de Unie uit de WTO voortvloeien. Zou dit wel het geval zijn, dan zou haar immers de beoordelingsbevoegdheid worden ontnomen die de wetgever haar heeft willen toekennen (zie arrest van 21 februari 2024, Sinopec Chongqing SVW Chemical e.a./Commissie, T‑762/20, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2024:113, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

112 Deze beginselen zijn naar analogie van toepassing op artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. Deze bepaling voert immers een bijzondere regeling in voor de vaststelling van de normale waarde in geval van uitvoer uit landen waarvan vaststaat dat op hun binnenlandse markt sprake is van verstoringen van betekenis, zoals omschreven in diezelfde bepaling. Het WTO-recht bevat echter geen specifieke regels voor de berekening van de normale waarde in dergelijke situaties.

113 Daaruit volgt dat artikel 2, lid 6 bis, niet kan worden geacht een maatregel te zijn waarmee binnen de rechtsorde van de Unie moet worden gezorgd voor uitvoering van een bijzondere verplichting die in het kader van de WTO-overeenkomsten is aangegaan in de zin van de in punt 111 hierboven aangehaalde rechtspraak. Verzoeksters kunnen zich derhalve niet beroepen op de verplichting om dit artikel conform de WTO-regels uit te leggen (zie in die zin arrest van 21 februari 2024, Sinopec Chongqing SVW Chemical e.a./Commissie, T‑762/20, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2024:113, punt 49).

114 Dat gezegd zijnde, zij erop gewezen dat verzoeksters in het kader van deze grief hoe dan ook louter hun argumenten herhalen betreffende de aanwezigheid in de Thaise invoer van de Japanse walsdraad die van het onderzoek had moeten worden uitgesloten en betreffende het feit dat de verzamelde gegevens niet overeenkomen met die van de drie Chinese producenten-exporteurs die in de steekproef waren opgenomen. Wat de gestelde verplichting tot correctie van de productiekosten betreft, beroepen verzoeksters zich niet op een specifieke bepaling van de basisverordening die zou zijn geschonden.

115 Aldus moet worden vastgesteld dat artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening verwijst naar een „redelijk en niet-verstoord bedrag” dat door de Commissie moet worden vastgesteld en dat verzoeksters geen bewijs hebben aangedragen dat dit bedrag verstoord of onredelijk was.

116 Gelet op het voorgaande en op de conclusie in de punten 78 en 105 hierboven, moet het eerste onderdeel van het eerste middel van verzoeksters, met betrekking tot de kennelijke beoordelingsfout die de Commissie zou hebben gemaakt door Thailand als passend representatief land te kiezen voor de berekening van de normale waarde van het onderzochte product overeenkomstig de voorwaarden van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening, in zijn geheel worden afgewezen.

b) Tweede onderdeel: Maleisië was het meest passende representatieve land

117 Verzoeksters voeren in wezen aan dat Maleisië het passende representatieve land was waarop de Commissie haar berekening van de normale waarde in de zin van artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening had moeten baseren. De Commissie heeft dan ook niet al het bewijsmateriaal waarover zij beschikte in aanmerking genomen, aangezien Maleisië op basis van verschillende factoren een betere bron zou zijn geweest dan Thailand.

118 In dat verband betwisten verzoeksters in de eerste plaats dat de Commissie, bij het onderzoek van de gegevens waarover zij beschikte, haar beoordeling heeft gebaseerd op het volume van de invoer onder GS-code 7227.90 (draad van gelegeerd staal) in plaats van op de invoerprijzen, die representatiever en betrouwbaarder zouden zijn dan die met betrekking tot Thailand. Bovendien heeft de Commissie niet gerechtvaardigd waarom de Maleisische invoer minder betrouwbaar was, aangezien de Maleisische invoerprijzen, in tegenstelling tot de Thaise invoerprijzen, vergelijkbaar zouden zijn geweest met de kosten van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs.

