Gerecht EU 10 maart 2009, T-249/06, ECLI:EU:T:2009:62
Tekst
Zaak T‑249/06
Interpipe Nikopolsky Seamless Tubes Plant Niko Tube ZAT (Interpipe Niko Tube ZAT) en Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant VAT (Interpipe NTRP VAT)
tegen
Raad van de Europese Unie
„Dumping – Invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, uit Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland – Berekening van normale waarde – Medewerking van bedrijfstak van Gemeenschap – Correctie – Functies die vergelijkbaar zijn met die van op commissiebasis werkende agent – Enkele economische eenheid – Kennelijk onjuiste beoordeling – Aangeboden verbintenis – Rechten van verdediging – Motiveringsplicht”
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Beoordelingsvrijheid van instellingen – Rechterlijke toetsing – Grenzen
2. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Dumpingmarge – Vaststelling van normale waarde – Toepassing van aangenomen waarde
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 6, lid 8, en 18)
3. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Schade
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 3, leden 2, 3, 5, 6 en 7, 6, lid 2, en 18, lid 3)
4. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Antidumpingprocedure – Toegang tot dossier – Verstrekking van niet-vertrouwelijke samenvattingen
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 19, lid 3)
5. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Onderzoek – Beoordelingsvrijheid van Commissie
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 5, lid 4)
6. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Rechten van verdediging – Eerbiediging in kader van administratieve procedures – Antidumpingprocedure
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 2, lid 10, en 20, lid 2)
7. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Dumpingmarge – Berekening van uitvoerprijs
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 2, lid 10, sub i)
8. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Dumpingmarge – Vergelijking tussen normale waarde en uitvoerprijs – Correcties
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 2, lid 10)
9. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Bescherming tegen dumpingpraktijken – Aanbod van prijsverbintenissen – Aanvaarding – Beoordelingsvrijheid van instellingen
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 8, lid 1)
1. Op het gebied van handelspolitieke beschermingsmaatregelen beschikken de gemeenschapsinstellingen over een ruime beoordelingsvrijheid wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken.
Hieruit volgt dat de gemeenschapsrechter bij de toetsing van de beoordelingen van de instellingen alleen mag nagaan of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid.
(cf. punten 38‑39)
2. De inachtneming van de door de communautaire rechtsorde in administratieve procedures geboden waarborgen is van fundamenteel belang wanneer de gemeenschapsinstellingen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken. Een van die waarborgen is de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken.
In die omstandigheden kan de gemeenschapsrechter, op het gebied van de handelspolitieke beschermingsmaatregelen en, in het bijzonder, van de antidumpingmaatregelen, weliswaar niet in de beoordeling treden die is voorbehouden aan de communautaire instanties, maar moet hij toch nagaan of de instellingen alle relevante omstandigheden in aanmerking hebben genomen en de elementen van het dossier hebben onderzocht met de zorgvuldigheid die nodig is om te kunnen aannemen dat de aangenomen normale waarde op redelijke wijze is vastgesteld.
Wanneer de Commissie over tegenstrijdige informatie beschikt, of althans over informatie waarvan de geldigheid ter discussie kan worden gesteld, dient de verzoekende partij het bewijs te leveren van haar stelling en van wat zij geldend wil maken. Wordt dat bewijs niet geleverd, dan voldoet de Commissie aan haar verplichting om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, wanneer zij verklaart geen rekening te kunnen houden met niet geverifieerde nieuwe gegevens.
(cf. punten 40‑41, 50‑51, 53)
3. In het kader van antidumpingbasisverordening nr. 384//96 is het weliswaar de taak van de Commissie, als onderzoeksinstantie, uit te maken of bij het product waarop de antidumpingprocedure betrekking heeft, sprake is van dumping en of het feit dat dit product in de Gemeenschap in het vrije verkeer wordt gebracht, schade veroorzaakt, en kan deze instelling in dat kader de dienaangaande op haar rustende bewijslast dus niet bij een partij leggen, doch dat neemt niet weg dat de Commissie aan deze verordening geen onderzoeksbevoegdheid ontleent op grond waarvan zij vennootschappen zou kunnen dwingen, hun medewerking te verlenen aan het onderzoek of informatie over te leggen. In die omstandigheden zijn de Raad en de Commissie afhankelijk van de vrijwillige medewerking van de partijen om hun binnen de gestelde termijn de benodigde informatie te verstrekken. De antwoorden van die partijen op de in artikel 6, lid 2, van die verordening bedoelde vragenlijst zijn dus van wezenlijk belang voor het verloop van de antidumpingprocedure.
Ofschoon de bij een antidumpingprocedure betrokken partijen in beginsel op grond van artikel 6, lid 2, van verordening nr. 384/96 verplicht zijn, een antwoord op de vragenlijst van de Commissie in te dienen, volgt uit de tekst van artikel 18, lid 3, van die verordening dat in een andere vorm of in een ander document verstrekte informatie niet buiten beschouwing mag worden gelaten wanneer de tekortkomingen niet van dien aard zijn dat zij het bereiken van redelijk betrouwbare conclusies al te zeer bemoeilijken, de inlichtingen binnen de termijnen worden verstrekt en controleerbaar zijn, en de betrokkene naar beste vermogen heeft gehandeld.
Wanneer een partij heeft nagelaten een antwoord op die vragenlijst in te dienen, maar in een ander document informatie heeft verstrekt, kan haar dus geen gebrek aan medewerking worden verweten indien deze vier voorwaarden zijn vervuld. Een dergelijke partij zal niet worden geacht niet te hebben meegewerkt, indien de leemten in de overgelegde gegevens geen significante invloed hebben op het verloop van het onderzoek. In dat geval kan aan de Raad niet worden verweten dat hij een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door aan te nemen dat het ontbreken van een antwoord op de vragenlijst de vaststelling van de schade noch de berekening van de schademarge heeft vervalst.
(cf. punten 87‑88, 90‑92, 98)
4. In het kader van een antidumpingprocedure kunnen onregelmatigheden bij de mededeling door de Commissie van niet-vertrouwelijke samenvattingen als bedoeld in artikel 19, lid 3, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 slechts een schending van procedurele rechten opleveren die nietigverklaring van de antidumpingverordening rechtvaardigt, indien de betrokkene onvoldoende bekend was met de kern van de inhoud van het stuk of van de stukken en daardoor zijn standpunt omtrent de juistheid en de relevantie ervan niet op zinvolle wijze kenbaar heeft kunnen maken. Bijgevolg kan het gebruik door de Commissie van informatie waarvan geen niet-vertrouwelijke samenvatting is verstrekt, slechts dan door de partijen bij een antidumpingprocedure als grond voor nietigverklaring van een antidumpingmaatregel worden aangevoerd, wanneer deze partijen kunnen aantonen dat door het gebruik van die informatie hun rechten van verdediging worden geschonden.
Wat de toegang tot het onderzoeksdossier betreft, worden de rechten van de verdediging slechts geschonden wanneer de openbaarmaking van de betrokken documenten had kunnen resulteren in een kans, hoe klein ook, dat de administratieve procedure een andere afloop zou hebben gehad indien de betrokken onderneming zich in die procedure op die documenten had kunnen beroepen.
(cf. punten 131, 134)
5. Artikel 5, lid 4, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 bevat voor de Commissie geen verplichting om een antidumpingprocedure te beëindigen wanneer de steun voor de klacht beneden het minimum van 25 % van de productie in de Gemeenschap is gevallen. Dit artikel betreft immers slechts de mate waarin de klacht moet worden gesteund opdat de Commissie een procedure kan inleiden. Deze uitlegging wordt bevestigd door de bewoordingen van artikel 9, lid 1, van die verordening. Dus zelfs wanneer de bedrijfstak van de Gemeenschap de klacht intrekt, is de Commissie niet verplicht de procedure te beëindigen, maar kan zij dit doen.
(cf. punt 139)
6. Op grond van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging moeten de ondernemingen die het voorwerp van een aan de vaststelling van een antidumpingverordening voorafgaande onderzoeksprocedure zijn, tijdens de administratieve procedure de gelegenheid krijgen om zinvol hun standpunt kenbaar te maken omtrent het bestaan en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en omtrent het bewijsmateriaal dat de Commissie gebruikt tot staving van het door haar gestelde bestaan van dumping en van daaruit voortvloeiende schade.
Ofschoon de wetgever de betrokken partijen en inzonderheid de exporteurs in artikel 20, lid 2, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 het recht heeft willen verlenen om in kennis te worden gesteld van de essentiële feiten en uiteenzettingen op grond waarvan wordt overwogen de instelling van definitieve antidumpingrechten aan te bevelen, is de Commissie niet verplicht de betrokken partijen in kennis te stellen van de verschillende gegevens die feitelijk of rechtens ter zake relevant zijn, zoals de details van de raming van de schade.
In het kader van de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs hebben de bij een antidumpingprocedure betrokken partijen bovendien het recht om niet alleen in kennis te worden gesteld van het feit dat op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening een correctie is toepast, maar ook van de redenen waarom die correctie is toegepast. De rechten van de verdediging worden dus niet naar behoren geëerbiedigd wanneer de Commissie de betrokken partijen gewoon meedeelt dat een correctie is toegepast, maar niet uitlegt waarom dit is gebeurd.
Wanneer de Commissie een dergelijke onregelmatigheid heeft begaan, kan deze echter slechts een schending van de rechten van de verdediging opleveren die nietigverklaring van een verordening houdende instelling van definitieve antidumpingrechten rechtvaardigt, indien de verzoekende partij aantoont dat zij zich zonder die onregelmatigheid beter hadden kunnen verdedigen; zij hoeft echter niet aan te tonen dat die verordening dan een andere inhoud zou hebben gehad.
(cf. punten 64, 146, 148, 200‑201, 208)
7. In het kader van een antidumpingprocedure, en inzonderheid van de berekening van de uitvoerprijs, doet de scheiding van productie‑ en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, niets af aan het feit dat het gaat om één enkele economische eenheid die op deze wijze activiteiten verricht die in andere gevallen worden verricht door een entiteit die ook juridisch een eenheid vormt.
Wanneer wordt vastgesteld dat een producent taken die in de regel worden verricht door een bedrijfsinterne verkoopafdeling, opdraagt aan een distributiemaatschappij die hij economisch controleert en waarmee hij een economische eenheid vormt, kunnen de instellingen zich op goede gronden baseren op de prijzen die de eerste onafhankelijke afnemer aan de verbonden distributeur betaalt. De inaanmerkingneming van de prijzen van de verbonden distributeur voorkomt dat kosten die kennelijk in de verkoopprijs van een product zijn begrepen wanneer de verkoop wordt verricht door een bedrijfsinterne verkoopafdeling van de producent, niet meer daarin zijn begrepen wanneer de verkoop wordt verricht door een juridische zelfstandige vennootschap die echter economisch wordt gecontroleerd door de producent.
Er is sprake van een economische eenheid wanneer een producent taken die in de regel worden verricht door een bedrijfsinterne verkoopafdeling, opdraagt aan een distributiemaatschappij die hij economisch controleert. Verder is de kapitaalstructuur een relevante aanwijzing voor het bestaan van een economische eenheid. Bovendien kan er sprake zijn van een economische eenheid wanneer de producent een deel van de verkoopfuncties vervult naast de distributiemaatschappij.
(cf. punten 177‑179)
8. Zowel uit de bewoordingen als uit de opzet van artikel 2, lid 10, van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 blijkt dat een correctie van de uitvoerprijs of van de normale waarde alleen mag worden toegepast om rekening te houden met verschillen in factoren die van invloed zijn op de prijzen en dus op de vergelijkbaarheid daarvan. De bestaansreden van een correctie is het herstellen van de symmetrie tussen normale waarde en uitvoerprijs. Wanneer de correctie terecht is toegepast, impliceert dit dus dat deze symmetrie is hersteld. Wanneer de correctie daarentegen ten onrechte is toegepast, impliceert dit de handhaving of zelfs het creëren van asymmetrie tussen normale waarde en uitvoerprijs.