119 Verzoeksters zijn ook van mening dat de Commissie zich niet had mogen beperken tot de invoer onder GS-code 7227.90, maar eveneens rekening had moeten houden met de Maleisische invoer in zijn geheel. Indien ook de drie andere belangrijkste grondstoffen (onder GS-codes 7213.91, 7213.99 en 722830) in aanmerking zouden worden genomen, zou immers 70 % van de Maleisische invoer van walsdraad afkomstig zijn uit andere landen dan de VRC en niet-WTO-leden, terwijl in Thailand slechts 54 % van de invoer onder deze vier GS-codes afkomstig is uit andere bronnen dan de VRC en niet-WTO-leden. Indien de Commissie van oordeel was dat de prijs van de Maleisische invoer voor GS-code 7227.90 niet representatief of betrouwbaar was, had zij zich bovendien op een bepaald land kunnen baseren en vervolgens voor een specifiek artikel een andere benchmark kunnen kiezen, zoals de Commissie in het kader van andere onderzoeken heeft kunnen doen.

120 In de tweede plaats betogen verzoeksters dat er in Maleisië voldoende ondernemingen waren waarop de Commissie zich kon baseren, aangezien Ningbo Jinding de gecontroleerde jaarrekeningen van 11 Maleisische producenten van bevestigingsmiddelen had overgelegd, en dat de Commissie zich op ten minste drie daarvan had kunnen baseren.

121 De Commissie is van mening dat het betoog van verzoeksters moet worden afgewezen.

122 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat hoewel verzoeksters niet hebben bewezen dat de Commissie bij de keuze van Thailand als passend representatief land een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, het Gerecht overeenkomstig de in punt 43 hierboven aangehaalde rechtspraak moet nagaan of de Commissie bij de beoordeling van de geschiktheid van het gekozen land geen wezenlijke factoren buiten beschouwing heeft gelaten en of de gegevens van het dossier met de nodige zorgvuldigheid zijn onderzocht, zodat de normale waarde van het betrokken product kan worden geacht op passende en niet onredelijke wijze te zijn vastgesteld. De argumenten van verzoeksters in het kader van dit tweede onderdeel hoeven dus alleen te worden onderzocht voor zover de Commissie de keuze had tussen meerdere „passende representatieve” landen, waarbij zij mogelijk de voorkeur had moeten geven aan het land dat een passend niveau van sociale en milieubescherming bood overeenkomstig de criteria van artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening.

123 Dat gezegd zijnde, moet worden vastgesteld dat de Commissie volgens overweging 224 van de bestreden verordening heeft geoordeeld dat meer dan 75 % van de invoer van draad van gelegeerd staal (GS 7227.90) in Maleisië afkomstig was uit de VRC en niet-WTO-landen en dat draad van gelegeerd staal meer dan 45 % van de productiekosten van bevestigingsmiddelen vertegenwoordigde. Op basis hiervan was de Commissie van oordeel dat de invoerwaarde van draad van gelegeerd staal niet representatief was in vergelijking met de andere beschikbare representatieve landen en heeft zij geconcludeerd dat Maleisië voor de niet-verstoorde waarde over een reeks onmiddellijk beschikbare gegevens van een lagere kwaliteit beschikte.

124 Bovendien heeft de Commissie volgens overweging 235 van de bestreden verordening vastgesteld dat de invoer in Maleisië onder GS-code 7227.90 uit niet-verstoorde bronnen kleiner was dan de omvang van de invoer naar andere potentiële representatieve landen en wat prijzen betreft dus als minder betrouwbaar werd beschouwd. De Commissie heeft geoordeeld dat de Maleisische invoer wat de prijzen betreft minder geschikt was dan de Thaise invoer, aangezien die invoer te lijden had van concurrentie met invoer uit de VRC en niet-WTO-landen, die samen goed waren voor meer dan 80 % van de totale invoer van deze grondstof in Maleisië.

125 Uit de gegevens van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VRC bleek voorts dat het aandeel van de overige drie belangrijke grondstoffen samen minstens 10 % kleiner was dan dat van draad van gelegeerd staal. De Commissie heeft dus ook rekening gehouden met het feit dat het relatieve gewicht van de invoer van deze andere grondstoffen uit de VRC en niet-WTO-landen behalve voor een van deze grondstoffen (GS 7213.91) in Maleisië hoger was dan in Thailand. De Commissie heeft daarom het argument van bepaalde belanghebbenden verworpen dat Maleisië een passend representatief land was.

126 Verzoeksters’ argumenten kunnen niet afdoen aan deze keuze van de Commissie.

127 In de eerste plaats blijkt uit de bestreden verordening dat hoewel de Commissie van mening was dat zij niet over voldoende of passende gegevens beschikte met betrekking tot Maleisië, dat land in feite voornamelijk werd uitgesloten op grond van het feit dat de geregistreerde invoer van het betrokken product niet in aanmerking kon worden genomen voor de berekening van de normale waarde, aangezien deze niet door de vrije marktwerking tot stand was gekomen. De Commissie heeft uitgelegd dat zij eerst naar de prijzen had gekeken om de representativiteit van het betrokken land vast te stellen en dat uit het aandeel van de invoer uit de VRC en niet-WTO-landen bleek dat de prijzen van het resterende invoervolume ook werden beïnvloed door de concurrentie met invoer uit de VRC en niet-WTO-landen, die samen goed waren voor meer dan 80 % van de totale invoer van deze grondstof in Maleisië.

128 Wat betreft het belang van het aandeel van de grondstoffen die onder de vier codes vallen, heeft de Commissie voorts uitgelegd dat de GS-code 7227.90 de belangrijkste productiefactor was, aangezien deze meer dan 50 % van de kosten van de gebruikte grondstoffen en meer dan 35 % van de productiekosten van de bevestigingsmiddelen vertegenwoordigde, meer dan de andere grondstoffen samen. Dat gezegd zijnde, geven verzoeksters toe dat de Thaise invoervolumes onder GS-code 7227.90 die de Commissie kon gebruiken, groter waren dan die voor Maleisië.

129 Het argument van verzoeksters met betrekking tot dezelfde ingevoerde hoeveelheid die in het kader van een ander onderzoek voldoende zou zijn geweest, is niet relevant in het kader van het onderzoek van de bestreden verordening in de onderhavige zaak. Om te beginnen moet de rechtmatigheid van een verordening tot instelling van antidumpingrechten volgens de rechtspraak worden beoordeeld aan de hand van de rechtsregels en inzonderheid aan de hand van de bepalingen van de basisverordening, en niet op basis van de vermeende eerdere besluitvormingspraktijk van de instellingen van de Unie [zie in dat verband arrest van 18 oktober 2016, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑351/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:616, punt 107; zie ook in die zin arresten van 10 februari 2021, RFA International/Commissie,C‑56/19 P, EU:C:2021:102, punt 79, en 4 oktober 2006, Moser Baer India/Raad,T‑300/03, EU:T:2006:289, punt 45]. Voorts verschilt het belang van de ingevoerde hoeveelheid van een product naargelang van het desbetreffende product.

130 In de tweede plaats moet, wat betreft het argument dat er geen gegevens beschikbaar waren over Maleisische producenten, dat door verzoeksters wordt betwist omdat Ningbo Jinding de Commissie relevante en kwalitatieve gegevens over Maleisische producenten had verstrekt, ten eerste worden vastgesteld dat Ningbo Jindin de gecontroleerde financiële rekeningen van een Maleisische producent op 5 januari 2021, dus vóór de eerste mededeling, heeft overgelegd, in haar opmerkingen over de door de Commissie gekozen GS-codes, waarin zij aanvoerde dat zowel Thailand als Maleisië passende representatieve landen waren. Volgens overweging 237 van de bestreden verordening heeft de Commissie het door de Maleisische producent overgelegde document ongepast geacht, omdat de groep waartoe de onderneming behoorde andere activiteiten omvatte dan de productie van bevestigingsmiddelen in Maleisië, hetgeen verzoeksters niet betwisten.

131 Ten tweede blijkt uit overweging 294 van de bestreden verordening dat Ningbo Jinding gegevens over de gecontroleerde financiële rekeningen van elf producenten van bevestigingsmiddelen heeft verstrekt ná de mededeling van de definitieve bevindingen, te weten – zoals de Commissie ook opmerkt – acht maanden nadat zij daar in de tweede mededeling om was verzocht. Deze mededeling kwam dus te laat en werd niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de geschiktheid van het passende representatieve land in het kader van het onderzoek.