Evengoed als een partij die op grond van artikel 2, lid 10, van verordening nr. 384/96 een correctie vraagt om de normale waarde en de uitvoerprijs vergelijkbaar te maken met het oog op de bepaling van de dumpingmarge, het bewijs moet leveren dat haar verzoek gerechtvaardigd is, moeten ook de instellingen, wanneer zij een correctie menen te moeten toepassen, zich baseren op bewijzen, of althans op aanwijzingen waarmee het bestaan van een grond voor de correctie kan worden aangetoond en de gevolgen daarvan voor de vergelijkbaarheid van de prijzen kunnen worden bepaald.
(cf. punten 180, 184, 194‑195)
9. Geen enkele bepaling van antidumpingbasisverordening nr. 384/96 verplicht de gemeenschapsinstellingen tot het aanvaarden van prijsverbintenissen die worden aangeboden door marktdeelnemers waarop een aan de instelling van antidumpingrechten voorafgaand onderzoek betrekking heeft. Uit die verordening volgt integendeel dat de instellingen in het kader van hun beoordelingsvrijheid beslissen, of dergelijke verbintenissen kunnen worden aanvaard.
Volgens artikel 8, lid 1, van die basisverordening kan de Commissie een aangeboden verbintenis slechts aanvaarden indien is voldaan aan de fundamentele voorwaarde dat het gaat om „een door een exporteur op vrijwillige wijze aangeboden bevredigende verbintenis om zijn prijzen te herzien of de uitvoer met dumping te staken”. Een voorstel voor een verbintenis kan dus van de hand worden gewezen wanneer wordt vastgesteld dat de minimumprijzen bij invoer niet volstaan om de schadelijke gevolgen van de dumping weg te nemen.
(cf. punten 225, 230)
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
10 maart 2009 (*)
„Dumping – Invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, uit Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland – Berekening van normale waarde – Medewerking van bedrijfstak van Gemeenschap – Correctie – Functies die vergelijkbaar zijn met die van op commissiebasis werkende agent – Enkele economische eenheid – Kennelijk onjuiste beoordeling – Aangeboden verbintenis – Rechten van verdediging – Motiveringsplicht”
In zaak T‑249/06,
Interpipe Nikopolsky Seamless Tubes Plant Niko Tube ZAT (Interpipe Niko Tube ZAT), voorheen Nikopolsky Seamless Tubes Plant „Niko Tube” ZAT, gevestigd te Nikopol (Oekraïne),
Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant VAT (Interpipe NTRP VAT), voorheen Nizhnedneprovsky Tube‑Rolling Plant VAT, gevestigd te Dnipropetrovsk (Oekraïne),
aanvankelijk vertegenwoordigd door H.‑G. Kamann en P. Vander Schueren, en vervolgens door P. Vander Schueren, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.‑P. Hix als gemachtigde, bijgestaan door G. Berrisch, advocaat,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door H. van Vliet en T. Scharf, en vervolgens door H. van Vliet en K. Talabér-Ricz, als gemachtigden,
interveniënte,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 954/2006 van de Raad van 27 juni 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, uit Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland, tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 2320/97 en (EG) nr. 348/2000 van de Raad, tot beëindiging van de tussentijdse procedure en de procedure bij het vervallen van de maatregelen voor de eventuele herziening van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Roemenië en Rusland en tot beëindiging van de tussentijdse procedures voor de eventuele herziening van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Roemenië en Rusland en uit Kroatië en Oekraïne (PB L 175, blz. 4),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: I. Pelikánová, president, K. Jürimäe (rapporteur) en S. Soldevila Fragoso, rechters,
griffier: K. Pocheć, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 juni 2008,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
1 Artikel 2, lid 10, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 1996, L 56, blz. 1), in de versie voortvloeiend uit de wijziging bij verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad van 8 maart 2004 (PB L 77, blz. 12; hierna: „basisverordening”), stelt de criteria vast aan de hand waarvan de instellingen een billijke vergelijking van de uitvoerprijs met de normale waarde verrichten. Daarin wordt bepaald:
„De uitvoerprijs wordt op billijke wijze met de normale waarde vergeleken. Deze vergelijking geschiedt in hetzelfde handelsstadium, voor verkopen op zo dicht mogelijk bij elkaar liggende data en met inachtneming van andere verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Wanneer de vastgestelde normale waarde en de uitvoerprijs niet op deze grondslag kunnen worden vergeleken, wordt door middel van correcties, naargelang van de bijzondere kenmerken van elke zaak, rekening gehouden met verschillen tussen factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed op de prijzen zijn en, dientengevolge, op de vergelijkbaarheid daarvan. Hierbij dienen dubbele correcties te worden vermeden, in het bijzonder wat de kortingen, rabatten, hoeveelheden en het handelsstadium betreft. Wanneer aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kunnen correcties worden toegepast voor de hierna volgende factoren:
[...]
i) Commissies
Er wordt een correctie toegepast voor verschillen in de commissies die in verband met de verkoop van de betrokken producten worden betaald. Onder ‚commissies’ wordt ook verstaan de marge van een bedrijf die in het product of het soortgelijke product handelt indien de functies van deze handelaar vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent.
[...]”
2 Artikel 3 van de basisverordening betreft de vaststelling van schade. Het bepaalt:
„[...]
2. De vaststelling van schade is gebaseerd op positief bewijsmateriaal en houdt een objectief onderzoek in van a) de omvang van de invoer met dumping en de gevolgen daarvan voor de prijzen van soortgelijke producten in de Gemeenschap en b) de gevolgen van deze invoer voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.
3. Wat de omvang van de invoer met dumping betreft, wordt nagegaan of deze, in absolute cijfers dan wel in verhouding tot de productie of het verbruik in de Gemeenschap, aanzienlijk is toegenomen. Wat de weerslag van de invoer met dumping op de prijzen betreft, wordt nagegaan of een aanzienlijke prijsonderbieding door het met dumping ingevoerde product ten opzichte van de prijzen van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft plaatsgevonden, dan wel of deze invoer de prijzen op enige andere wijze sterk drukt of een aanzienlijke belemmering vormt voor prijsverhogingen die zonder deze invoer hadden plaatsgevonden, met dien verstande dat geen van deze factoren op zich, noch verscheidene van deze factoren tezamen noodzakelijkerwijze doorslaggevend is of zijn.
[...]
5. Het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap omvat een beoordeling van alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van die bedrijfstak van invloed zijn, zoals het feit dat een bedrijfstak nog steeds herstellende is van de gevolgen van invoer met dumping of subsidiëring die in het verleden heeft plaatsgevonden, de werkelijke hoogte van de dumpingmarge, de werkelijke en potentiële daling van de verkoop, de winst, de productie, het marktaandeel, de productiviteit, de rentabiliteit en de bezettingsgraad, alsmede de factoren die van invloed zijn op de prijzen in de Gemeenschap, de werkelijke en potentiële negatieve gevolgen voor de ‚cash flow’, de voorraden, de werkgelegenheid, de lonen, de groei en het vermogen om kapitaal of investeringen aan te trekken. Deze lijst is niet limitatief, noch zijn één of meer van deze factoren noodzakelijkerwijze doorslaggevend.
6. Aan de hand van het overeenkomstig lid 2 voorgelegde relevante bewijsmateriaal moet worden aangetoond, dat de invoer met dumping schade in de zin van [de basisverordening] veroorzaakt. Hierbij moet meer in het bijzonder worden aangetoond, dat de overeenkomstig lid 3 vastgestelde omvang en/of prijzen de in lid 5 omschreven gevolgen hebben voor de bedrijfstak van de Gemeenschap en dat deze gevolgen als aanmerkelijk kunnen worden aangemerkt.
7. Andere gekende factoren dan de invoer met dumping die de bedrijfstak van de Gemeenschap terzelfder tijd schade toebrengen, worden ook onderzocht, om te voorkomen dat de door deze andere factoren veroorzaakte schade overeenkomstig het bepaalde in lid 6 aan de invoer met dumping wordt toegeschreven. Relevant in dit verband zijn onder andere de hoeveelheden en de prijzen van de niet tegen dumpingprijzen verkochte invoer, een inkrimping van de vraag of wijzigingen in het consumentengedrag, handelsbeperkende praktijken van en de concurrentie tussen buitenlandse producenten en producenten in de Gemeenschap, technologische ontwikkelingen en exportprestaties en productiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap.
[...]”
3 Artikel 5 van de basisverordening heeft als opschrift „Inleiding van de procedure”. In lid 4 ervan wordt bepaald:
„Een onderzoek op grond van lid 1 wordt eerst geopend, nadat aan de hand van een onderzoek naar de mate waarin de klacht door de producenten van het soortgelijke product in de Gemeenschap wordt gesteund dan wel betwist wordt, is vastgesteld dat deze door of namens de bedrijfstak van de Gemeenschap is ingediend. De klacht wordt geacht ‚door of namens de bedrijfstak van de Gemeenschap te zijn ingediend’ indien zij wordt gesteund door de producenten in de Gemeenschap wier gezamenlijke productie meer dan 50 % bedraagt van de totale productie van het soortgelijke product dat wordt vervaardigd door dat deel van de bedrijfstak van de Gemeenschap dat zich voor of tegen de klacht heeft uitgesproken. Er wordt evenwel geen onderzoek geopend wanneer de producenten in de Gemeenschap die de klacht uitdrukkelijk steunen, minder dan 25 % van de totale productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap voor hun rekening nemen.”
4 Ten slotte bepaalt artikel 19, lid 3, van de basisverordening:
„Indien de Commissie van oordeel is, dat een verzoek om vertrouwelijke behandeling niet gegrond is en degene die de inlichtingen heeft verstrekt niet bereid is, deze bekend te maken of de bekendmaking ervan in algemene bewoordingen of in samengevatte vorm toe te staan, kunnen deze inlichtingen buiten beschouwing worden gelaten, tenzij uit goede bronnen blijkt dat ze juist zijn. [...]”
Voorgeschiedenis van het geding
5 Verzoeksters, Nikopolsky Seamless Tubes Plant „Niko Tube” ZAT, thans Interpipe Nikopolsky Seamless Tubes Plant Niko Tube ZAT (Interpipe Niko Tube ZAT) (hierna: „Niko Tube”), en Nizhnedneprovsky Tube‑Rolling Plant VAT, thans Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant VAT (Interpipe NTRP VAT) (hierna: „NTRP”), zijn Oekraïense vennootschappen die naadloze buizen en pijpen produceren. Verzoeksters zijn verbonden met twee verkoopvennootschappen: SPIG Interpipe, gevestigd in Oekraïne, en Sepco SA, gevestigd in Zwitserland.
6 Naar aanleiding van een klacht die op 14 februari 2005 was ingediend door het „Defence Committee of the Seamless Steel Tube Industry of the European Union”, heeft de Commissie krachtens artikel 5 van de basisverordening een antidumpingprocedure ingeleid met betrekking tot de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, uit Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland. Verder heeft de Commissie krachtens artikel 11, lid 3, van de basisverordening twee tussentijdse herzieningsprocedures betreffende de antidumpingrechten op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland geopend. Het bericht van inleiding van deze procedures is bekendgemaakt op 31 maart 2005 (PB C 77, blz. 2).
7 Het onderzoek naar de dumping en de daaruit voortvloeiende schade had betrekking op de periode van 1 januari tot en met 31 december 2004 (hierna: „onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar de trends die relevant waren voor de beoordeling van de schade, bestreek de periode van 1 januari 2001 tot het einde van het onderzoektijdvak.
8 Wegens het grote aantal producenten in de Gemeenschap heeft de Commissie overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening ten behoeve van het onderzoek een steekproef van vijf producenten uit de Gemeenschap samengesteld. Aanvankelijk bestond die steekproef uit de volgende vijf producenten in de Gemeenschap: Dalmine SpA, Benteler Stahl/Rohr GmbH, Tubos Reunidos SA, Vallourec & Mannesmann France SA (hierna: „V & M France”), V & M Deutschland GmbH (hierna: „V & M Deutschland”). Omdat Benteler Stahl/Rohr heeft beslist om niet mee te werken, heeft de Commissie deze producent vervangen door Rohrwerk Maxhütte GmbH.
9 Bij brieven van 6 juni en 14 juli 2005 hebben verzoeksters alsmede SPIG Interpipe en Sepco hun antwoorden op de antidumpingvragenlijst bij de Commissie ingediend. Van 17 tot en met 26 november 2005 zijn controles ter plaatse verricht bij verzoeksters en bij SPIG Interpipe.
10 Op 27 februari 2006 heeft de Commissie verzoeksters de eerste definitieve mededeling (general disclosure document) doen toekomen. Daarin werd gedetailleerd uiteengezet op grond van welke feiten en om welke redenen zij de vaststelling van definitieve antidumpingmaatregelen voorstelde. Bij brief van 22 maart 2006 zijn verzoeksters officieel opgekomen tegen de in de eerste definitieve mededeling geformuleerde conclusies van de Commissie. Zij hebben aangevoerd dat de Commissie verkeerdelijk gegevens betreffende niet door hen vervaardigde producten in aanmerking heeft genomen, dat zij de normale waarde en de uitvoerprijs niet in hetzelfde handelsstadium heeft vergeleken zoals artikel 2, lid 10, eerste alinea, van de basisverordening eist, en dat zij, door Sepco als importeur te behandelen en de uitvoerprijs van deze vennootschap bij wege van reconstructie te bepalen, inbreuk heeft gemaakt op artikel 2, lid 9, van de basisverordening.
11 Op 24 maart 2006 heeft de Commissie in aanwezigheid van verzoeksters een hoorzitting over de berekening van de dumpingmarge en over de door verzoeksters aangeboden prijsverbintenis gehouden. Op 30 maart 2006 heeft een hoorzitting over de schade plaatsgevonden.
12 Bij faxbericht van 3 april 2006 hebben verzoeksters de Commissie verzocht om inlichtingen over de medewerking die de bedrijfstak van de Gemeenschap aan het onderzoek verleende.
13 Op 24 april 2006 heeft de Commissie een tweede definitieve mededeling vastgesteld. Daarin heeft zij afwijzend beslist op het verzoek om bepaalde niet door verzoeksters vervaardigde producten, te weten de producten die onder het productcontrolenummer (hierna: „PCN”) KE4 vallen, van de berekening van de normale waarde uit te sluiten. Zij heeft de verkoopprijzen van Sepco gecorrigeerd, zij het niet meer op grond van artikel 2, lid 9, van de basisverordening, maar op grond van artikel 2, lid 10, sub i, daarvan. Ten slotte heeft de Commissie in die mededeling inlichtingen verstrekt over de medewerking die de bedrijfstak van de Gemeenschap verleende.
14 Bij faxbericht van 26 april 2006 hebben verzoeksters de Commissie er nogmaals op gewezen dat de in antwoord op de antidumpingvragenlijst verstrekte en door de ambtenaren van de Commissie gecontroleerde gegevens aantoonden dat de atomische buizen (atomic pipes) van PCN KE4 niet door haar waren vervaardigd.
15 Bij brief van 4 mei 2006 hebben verzoeksters hun volledige opmerkingen over de tweede definitieve mededeling bij de Commissie ingediend.
16 Bij brief van 30 mei 2006 heeft de Commissie verzoeksters uitgelegd, waarom zij de door hen op 22 maart 2006 aangeboden verbintenis niet had aanvaard.
17 Op 7 juni 2006 is de Commissie overgegaan tot vaststelling en bekendmaking van haar voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, uit Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland, tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 2320/97 en (EG) nr. 348/2000 van de Raad, tot beëindiging van de tussentijdse procedure en de procedure bij het vervallen van de maatregelen voor de eventuele herziening van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Roemenië en Rusland en tot beëindiging van de tussentijdse procedures voor de eventuele herziening van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Roemenië en Rusland en uit Kroatië en Oekraïne.
18 Bij een faxbericht dat op 26 juni 2006 om 19.06 uur bij verzoeksters is ingekomen, heeft de Commissie geantwoord op de argumenten die verzoeksters in het faxbericht van 26 april 2006 en in de brief van 4 mei 2006 hadden aangevoerd, behalve op het argument betreffende het ontbreken van medewerking van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Bij een aan verzoeksters gerichte brief van 16 juni 2006, die deze laatste op 27 juni 2006 hebben ontvangen, heeft de Commissie geantwoord op de opmerkingen van verzoeksters betreffende de deelneming van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan de procedure.
19 Op 27 juni 2006 is de Raad overgegaan tot vaststelling van verordening (EG) nr. 954/2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, uit Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland, tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 2320/97 en (EG) nr. 348/2000 van de Raad, tot beëindiging van de tussentijdse procedure en de procedure bij het vervallen van de maatregelen voor de eventuele herziening van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Roemenië en Rusland en tot beëindiging van de tussentijdse procedures voor de eventuele herziening van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Roemenië en Rusland en uit Kroatië en Oekraïne (PB L 175, blz. 4; hierna: „bestreden verordening”).
20 Bij de bestreden verordening heeft de Raad een antidumpingrecht van 25,1 % ingesteld op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, door verzoeksters.
Procesverloop en conclusies van partijen
21 Bij een op 8 september 2006 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
22 Bij een op 1 december 2006 ter griffie neergelegde akte heeft de Commissie verzocht, te mogen interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Raad. Bij beschikking van 16 januari 2007 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan. Bij brief van 27 februari 2007 heeft de Commissie het Gerecht laten weten dat zij ervan afzag een memorie in interventie in te dienen, maar dat zij zou deelnemen aan de terechtzitting.
23 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Tweede kamer, waarop de onderhavige zaak aan die kamer is toegewezen.
24 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
– de bestreden verordening nietig te verklaren voor zover zij op hen betrekking heeft;
– de Raad te veroordelen in de kosten.
25 De Raad, ondersteund door de Commissie, concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– verzoeksters te veroordelen in de kosten.
In rechte
26 Ter ondersteuning van hun vordering tot nietigverklaring voeren verzoeksters zes middelen aan. Als eerste middel voeren zij aan dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt en het non-discriminatiebeginsel heeft geschonden door voor de berekening van de normale waarde rekening te houden met gegevens betreffende niet door hen vervaardigde buizen. Als tweede middel voeren zij aan dat de Raad de artikelen 3, leden 2, 3, 5, 6 en 7, en 19, lid 3, van de basisverordening en het non-discriminatiebeginsel heeft geschonden door voor de vaststelling van de schade uit te gaan van de gegevens betreffende de vijf in de steekproef opgenomen producenten in de Gemeenschap, ofschoon die producenten niet volledig en ten volle hadden meegewerkt. Als derde middel stellen verzoeksters dat, door het feit dat de in de steekproef opgenomen producenten in de Gemeenschap niet volledig en ten volle hebben meegewerkt, de klacht niet werd gesteund door het in de verordening bepaalde minimum van producenten in de Gemeenschap die 25 % van de productie in de Gemeenschap voor hun rekening nemen. De Raad zou dus inbreuk hebben gemaakt op artikel 5, lid 4, van de basisverordening door de antidumpingprocedure niet te beëindigen. Als vierde middel stellen verzoeksters dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij de toepassing van artikel 2, lid 10, sub i, en lid 10, eerste alinea, van de basisverordening door in het kader van de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs de door Sepco toegepaste verkoopprijs te corrigeren door deze te verminderen met een bedrag dat overeenkomt met de commissie die een op commissiebasis werkende agent zou hebben ontvangen. Als vijfde middel voeren verzoeksters aan dat de omstandigheden van de afwijzing van de door hen aangeboden verbintenis een schending van het non-discriminatiebeginsel door de Raad opleveren. Het zesde middel, ten slotte, bestaat uit vijf onderdelen, te weten schending van de rechten van de verdediging en/of niet-nakoming van de motiveringsplicht in het kader van, respectievelijk, het voor de berekening van de normale waarde in aanmerking nemen van buizen die verzoeksters naar eigen zeggen niet hebben vervaardigd, de beoordeling van de stelling dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet heeft meegewerkt, de correctie die op de door Sepco toegepaste uitvoerprijs is toepast, de afwijzing van de door verzoeksters aangeboden verbintenis en de behandeling van de verkoopkosten, de administratiekosten en andere algemene kosten van SPIG Interpipe.
27 Het Gerecht is van mening dat deze zes middelen voor de behandeling ervan moeten worden gehergroepeerd naargelang van de feiten waarop zij betrekking hebben.
Berekening van de normale waarde
28 Voor hun eerste middel en een deel van hun zesde middel baseren verzoeksters zich op eenzelfde feit, namelijk dat de Commissie voor de berekening van de normale waarde mede rekening heeft gehouden met gegevens betreffende producten – bepaalde atomische buizen – die verzoeksters niet vervaardigden.
29 Volgens verzoeksters heeft dit geleid tot:
– een kennelijke beoordelingsfout (eerste middel);
– schending van het non-discriminatiebeginsel (eerste middel);
– schending van de rechten van de verdediging en niet-nakoming van de motiveringsplicht (zesde middel).
Kennelijke beoordelingsfout
– Argumenten van partijen
30 In het kader van het eerste middel voeren verzoeksters aan dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te suggereren dat de gegevens betreffende de onder PCN KE4 en technische norm TU 14-3P-197-2001 vallende atomische buizen niet waren gecontroleerd en dus niet voldoende waarborgen boden om die buizen buiten beschouwing te kunnen laten bij de berekening van de dumpingmarge. Daardoor is de Raad ook tekortgeschoten in zijn zorgvuldigheidsplicht en in zijn verplichting om de normale waarde op een niet-onredelijke wijze vast te stellen.
31 De antwoorden die verzoeksters op de vragenlijst van de Commissie hebben gegeven, bevatten immers alle gegevens die nodig zijn om aan te tonen dat zij dergelijke buizen niet vervaardigden. Die gegevens zijn gecontroleerd tijdens de controlebezoeken bij verzoeksters en zijn door de ambtenaren van de Commissie zonder voorbehoud aanvaard.
32 Volgens de Raad is het rechtens weliswaar juist dat voor de berekening van de dumpingmarge geen rekening mag worden gehouden met gegevens betreffende producten die niet zijn vervaardigd door de partijen waarop het onderzoek betrekking heeft, doch stellen verzoeksters ten onrechte dat hij die regel in het onderhavige geval heeft overtreden. Verzoeksters stellen namelijk verkeerdelijk dat alle relevante informatie betreffende de transacties met onder PCN KE4 vallende producten reeds in hun antwoord op de vragenlijst was meegedeeld. Om deze transacties buiten beschouwing te kunnen laten voor de berekening van de dumpingmarge had een nieuw controlebezoek moeten worden verricht.
33 Zo had de Commissie allereerst geen enkele reden om aan te nemen dat de verkooplijsten van SPIG Interpipe transacties betreffende andere producten dan het betrokken product omvatten. Met name de verwijzing naar een aan de Commissie onbekende Oekraïense fabricatienorm waaromtrent geen enkele toelichting was verstrekt, heeft de Commissie niet attent gemaakt op de mogelijkheid dat die atomische buizen niet overeenkwamen met het betrokken product. Bovendien vertegenwoordigde de informatie die zou aangeven dat die transacties niet het betrokken product betroffen, slechts 6 van de meer dan 16 000 lijnen met verkoopgegevens en vulde zij slechts 6 van de meer dan 600 000 vakjes van de door verzoeksters ingevulde tabellen.
34 In de tweede plaats heeft de Commissie de door verzoeksters verstrekte verkooplijsten wel degelijk globaal gecontroleerd, maar zij heeft niet onderzocht of de verkopen wel het betrokken product betroffen, en dat was ook niet haar taak. Integendeel, de Commissie is ervan uitgegaan dat de transacties met de onder technische norm TU 14-3P-197-2001 vallende atomische buizen betrekking hadden op het betrokken product. Daarbij komt dat de Commissie tijdens het controlebezoek de onder PCN KE4 vallende buizen niet te berde heeft gebracht, omdat verzoeksters op dat ogenblik nog niet hadden gevraagd dat deze transacties buiten beschouwing zouden worden gelaten bij de berekening van de dumpingmarge.
35 In de derde plaats is de vergissing toe te rekenen aan SPIG Interpipe zelf. Deze heeft namelijk het door de Commissie vastgestelde systeem voor mededeling van gegevens, te weten een PCN met zes tekens, niet in acht genomen en heeft gegevens opgenomen die slechts konden worden geïnterpreteerd aan de hand van een aan de Commissie onbekende Oekraïense fabricatienorm, die niet in de plaats kon komen van de helft van het PCN.