132 Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters niet hebben bewezen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat Maleisië niet als passend representatief land in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening kon worden gekozen in het kader van het onderzoek waarop het onderhavige beroep betrekking heeft.

c) Berekening van de binnenlandse vervoerskosten, hulpstoffen en algemene kosten met het oog op de vaststelling van de normale waarde

133 Teneinde alle aan de productie van het betrokken product verbonden kosten in aanmerking te nemen, heeft de Commissie de kosten van de grondstoffen gereconstrueerd op basis van de prijzen zoals die beschikbaar zouden zijn geweest voor een producent in het passende representatieve land, te weten Thailand.

134 In het kader van het derde onderdeel van het eerste middel voeren verzoeksters in de eerste plaats aan dat de Commissie bij de kosten voor het vervoer van de grondstoffen, bij de hulpstoffen (minder belangrijke grondstoffen die tijdens het productieproces worden verbruikt) en bij de algemene kosten een kunstmatige berekening heeft gemaakt en dat deze niet „overeenkwamen” met die van de Chinese producenten, hetgeen in strijd is met artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening. De Commissie heeft de vervoerskosten immers verhoogd door toepassing van dezelfde coëfficiënt als die welke is gebruikt om de kosten van de betrokken grondstof te berekenen. Deze benchmark heeft echter betrekking op deze grondstof in Thailand en heeft geen gevolgen voor de vervoerskosten. Het vervoer is een dienst waarvan de kosten niet stijgen of dalen naargelang van de stijging of daling van de waarde van de vervoerde grondstof. Hoe dan ook mag niet hetzelfde percentage worden toegepast. Deze methode houdt geen rekening met concrete feitelijke elementen, zoals de afstand van het vervoer.

135 Bovendien heeft Ningbo Jinding de Commissie een passende benchmark voor Thailand meegedeeld, te weten de eenheidsvrachtkosten per kilogram en per kilometer in Thailand, op basis van het verslag „Doing Business 2020 – Thailand”. De Commissie beschikte dus over een geschiktere benchmark dan de kunstmatige verhouding waarop zij zich heeft gebaseerd.

136 In de tweede plaats zijn verzoeksters van mening dat dezelfde criteria gelden voor de berekeningen van de hulpstoffen en de algemene kosten, voor zover de Commissie deze waarden heeft berekend in verhouding tot de herberekende kosten van de grondstoffen, door ze te verhogen op basis van een benchmark die er geen enkel verband mee houdt. Hulpstoffen zijn echter geen grondstoffen en de algemene kosten omvatten posten zoals huur, reparaties en afschrijvingen. Deze kosten houden geen verband met de kosten van de grondstoffen.

137 Bovendien heeft de Commissie, in strijd met de krachtens artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening op haar rustende verplichting, de belanghebbenden niet in kennis gesteld van de bron die zij wilde gebruiken om de vervoerskosten vast te stellen. Noch de eerste mededeling in het dossier over de productiefactoren, noch de tweede mededeling bevat immers enige informatie over dit thema.

138 De Commissie is van mening dat het betoog van verzoeksters moet worden afgewezen.

139 In de eerste plaats heeft de Commissie volgens overweging 256 van de bestreden verordening de vervoerskosten van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs voor de levering van grondstoffen uitgedrukt als een percentage van de werkelijke kosten van dergelijke grondstoffen, en heeft zij vervolgens hetzelfde percentage toegepast op de niet-verstoorde kosten van dezelfde grondstoffen in Thailand, teneinde de niet-verstoorde vervoerskosten te verkrijgen. De Commissie was van oordeel dat, in het kader van het onderzoek, de ratio tussen de grondstoffen van de Chinese producent-exporteur en de gerapporteerde vervoerskosten redelijkerwijs kon worden gebruikt als indicatie voor de schatting van de niet-verstoorde kosten van grondstoffen bij levering aan de fabriek van de onderneming.

140 Uit de overwegingen 327 en 328 van de bestreden verordening blijkt dat de Commissie van oordeel was dat de normale waarde in de zin van artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de bestreden verordening de prijs moest weerspiegelen die een producent van bevestigingsmiddelen in Thailand zou betalen voor de grondstoffen die aan de fabriekspoort worden geleverd. Als de kosten voor internationaal vervoer of de invoerrechten niet waren toegevoegd, zou de resulterende benchmark niet de niet-verstoorde prijs op de Thaise markt weerspiegelen, maar alleen de gemiddelde prijs op cif-niveau (kosten, verzekering en vracht) in de landen die de betrokken grondstoffen uitvoeren.

141 De Commissie heeft daaraan toegevoegd dat zij, bij gebrek aan een benchmark voor de vervoerkosten (per onderneming, per soort grondstof, per verschillend vervoerkanaal enz.), heeft gebruikgemaakt van de verhouding tussen de vervoerkosten en de grondstoffenkosten van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs. Deze verhouding wordt toegepast op de benchmark voor de grondstof, die vervolgens wordt vermenigvuldigd met de hoeveelheid van de grondstoffen die door de producent-exporteur worden verbruikt. Een dergelijke methode zou de kostenstructuur van de producent-exporteur weerspiegelen, aangezien de verhouding tussen de vervoerskosten en de kosten van de grondstoffen wordt gehandhaafd en verder wordt toegepast op de niet-verstoorde benchmark.

142 Om tot de totale niet-verstoorde productiekosten te komen, heeft de Commissie de algemene productiekosten erbij opgeteld. Die kosten van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs werden vermeerderd met de kosten van de minder belangrijke grondstoffen en de hulpstoffen, en vervolgens uitgedrukt als percentage van de werkelijke productiekosten van elk van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Dit percentage is toegepast op de niet-verstoorde productiekosten.

143 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat de Commissie zich niet kon baseren op de prijzen die door de Chinese producenten-exporteurs werden betaald, wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in dat land. Uit de overwegingen 187 en volgende van de bestreden verordening blijkt dat de Commissie heeft vastgesteld dat er sprake was van verstoringen van betekenis wegens aanzienlijk ingrijpen van de Chinese overheid in de staalsector, wat gevolgen had voor de prijzen of de kosten van het betrokken product, met inbegrip van de kosten van de grondstoffen.

144 Artikel 2, lid 6 bis, onder b), van de basisverordening definieert het begrip „verstoringen van betekenis” als „de verstoringen die zich voordoen wanneer de gerapporteerde prijzen en kosten, waaronder de kosten van grondstoffen en energie, niet door de vrije marktwerking tot stand komen, doordat zij door aanzienlijk overheidsingrijpen worden beïnvloed” en bevat een indicatieve lijst van factoren waarmee bij de analyse van die verstoringen rekening kan worden gehouden. Verzoeksters komen in het kader van het onderhavige beroep niet op tegen de beoordelingen van de Commissie met betrekking tot het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC.

145 In dat verband moet worden opgemerkt dat de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen van de Unie op het gebied van beschermende handelsmaatregelen beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken eveneens de vaststelling betreft dat er verstoringen van betekenis aanwezig zijn in de zin van artikel 2, lid 6 bis, onder b), van de basisverordening. Hetzelfde geldt voor de feitelijke situaties van politieke en juridische aard in het betrokken land, die de instellingen van de Unie moeten beoordelen om te bepalen of een exporteur onder marktvoorwaarden handelt zonder staatsinmenging van betekenis (zie arrest van 21 juni 2023, Guangdong Haomei New Materials en Guangdong King Metal Light Alloy Technology/Commissie, T‑326/21, EU:T:2023:347, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

146 Hieruit volgt dat verzoeksters overeenkomstig de in punt 39 aangehaalde rechtspraak dienen te bewijzen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij de berekening van de normale waarde van het onderzochte product en met name bij de berekening van de kosten voor binnenlands vervoer, bij de hulpstoffen, en bij de algemene kosten.