36 Ten vierde hebben verzoeksters geen bewijzen aangedragen die duidelijk aantonen dat de zes transacties wel degelijk betrekking hadden op andere naadloze buizen en pijpen dan het betrokken product, dat die buizen niet door hen waren vervaardigd en dat zij van een onafhankelijke derde waren gekocht.
37 In de vijfde plaats wijst de Raad erop dat SPIG Interpipe op de lijst van leveranciers die in haar antwoord op de vragenlijst is opgenomen, slechts één leverancier van het onder PCN KE4 vallende product heeft vermeld, namelijk een van de verzoeksters, te weten NTRP.
– Beoordeling door het Gerecht
38 Uit de rechtspraak blijkt, dat de gemeenschapsinstellingen op het gebied van beschermende handelsmaatregelen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken (arrest Gerecht van 13 juli 2006, Shandong Reipu Biochemicals/Raad, T‑413/03, Jurispr. blz. II‑2243, punt 61; zie in die zin ook arrest Hof van 7 mei 1987, NTN Toyo Bearing e.a./Raad, 240/84, Jurispr. blz. 1809, punt 19).
39 Hieruit volgt dat de gemeenschapsrechter bij de toetsing van de beoordelingen van de instellingen alleen mag nagaan of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (arrest NTN Toyo Bearing e.a./Raad, punt 38 supra, punt 19, en arrest Hof van 22 oktober 1991, Nölle, C‑16/90, Jurispr. blz. I‑5163, punt 12; arrest Shandong Reipu Biochemicals/Raad, punt 38 supra, punt 62).
40 Er zij echter aan herinnerd dat wanneer de gemeenschapsinstellingen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken, de naleving van de door de communautaire rechtsorde in administratieve procedures geboden waarborgen des te fundamenteler is, en dat tot die waarborgen met name behoren: de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (arrest Hof van 21 november 1991, Technische Universität München, C‑269/90, Jurispr. blz. I‑5469, punt 14; arrest Shandong Reipu Biochemicals/Raad, punt 38 supra, punt 63).
41 In die omstandigheden kan de gemeenschapsrechter, op het gebied van de beschermende handelsmaatregelen en, in het bijzonder, van de antidumpingmaatregelen, weliswaar niet in de beoordeling treden die is voorbehouden aan de communautaire instanties, maar moet hij toch nagaan of de instellingen alle relevante omstandigheden in aanmerking hebben genomen en de elementen van het dossier met de nodige zorgvuldigheid hebben onderzocht, opdat kan worden gesteld dat de normale waarde op redelijke wijze is vastgesteld (arrest Gerecht van 12 oktober 1999, Acme/Raad, T‑48/96, Jurispr. blz. II‑3089, punt 39, en arrest Shandong Reipu Biochemicals/Raad, punt 38 supra, punt 64; zie in die zin ook arrest Nölle, punt 39 supra, punt 13).
42 Tegen de achtergrond van deze overwegingen moet worden nagegaan of, zoals verzoeksters stellen, de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te suggereren dat de gegevens betreffende de onder PCN KE4 vallende en overeenkomstig technische norm TU 14-3P-197-2001 vervaardigde atomische buizen niet waren gecontroleerd en dus niet voldoende waarborgen boden om die atomische buizen buiten beschouwing te kunnen laten bij de berekening van de dumpingmarge.
43 Allereerst wordt niet betwist dat voor de berekening van de dumpingmarge geen rekening mag worden gehouden met gegevens betreffende producten die niet zijn vervaardigd door de partijen waarop het onderzoek betrekking heeft.
44 In de tweede plaats moet worden uitgemaakt of op basis van de gegevens die verzoeksters in de loop van het onderzoek aan de Commissie hadden verstrekt, kon worden geconcludeerd dat verzoeksters de betrokken atomische buizen niet vervaardigden, in welk geval de Commissie niet alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig heeft onderzocht en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat dienaangaande een nieuw controlebezoek bij verzoeksters nodig was.
45 Uit de stukken blijkt dat de nationale en de Europese verkooplijsten die verzoeksters bij hun antwoorden op de vragenlijst hebben overgelegd en die respectievelijk het opschrift „DMsales” en „ECsales” dragen, een kolom met het opschrift „Norm” bevatten, zoals de Commissie had gevraagd. Verzoeksters hebben in die kolom stelselmatig de juiste specificatie van de technische norm betreffende elke soort buis of pijp ingevuld. Vaststaat echter dat de norm TU 14-3P-197-2001 in die kolom niet voorkomt, wat erop wijst dat verzoeksters dergelijke atomische buizen niet hebben verkocht, zelfs niet aan de met hen verbonden verkoopvennootschap SPIG Interpipe.
46 Verder blijkt uit het onderzoek van de lijsten van verzoeksters’ productiekosten betreffende respectievelijk de voor de nationale markt en de voor de Europese markt bestemde producten, welke lijsten respectievelijk het opschrift „DMcop” en „ECcop” dragen, dat verzoeksters dergelijke atomische buizen niet vervaardigen. Die lijsten leveren derhalve het bewijs dat geen enkel van de in de lijsten „DMcop” en „ECcop” vermelde producten volgens technische norm TU 14-3P-197-2001 is vervaardigd.
47 Uit de stukken blijkt echter ook dat in de door SPIG Interpipe in het kader van haar antwoord op de vragenlijst overgelegde lijst van verkopen op de nationale markt, die het opschrift „DMsales” draagt, melding wordt gemaakt van zes transacties betreffende buizen die onder PCN KE4 vallen en volgens technische norm TU 14-3P-197-2001 zijn vervaardigd.
48 Daarbij komt dat op de lijst van de leveranciers en de aankopen van SPIG Interpipe slechts een leverancier van onder PCN KE4 vallende buizen wordt vermeld, namelijk een van de verzoeksters, NTRP. In dit verband blijkt uit de toelichtingen en de documenten die verzoeksters in het kader van de door het Gerecht getroffen maatregelen tot organisatie van de procesgang hebben verstrekt, dat de door SPIG Interpipe in te vullen vragenlijst slechts betrekking had op de verkopen in de Gemeenschap en dat SPIG Interpipe de lijst „DMsales”, die betrekking heeft op de verkopen op de Oekraïense markt, vrijwillig heeft verstrekt. Bijgevolg dienden op de lijst van de leveranciers en de aankopen van SPIG Interpipe slechts de leveranciers te worden vermeld wier producten in de Gemeenschap waren verkocht. Aangezien de stukken bevestigen dat de onder PCN KE4 en technische norm TU 14-3P-197-2001 vallende buizen op de Oekraïense markt zijn verkocht en dat alle door NTRP vervaardigde buizen die onder PCN KE4, maar niet onder technische norm TU 14-3P-197-2001, vallen, door SPIG Interpipe op de communautaire markt zijn verkocht, dient te worden geoordeeld dat SPIG Interpipe geen fout heeft gemaakt door op haar lijst van leveranciers en aankopen geen melding te maken van een andere leverancier dan NTRP.
49 Vaststaat echter dat de omstandigheid dat, enerzijds op de door SPIG Interpipe overgelegde lijst „DMsales” melding wordt gemaakt van transacties betreffende onder PCN KE4 en technische norm TU 14-3P-197-2001 vallende buizen, en anderzijds op de lijst van de leveranciers en de aankopen van SPIG Interpipe slechts een leverancier van onder PCN KE4 vallende buizen wordt genoemd, de met het onderzoek belaste personeelsleden van de Commissie in verwarring kan hebben gebracht.
50 Bijgevolg beschikte de Commissie na een zorgvuldig onderzoek van de antwoorden die verzoeksters en de met hen verbonden verkoopvennootschap SPIG Interpipe op de vragenlijst hebben gegeven, over tegenstrijdige informatie of althans over informatie waarvan de geldigheid ter discussie kon worden gesteld.
51 Vaststaat echter ook dat verzoeksters niets hebben gedaan om de twijfel weg te nemen die deze tegenstrijdigheden bij de Commissie kon doen ontstaan. Zo blijkt uit de schrifturen dat verzoeksters na de eerste definitieve mededeling tijdens een hoorzitting op 24 maart 2006 de Commissie verschillende in het Oekraïens opgestelde documenten hebben overgelegd die de facturen betreffende de zes ten onrechte op verkooplijsten van SPIG Interpipe vermelde transacties zouden zijn. Ofschoon de partijen het er ter terechtzitting niet over eens bleken te zijn of de Commissie tijdens de hoorzitting van 24 maart 2006 een vertaling van die documenten had gevraagd, staat vast dat het aan verzoeksters stond om het bewijs te leveren van hun stelling, namelijk dat de zes litigieuze transacties betrekking hadden op aankopen door SPIG Interpipe van onder PCN KE4 en technische norm TU 14-3P-197-2001 vallende buizen bij een onafhankelijke leverancier. Daarbij komt dat verzoeksters na de tweede definitieve mededeling de dato 24 april 2006 hun verzoek om de gegevens betreffende die atomische buizen buiten beschouwing te laten, hebben herhaald en nogmaals hebben nagelaten enig bewijs aan te dragen voor de stelling dat die atomische buizen bij een onafhankelijke derde waren gekocht.
52 Bijgevolg bestond er, gelet op de tegenstrijdige gegevens in de antwoorden op de vragenlijsten en op het ontbreken van enig bewijs dat de betrokken atomische buizen bij een onafhankelijke derde waren gekocht, twijfel omtrent de betrouwbaarheid van die gegevens. Bovendien volgt uit het voorgaande dat de Commissie de door verzoeksters verstrekte gegevens met de vereiste zorgvuldigheid heeft onderzocht en in de tweede definitieve mededeling terecht heeft verklaard dat zij geen rekening kon houden met deze niet gecontroleerde nieuwe gegevens.
53 De Commissie heeft dus voldaan aan haar verplichting om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken en heeft op grond van dat onderzoek kunnen concluderen dat de gegevens betreffende die atomische buizen niet voldoende waarborgen boden om zonder nieuwe controle buiten beschouwing te worden gelaten bij de berekening van de dumpingmarge. De normale waarde is dus op redelijke wijze vastgesteld in de zin van de in de punten 40 en 41 hierboven aangehaalde rechtspraak en de Raad heeft geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt.
54 Deze conclusie wordt niet op losse schroeven gezet door het door verzoeksters onder de aandacht gebrachte feit dat de Commissie bij verzoeksters en SPIG Interpipe een controlebezoek heeft verricht, wat volgens hen impliceert dat alle hierboven vermelde gegevens moeten worden geacht door de Commissie te zijn gecontroleerd en goedgekeurd. Aangezien die gegevens tegenstrijdig zijn, kan daaruit immers niet met zekerheid worden afgeleid dat verzoeksters de betrokken atomische buizen niet vervaardigden. Bovendien hadden verzoeksters op het tijdstip van het controlebezoek nog niet aan de Commissie laten weten dat SPIG Interpipe een vergissing had begaan in haar lijst „DMsales”. Pas na de eerste definitieve mededeling hebben verzoeksters de Commissie in kennis gesteld van deze vergissing en haar formeel laten weten dat zij de onder PCN KE4 en technische norm TU 14-3P-197-2001 vallende buizen niet vervaardigde. Bijgevolg kan niet op goede gronden worden gesteld dat het controlebezoek de tegenstrijdigheden in de door verzoeksters en SPIG Interpipe bij de Commissie ingediende antwoorden op de vragenlijst heeft kunnen ophelderen.
55 Mitsdien moet het eerste middel ongegrond worden verklaard voor zover daarin een kennelijke beoordelingsfout bij de berekening van de normale waarde wordt gesteld.
Schending van het non-discriminatiebeginsel
– Argumenten van partijen
56 Volgens verzoeksters heeft de Raad het non-discriminatiebeginsel geschonden door alle niet door verzoeksters vervaardigde producten die onder de PCN AB2, AC4, BD3, BD4, BE3, CC6, EA1, EA2, EB1, GE5, HD1, HE1 en ID4 vallen, bij de berekening van de dumpingmarge buiten beschouwing te laten, maar dit voor de onder PCN KE4 en technische norm TU 14-3P-197-2001 vallende atomische buizen te weigeren op grond van hetzelfde samenstel van naar behoren gecontroleerde gegevens betreffende de kosten en de verkopen. De omstandigheden die het buiten beschouwing laten van de eerste reeks transacties rechtvaardigen, zijn namelijk precies dezelfde als die welke voor de onder PCN KE4 en technische norm TU 14-3P-197-2001 vallende atomische buizen gelden.
57 De Raad verklaart dat de Commissie het verzoek om de eerste reeks transacties buiten beschouwing te laten heeft aanvaard omdat verzoeksters geen melding hadden gemaakt van de vervaardiging van dergelijke producten of van daarop betrekking hebben productiekosten. Bovendien had SPIG Interpipe niet aangegeven dat zij dergelijke producten van verzoeksters had betrokken. De instellingen hebben derhalve geoordeeld dat zij dit verzoek zonder nieuw controle bezoek konden inwilligen omdat zij – anders dan voor de onder PCN KE4 en technische norm TU 14-3P-197-2001 vallende buizen – er redelijkerwijze van uit konden gaan dat de betrokken buizen niet door verzoeksters waren vervaardigd.
– Beoordeling door het Gerecht
58 Het non-discriminatiebeginsel verbiedt enerzijds om vergelijkbare situaties verschillend te behandelen en anderzijds om verschillende situaties op gelijke wijze te behandelen, tenzij objectieve redenen een dergelijke behandeling rechtvaardigen [arrest Hof van 27 januari 2005, Europe Chemi-Con (Deutschland)/Raad, C‑422/02 P, Jurispr. blz. I‑791, punt 33].
59 Anders dan verzoeksters stellen, verschillen de omstandigheden waaronder de onder de PCN AB2, AC4, BD3, BD4, BE3, CC6, EA1, EA2, EB1, GE5, HD1, HE1 en ID4 vallende buizen buiten beschouwing zijn gelaten, van die betreffende het verzoek om de onder PCN KE4 en technische norm TU 14-3P-197-2001 vallende atomische buizen buiten beschouwing te laten. Vaststaat inzonderheid dat een van de verzoeksters, namelijk NTRP, onder PCN KE4 vallende buizen vervaardigde, terwijl de onder de andere PCN vallende buizen niet voorkwamen op de verkoop‑ en productiekostenlijsten van verzoeksters.
60 Daarbij komt dat, zoals in punt 48 hierboven is opgemerkt, op de lijst van leveranciers en aankopen van SPIG Interpipe terecht slechts een enkele leverancier van onder PCN KE4 vallende buizen werd vermeld, namelijk NTRP, een van de verzoeksters. Vaststaat derhalve dat de stukken betreffende de onder PCN KE4 en technische norm TU 14-3P-197-2001 vallende atomische buizen bijzonder moeilijk waren te begrijpen, wat niet het geval was met de gegevens betreffende de producten die de Commissie bij de berekening van de normale waarde buiten beschouwing had gelaten. Waar er twijfel bestond over de betrouwbaarheid van de gegevens betreffende de onder PCN KE4 en technische norm TU 14-3P-197-2001 vallende atomische buizen, hebben verzoeksters dus niet aangetoond dat een dergelijke twijfel eveneens bestond voor de onder de andere PCN vallende buizen.
61 Gelet op een en ander moet het eerste middel ongegrond worden verklaard voor zover daarin schending van het non-discriminatiebeginsel wordt gesteld.
Schending van de rechten van de verdediging en niet-nakoming van de motiveringsplicht
– Argumenten van partijen
62 In het kader van het zesde middel stellen verzoeksters schending van de rechten van de verdediging. De Commissie zou hun immers op 27 juni 2006, de dag waarop de bestreden verordening is vastgesteld, nieuwe feiten en een nieuwe juridische redenering hebben meegedeeld. Bovendien zou de Raad de door artikel 253 EG opgelegde motiveringsplicht niet zijn nagekomen door in de bestreden verordening geen afdoend antwoord te geven op de argumenten die verzoeksters met betrekking tot de vaststelling van de normale waarde hadden aangevoerd.
63 Met betrekking tot de schending van de rechten van de verdediging betoogt de Raad dat de Commissie in de tweede definitieve mededeling de dato 24 april 2006 uitleg heeft verstrekt over de vaststelling van de normale waarde, en dat verzoeksters daarop hebben geantwoord in een mededeling van 26 april 2006. Met betrekking tot de niet-nakoming van de motiveringsplicht verklaart de Raad dat het ging om een zeer specifiek punt betreffende één vennootschap en dat dit dus niet uitdrukkelijk diende te worden behandeld in de bestreden verordening. De Raad zou dit punt overigens hebben behandeld in de brief van 26 juni 2006 en tijdens de hoorzittingen van 24 en 30 maart 2006.
– Beoordeling door het Gerecht
64 Volgens de rechtspraak van het Hof gelden de eisen inzake inachtneming van de rechten van de verdediging niet alleen in het kader van procedures die tot de oplegging van sancties kunnen leiden, maar ook in onderzoekprocedures die voorafgaan aan de vaststelling van antidumpingverordeningen, die de betrokken ondernemingen rechtstreeks en individueel kunnen raken en nadelige gevolgen voor hen kunnen hebben (arrest Hof van 27 juni 1991, Al-Jubail Fertilizer/Raad, C‑49/88, Jurispr. blz. I‑3187, punt 15). Inzonderheid moeten de belanghebbende ondernemingen tijdens de administratieve procedure in staat zijn gesteld om zinvol hun standpunt kenbaar te maken omtrent het bestaan en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en omtrent het bewijsmateriaal dat de Commissie gebruikt tot staving van het door haar gestelde bestaan van dumping en van daaruit voortvloeiende schade (arrest Al-Jubail Fertilizer/Raad, reeds aangehaald, punt 17). Die eisen zijn gepreciseerd in artikel 20, lid 2, van de basisverordening, waarin wordt bepaald dat de klagers, de importeurs, de exporteurs, de representatieve verenigingen van importeurs en exporteurs, en de vertegenwoordigers van het land van uitvoer „om definitieve mededeling mogen verzoeken van de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan wordt overwogen de instelling van definitieve maatregelen [...] aan te bevelen”.
65 Verder dient eraan te worden herinnerd dat volgens de rechtspraak artikel 253 EG vereist dat de redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig in de motivering tot uiting komt, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen (arrest Gerecht van 12 oktober 1999, Acme Industry/Raad, T‑48/96, Jurispr. blz. II‑3089, punt 141). De Raad is echter niet gehouden, in de motivering van de verordening in te gaan op alle punten, feitelijk en rechtens, die door de belanghebbenden in de loop van de administratieve procedure zijn aangevoerd (zie in die zin arrest Gerecht van 25 juni 1988, British Airways e.a./Commissie, T‑371/94 en T‑394/94, Jurispr. blz. II‑2405, punt 94). Bovendien is niet vereist dat de verschillende gegevens die feitelijk of rechtens relevant zijn, in de motivering worden vermeld, doch moet de vraag of de motivering aan de ter zake gestelde eisen voldoet, met name worden beantwoord met inachtneming van de context waarin de handeling is vastgesteld, en van het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest Gerecht van 28 september 1995, Ferchimex/Commissie, T‑164/94, Jurispr. blz. II‑2681, punt 118).
66 Tegen de achtergrond van deze overwegingen moet worden uitgemaakt of de Raad de rechten van de verdediging heeft geschonden en de motiveringsplicht niet is nagekomen.
67 Met betrekking tot de schending van de rechten van de verdediging dient erop te worden gewezen – zonder dat behoeft te worden uitgemaakt of de overwegingen betreffende het buiten beschouwing laten van de onder PCN KE4 en technische norm TU 14-3P-197-2001 vallende atomische buizen bij de berekening van de normale waarde van wezenlijk belang zijn – dat, anders dan verzoeksters stellen, hun geen nieuwe feiten en geen nieuwe motivering is meegedeeld bij de brieven die zij inderdaad pas hebben ontvangen op 27 juni 2006, de dag waarop de bestreden verordening is vastgesteld. Verzoeksters betogen immers dat de Commissie in die brieven voor het eerst heeft verklaard dat zij de atomische buizen niet buiten beschouwing kon laten bij de berekening van de dumpingmarge omdat de gegevens waarover zij beschikte, niet voldoende zekerheid boden zonder nieuw controlebezoek. De Commissie had echter reeds in de tweede definitieve mededeling de dato 24 april 2006 verklaard dat, aangezien haar diensten de door verzoeksters verstrekte informatie niet konden controleren, zij hun verzoek niet kon inwilligen. Bovendien hebben verzoeksters in hun faxbericht van 26 april 2006 op die opmerking gereageerd en derhalve op dit punt hun rechten van verdediging uitgeoefend.
68 Met betrekking tot de niet-nakoming van de motiveringsplicht staat vast, dat in de bestreden verordening niet wordt gerept van de onder PCN KE4 vallende producten, omdat dit punt specifiek de verzoeksters betreft. Aangezien de redenering van de Commissie duidelijk en ondubbelzinnig tot uiting komt in de tweede definitieve mededeling de dato 24 april 2006, kunnen verzoeksters niet op goede gronden stellen dat de Raad zijn motiveringsplicht niet is nagekomen.
69 Mitsdien moet het zesde middel, betreffende schending van de eisen inzake inachtneming van de rechten van de verdediging en niet-nakoming van de motiveringsplicht, ongegrond worden verklaard voor zover het betrekking heeft op de vaststelling van de normale waarde.
Gevolgen van het feit dat de met de producenten in de Gemeenschap verbonden vennootschappen niet hebben geantwoord op de vragenlijst
70 In hun tweede, hun derde en een deel van hun zesde middel baseren verzoeksters zich op eenzelfde feit, namelijk dat ieder van de vijf producenten van naadloze buizen en pijpen in de Gemeenschap die de Commissie had opgenomen in de steekproef waarop zij haar onderzoek heeft gebaseerd, verbonden is met vennootschappen die niet hebben geantwoord op de vragenlijst.
71 Volgens verzoeksters heeft deze omstandigheid geleid tot:
– schending van artikel 3, leden 2, 3, 5, 6 en 7, van de basisverordening (tweede middel);
– schending van het non-discriminatiebeginsel (tweede middel);
– schending van artikel 19, lid 3, van de basisverordening (tweede middel);
– schending van artikel 5, lid 4, van de basisverordening (derde middel);
– schending van de rechten van de verdediging en niet-nakoming van de motiveringsplicht (zesde middel).
Schending van artikel 3, leden 2, 3, 5, 6 en 7, van de basisverordening
– Argumenten van partijen
72 Als tweede middel stellen verzoeksters dat, aangezien ieder van de vijf in de steekproef opgenomen producenten van naadloze buizen en pijpen in de Gemeenschap verbonden is met een of meer productie‑ of verkoopvennootschappen die geen afzonderlijk antwoord op de vragenlijst van de Commissie hebben ingediend, die vijf producenten niet kunnen worden geacht ten volle te hebben meegewerkt. Volgens verzoeksters wordt in de bestreden verordening echter uitgegaan van volledige medewerking van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Zij concluderen daaruit dat bij de beoordeling van de schade artikel 3, leden 2, 3, 5, 6 en 7, van de basisverordening is geschonden.
73 Verzoeksters wijzen er allereerst op dat bovengenoemde bepalingen van de basisverordening niet in acht kunnen worden genomen indien niet van alle met de producenten in de Gemeenschap verbonden en bij de productie of de verkoop van het product betrokken entiteiten wordt geëist dat zij volledig en ten volle medewerken aan het onderzoek.
74 Ten tweede wijzen verzoeksters erop dat de schending van bovengenoemde bepalingen niet kan worden gerechtvaardigd door de omstandigheid dat de onvolledige medewerking van een groep waartoe een producent in de Gemeenschap behoort, geen significante invloed heeft op de vaststelling van de schade die deze producent of de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn geheel heeft geleden, zoals de Commissie in haar brief van 27 juni 2006 lijkt aan te nemen. Volgens verzoeksters baseert de Commissie zich aldus op het „beginsel van de onschadelijke fout” (principle of harmless error).
75 In dit verband voeren verzoeksters in de eerste plaats aan dat de Commissie niet stelt dat het beginsel van de onschadelijke fout van toepassing is op de producenten-exporteurs omdat het ook deze is toegestaan slechts gedeeltelijk mee te werken aan het onderzoek.
76 In de tweede plaats stellen zij dat het ontbreken van volledige inlichtingen over de productie van alle verbonden producenten, en over de verkopen aan niet-verbonden eerste afnemers, geen onschadelijke fout is. Enerzijds zijn de bij overdrachten tussen leden van dezelfde groep gehanteerde prijzen niet betrouwbaar en anderzijds zouden, indien alle verbonden handelaars worden ontheven van de verplichting om te antwoorden op de vragenlijst, de producenten in de Gemeenschap een blanco cheque krijgen voor het selecteren van de gegevens die zij wensen mee te delen teneinde de beoordeling van de schade te beïnvloeden.
77 In de derde plaats stellen verzoeksters dat de opvatting van de Commissie dat onvolledige medewerking van een groep van vennootschappen geen significante invloed heeft, al te simplistisch en dus onjuist is. Onvolledige medewerking van bepaalde entiteiten van een groep leidt tot een lacuneus en vervormd beeld van de betrokken groep en de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn geheel.
78 In de vierde plaats wijzen verzoeksters erop dat door het beginsel van de onschadelijke fout als linie van verdediging te hanteren de vele schendingen van de bepalingen van artikel 3 van de basisverordening niet worden geneutraliseerd.
79 In de vijfde plaats merken verzoeksters op dat, aangezien de Commissie geen volledige gegevens heeft ontvangen en deze gegevens niet heeft kunnen controleren, zij niet met zekerheid kan stellen dat de omvang en de waarde van de productie en de verkopen waaromtrent haar geen cijfers zijn meegedeeld, onbeduidend genoeg waren om geen gevolgen te hebben voor de beoordeling van de schade.
80 Ten derde stellen verzoeksters dat de omstandigheid dat de in de steekproef opgenomen producenten in de Gemeenschap niet volledig en ten volle hebben meegewerkt, in het onderhavige geval een significante invloed heeft gehad op de raming van de schade die deze producenten en de bedrijfstak van de Gemeenschap in zijn geheel hebben geleden. De Commissie zou immers voor de berekening van de schademarge nagenoeg uitsluitend zijn uitgegaan van de door de producenten in de Gemeenschap gehanteerde overdrachtprijzen. Die methode zou de schademarge aanzienlijk hebben opgedreven.
81 De Raad antwoordt op de argumenten van verzoeksters dat de instellingen terecht ervan uit zijn gegaan dat alle in de steekproef opgenomen producenten in de Gemeenschap hebben meegewerkt.
82 Volgens de Raad mag het begrip medewerking immers niet letterlijk worden opgevat in die zin dat volledige en juiste antwoorden moeten worden gegeven op alle vragen van de Commissie. De Commissie gaat immers steeds na, of en in welke mate het niet verstrekken van bepaalde informatie het onderzoek heeft geschaad. Dit geldt zowel voor de exporteurs als voor de producenten in de Gemeenschap, al kan de Commissie met betrekking tot de exporteurs andere criteria toepassen dan met betrekking tot de producenten in de Gemeenschap omdat die twee groepen vennootschappen informatie verstrekken met een verschillend doel. De Raad wijst er in dit verband overigens op dat hij zich nooit ter rechtvaardiging van de gestelde inbreuken op het bestaan van een onschadelijke fout heeft beroepen.
83 Hij stelt dat de Commissie in het onderhavige geval, gelet op de feitelijke gegevens waarover zij beschikte, terecht geen enkele van de in de steekproef opgenomen vennootschappen van de communautaire bedrijfstak heeft uitgesloten.
84 Met betrekking tot de stelling van verzoeksters dat de berekening van de schademarge is vervalst door het ontbreken van medewerking, herinnert de Raad eraan dat de Commissie de prijzen bij verkoop aan de niet-verbonden eerste afnemers nodig heeft om de gemiddelde verkoopprijs van alle producenten in de Gemeenschap en de gewogen gemiddelde onderbiedingsmarge vast te stellen. In het onderhavige geval was de gewogen gemiddelde onderbiedingsmarge 32 %. Volgens de Raad zou die marge bij inaanmerkingneming van de ontbrekende gegevens over de verkopen van bepaalde verbonden vennootschappen misschien 30, 32 of 35 % hebben bedragen, wat niets zou hebben veranderd aan de conclusie dat er sprake was van een aanzienlijke onderbieding en dat de invoer tegen dumpingprijzen de bedrijfstak van de Gemeenschap schade berokkende. Volgens de Raad beroepen verzoeksters zich in deze context ook ten onrechte op de berekening van de schademarge. De schademarge is slechts van belang voor de toepassing van de regel van het laagste recht, volgens welke het ingestelde recht gelijk moet zijn aan de dumpingmarge of aan de schademarge indien deze laatste lager is. In het onderhavige geval zou de inaanmerkingneming van de door Vallourec & Mannesmann Oil & Gas Ltd (hierna: „VMOG United Kingdom”) en Productos Tubulares verrichte verkopen van het betrokken product, die samen minder dan 8 % van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap verrichte verkopen van het betrokken product vertegenwoordigden, de op 57 % geraamde schademarge in geen geval onder de op 25,7 % geraamde dumpingmarge hebben kunnen drukken.
85 Ten slotte betoogt de Raad dat verzoeksters uitgaan van de premisse dat de in de steekproef opgenomen producenten in de Gemeenschap die aan de oorsprong liggen van de klacht, in feite niet hebben meegewerkt. Aangezien het ontbreken van informatie over bepaalde met de producenten in de Gemeenschap verbonden vennootschappen geen grote invloed heeft gehad op de analyse van de schade en van het oorzakelijk verband, is deze premisse onjuist en dient de gestelde schending van artikel 3, leden 2, 3, 5, 6 en 7, van de basisverordening van de hand te worden gewezen.
– Beoordeling door het Gerecht
86 Zoals in de punten 38 en 39 hierboven is opgemerkt, beschikken de gemeenschapsinstellingen op het gebied van beschermende handelsmaatregelen over een ruime beoordelingsvrijheid wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken, en mag de gemeenschapsrechter bij de toetsing van de beoordelingen van de instellingen dus alleen nagaan of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid.
87 Verder dient erop te worden gewezen dat het weliswaar in het kader van de basisverordening de taak is van de Commissie, als onderzoeksinstantie, om uit te maken, of bij het product waarop de antidumpingprocedure betrekking heeft, sprake is van dumping en of het feit dat het in de Gemeenschap in het vrije verkeer wordt gebracht, schade veroorzaakt, en dat die instelling in dat kader de in dat verband op haar rustende bewijslast dus niet bij een partij kan leggen (zie in die zin arrest Gerecht van 17 december 1997, EFMA/Raad, T‑121/95, Jurispr. blz. II‑2391, punt 74, en arrest Acme/Raad, punt 41 supra, punt 40), doch dat dit niet wegneemt dat de Commissie aan de basisverordening geen onderzoeksbevoegdheid ontleent, op grond waarvan zij vennootschappen zou kunnen dwingen hun medewerking te verlenen aan het onderzoek of informatie over te leggen. De Raad en de Commissie zijn dus afhankelijk van de vrijwillige medewerking van de partijen om hun binnen de gestelde termijn de benodigde informatie te verstrekken. De antwoorden van die partijen op de in artikel 6, lid 2, van de basisverordening bedoelde vragenlijst zijn dus van wezenlijk belang voor het verloop van de antidumpingprocedure (arrest Shandong Reipu Biochemicals/Raad, punt 38 supra, punt 65).
88 Uit artikel 18, met als opschrift „Niet-medewerking”, van de basisverordening en met name uit lid 3 ervan, blijkt evenwel dat „wanneer de door een belanghebbende verstrekte inlichtingen niet in alle opzichten toereikend zijn, zij niet buiten beschouwing mogen worden gelaten, mits de tekortkomingen niet van dien aard zijn dat zij het bereiken van redelijk betrouwbare conclusies onnodig bemoeilijken, de inlichtingen op passende wijze binnen de termijnen worden verstrekt en controleerbaar zijn en de betrokkene naar beste vermogen heeft gehandeld”.
89 Tegen deze achtergrond dient te worden onderzocht of, zoals verzoeksters stellen, het feit dat de vennootschappen die met de in de steekproef opgenomen producenten in de Gemeenschap zijn verbonden, geen antwoord op de vragenlijst hebben ingediend, betekent dat die producenten niet hebben meegewerkt waardoor de analyse van de schade in strijd met artikel 3, leden 2, 3, 5, 6 en 7, van de basisverordening is vervalst.
90 Ofschoon de bij een antidumpingprocedure betrokken partijen in beginsel op grond van artikel 6, lid 2, van de basisverordening verplicht zijn, een antwoord op de vragenlijst van de Commissie in te dienen, volgt uit de tekst van artikel 18, lid 3, van diezelfde verordening dat de in een andere vorm of in een ander document verstrekte informatie niet buiten beschouwing mag worden gelaten indien de vier in dat artikel genoemde voorwaarden zijn vervuld.
91 Wanneer een partij heeft nagelaten een antwoord op de vragenlijst in te dienen, maar de informatie in een ander document heeft verstrekt, kan haar dus geen gebrek aan medewerking worden verweten indien, ten eerste, de tekortkomingen niet van dien aard zijn dat zij het bereiken van redelijk betrouwbare conclusies onnodig bemoeilijken, ten tweede, de inlichtingen op passende wijze binnen de termijnen worden verstrekt, ten derde, de inlichtingen controleerbaar zijn, en ten vierde, de betrokkene naar beste vermogen heeft gehandeld.
92 Anders dan verzoeksters stellen, betekent het feit dat een met de producent in de Gemeenschap verbonden vennootschap geen antwoord op de vragenlijst van de Commissie heeft ingediend, dus niet noodzakelijk dat die producent moet worden geacht niet te hebben meegewerkt. Die producent zal dus niet worden geacht niet te hebben meegewerkt indien de leemten in de overgelegde gegevens geen significante invloed hebben gehad op het verloop van het onderzoek.
93 In het onderhavige geval blijkt uit de stukken dat de Commissie aan ieder van de betrokken producenten in de Gemeenschap een specifieke vragenlijst voor de met hem verbonden productie‑ en verkoopvennootschappen had toegestuurd. Die producenten waren dus verplicht voor elke van die met hen verbonden vennootschappen een antwoord op die vragenlijst in te dienen. Uit de door de Raad verstrekte gegevens blijkt echter dat de volgende verbonden vennootschappen geen antwoord op die vragenlijst hebben ingediend:
– Vallourec Mannesmann Oil & Gas Germany GmbH (hierna: „VMOG Deutschland”, een met V & M Deutschland verbonden productie‑ en verkoopvennootschap;
– Productos Tubulares, SA, een met Tubos Reunidos verbonden productie‑ en verkoopvennootschap;
– Acecsa-Aceros Calibrados, SA (hierna: „Acecsa”), een met Tubos Reunidos verbonden productie‑ en verkoopvennootschap;
– Almesa Almacenes Metalurgicos (hierna: „Almesa”), een met Tubos Reunidos verbonden handelsmaatschappij;
– Dalmine Benelux BV, Dalmine France SARL, Dalmine Deutschland GmbH, Tenaris Global Services (UK), Eurotube Ltd, Quality Tubes Ltd, met Dalmine verbonden handelsmaatschappijen of doorverkoop-distributievennootschappen;
– Tenaris West Africa Ltd, een met Dalmine verbonden vennootschap die eerst met de verwerking van buizen en vervolgens met administratieve taken was belast.
94 Verder blijkt uit de stukken dat VMOG United Kingdom, een met V & M Deutschland en V & M France verbonden productie‑ en verkoopvennootschap, haar antwoord op de vragenlijst te laat heeft ingediend. De Commissie heeft daarmee dus geen rekening gehouden voor de vaststelling van de schade.
95 Nagegaan moet dus worden of voor die vennootschappen de vier in artikel 18, lid 3, van de basisverordening bedoelde voorwaarden zijn vervuld, zodat de Raad niet kan worden verweten dat hij een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door aan te nemen dat het feit de met de producenten in de Gemeenschap verbonden vennootschappen geen antwoord op de vragenlijst hebben ingediend, de vaststelling van de schade noch de berekening van de schademarge heeft vervalst.
96 Wat allereerst de vaststelling van de schade betreft, moeten voor elke verbonden vennootschap de gegevens waarover de Raad en de Commissie beschikten, worden geanalyseerd om na te gaan of de uit het ontbreken van een antwoord op de vragenlijst voortvloeiende tekortkomingen van deze vennootschappen niet van dien aard waren dat zij de vaststelling van de schade onnodig bemoeilijkten. Daar het om verbonden productie‑ en verkoopvennootschappen gaat, moet vooral aandacht worden besteed aan de ontoereikendheid van de gegevens betreffende de productie en de verkoop van de verbonden vennootschappen en aan de gevolgen die dit voor de vaststelling van de schade kan hebben. Bovendien moet worden nagegaan of de gegevens waarover de Raad en de Commissie beschikten, voldoen aan de laatste drie voorwaarden van artikel 18, lid 3, van de basisverordening.
97 Met betrekking tot VMOG Deutschland blijkt uit de antwoorden op de schriftelijke vragen van het Gerecht dat de Raad zich op de volgende elementen heeft gebaseerd voor het beoordelen van de gevolgen van het feit dat deze vennootschap geen antwoord op de vragenlijst heeft ingediend: de lijst van per transactie gespecificeerde verkopen van V & M Deutschland, de tabel met het productievolume van V & M Deutschland en de tabel met het volume en de waarde van de verkopen van V & M Deutschland. Deze stukken zijn door V & M Deutschland tijdig ingediend en door de Commissie gecontroleerd.
98 Aangezien, zoals ook uit de door de Raad overgelegde stukken blijkt, de verkoop‑ en productiecijfers van VMOG Deutschland in het door V & M Deutschland ingediende antwoord op de vragenlijst besloten lagen, zijn zij in aanmerking genomen bij de vaststelling van de schade. In die omstandigheden heeft de Raad dus geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door VMOG Deutschland niet te vragen, een antwoord op de vragenlijst in te dienen, en door aan te nemen dat het feit dat VMOG Deutschland geen antwoord op de vragenlijst heeft ingediend, de vaststelling van de schade niet heeft vervalst.
99 Met betrekking tot Productos Tubulares blijkt uit de antwoorden op de schriftelijke vragen van het Gerecht dat de Raad zich op de volgende elementen heeft gebaseerd voor het beoordelen van de gevolgen van het feit dat deze vennootschap geen antwoord op de vragenlijst heeft ingediend: de vertrouwelijke versie van het antwoord van Productos Tubulares op de aan de steekproefneming voorafgaande vragenlijst en een vertrouwelijke bijlage bij de klacht waarin de productie en de productiecapaciteit worden geraamd van de producenten in de Gemeenschap die de klacht niet steunen. Productos Tubulares heeft deze gegevens tijdig verstrekt.
100 Allereerst dient erop te worden gewezen dat Productos Tubulares, anders dan Tubos Reunidos, de klacht niet heeft gesteund. Bijgevolg dienden de haar betreffende gegevens in beginsel niet in aanmerking te worden genomen bij de analyse van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de punten 155 tot en met 176 van de bestreden verordening, analyse die van essentieel belang was voor het bepalen van de schade, tenzij het buiten beschouwing laten van die gegevens de analyse zou hebben vervalst. In dit laatste geval dienden die gegevens in aanmerking te worden genomen of dienden de gegevens betreffende Tubos Reunidos buiten beschouwing te worden gelaten. In het onderhavige geval blijkt uit de door de Raad overgelegde stukken dat de productie en de verkopen van Productos Tubulares minder dan 3 % van de totale productie en de totale verkopen van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het onderzoektijdvak vertegenwoordigden. De omstandigheid dat Productos Tubulares geen antwoord op de vragenlijst heeft ingediend, kan derhalve hooguit een onbeduidende invloed op de vaststelling van de schade en van het oorzakelijk verband hebben gehad. Daarbij komt dat, ofschoon de Raad over geen gegevens beschikte betreffende de aan het onderzoektijdvak voorafgaande periode, te weten de jaren 2001 tot en met 2003, het ontbreken van gegevens betreffende die periode geen invloed heeft gehad op de vaststelling van de schade, aangezien de ontbrekende gegevens de Raad hooguit tot onderschatting, maar niet tot overschatting van de schade hadden kunnen brengen. Bovendien had de Raad zich bij Tubos Reunidos ervan vergewist dat er geen enkele verkoop tussen deze vennootschap en Productos Tubulares had plaatsgevonden.
101 Bijgevolg heeft de Raad geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door niet te eisen dat Productos Tubulares een antwoord op de vragenlijst indient, en door aan te nemen het feit dat deze vennootschap geen antwoord op de vragenlijst heeft ingediend, de vaststelling van de schade niet heeft vervalst.
102 Met betrekking tot Acecsa blijkt uit de schrifturen van de Raad dat deze vennootschap tijdens het onderzoektijdvak slechts een geringe hoeveelheid van het betrokken product bij Tubos Reunidos heeft gekocht, en dat de gekochte producten bestemd waren om tot een ander product te worden verwerkt. Verder blijkt uit de stukken, inzonderheid uit de niet-vertrouwelijke versie van het antwoord van Tubos Reunidos op de vragenlijst, dat die hoeveelheid tijdens het onderzoektijdvak niet meer dan 4 % van de verkopen van Tubos Reunidos vertegenwoordigde en niet meer dan 1 % van de totale verkoop van de producenten in de Gemeenschap die klacht steunden. Dat Acecsa geen antwoord op de vragenlijst heeft ingediend, heeft de voor de vaststelling van de schade gebruikte gegevens dus niet significant kunnen vervalsen. Bovendien beschikte de Raad, net als voor Productos Tubulares, weliswaar over geen gegevens betreffende de aan het onderzoektijdvak voorafgaande periode, te weten de jaren 2001 tot en met 2003, doch heeft het ontbreken van gegevens betreffende die periode geen invloed gehad op de vaststelling van de schade, aangezien de ontbrekende gegevens de Raad hooguit tot onderschatting, maar niet tot overschatting van de schade hadden kunnen brengen. Bovendien heeft Tubos Reunidos haar antwoord op vragenlijst tijdig ingediend en is dit antwoord door de diensten van de Commissie gecontroleerd. In die omstandigheden heeft de Raad geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door niet te eisen dat Acecsa volgens de regels een antwoord op de vragenlijst indient.
103 Met betrekking tot Almesa blijkt uit de schifturen van de Raad dat deze vennootschap een handelsmaatschappij is. De verkopen van deze vennootschap zijn dus bij de analyse van de schade in aanmerking genomen via de voor haar bestemde verkopen van Tubos Reunidos. Bovendien blijkt uit de stukken, inzonderheid uit de niet-vertrouwelijke versie van het antwoord van Tubos Reunidos op de vragenlijst, dat de door Tubos Reunidos aan Almesa in rekening gebrachte prijzen gemiddeld hoger waren dan de prijzen die aan onafhankelijke afnemers in rekening werden gebracht. Het als waarde van de verkopen in aanmerking genomen cijfer berustte dus niet op een onderschatting en heeft de vaststelling van de schade dus niet vervalst. Bijgevolg heeft de Raad geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door niet te eisen dat Almesa aanvullende gegevens verstrekt in de vorm van een volgens de regels ingediend antwoord op de vragenlijst.
104 Met betrekking tot Dalmine Benelux, Dalmine France, Dalmine Deutschland, Eurotube, Tenaris Global Services (UK) en Quality Tubes blijkt uit de schrifturen van de Raad dat Dalmine tijdens het onderzoektijdvak niets heeft verkocht aan Dalmine Benelux, Dalmine Deutschland en Eurotube. Wat Quality Tubes en Tenaris Global Services (UK) betreft, bevat de vertrouwelijke versie van het antwoord van Dalmine op de vragenlijst de per transactie gespecificeerde verkopen van deze vennootschappen. Deze gegevens zijn dus in aanmerking genomen bij de analyse van de schade. Wat ten slotte de verkopen van Dalmine France in de Gemeenschap betreft, deze waren noodzakelijkerwijze marginaal daar de totale verkoop van Dalmine aan deze zes verbonden vennootschappen minder dan 4 % van de totale verkoop van het betrokken product door de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het onderzoektijdvak vertegenwoordigde.
105 Uit de stukken en met name uit de niet-vertrouwelijke versie van het antwoord van Dalmine op de vragenlijst – welke versie tijdig is ingediend en door de Commissie is gecontroleerd – blijkt in elk geval dat Dalmine Benelux, Dalmine France, Dalmine Deutschland, Eurotube, Tenaris Global Services (UK) en Quality Tubes werkzaam zijn op het gebied van de handel of de doorverkoop-distributie. De verkopen van deze vennootschappen zijn dus bij de analyse van de schade in aanmerking genomen via de voor hen bestemde verkopen van Dalmine.
106 De Raad heeft dus geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door niet te eisen dat Dalmine Benelux, Dalmine France, Dalmine Deutschland, Eurotube, Tenaris Global Services (UK) en Quality Tubes aanvullende gegevens verstrekken in de vorm van een volgens de regels ingediend antwoord op de vragenlijst, en door te oordelen dat Dalmine heeft meegewerkt aan het onderzoek.
107 Met betrekking tot Tenaris West Africa blijkt uit de schrifturen van de Raad dat deze vennootschap zich met de productie noch met de verkoop van het betrokken product heeft beziggehouden. Bovendien blijkt uit de antwoorden op de schriftelijke vragen van het Gerecht dat de Raad zich op een e-mail van 24 mei 2006 van Dalmine aan de Commissie heeft gebaseerd voor het beoordelen van de gevolgen van het feit dat deze vennootschap geen antwoord op de vragenlijst heeft ingediend. Aangezien deze e-mail tijdig is verzonden, heeft de Raad geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door niet te eisen dat deze vennootschap aanvullende gegevens verstrekt in de vorm van een volgens de regels ingediend antwoord op de vragenlijst, en door te oordelen dat Dalmine heeft meegewerkt aan het onderzoek.
108 Wat ten slotte VMOG United Kingdom betreft, dient erop te worden gewezen dat deze vennootschap haar antwoord op de vragenlijst te laat heeft ingediend, zodat haar gegevens niet in aanmerking konden worden genomen bij de vaststelling van de schade. Uit de stukken blijkt in elk geval dat deze vennootschap de klacht niet steunde. Bijgevolg dienden de haar betreffende gegevens in beginsel bij de analyse van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in aanmerking te worden genomen voor het bepalen van de schade, tenzij het buiten beschouwing laten van die gegevens de analyse zou hebben vervalst. In dit laatste geval dienden die gegevens in aanmerking te worden genomen of dienden de gegevens betreffende V & M Deutschland en V & M France buiten beschouwing te worden gelaten. Om uit te maken of de analyse zou worden vervalst, heeft de Raad zich op de volgende documenten gebaseerd: de tabel met het productievolume van V & M United Kingdom, de tabel met het volume en de waarde van de verkopen van V & M United Kingdom, en de lijst van per transactie gespecificeerde verkopen van V & M France.
109 Op basis van het te laat ingediende antwoord heeft de Raad dus kunnen vaststellen dat de verkopen van VMOG United Kingdom tijdens het onderzoektijdvak minder dan 3 % vertegenwoordigden van de totale verkoop van de producenten in de Gemeenschap die aan de oorsprong liggen van de klacht, wat door de overgelegde documenten wordt bevestigd. Welnu, de niet-inaanmerkingneming van deze 3 % heeft de vaststelling van de schade niet beslissend kunnen beïnvloeden. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat de inlichtingen waarop de Raad zich heeft gebaseerd om het aandeel van de verkopen van deze vennootschap in de verkopen van de bedrijfstak van de Gemeenschap te bepalen, tijdig zijn verstrekt in de zin van artikel 18, lid 3, van de basisverordening.
110 Bijgevolg heeft de Raad geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door V & M Deutschland en V & M France, de in steekproef opgenomen producenten in de Gemeenschap die verbonden zijn met VMOG United Kingdom, niet van de bedrijfstak van de Gemeenschap uit te sluiten.
111 Wat vervolgens de berekening van de schademarge betreft, heeft de Raad er terecht op gewezen dat volgens artikel 9, lid 4, van de basisverordening, waarin de regel van het laagste recht wordt geformuleerd, de schademarge slechts voor het bepalen van de hoogte van het antidumpingrecht wordt gebruikt wanneer zij lager is dan de dumpingmarge. In het onderhavige geval was het aan verzoeksters opgelegde antidumpingrecht gebaseerd op de dumpingmarge van verzoeksters, namelijk 25,7 % en niet op de schademarge van 57 %. Zelfs al zou de schademarge zijn gebaseerd op de prijzen die de producenten in de Gemeenschap aan VMOG United Kingdom, Productos Tubulares en de met Dalmine verbonden vennootschappen in rekening brachten, de verkopen aan die vennootschappen vertegenwoordigden hooguit 10 % van de totale verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Zoals de Raad opmerkt, hadden de door deze verbonden vennootschappen toegepaste prijzen dus aanzienlijk moeten afwijken van die van de andere bij de berekening van de schademarge in aanmerking genomen verkopen om de schademarge onder de dumpingmarge te drukken.
112 De Raad heeft dus geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door te oordelen dat het feit dat de met de producenten in de Gemeenschap verbonden vennootschappen geen antwoord op de vragenlijst hebben ingediend, de vaststelling van de schade noch de berekening van de schademarge heeft vervalst, en heeft artikel 3, leden 2, 3, 5, 6 en 7, van de basisverordening dus niet geschonden.
113 Mitsdien moet het tweede middel ongegrond worden verklaard voor zover daarin schending van artikel 3, leden 2, 3, 5, 6 en 7, van de basisverordening wordt gesteld.
Schending van het non-discriminatiebeginsel
– Argumenten van partijen
114 In het kader van het tweede middel stellen verzoeksters dat de Raad het non-discriminatiebeginsel heeft geschonden. Waar de Commissie in het kader van het onderzoek heeft geëist dat alle met producenten-exporteurs van het betrokken product verbonden vennootschappen op haar vragenlijst antwoorden, heeft zij die eis namelijk niet gesteld met betrekking tot de met de producenten in de Gemeenschap verbonden verkoopvennootschappen.
115 Verzoeksters zijn van mening dat de door de Commissie verstrekte uitleg die discriminerende behandeling niet rechtvaardigt. Ten eerste is het weliswaar juist dat voor elke groep van verbonden producenten-exporteurs een dumpingmarge wordt berekend, terwijl de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade wordt bepaald op het niveau van de gehele sector, doch het is niet juist dat voor die twee verrichtingen een verschillende mate van medewerking van de betrokken partijen is vereist. Zoals de dumpingmarge kan worden vervalst wanneer een groep van verbonden producenten een antwoord geeft namens een van hen die geen dumping toepast terwijl een andere dat wel doet, kan het bepalen van de schade worden vervalst wanneer een producent in de Gemeenschap die op twee verschillende locaties produceert, waarvan de ene schade lijdt en de andere niet, een antwoord verstrekt op basis van de locatie die schade heeft geleden.
116 Ten tweede wijzen verzoeksters erop dat de procedure voor de berekening van de schademarge precies dezelfde mate van medewerking vergt van de producenten-exporteurs en van de producenten in de Gemeenschap, zodat elke discriminatie tussen hen ongerechtvaardigd is.
117 Ten derde stellen verzoeksters dat in de tekst zelf van de vragenlijst aan de producenten in de Gemeenschap uitdrukkelijk de verplichting wordt opgelegd om niet alleen voor elke verbonden productievennootschap, maar ook voor elke verbonden verkoopvennootschap informatie te verstrekken. Met andere woorden, aan de producenten in de Gemeenschap worden dezelfde eisen gesteld als aan de producenten-exporteurs.
118 Volgens de Raad is er geen sprake van schending van het non-discriminatiebeginsel. Hij voert in dit verband aan dat verzoeksters niet trachten aan te tonen dat het feit dat een exporteur niet antwoordt op een vragenlijst voor verbonden vennootschappen, en het feit dat een producent in de Gemeenschap daar niet op antwoordt, gelijksoortige situaties zijn. Volgens de Raad wordt het gestelde verschil in behandeling gerechtvaardigd door het verschillende gebruik waarvoor de gevraagde gegevens bestemd zijn; de door de producenten in de Gemeenschap verstrekte gegevens zijn namelijk bestemd voor het vaststellen van de schade, terwijl de door de producenten-exporteurs verstrekte gegevens bestemd zijn voor het berekenen van de dumpingmarge. Verzoeksters tonen evenmin aan dat de Commissie de exporteurs en de producenten in de Gemeenschap daadwerkelijk verschillend heeft behandeld.
– Beoordeling door het Gerecht
119 Tegen de achtergrond van de in punt 58 hierboven aangehaalde rechtspraak dient de gestelde schending van het non-discriminatiebeginsel te worden onderzocht. Volgens deze rechtspraak is er slechts sprake van discriminatie indien de situatie van de producenten in de Gemeenschap en die van de producenten-exporteurs in het onderhavige geval als gelijksoortige situaties kunnen worden aangemerkt en de Commissie de eerste anders heeft behandeld dan de laatste.
120 Er zij meteen op gewezen, zonder dat behoeft te worden stilgestaan bij het concrete geval, dat de situatie van de producenten-exporteurs met betrekking tot de verplichting om te antwoorden op de vragenlijst van de Commissie en die van de producenten in de Gemeenschap met betrekking tot diezelfde verplichting in beginsel geen gelijksoortige situaties zijn. Zoals de Raad in zijn schrifturen heeft opgemerkt, is het antwoord dat producenten-exporteurs op de vragenlijst moeten geven, bestemd voor het vaststellen van de dumpingmarge, die op de specifieke gegevens betreffende de betrokken onderneming is gebaseerd. Het antwoord dat de producenten in de Gemeenschap op de vragenlijst moeten geven, is daarentegen bestemd voor de vaststelling van schade, waarvoor wordt uitgegaan van een analyse van de gehele bedrijfstak van de Gemeenschap.
121 In het onderhavige geval kan echter niet worden uitgesloten dat de omstandigheden op grond waarvan de Commissie heeft geconcludeerd dat de producenten-exporteurs voor alle met hen verbonden vennootschappen een antwoord op de vragenlijst moeten indienen, dezelfde zijn als die op grond waarvan zij heeft geconcludeerd dat het feit dat de in de punten 93 en 94 hierboven genoemde producenten in de Gemeenschap niet een dergelijk antwoord hebben ingediend, geen ontoereikende medewerking oplevert.
122 Vaststaat echter dat verzoeksters hebben trachten aan te tonen dat de situatie van de producenten-exporteurs en die van de producenten in de Gemeenschap in theorie vergelijkbaar waren, maar niet het bewijs hebben geleverd dat dit in casu het geval was.
123 Daarbij komt dat verzoeksters niet het minste bewijs hebben aangedragen voor hun stelling dat de Commissie de producenten-exporteurs en de producenten in de Gemeenschap daadwerkelijk verschillend heeft behandeld. In hun schifturen stellen zij immers alleen dat de Commissie toegeeft dat zij niet eist dat de met de producenten in de Gemeenschap verbonden vennootschappen antwoorden op de vragenlijst. Zij tonen echter niet aan dat een dergelijke eis is gesteld aan de producenten-exporteurs.
124 Verzoeksters hebben dus niet aangetoond dat de beslissing van de Commissie om niet te eisen dat de met de producenten in de Gemeenschap verbonden vennootschappen een antwoord op de vragenlijst van de Commissie indienen, discriminatie oplevert.
125 Mitsdien moet het tweede middel ongegrond worden verklaard voor zover daarin schending van het non-discriminatiebeginsel wordt gesteld.
Schending van artikel 19, lid 3, van de basisverordening
– Argumenten van partijen
126 In het kader van het tweede middel wijzen verzoeksters erop dat, zelfs al zou het onderzoekdossier gegevens bevatten waaruit blijkt dat het feit dat de met de producenten in de Gemeenschap verbonden vennootschappen geen antwoord op de vragenlijst hebben ingediend, geen significante invloed heeft gehad op de raming van de door de producenten in de Gemeenschap geleden schade, zoals de Raad stelt, deze laatste zich volgens artikel 19, lid 3, van de basisverordening niet op deze gegevens kan beroepen omdat het niet-vertrouwelijke onderzoekdossier dergelijke gegevens niet bevat.
127 De Raad stelt dat artikel 19, lid 3, van de basisverordening niet bepaalt dat informatie waarvan geen niet-vertrouwelijke samenvatting is verstrekt, steeds buiten beschouwing moet worden gelaten, maar dat deze informatie buiten beschouwing kan worden gelaten, tenzij uit goede bronnen blijkt dat ze juist is. De in artikel 19, lid 3, van de basisverordening aan de partijen bij een antidumpingonderzoek opgelegde verplichting om een niet-vertrouwelijke samenvatting van de aan de Commissie voorgelegde gegevens te verstrekken, heeft zijn inziens tot doel, de rechten van verdediging van de andere partijen te beschermen. De Raad concludeert daaruit dat verzoeksters slechts dan als grond voor nietigverklaring van een antidumpingmaatregel kunnen aanvoeren dat de Commissie gebruik heeft gemaakt van informatie waarvan geen niet-vertrouwelijke samenvatting is verstrekt, indien zij kunnen aantonen dat door het gebruik van die informatie hun rechten van verdediging zijn geschonden. Dit is zijns inziens in casu niet het geval.
– Beoordeling door het Gerecht
128 Allereerst dient erop te worden gewezen dat verzoeksters hun bezwaar inzake schending van artikel 19, lid 3, van de basisverordening voor het eerst in repliek hebben geformuleerd. In beginsel mogen in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij deze steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken (arrest Gerecht van 14 maart 2007, Aluminium Silicon Mill Products/Raad, T‑107/04, Jurispr. blz. II‑669, punt 60).
129 In het onderhavige geval hebben verzoeksters dit nieuwe bezwaar geformuleerd in antwoord op de gegevens die de Raad voor het eerst in de punten 52, 53, 55, 59, 60 en 64 en voetnoot 31 van zijn verweerschrift had meegedeeld. Dit nieuwe bewaar van verzoeksters, betreffende schending van artikel 19, lid 3, van de basisverordening, steunt derhalve op gegevens waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Bijgevolg moet dit bezwaar ontvankelijk worden geacht.
130 Met betrekking tot de gegrondheid van het bezwaar dient er allereerst op te worden gewezen dat artikel 19, lid 3, van de basisverordening de Commissie slechts de mogelijkheid biedt om vertrouwelijke informatie waarvan geen niet-vertrouwelijk samenvatting is verstrekt, buiten beschouwing te laten.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- Gerecht EU 30 juni 2016, T-424/13, ECLI:EU:T:2016:378
- Gerecht EU 15 september 2016, T-111/14, ECLI:EU:T:2016:505
- HvJ EU 26 oktober 2016, C-468/15, ECLI:EU:C:2016:803
- Gerecht EU 9 november 2022, T-246/19, ECLI:EU:T:2022:694
- Gerecht EU 3 december 2019, T-607/15, ECLI:EU:T:2019:831
- HvJ EU 8 september 2015, C-511/13, ECLI:EU:C:2015:553
- Gerecht EU 14 juli 2021, T-716/19, ECLI:EU:T:2021:457
- Gerecht EU 15 maart 2018, T-211/16, ECLI:EU:T:2018:148
- Gerecht EU 15 september 2016, T-120/14, ECLI:EU:T:2016:501
- Gerecht EU 21 februari 2024, T-762/20, ECLI:EU:T:2024:113
- Gerecht EU 15 november 2018, T-487/14, ECLI:EU:T:2018:792
- Gerecht EU 2 oktober 2024, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663