147 Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, hebben verzoeksters noch tijdens het onderzoek noch in hun schriftelijke opmerkingen aan het Gerecht betwist dat er bij de vervoerskosten van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs voor de levering van grondstoffen, bij de hulpstoffen en bij de algemene kosten sprake was van verstoringen van betekenis.

148 Daaruit volgt dat de kosten van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs niet als benchmark kunnen dienen voor de berekening van de bijkomende kosten. De Commissie heeft uitgelegd dat, wanneer geen geschikte benchmarks beschikbaar waren, zij deze moest vaststellen in verhouding tot de kostencategorie waartoe de betrokken kosten behoorden. Zodra de niet-verstoorde kosten van grondstoffen of de productiekosten waren vastgesteld, heeft de Commissie derhalve de benchmark toegepast om de niet-verstoorde kosten in kwestie te schatten, waarbij zij de kostenstructuur van de producent-exporteur heeft behouden. Indien de kosten voor binnenlands vervoer bijvoorbeeld 1 % van de totale kosten van de grondstoffen uitmaakten, zoals vermeld in de boekhouding van een Chinese producent-exporteur, zouden zij dus nog steeds 1 % van de kosten van de grondstoffen vertegenwoordigen in de door de Commissie op basis van artikel 2, lid 6 bis, onder a), van de basisverordening berekende normale waarde.

149 De Commissie heeft overigens de door Ningbo Jinding verstrekte benchmark afgewezen, voor zover zij niet over betrouwbare informatie beschikte met betrekking tot de afstand in kilometer. Bovendien werden de vier belangrijkste grondstoffen aan Ningbo Jinding geleverd door verschillende leveranciers, die dus uit verschillende regio’s van de VRC kwamen, terwijl verzoeksters hadden voorgesteld om één enkele afstand te gebruiken, te weten de kortste afstand tot de haven. Ook kon de benchmark niet aan andere gegevens worden getoetst, aangezien deze na de definitieve mededeling werd verstrekt. Deze benchmark werd dan ook afgewezen.

150 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat verzoeksters geen geschikte benchmark voor de berekening van de hulpstoffen en de algemene kosten hebben verstrekt.

151 Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat de Commissie over een ruime beoordelingsmarge beschikt voor de analyse van de gegevens (arrest van 19 mei 2021, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,T‑254/18, EU:T:2021:278, punt 180).

152 Bij gebrek aan relevantere en betrouwbaardere gegevens die de Commissie kon gebruiken bij het berekenen van de kosten voor het binnenlandse vervoer en de hulpstoffen en van de algemene kosten, was zij dus verplicht om deze kosten te berekenen aan de hand van de structuur van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs. In dat verband moet voorts worden opgemerkt dat verzoeksters op zich niet betwisten dat de normale waarde van het product zoals berekend op basis van de Thaise producenten deze aan de grondstoffen verbonden kosten moest omvatten.

153 Hoe dan ook blijkt uit de rechtspraak dat bij gebrek aan beschikbare betrouwbaardere gegevens, de gegevens die na een aanpassing van andere gegevens zijn verkregen positief bewijsmateriaal kunnen vormen, mits ten eerste deze andere gegevens zelf dergelijk positief bewijsmateriaal vormen en ten tweede de betreffende aanpassingen zijn verricht op basis van redelijke aannamen zodat het resultaat van deze aanpassingen plausibel is (arrest van 21 september 2023, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie,C‑478/21 P, EU:C:2023:685, punt 125).

154 Bij gebrek aan meer betrouwbare gegevens kon de Commissie dus, zonder een kennelijke beoordelingsfout te maken, de kosten van het binnenlands vervoer, de hulpstoffen en de andere algemene kosten berekenen door middel van een percentage op de kosten van de grondstoffen die nodig zijn voor de vervaardiging van het betrokken product, waarbij zij de structuur van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in acht diende te nemen.

155 Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters geen bewijs hebben geleverd van een kennelijke beoordelingsfout door de Commissie bij de berekening van de kosten van het binnenlands vervoer, de hulpstoffen en de andere algemene kosten. Bijgevolg moet het derde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

d) Berekening van de arbeidskosten per uur

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken