Gerecht EU 20 september 2019, T-650/17, ECLI:EU:T:2019:644
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
20 september 2019 ( *1 )
„Dumping – Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2017/1146 – Invoer van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide Castings Co., Ltd – Definitief antidumpingrecht – Hervatting van de procedure na de gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013 – Artikel 2, lid 7, onder a), alsook leden 10 en 11, van verordening (EG) nr. 1225/2009 [thans artikel 2, lid 7, onder a), alsook leden 10 en 11, van verordening (EU) 2016/1036] – Normale waarde – Billijke vergelijking – Productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat – Artikel 3, leden 1 tot en met 3, en artikel 9, leden 4 en 5, van verordening nr. 1225/2009 (thans artikel 3, leden 1 tot en met 3, en artikel 9, leden 4 en 5, van verordening 2016/1036) – Vaststelling van de schade”
In zaak T‑650/17,
Jinan Meide Casting Co. Ltd, gevestigd te Jinan (China), vertegenwoordigd door R. Antonini, E. Monard en B. Maniatis, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Brakeland, M. França en N. Kuplewatzky als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2017/1146 van de Commissie van 28 juni 2017 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide Castings Co., Ltd (PB 2017, L 166, blz. 23),
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias (rapporteur), president, I. Labucka en I. Ulloa Rubio, rechters,
griffier: S. Bukšek Tomac, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 maart 2019,
het navolgende
Arrest ( 1 )
I. Voorgeschiedenis van het geding
1 Verzoekster, Jinan Meide Casting Co. Ltd, is een in China gevestigde vennootschap die voor de binnenlandse markt en voor uitvoer bestemde gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, produceert.
A. Voorgeschiedenis van het geding in zaak T‑424/13
2 De voorgeschiedenis van het geding waarover het Gerecht uitspraak heeft gedaan in het arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad (T‑424/13, EU:T:2016:378), die in de punten 1 tot en met 51 van dat arrest beschreven is, kan als volgt worden samengevat.
3 Op 16 februari 2012 heeft de Europese Commissie een bericht bekendgemaakt van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Thailand en Indonesië (PB 2012, C 44, blz. 33).
4 Het onderzoek naar de dumping en de schade had betrekking op de periode van 1 januari tot en met 31 december 2011 (hierna: „onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die van belang waren voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode tussen 2008 en het einde van het onderzoektijdvak.
5 Wat de uitvoer uit China betreft, heeft de Commissie een steekproef van drie producenten-exporteurs geselecteerd, die samen goed waren voor 88 % van de door de meewerkende ondernemingen uitgevoerde hoeveelheid. Verzoekster maakte deel uit van die steekproef.
6 De Commissie heeft geweigerd om deze drie producenten-exporteurs te behandelen als marktgerichte onderneming („BMO”), zoals bedoeld in artikel 2, lid 7, onder b), van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51) [thans artikel 2, lid 7, onder b), van verordening (EG) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21)]. Ze heeft hun daarentegen overeenkomstig artikel 9, lid 5, tweede alinea, van verordening nr. 1225/2009 (thans artikel 9, lid 5, tweede alinea, van verordening 2016/1036) wel het voordeel van de individuele behandeling van hun dumpingmarge toegekend.
7 De Commissie was van mening dat het voor de vaststelling van de normale waarde passend was om India als derde land met een markteconomie te kiezen in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van verordening nr. 1225/2009 [thans artikel 2, lid 7, onder a), van verordening 2016/1036]. Eén enkele Indiase producent (hierna: „producent uit het referentieland”) heeft aanvaard om de noodzakelijke gegevens te verstrekken voor de vaststelling van de normale waarde.
8 Op 14 november 2012 heeft de Commissie verordening (EU) nr. 1071/2012 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand (PB 2012, L 318, blz. 10, hierna: „voorlopige verordening”) vastgesteld.
9 Op 13 mei 2013 heeft de Raad van de Europese Unie uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van Indonesië (PB 2013, L 129, blz. 1) vastgesteld.
10 Artikel 1, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 430/2013 luidde: „Een definitief antidumpingrecht wordt ingesteld op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, uitgezonderd binnenringen van knelkoppelingen met metrisch schroefdraad overeenkomstig ISO DIN 13, en ronde aansluitdozen van smeedbaar ijzer, met schroefdraad, zonder deksel, momenteel ingedeeld onder GN‑code ex73071910 (Taric-code 7307191010) en van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand.”
11 Artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 430/2013 bepaalde met betrekking tot de uitvoer door verzoekster dat het definitieve antidumpingrecht, dat van toepassing was op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het betrokken product, 40,8 % bedroeg.
B. Beroep in zaak T‑424/13
12 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 augustus 2013, heeft verzoekster beroep (hierna: „oorspronkelijk beroep”) ingesteld tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening nr. 430/2013, voor zover deze uitvoeringsverordening op haar van toepassing was (arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 52).
13 Het oorspronkelijke beroep was gebaseerd op vijf middelen (arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 57).
14 Met haar eerste middel voerde verzoekster aan dat de instellingen van de Unie haar rechten van verdediging en een aantal bepalingen van verordening nr. 1225/2009 hadden geschonden door te weigeren haar de voor de vaststelling van de normale waarde relevante informatie te onthullen. In het kader van dit eerste middel heeft verzoekster drie grieven geformuleerd. Met de eerste grief verweet zij in het bijzonder de instellingen van de Unie met name dat zij hebben geweigerd haar inzage te geven in de berekening van de normale waarde, nadat zij van de producent uit het referentieland toestemming had gekregen om kennis te nemen van de aan die berekening ten grondslag liggende gegevens (arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 57).
15 Het tweede middel was primair ontleend aan kennelijke beoordelingsfouten en onjuiste rechtsopvattingen, doordat de instellingen de door verzoekster geformuleerde verzoeken tot correctie van de normale waarde uit hoofde van grondstoffen en productiviteit hadden afgewezen, en, subsidiair, een ontoereikende motivering (arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 57). Het derde middel was ontleend aan kennelijke beoordelingsfouten en onjuiste rechtsopvattingen, en schending van het non-discriminatiebeginsel doordat de instellingen een onredelijke methode hadden toegepast om de normale waarde van de producten zonder vergelijkbare productsoorten vast te stellen (arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 57). Het vierde middel betrof schending van wezenlijke vormvoorschriften, doordat de Commissie haar conclusies over de BMO te laat ter kennis had gebracht (arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 57). Het vijfde middel betrof feitelijke vergissingen en kennelijke beoordelingsfouten, alsmede een schending van verordening nr. 1225/2009 doordat de vaststelling van de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade op onjuiste gegevens betreffende de omvang van de invoer met dumping uit China zou zijn gebaseerd (arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 57).
16 In het arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad (T‑424/13, EU:T:2016:378), heeft het Gerecht het vierde middel (punten 59‑89 van het arrest) en de tweede en de derde grief van het eerste middel (punten 108‑127 van het arrest) afgewezen.
17 Daarentegen heeft het Gerecht de eerste grief van het eerste middel aanvaard (arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punten 128‑221). Het Gerecht heeft hieruit de conclusie getrokken dat uitvoeringsverordening nr. 430/2013 nietig moest worden verklaard, zonder dat het tweede, het derde en het vijfde middel van het oorspronkelijk beroep hoefden te worden onderzocht (arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 221).
18 In punt 1 van het dictum van het arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad (T‑424/13, EU:T:2016:378), heeft het Gerecht het volgende beslist: „Uitvoeringsverordening [nr. 430/2013] wordt nietig verklaard voor zover zij van toepassing is op Jinan Meide Casting Co. Ltd.”
C. Voorgeschiedenis van het geding na het arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad (T‑424/13)
19 Op 28 oktober 2016 heeft de Commissie een bericht bekendgemaakt betreffende [het arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad (T‑424/13, EU:T:2016:378),] in verband met uitvoeringsverordening [nr. 430/2013] (PB 2016, C 398, blz. 57; hierna: „bericht van 28 oktober 2016”).
20 In de derde overweging van het bericht van 28 oktober 2016 heeft de Commissie aangegeven dat overeenkomstig artikel 266 VWEU het verzoek van de betrokken producent-exporteur tot onthulling van de berekening van de normale waarde aan de hand van vertrouwelijke gegevens van de producent uit het referentieland, opnieuw moest worden onderzocht in het licht van de specifieke omstandigheden met betrekking tot deze producent-exporteur.
21 In de vierde overweging van het bericht van 28 oktober 2016 heeft de Commissie opgemerkt dat de nietigverklaring van uitvoeringsverordening nr. 430/2013 betrekking had op één fase van de administratieve procedure, namelijk de onthulling van gegevens aan de producent-exporteur. Zij heeft dan ook overwogen dat zij bij de tenuitvoerlegging van het arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad (T‑424/13, EU:T:2016:378), de mogelijkheid had om de aspecten van de procedure te corrigeren die tot nietigverklaring hadden geleid en de delen waarvoor het arrest geen gevolgen had ongewijzigd te laten, en dat de bevindingen in uitvoeringsverordening nr. 430/2013 die niet binnen de hiervoor vastgestelde termijnen waren betwist of waartegen een beroep was ingesteld dat door het arrest van het Gerecht is verworpen of niet door het Gerecht is onderzocht, en die derhalve niet tot de nietigverklaring van uitvoeringsverordening nr. 430/2013 hadden geleid, van kracht bleven.
22 In de vijfde en de zesde overweging van het bericht van 28 oktober 2016 heeft de Commissie aangegeven dat zij, gelet op een en ander en door bekendmaking van het bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie het antidumpingonderzoek betreffende de invoer van hulpstukken voor buisleidingen van smeedbaar gietijzer, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, dat had geleid tot de vaststelling van uitvoeringsverordening nr. 430/2013, heropende voor zover het de betrokken producent-exporteur betrof, dat zij dit onderzoek hervatte op het punt waar de onregelmatigheid zich had voorgedaan, en dat voorts deze heropening beperkt was tot de tenuitvoerlegging van het arrest van het Gerecht wat verzoekster betrof.
23 De Commissie heeft aan verzoekster verschillende versies van de berekening van de dumpingmarge medegedeeld, alsmede verschillende documenten betreffende deze berekeningen en de door de producent uit het referentieland verstrekte gegevens (brieven van 23 december 2016, 31 januari, 14 februari en 12 april 2017, en e‑mails van 21 april en 29 mei 2017).
24 Verzoekster heeft opmerkingen ingediend bij brieven van 19 januari en 2 mei 2017.
25 Op 8 maart 2017 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden met verzoekster en de twee importeurs van het betrokken product, en op 15 maart en 25 april 2017 twee verdere hoorzittingen met verzoekster.
26 Op 28 juni 2017 heeft de Commissie uitvoeringsverordening (EU) 2017/1146 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide Castings Co., Ltd (PB 2017, L 166, blz. 23; hierna: „bestreden verordening”) vastgesteld.
27 In de overwegingen 4 tot en met 6 van de bestreden verordening heeft de Commissie de wijze waarop uitvoering werd gegeven aan het arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad (T‑424/13, EU:T:2016:378), gerechtvaardigd in soortgelijke bewoordingen als in de vierde tot en met de zesde overweging van het bericht van 28 oktober 2016 (zie de punten 20‑22 hierboven).
28 Artikel 1, lid 1, van de bestreden verordening luidt: „Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, uitgezonderd binnenringen van knelkoppelingen met metrisch schroefdraad overeenkomstig ISO DIN 13, en ronde aansluitdozen van smeedbaar ijzer, met schroefdraad, zonder deksel, momenteel ingedeeld onder GN-code ex73071910 (Taric-code 7307191010), van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide (aanvullende Taric-code B336).”
29 Artikel 1, lid 2, van de bestreden verordening bepaalt: „Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs franco grens Unie, vóór inklaring, is 39,2 %.”
II. Procedure en conclusies van partijen
30 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 september 2017, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
31 Op 22 december 2017 heeft de Commissie haar verweerschrift ingediend.
32 De repliek en de dupliek zijn ingediend op respectievelijk 20 februari en 3 april 2018.
33 Bij brief van 4 april 2018 zijn partijen in kennis gesteld van de sluiting van de schriftelijke behandeling en van de mogelijkheid om een terechtzitting te vragen onder de voorwaarden van artikel 106 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Bij brief van 6 april 2018 heeft verzoekster om een terechtzitting verzocht.
34 Op 1 februari 2019 heeft het Gerecht bij maatregel tot organisatie van de procesgang de partijen een aantal vragen gesteld die zij schriftelijk dienden te beantwoorden, en hun verzocht bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben het Gerecht geantwoord bij processtukken van 22 februari 2019.
35 Op 1 maart 2019 heeft het Gerecht met een nieuwe maatregel tot organisatie van de procesgang de Commissie verzocht om een aanvullend document over te leggen. De Commissie heeft gevolg gegeven aan dit verzoek bij processtuk van 5 maart 2019.
36 De pleitzitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019. Ter terechtzitting heeft verzoekster bevestigd dat zij, zoals zij in haar schriftelijke antwoord op een vraag van het Gerecht had verklaard, afstand deed van het vijfde middel van het verzoekschrift.
37 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de bestreden verordening nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
38 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
39 Zoals hierboven in punt 36 is aangegeven, heeft verzoekster afgezien van het vijfde middel van het verzoekschrift. Het onderhavige beroep berust dus slechts op vier middelen. Het eerste middel betreft schending van artikel 2, lid 7, onder a), van verordening nr. 1225/2009, doordat de Commissie fouten heeft gemaakt bij het vaststellen van de normale waarde. Het tweede middel betreft schending van artikel 2, lid 10, van deze verordening (thans artikel 2, lid 10, van verordening 2016/1036), en van artikel 2.4 van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (GATT) (PB 1994, L 336, blz. 103; hierna „antidumpingovereenkomst”), die is opgenomen in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (PB 1994, L 336, blz. 3), wegens de onterechte afwijzing door de Commissie van bepaalde verzoeken tot correctie van verzoekster. Het derde middel is ontleend aan schending van artikel 2, lid 7, onder a), lid 10, aanhef en onder a), en lid 11, van deze verordening [thans artikel 2, lid 7, onder a), lid 10, aanhef en onder a), en lid 11, van verordening 2016/1036] wegens fouten van de Commissie bij het bepalen van de normale waarde van productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat. Het vierde middel is ontleend aan schending van artikel 3, leden 1 tot en met 3, van de betrokken verordening (thans artikel 3, leden 1 tot en met 3, van verordening 2016/1036), wegens het gebruik door de Commissie van onjuiste gegevens over invoer, en voorts aan schending van artikel 3 en artikel 9, leden 4 en 5, van dezelfde verordening (thans artikel 9, leden 4 en 5, van verordening 2016/1036), alsook aan een motiveringsgebrek, omdat de Commissie in de bestreden verordening geen uitdrukkelijke conclusies heeft getrokken betreffende de schade en het causaal verband.
40 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de Commissie in overweging 19 van de bestreden verordening heeft aangegeven dat de handeling die van toepassing was op de heropening van het antidumpingonderzoek, verordening nr. 1225/2009 was, die ten tijde van de vaststelling van de door het Gerecht nietig verklaarde verordening het materiële recht vormde. Zij heeft daaraan toegevoegd dat verordening 2016/1036, waarbij verordening nr. 1225/2009 met ingang van 19 juli 2016 is ingetrokken en vervangen, hoe dan ook een codificatie was van deze laatste verordening en van de latere wijzigingen ervan. In het verzoekschrift heeft verzoekster met die overwegingen ingestemd, mits de in de bestreden verordening gebezigde uitdrukking „basisverordening” wordt uitgelegd als een verwijzing naar verordening nr. 1225/2009.
41 In dit verband is het vaste rechtspraak dat de rechtsgrondslag van een handeling en de toepasselijke procedureregels weliswaar van kracht moeten zijn op de datum van de vaststelling van deze handeling, maar dat ter eerbiediging van het beginsel van de toepassing van de wet in de tijd, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, de toepassing geboden is van de materiële bepalingen die van kracht waren op de datum van de betrokken feiten, ook al gelden deze bepalingen niet meer op de datum waarop door de instelling van de Unie een handeling wordt vastgesteld (zie in die zin arrest van 14 juni 2016, Commissie/McBride e.a., C‑361/14 P, EU:C:2016:434, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Hieruit volgt dat in casu de bestreden verordening weliswaar moest worden vastgesteld op basis van verordening 2016/1036 en overeenkomstig de in deze verordening neergelegde procedureregels, maar dat de wettigheid van de bestreden verordening moet worden beoordeeld op grond van de materiële bepalingen die van toepassing waren op de feiten waarop het antidumpingonderzoek betrekking had, te weten de regels van verordening nr. 1225/2009. Aangezien de middelen van het verzoekschrift uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van deze materiële rechtsregels, dient in het kader van het onderzoek van deze middelen in de punten 44 tot 412 hieronder, alleen te worden gerefereerd aan verordening nr. 1225/2009 (hierna: „basisverordening”).
43 In de eerste plaats acht het Gerecht het aangewezen het derde middel te onderzoeken.
A. Derde middel: schending van artikel 2, lid 7, onder a), lid 10, aanhef en onder a), en lid 11, van de basisverordening doordat de Commissie fouten heeft gemaakt bij het bepalen van de normale waarde van productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat
44 Het derde middel omvat twee onderdelen. Met het eerste onderdeel wordt aangevoerd dat de door de Commissie gehanteerde methode om de normale waarde vast te stellen voor productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat (hierna: „litigieuze methode”) onredelijk is, en met het tweede dat deze methode, in strijd met artikel 2, lid 11, van de basisverordening, niet de werkelijke omvang van de dumpingpraktijk weergeeft.
1. Overwegingen vooraf
45 Om te beginnen dient er ten eerste aan te worden herinnerd dat er op grond van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening twee mogelijke methoden zijn om de normale waarde vast te stellen wanneer het uitvoerland een land zonder markteconomie is.
46 Zoals het Hof heeft overwogen, volgt uit de inhoud en de opzet van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening dat de hoofdregel voor de vaststelling van de normale waarde in een dergelijk geval die is „van de prijs of de door berekening vastgestelde waarde in een derde land met een markteconomie”, of die „van de prijs bij uitvoer uit een dergelijk derde land naar andere landen, met inbegrip van de [Unie]”. Voor het geval dat dit niet mogelijk is, geldt een subsidiaire methode voor de vaststelling van de normale waarde, volgens welke deze waarde wordt bepaald „op [een] andere redelijke grondslag [zoals] de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het soortgelijke product in de [Unie], indien nodig verhoogd met een redelijke winstmarge” (zie arrest van 22 maart 2012, GLS, C‑338/10, EU:C:2012:158, punt 24).
47 Volgens het Hof strekt de voorrang die wordt verleend aan de in deze bepalingen neergelegde hoofdmethode ertoe om een redelijke vaststelling van de normale waarde in het uitvoerland te verkrijgen door te kiezen voor een derde land waar de prijs van een soortgelijk product in zo vergelijkbaar mogelijke omstandigheden als die in het uitvoerland wordt vastgesteld, voor zover het om een land met een markteconomie gaat. Hieruit volgt dat van de toepassing van deze hoofdmethode enkel kan worden afgeweken wanneer het niet mogelijk is om deze toe te passen (zie in die zin arrest van 22 maart 2012, GLS, C‑338/10, EU:C:2012:158, punten 25 en 26).
48 Ten tweede blijkt zowel uit de letter als uit de opzet van artikel 2, lid 10, van de basisverordening dat de uitvoerprijs of de normale waarde alleen mag worden gecorrigeerd om rekening te houden met verschillen in factoren die van invloed zijn op de prijzen en dus op de vergelijkbaarheid daarvan. Doel van een correctie is, met andere woorden, het herstel van de symmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs van een product, zodat, wanneer de correctie niet naar behoren werd toegepast, a contrario een asymmetrie tussen die twee waarden in het leven wordt geroepen (zie in die zin arrest van 16 december 2011, Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad, T‑423/09, EU:T:2011:764, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 In het bijzonder bepaalt artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening dat een correctie wordt toegepast wegens verschillen in fysieke kenmerken van het betrokken product, en dat het bedrag van de correctie gelijk is aan een redelijke raming van de waarde van het verschil op de markt. Deze bepaling geeft echter niet aan hoe een dergelijke redelijke raming dient te worden verricht. Bovendien moet worden opgemerkt dat deze bepaling, om de symmetrie tussen de normale waarde van het soortgelijke product en de uitvoerprijs van het betrokken product te herstellen, niet vereist dat het aldus vastgestelde bedrag van de correctie een dergelijke waarde op de markt precies weergeeft, maar enkel dat dit bedrag een redelijke raming vormt.
50 Zoals blijkt uit de rechtspraak, beschikt de Commissie, binnen de door, enerzijds, artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening, en anderzijds, artikel 2, lid 10, van die verordening, gestelde grenzen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid, zowel met betrekking tot de beoordeling van de normale waarde van een product, als voor de beoordeling van de feiten die rechtvaardigen dat de vergelijking van de normale waarde en van de uitvoerprijs billijk is, waarbij de vage begrippen „redelijke vaststelling” en „billijkheid”, die de Commissie dient toe te passen in het kader van deze bepalingen, van geval tot geval, naargelang van de relevante economische context, moeten geconcretiseerd worden (zie in die zin arresten van 7 mei 1987, NTN Toyo Bearing e.a./Raad, 240/84, EU:C:1987:202, punt 19, en 16 december 2011, Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad, T‑423/09, EU:T:2011:764, punten 40 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Bij deze beoordelingen moet de Commissie zich echter baseren op waarden en parameters waarvan kan worden verzekerd dat zij het normale resultaat van de op de markt werkzame krachten zijn, en met name van een echte mededinging (zie in die zin en naar analogie arrest van 10 september 2015, Fliesen-Zentrum Deutschland, C‑687/13, EU:C:2015:573, punten 66‑68).
52 Bovendien moeten de gebruikte methoden in overeenstemming zijn met het einddoel van de berekening van de dumpingmarge, dat blijkens artikel 2, lid 11, van de basisverordening, met name is de dumping volledig tot uitdrukking brengen (zie in die in arrest van 5 april 2017, Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener/Raad, C‑376/15 P en C‑377/15 P, EU:C:2017:269, punt 54).
53 In het algemeen staat het aan de Unierechter om na te gaan of de Commissie bij de beoordeling van de geschiktheid van de keuze van de methoden om de normale waarde vast te stellen en een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te waarborgen, geen wezenlijke factoren buiten beschouwing heeft gelaten, en of de gegevens van het dossier voldoende nauwgezet zijn onderzocht (zie in die zin en naar analogie arrest van 22 maart 2012, GLS, C‑338/10, EU:C:2012:158, punt 22).
2. Eerste onderdeel: de Commissie heeft gekozen voor een onredelijke methode om de normale waarde van productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat vast te stellen
54 Verzoekster stelt dat de litigieuze methode berust op de onjuiste veronderstelling dat de marktwaarde van de fysieke verschillen tot uitdrukking komt in de uitvoerprijzen, terwijl diezelfde uitvoerprijzen volgens de conclusies van de Commissie zelf minstens ten dele de dumping weerspiegelen. Bovendien stelt zij dat deze methode op de onjuiste veronderstelling berust dat de uitvoerprijzen van de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat een dumpingniveau weerspiegelen dat gelijk is aan het niveau dat is vastgesteld voor de productsoorten waarvoor wel een rechtstreeks vergelijkbare productsoort bestond (hierna: „rechtstreeks vergelijkbare productsoorten”). Deze veronderstelling is echter onredelijk en niet-verifieerbaar. De Commissie heeft derhalve artikel 2, lid 7, onder a), en lid 10, aanhef en onder a), van de basisverordening geschonden. Bovendien heeft verzoekster ter terechtzitting benadrukt dat er een groot aantal alternatieve methoden bestond waar de Commissie in het kader van de toepasselijke bepalingen gebruik van had kunnen maken.
55 De Commissie antwoordt dat de gemiddelde normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening werd gecorrigeerd met de marktwaarde van de fysieke verschillen. Gelet op de definitie van de „marktwaarde” door de International Valuation Standard Council (internationaal comité voor evaluatienormen, IVSC), moet worden aangenomen dat de marktwaarde tot uitdrukking komt in de uitvoerprijzen. Volgens haar moet immers worden aangenomen dat de eerste onafhankelijke afnemer de marktwaarde betaalt en dat de uitvoerprijs de op de markt van de Unie betaalde prijs is. Verder stelt de Commissie dat haar methode het mogelijk heeft gemaakt om de invloed van de productsoorten met een grote dumpingmarge te beperken, en dat de totale dumpingmarge derhalve ten gunste van verzoekster is verlaagd. In haar schriftelijke antwoorden op de vragen van het Gerecht en ter terechtzitting heeft de Commissie benadrukt dat de litigieuze methode naar aanleiding van de verzoeken van verzoekster is toegepast, en gelet op de onmogelijkheid om de fysieke verschillen, per productsoort, individueel vast te stellen. Zij stelt in wezen dat de rechtmatigheid van deze methode moet worden getoetst aan de bepalingen van artikel 2, lid 10, van de basisverordening en niet aan de bepalingen van artikel 2, lid 7, onder a), of artikel 2, lid 11, ervan, die andere stappen van de vaststelling van de dumpingmarge betreffen.
56 Alvorens de argumenten van verzoekster te onderzoeken, moet opnieuw worden stilgestaan bij de inhoud van de litigieuze methode en bij het aandeel van verzoeksters uitvoer waar de toepassing van deze methode betrekking op heeft.
57 Zoals blijkt uit overweging 68 van de voorlopige verordening, had de Commissie verzoeksters dumpingmarge aanvankelijk berekend op basis van een vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde van elke rechtstreeks vergelijkbare productsoort, vastgesteld voor het referentieland, met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige betrokken productsoort. Zij had de transacties met productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond dus niet meegenomen in de berekening. Vervolgens heeft zij het verzoek van verzoekster aanvaard om bij de berekening van de dumpingmarge wel rekening te houden met deze transacties, die volgens de niet-betwiste gegevens in het verzoekschrift 44 % van de totale omvang van haar uitvoer naar de Unie vertegenwoordigden. Zo preciseert overweging 18 van uitvoeringsverordening nr. 430/2013 dat voor niet rechtstreeks vergelijkbare productsoorten de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening werd gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van de normale waarde van de rechtstreeks vergelijkbare productsoorten, gecorrigeerd voor de marktwaarde van de verschillen in fysieke kenmerken.
58 Volgens de gegevens van punt 2.2.3 van de bijlage bij het informatiedocument van de Commissie van 23 december 2016, met het opschrift „Berekening van de dumpingmarge van Jinan Meide Casting CO., Ltd ‚JMCC’” (hierna: „document van 23 december 2016”), heeft de Commissie de litigieuze methode als volgt toegepast.
59 De Commissie heeft vastgesteld dat het lineaire gemiddelde van de uitvoerprijs van alle rechtstreeks vergelijkbare productsoorten 16 Chinese yuan (CNY) (ongeveer 2,12 EUR/kg) bedroeg. Het lineaire gemiddelde van de normale waarde voor de overeenstemmende soortgelijke productsoorten is vastgesteld op 20,91 CNY/kg (ongeveer 2,77 EUR/kg). Vervolgens heeft de Commissie, ter bepaling van een correctie voor de fysieke verschillen tussen de rechtstreeks vergelijkbare productsoorten en de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond, de verhouding berekend tussen de gemiddelde verkoopprijs van de uitvoer van elke productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond, en het lineaire gemiddelde van de uitvoerprijs van de rechtstreeks vergelijkbare producten. Vervolgens heeft zij deze ratio’s in de vorm van een percentage toegepast op het lineaire gemiddelde van de normale waarde, en aldus de normale waarde van elke productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat verkregen, gecorrigeerd voor fysieke verschillen.
60 Zo bedroeg de gemiddelde eenheidsprijs bij uitvoer van de productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond met het controlenummer 0002FF00BN 11,83 CNY/kg (ongeveer 1,57 EUR/kg), hetgeen overeenkwam met 73,92 % van het lineaire gemiddelde van de uitvoerprijs van de rechtstreeks vergelijkbare producten. De Commissie heeft deze ratio van 73,92 % toegepast op het lineaire gemiddelde van de normale waarde van deze productsoorten, en aldus voor de betrokken productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond de normale waarde, gecorrigeerd voor fysieke verschillen, van 15,46 CNY/kg (ongeveer 2,05 EUR/kg) verkregen.
61 Verzoekster heeft de geldigheid van deze methode betwist in het kader van de administratieve procedure die voorafging aan de vaststelling van uitvoeringsverordening nr. 430/2013, alsmede voor het Gerecht, in het kader van het derde middel van haar oorspronkelijk beroep (arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punten 57 en 123). Zoals in punt 17 hierboven in herinnering is gebracht, heeft het Gerecht echter de eerste grief van het eerste middel, die was gebaseerd op de weigering van de Commissie om de berekening van de normale waarde openbaar te maken, aanvaard zonder het tweede, derde en vijfde middel van het beroep te onderzoeken. Hoewel verzoekster in het kader van de heropening van de procedure haar opmerkingen heeft herhaald, heeft de Commissie deze kwestie niet opnieuw onderzocht, zodat zij de dumpingmarge van verzoekster opnieuw heeft berekend door dezelfde litigieuze methode toe te passen.
62 Zoals uit punt 2.2.3 van het document van 23 december 2016 kan worden afgeleid, en zoals de partijen hebben bevestigd in het kader van een schriftelijk antwoord op een vraag van het Gerecht, heeft de Commissie met het oog op de berekening van de normale waarde en van de dumpingmarge, naast de rechtstreeks vergelijkbare productsoorten en de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat, echter een derde categorie van productsoorten geïdentificeerd, met name „nagenoeg overeenstemmende” productsoorten.
63 Wat de categorie „nagenoeg overeenstemmende” producten betreft, blijkt in dit verband uit punt 2.2.3 van het document van 23 december 2016 dat zij door verzoekster verkochte productsoorten omvat die enkel verschillen van rechtstreeks vergelijkbare productsoorten door hun niet-gegalvaniseerde oppervlakte. De normale waarde van de productsoorten van deze categorie werd aangepast op basis van de normale waarde van de overeenkomstige soortgelijke gegalvaniseerde productsoort. Bij een productsoort met een zwarte oppervlakte (B) werd de normale waarde vastgelegd op 80 % van de normale waarde van de overeenkomstige soortgelijke gegalvaniseerde productsoort. Voor de andere oppervlakten (A, E en M) is dezelfde normale waarde van het soortgelijke gegalvaniseerde product in zijn geheel gebruikt.
64 Volgens de verklaringen van de partijen in hun schriftelijke antwoorden op de vragen van het Gerecht, ziet de verdeling van de 1528 voor de uitvoer verkochte productsoorten over de drie in punt 62 hierboven genoemde categorieën er als volgt uit.
65 In de eerste plaats werden 202 productsoorten, die 55 % van de totale omvang van verzoeksters uitvoer vertegenwoordigden, als rechtstreeks vergelijkbare productsoorten aangemerkt. Voor deze productsoorten werd de dumpingmarge dus vastgesteld door de normale waarde overeenkomstig de aanwijzingen in de overwegingen 17 en 19 van uitvoeringsverordening nr. 430/2013 te berekenen op basis van de binnenlandse verkoop van de producent uit het referentieland die in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden, of op basis van de aangenomen waarde. In de tweede plaats zijn 343 productsoorten, die 17 % van deze totale omvang vertegenwoordigden, beschouwd als „nagenoeg overeenstemmende” productsoorten, waarvoor de dumpingmarge is vastgesteld door de normale waarde te corrigeren volgens de hierboven in punt 63 beschreven methode. In de derde plaats werd de rest van de productsoorten, met name 983 productsoorten, die 28 % van de totale omvang vertegenwoordigden, geacht deel uit te maken van de categorie productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat, waarvoor de normale waarde overeenkomstig de litigieuze methode is berekend en gecorrigeerd.
66 Uit het voorgaande volgt derhalve dat de litigieuze methode is toegepast om de dumpingmarge vast te stellen voor een deel van verzoeksters uitvoer dat tussen een kwart en een derde van de totale omvang ervan vertegenwoordigde, en dus voor een niet te verwaarlozen deel van die uitvoer. Het gebruik van deze methode kan dus een aanzienlijke invloed hebben gehad op de berekening van de dumpingmarge die voor de volledige uitvoer is vastgesteld.
67 Om te beginnen moet verzoeksters argument worden onderzocht dat de litigieuze methode berust op een postulaat, namelijk dat de uitvoerprijzen van verzoekster de waarde op de markt van de verschillen in fysieke kenmerken weerspiegelen, hetgeen in tegenspraak zou zijn met de conclusie van de Commissie dat die uitvoerprijzen, althans ten dele, het voorwerp zijn van dumping.
68 Gelet op de aanwijzingen in de punten 57 tot en met 59 hierboven kan de litigieuze methode worden beschreven als een combinatie van twee fasen, namelijk, ten eerste, de vaststelling van de normale waarde in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening (zie de punten 46 en 47 hierboven) en, ten tweede, de toepassing van een correctie wegens fysieke verschillen, overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder a), van deze verordening. Samengevat was de Commissie, zoals uit deze gegevens blijkt, van mening dat de verschillen tussen de uitvoerprijzen die verzoekster hanteerde voor de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond, en dezelfde prijzen voor de rechtstreeks vergelijkbare productsoorten, een redelijke raming van de waarde van de fysieke verschillen tussen deze productsoorten vormden met het oog op de correctie van de normale waarde.
69 Verzoekster plaatst als zodanig geen vraagtekens bij de rechtmatigheid van de eerste stap van deze methode, namelijk de verwijzing naar de gemiddelde eenheidsprijs van het soortgelijke product op de Indiase markt voor de vaststelling van de normale waarde, maar enkel bij de rechtmatigheid van de tweede stap ervan, namelijk het gebruik van de ratio tussen de prijs van elke productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat en de gemiddelde eenheidsprijs voor de uitvoer van de rechtstreeks vergelijkbare productsoorten, om het bedrag van de correctie van de normale waarde vast te stellen met het oog op een billijke vergelijking in de zin van artikel 2, lid 10, van de basisverordening.
70 Vastgesteld moet worden dat verzoeksters argument berust op een juist uitgangspunt. Een prijs die door dumping kan worden beïnvloed, kan immers niet de basis vormen voor een redelijke raming van de marktwaarde van de verschillen in fysieke kenmerken in de zin van artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening, aangezien een dergelijke prijs mogelijkerwijs niet het gevolg is van de normale marktwerking.
71 Het lijkt dan ook paradoxaal dat de Commissie de normale waarde van een bepaalde vergelijkbare productsoort door middel van een potentieel door dumping beïnvloede waarde aanpast, terwijl zij de normale waarde op basis van de waarde ervan in een derde land met markteconomie tracht vast te stellen teneinde een prijs te identificeren die is tot stand gekomen in omstandigheden die zo vergelijkbaar mogelijk zijn met die in het land van uitvoer.
72 De Commissie kan immers per definitie niet veronderstellen dat een dergelijke waarde, die potentieel door dumping wordt beïnvloed, tot stand is gekomen onder de voorwaarden van een markteconomie. In dat stadium van de procedure kan de Commissie dus niet uitsluiten dat die waarde het resultaat is van een kunstmatige onderwaardering die leidt tot een lager bedrag dan het bedrag waarop deze waarde zou zijn vastgesteld indien zij enkel het resultaat zou zijn van een vrije marktwerking.
73 Voorts moet worden vastgesteld dat het gebruik, met het oog op een billijke vergelijking, van een correctie van de normale waarde die overeenkomt met een bedrag dat is vastgesteld op basis van de uitvoerprijs waarvan de Commissie de onderwaardering als gevolg van dumping juist tracht te beoordelen, niet getuigt van een coherente benadering.
74 Dienaangaande zij opgemerkt dat, om de dumpingmarge redelijk en objectief te kunnen bepalen, bij de berekening van de normale waarde van een bepaalde productsoort in beginsel moet worden uitgegaan van gegevens die onafhankelijk zijn van de uitvoerprijzen waarvan de Commissie juist door de vaststelling van die normale waarde de onderwaardering beoogt te beoordelen.
75 De normale waarde is immers de referentiewaarde waarmee de eventueel met dumping vastgestelde uitvoerprijs wordt vergeleken. Deze vergelijking wordt vervalst indien bij de berekening van een dergelijke referentiewaarde rekening wordt gehouden met een bestanddeel van de uitvoerprijs waarmee dient te worden vergeleken.
76 De Commissie mocht in casu inderdaad een correctie van de normale waarde toepassen, aangezien deze werd bepaald op basis van de gemiddelde waarde per eenheid van de rechtstreekse vergelijkbare productsoorten op de Indiase markt. Zoals de Commissie heeft uiteengezet in het kader van haar schriftelijk antwoord op een vraag van het Gerecht, was de uniforme toepassing van deze gemiddelde waarde per eenheid in casu niet geschikt voor de vaststelling van de normale waarde van alle productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond, aangezien zij had vastgesteld dat de gemiddelde uitvoerprijzen van de verschillende productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond sterk uiteenliepen, van minder dan 10 CNY/kg (ongeveer 1,32 EUR/kg) tot meer dan 100 CNY/kg (ongeveer 13,2 EUR/kg). Bij gebrek aan een correctie kon een dergelijke uniforme toepassing van de gemiddelde eenheidswaarde dus niet de vergelijkbaarheid garanderen van de normale waarde en de uitvoerprijs van elke productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond.
77 De Commissie heeft echter niet aangetoond dat het gebruik van een bestanddeel van de uitvoerprijzen van productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond om de normale waarde, waarmee die prijzen worden vergeleken, te corrigeren, de symmetrie tussen die prijzen en die normale waarde kon herstellen, overeenkomstig het doel van artikel 2, lid 10, van de basisverordening. In het bijzonder bestond er geen enkele aanwijzing dat de verhouding tussen de uitvoerprijs van elke productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond en de gemiddelde prijs per eenheid voor de uitvoer van rechtstreeks vergelijkbare productsoorten, correct de waarde van de fysieke verschillen tussen deze laatste categorie van productsoort, en de productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond, weerspiegelde.
78 Het is juist dat niet kan worden uitgesloten dat in bepaalde gevallen het verschil tussen de uitvoerprijzen van bepaalde productsoorten zonder specifieke soortgelijke productsoort, en de uitvoerprijzen van de rechtstreeks vergelijkbare productsoorten, overeenkomt met de waarde op de markt van de fysieke kenmerken van de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat. Bovendien vereist artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening niet dat de correctie volledig overeenstemt met deze waarde, maar enkel dat zij daarvan een redelijke raming vormt.
79 In casu berust de litigieuze methode echter op het vermoeden dat dit prijsverschil overeenkomt met de waarde op de markt van de fysieke verschillen voor alle productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat.
80 Zoals verzoekster heeft opgemerkt, zonder op dit punt door de Commissie te zijn weersproken, impliceert dit vermoeden noodzakelijkerwijs dat de uitvoer van al deze productsoorten plaatsvond met dumping van eenzelfde niveau als hetwelk voor de rechtstreeks vergelijkbare productsoorten is vastgesteld.
81 Het vermoeden dat het prijsverschil tussen de twee betrokken categorieën productsoorten overeenkomt met de waarde op de markt van de fysieke verschillen komt immers erop neer dat wordt aangenomen dat indien er geen sprake was van deze fysieke verschillen, de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat voor de uitvoer zouden worden verkocht tegen dezelfde prijs als de rechtstreeks vergelijkbare productsoorten.
82 Een dergelijk vermoeden impliceert dus per definitie dat de dumpingmarge die de prijzen van deze twee categorieën productsoorten kan beïnvloeden, op hetzelfde niveau ligt. Anders kunnen de prijsverschillen tussen de betrokken twee categorieën productsoorten immers, althans ten dele, voortvloeien uit de verschillen tussen de dumpingmarges, en kan dus niet met voldoende betrouwbaarheid worden aangenomen dat zij enkel de fysieke verschillen weerspiegelen.
83 Zoals verzoekster in het kader van het tweede argument van het onderhavige onderdeel terecht stelt, kan de hypothese van een vergelijkbare dumpingmarge voor de twee betrokken categorieën van productsoorten niet als redelijk of als verifieerbaar worden beschouwd.
84 Deze hypothese is immers ten eerste moeilijk te verzoenen met de berekening van de dumpingmarge per productsoort, waarbij er daarentegen vanuit wordt gegaan dat deze dumpingmarge naargelang van de productsoort verschillend kan zijn, en dat deze berekening noodzakelijk is om de daadwerkelijke omvang van de dumping overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening, correct tot uitdrukking te brengen (zie in die zin arrest van 5 april 2017, Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener/Raad, C‑376/15 P en C‑377/15 P, EU:C:2017:269, punt 54).
85 Ten tweede kan deze hypothese niet worden gestaafd door de tabel met gedetailleerde berekeningen, productsoort per productsoort, van de dumpingmarge van verzoekster, die als bijlage is gehecht aan het document dat de Commissie verzoekster op 29 mei 2017 heeft toegezonden, en dat in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang aan het Gerecht werd toegezonden (hierna: „tabel van 29 mei 2017”).
86 Uit die tabel blijkt immers dat er met betrekking tot de rechtstreeks vergelijkbare productsoorten of productsoorten die „nagenoeg overeenstemmen”, sprake is van een bijzonder ruime bandbreedte van dumpingmarges, tussen negatieve waarden van minder dan -50 % en positieve waarden van bijna 500 %. De Commissie heeft niets aangevoerd dat de hypothese kan staven dat dit anders zou zijn voor productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat.
87 Overigens moet met verzoekster worden vastgesteld dat, zoals wordt geïllustreerd door de beschrijving van de litigieuze methode in punt 2.2.3 van het document van 23 december 2016 (zie punt 59 hierboven) en wordt bevestigd door het vereenvoudigde voorbeeld van deze methode in het verzoekschrift, de toepassing van die methode in beginsel moet leiden tot hetzelfde percentage voor de gemiddelde dumpingmarge van de rechtstreeks vergelijkbare productsoorten en die van elke productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat.
88 Wanneer wordt uitgegaan van de theoretische hypothese dat ten eerste de gemiddelde normale waarde en de gemiddelde uitvoerprijs voor rechtstreekse vergelijkbare productsoorten, respectievelijk 13 en 10 zijn, en, ten tweede, dat de uitvoerprijs van een productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat 7 is, leidt de toepassing van de methode van de Commissie, zoals verzoekster heeft uiteengezet, immers tot de toepassing van de verhouding tussen deze prijs van 7 en de gemiddelde uitvoerprijs van 10, dat wil zeggen een tarief van 70 %, op de gemiddelde normale waarde van 13, wat resulteert in de normale waarde, na correctie, van de productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat, te weten 9,1. Zoals verzoekster opmerkt, leidt deze berekening in de vereenvoudigde vorm in het verzoekschrift, die door de Commissie niet ter discussie is gesteld, tot een dumpingmarge voor de productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat die overeenkomt met de gemiddelde dumpingmarge van rechtstreeks vergelijkbare productsoorten, namelijk, in het door verzoekster gebruikte fictieve voorbeeld, 30 %.
89 Het door de Commissie in punt 2.2.3 van het document van 23 december 2016 gegeven voorbeeld, dat is gebaseerd op de cijfers die daadwerkelijk zijn gebruikt om de gecorrigeerde normale waarde van de producten zonder soortgelijke producten vast te stellen, komt tot een soortgelijk resultaat.
90 Zoals in punt 59 hierboven is vermeld, heeft de Commissie immers een gemiddelde eenheidsprijs van het betrokken product voor de uitvoer van 16 CNY per kilo vastgesteld, en een gemiddelde eenheidsprijs van het soortgelijke product op de Indiase markt van 20,91 CNY per kilo. Indien de gemiddelde dumpingmarge van de rechtstreeks vergelijkbare productsoorten uitsluitend werd berekend op basis van de vergelijking van deze twee prijzen, zou zij 30,7 % bedragen.
91 Zoals de Commissie aangeeft, resulteert de toepassing van de litigieuze methode voor de vaststelling van de normale waarde van de productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat met controlenummer (PCN) 0002FF00BN, waarvan de gemiddelde prijs per eenheid bij uitvoer 11,83 CNY bedroeg, in een bedrag van 15,46 CNY. Vastgesteld moet worden dat deze berekening voor de betrokken productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat resulteert in een dumpingmarge van 30,7 %; dit is hetzelfde tarief als de in punt 90 hierboven bedoelde gemiddelde dumpingmarge.
92 Zoals blijkt uit het schriftelijk antwoord van de Commissie op een vraag van het Gerecht, klopt het dat de berekening van de dumpingmarge voor elke productsoort alsmede voor het betrokken product in zijn geheel, ingewikkelder is dan in de hierboven genoemde voorbeelden, en aanvullende bewerkingen omvat.
93 Zoals de Commissie uiteenzet, wordt immers om het totale bedrag van de dumping te verkrijgen, voor elke productsoort het verschil tussen de uitvoerverkoopprijs en de normale waarde vermenigvuldigd met de hoeveelheid die wordt uitgevoerd. Dit dumpingbedrag wordt dan gerelateerd aan het totale exportbedrag om de dumpingmarge te verkrijgen voor de betrokken productsoort, die wordt uitgedrukt als een percentage van de kostprijs, verzekering, vracht (CIF), grens Unie, en vóór inklaring. Zoals uit de tabel van 29 mei 2017 blijkt, worden dezelfde handelingen verricht met betrekking tot de vaststelling van de dumpingmarge voor het gehele betrokken product, na optelling van de dumpingbedragen voor elke productsoort.
94 Zoals verzoekster in het verzoekschrift heeft gepreciseerd, is de uitvoerprijs die voor een bepaalde productsoort wordt gebruikt in het kader van de billijke vergelijking tussen de normale waarde en deze prijs, in de praktijk bovendien de prijs bij het verlaten van de fabriek, terwijl de uitvoerprijs waaraan het dumpingbedrag wordt gerelateerd om de dumpingmarge van die productsoort vast te stellen, een CIF-prijs is, dat wil zeggen een prijs met inbegrip van alle kosten van vervoer tot aan de grens van de Unie.
95 De tabel van 29 mei 2017 toont echter aan dat deze verschillen tussen de vereenvoudigde voorbeelden van verzoekster en de Commissie, en de door laatstgenoemde in de praktijk verrichte berekening van de dumpingmarge, het resultaat van de litigieuze methodologie niet significant hebben gewijzigd. Uit die tabel blijkt immers dat de dumpingmarges die zijn berekend voor de 983 productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat, binnen een bandbreedte van 24 tot 28 % liggen. De geringe bandbreedte van deze dumpingmarges is echter niet te vergelijken met die welke is vastgesteld voor de dumpingmarges van de rechtstreeks vergelijkbare en „nagenoeg overeenstemmende”, productsoorten, die, zoals hierboven in punt 86 is opgemerkt, tussen negatieve waarden van minder dan -50 % en positieve waarden van bijna 500 % ligt.
96 Uit al het voorgaande volgt dat de Commissie niet heeft aangetoond dat zij met de litigieuze methode een redelijke raming heeft gemaakt van de marktwaarde van de fysieke verschillen tussen de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond en de productsoorten die rechtstreeks vergelijkbaar waren. Zij heeft dus niet aangetoond dat de toepassing van deze methode leidde tot een billijke vergelijking van de normale waarde en de uitvoerprijzen. Voorts heeft zij niet aangetoond dat de door haar uitgevoerde correctie van de normale waarde van de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond, de redelijke vaststelling van die normale waarde in stand hield, dat wil zeggen een vaststelling op basis van waarden en parameters die kunnen worden beschouwd als het normale resultaat van de werking van markt. De toepassing van de onjuiste litigieuze methode is dus noch in overeenstemming met artikel 2, lid 7, onder a), noch met artikel 2, lid 10, aanhef en onder a), van de basisverordening.
97 Het is juist dat een fout in de redenering van de opsteller van de bestreden handeling of in de methode die hij heeft gebruikt, niet volstaat ter rechtvaardiging van de nietigverklaring van die handeling, indien deze fout in de bijzondere omstandigheden van het geval geen beslissende invloed op het resultaat kon hebben (zie in die zin en naar analogie arresten van 9 juli 2008, Alitalia/Commissie, T‑301/01, EU:T:2008:262, punt 307 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 december 2010, CEAHR/Commissie, T‑427/08, EU:T:2010:517, punt 161 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
98 Er dient evenwel te worden vastgesteld dat dit in casu niet het geval is.
99 Ten eerste kan, zoals blijkt uit punt 66 hierboven, gelet op het niet te verwaarlozen deel van verzoeksters uitvoer dat door toepassing van de litigieuze methode wordt getroffen, immers niet worden uitgesloten dat die toepassing een aanzienlijke invloed heeft gehad op het tarief van de dumpingmarge van verzoekster dat is vastgesteld in punt 1 van het dispositief van de bestreden verordening.
100 Ten tweede kunnen de redelijkheid van de raming van de waarde van de fysieke verschillen tussen de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat en de rechtstreeks vergelijkbare productsoorten, en het billijke karakter van de vergelijking waartoe de op die raming gebaseerde correctie heeft geleid, niet worden beoordeeld aan de hand van het al dan niet bestaan van meer geschikte alternatieve methoden.
101 Zoals het Hof heeft vastgesteld, blijkt uit een gecombineerde lezing van de leden 10 en 11 van artikel 2 van de basisverordening immers dat de berekening van de dumpingmarge weliswaar moet zijn gebaseerd op een billijke vergelijking, maar dat het begrip „billijkere vergelijking” nergens in die bepalingen voorkomt. In ieder geval kan, wanneer een methode niet kan worden beschouwd als een middel waarmee voor een billijke vergelijking kan worden gezorgd, niet worden geoordeeld dat het gebruik van een andere methode voor de berekening van de normale waarde niet voor een billijkere vergelijking had gezorgd (zie in die zin arrest van 5 april 2017, Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener/Raad, C‑376/15 P en C‑377/15 P, EU:C:2017:269, punt 71). Deze overwegingen zijn mutatis mutandis van toepassing op het begrip „redelijke raming” uit artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening.
102 In casu heeft de Commissie op de schriftelijk te beantwoorden vraag van het Gerecht of zij voor de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond andere methoden dan de litigieuze methode had overwogen, geantwoord dat zij voor deze methode had gekozen na uitsluiting van drie mogelijkheden. Ten eerste heeft de Commissie, gelet op het zeer grote aantal door verzoekster uitgevoerde productsoorten (ongeveer 1500), in het bijzonder productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond (bijna 1000), uitgesloten dat de normale waarde individueel zou worden bepaald voor elke productsoort waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond. Ten tweede was de Commissie om dezelfde redenen van mening dat het niet mogelijk was om te identificeren welke producten nauwe gelijkenissen vertoonden. Ten derde, zoals in punt 76 hierboven is vermeld, heeft de Commissie ook de mogelijkheid verworpen om voor alle productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond een uniforme normale waarde toe te passen wegens de aanzienlijke schommelingen van de uitvoerprijzen van deze verschillende productsoorten.
103 Voorts heeft de Commissie in datzelfde schriftelijke antwoord en ter terechtzitting betoogd dat het niet aangewezen was om zich te baseren op de prijzen van de productsoorten die de producent uit het referentieland op de Indiase markt distribueerde, maar niet zelf produceerde. Zij heeft namelijk verklaard dat zij geen informatie had over de prijzen van deze productsoorten, dat deze productsoorten, die uit China werden ingevoerd, mogelijk met dumping werden ingevoerd, en dat het gebruik ervan in casu in wezen zou neerkomen op een vergelijking van de Chinese uitvoer naar de Unie en de Chinese uitvoer naar India. Zij heeft voorts ter terechtzitting aangevoerd dat artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening haar niet toestond om voor een deel van de betrokken productsoorten de in deze bepalingen neergelegde hoofdregel voor het vaststellen van de normale waarde toe te passen, en voor de rest de subsidiaire methode. Het was volgens haar dus niet mogelijk om voor de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond gebruik te maken van de prijzen van de producenten in de Unie. Zij heeft daaraan toegevoegd dat, indien zij die prijzen had kunnen gebruiken, zij hoe dan ook correcties had moeten toepassen wegens het grote aantal door verzoekster voor uitvoer verkochte productsoorten.
104 Opgemerkt moet echter worden dat, gesteld al dat de Commissie ervan mocht uitgaan dat al deze alternatieve methoden ongeschikt of onuitvoerbaar waren, dan wel niet noodzakelijkerwijs tot andere correcties zouden hebben geleid dan die welke op grond van de litigieuze methode zijn toegepast, uit punt 96 hierboven blijkt dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de toepassing van de litigieuze methode kon resulteren in een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijzen en dat zij de redelijkheid van de bepaling van die normale waarde waarborgde.
105 Hoe dan ook heeft de Commissie niet aangetoond dat er geen enkele alternatieve methode bestond.
106 Dienaangaande kunnen de instellingen van de Unie ten eerste, zoals het Hof heeft gepreciseerd, in een geval als het onderhavige waarin de producent in het referentieland een bepaald soort product niet produceert of verkoopt, beslissen om deze productsoorten uit te sluiten van de definitie van het „betrokken product”, of om de normale waarde voor deze productsoort te construeren, zodat bij de berekening van de dumpingmarge ook rekening kan worden gehouden met de uitvoertransacties betreffende die productsoorten (zie naar analogie arrest van 5 april 2017, Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener/Raad, C‑376/15 P en C‑377/15 P, EU:C:2017:269, punt 70).
107 Ten tweede, zelfs al zou in casu het grote aantal productsoorten de toepassing van de ene dan wel de andere oplossing hebben bemoeilijkt, zij opgemerkt dat de Commissie, die door het Gerecht werd verzocht om zich hierover ter terechtzitting uit te laten, niet heeft aangetoond dat zij niet in staat zou zijn geweest om een methodologische keuze te maken die in overeenstemming was met de toepasselijke regels indien zij in een eerder stadium van het antidumpingonderzoek de vragen had onderzocht in verband met de berekening van de normale waarde van de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond en de eventueel noodzakelijke correcties.
108 Er zij immers aan herinnerd dat, zoals hierboven in punt 57 is aangegeven, de Commissie in de voorlopige verordening aanvankelijk de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond had uitgesloten van de berekening van de normale waarde, en dat eerst na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van verzoekster dienaangaande, de instellingen in het kader van uitvoeringsverordening nr. 430/2013 hebben beslist om die productsoorten in aanmerking te nemen voor die berekening.
109 Uit de verklaringen van de Commissie ter terechtzitting blijkt evenwel niet dat zij vóór de vaststelling van de voorlopige verordening geen andere methoden had kunnen overwegen om bij de berekening van de dumpingmarge rekening te houden met de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond, aangezien zij reeds in die fase, in het licht van de vergelijking van de gegevens van de producent uit het referentieland en de gegevens van verzoekster, in staat was op te merken dat deze producent uit het referentieland slechts een beperkt aantal van de door verzoekster voor uitvoer verkochte productsoorten produceerde.
110 Meer bepaald heeft de Commissie geen enkel concreet element aangevoerd op grond waarvan de mogelijkheid kan worden uitgesloten dat zij, om een redelijke raming van de marktwaarde van de fysieke verschillen te maken met het oog op de noodzakelijke correcties van de normale waarde van de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond, de gegevens gebruikte waarover zij toen beschikte met betrekking tot de prijzen van de producenten in de Unie (zie overweging 109 van de voorlopige verordening).
111 In het licht van de in de punten 46 en 47 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, verzetten de bewoordingen van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening zich er, zoals de Commissie heeft uiteengezet, inderdaad tegen dat zij voor de vaststelling van de normale waarde van een deel van de betrokken productsoorten de hoofdmethode van die bepalingen gebruikte, en daarnaast voor het andere deel de subsidiaire methode, welke met name de mogelijkheid omvat om de prijzen in de Unie te gebruiken. De Commissie stelt ook terecht dat zij slechts mocht afzien van het gebruik van de hoofdmethode indien deze methode niet kon worden toegepast.
112 De bewoordingen van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening verzetten zich er echter niet tegen dat eens de normale waarde is verkregen door toepassing van de in deze bepalingen vastgestelde hoofdmethode, deze normale waarde in het kader van artikel 2, lid 10, van die verordening wordt gecorrigeerd door gebruik te maken van andere prijzen dan de binnenlandse prijzen van het referentieland of de uitvoerprijzen vanaf dat land, voor zover deze andere prijzen het resultaat zijn van de normale marktwerking, met name van de concurrentiedruk.
113 Uit dezelfde bepalingen blijkt echter dat de wetgever niet heeft uitgesloten dat „de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het soortgelijke product in de [Unie], indien nodig verhoogd met een redelijke winstmarge”, onder bepaalde voorwaarden een redelijke grondslag kan vormen voor de vaststelling van de normale waarde. A fortiori lijkt het dus niet uitgesloten dat, met het oog op een billijke vergelijking, een redelijke raming van de marktwaarde van de fysieke verschillen bij gebreke van andere beschikbare gegevens kan worden gebaseerd op het verschil tussen de prijs van de betrokken productsoort waarvoor geen soortgelijk product bestaat en de gemiddelde prijs van de rechtstreekse vergelijkbare productsoort bij een of meer producenten in de Unie.
114 Uit al het voorgaande volgt dat het eerste onderdeel van het derde middel gegrond moet worden verklaard en de vernietiging van de bestreden verordening met zich mee kan brengen.
115 De argumenten van de Commissie laten die conclusie onverlet.
116 In de eerste plaats heeft de Commissie, anders dan zij betoogt, immers niet voldaan aan artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening door de marktwaarde van de fysieke verschillen tussen de betrokken productsoorten vast te stellen op basis van de uitvoerprijs van de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat, die, volgens haar argument, de prijs is die in de Unie voor dat goed is betaald door de eerste onafhankelijke afnemer.
117 Volgens de Commissie wordt in dit verband het vermoeden dat de marktwaarde van een goed wordt weerspiegeld door de prijs die door de eerste onafhankelijke afnemer is betaald, bevestigd door de definitie van het begrip „marktwaarde” volgens de internationale waarderingsnormen van de IVSC. Volgens deze definitie is de marktwaarde immers „het geschatte bedrag waartegen een goed op de waarderingsdatum tussen een bereidwillige koper en een bereidwillige verkoper in een zakelijke transactie zou moeten worden ingewisseld, nadat de juiste marketing heeft plaatsgevonden, waarbij elk van de partijen met kennis van zaken, voorzichtig en zonder dwang handelt”.
118 Om de in de punten 70 tot en met 75 hierboven uiteengezette redenen kan het feit dat de uitvoerprijs van de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat de door de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie betaalde prijs vormt, uiteraard niet volstaan om deze prijs als een redelijke raming van de marktwaarde te kunnen aanmerken. Gelet op het doel van artikel 2, lid 7, onder a), en lid 10, van de basisverordening impliceert dit begrip immers niet alleen dat de betrokken prijs moet worden betaald door een onafhankelijke afnemer in het kader van een zakelijke transactie als omschreven door de IVSC. Bovendien moet het mogelijk zijn zich ervan te vergewissen dat die prijs het normale resultaat is van marktwerking. Dat kan in casu niet het geval zijn, aangezien de betreffende prijs door dumping ongunstig kan zijn beïnvloed.
119 In de tweede plaats is het argument van de Commissie dat de toepassing van de litigieuze methode tot een verlaging van de dumpingmarge van verzoekster heeft geleid, niet relevant. Gesteld al dat dit het geval is, moet immers worden opgemerkt dat deze methode is toegepast op 28 % van verzoeksters exportvolume, dus op een significant deel daarvan. Er is dus geen enkele reden om uit te sluiten dat deze dumpingmarge nog sterker zou zijn verlaagd wanneer de marktwaarde van de fysieke verschillen tussen de soortgelijke productsoort en de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond, zou zijn geraamd volgens een redelijke en met de toepasselijke bepalingen strokende methode.
120 In de derde plaats kan het argument niet worden aanvaard waarmee de Commissie in wezen aanvoert dat de rechtmatigheid van de litigieuze methode uitsluitend moet worden beoordeeld aan de hand van de vereisten van artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening, en niet aan de hand van de vereisten van artikel 2, lid 7, onder a), of lid 11, van deze verordening, omdat deze methode slechts ziet op de fase van de billijke vergelijking.
121 Ten eerste heeft de correctie van de normale waarde met toepassing van de litigieuze methode per definitie immers gevolgen voor het niveau waarop deze normale waarde is vastgesteld, en bijgevolg voor de vaststelling van de dumpingmarge. Indien de toepassing van deze methode dus als gevolg heeft dat de vaststelling van die twee parameters niet in overeenstemming is met de doelstellingen van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening, of van artikel 2, lid 11, van die verordening, kan een schending van deze bepalingen door de Unierechter worden vastgesteld, of moet dit zelfs gebeuren.
122 Ten tweede heeft verzoekster hoe dan ook schending van artikel 2, lid 10, aanhef en onder a), van de basisverordening aangevoerd. Zoals hierboven in punt 77 is uiteengezet, heeft de Commissie niet aangetoond dat zij bij de toepassing van de litigieuze methode de symmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs van productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond, heeft hersteld.
123 In de vierde plaats is het argument van de Commissie dat zij in het kader van de hoofdmethode als bedoeld in artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening niet verplicht was om zich te baseren op een „redelijke grondslag” in de zin van de in dat artikel geregelde subsidiaire methode, kennelijk irrelevant. Zoals het Hof heeft vastgesteld, impliceert de verwijzing in de bepalingen van dit artikel die de subsidiaire methode betreffen naar „een andere redelijke grondslag” immers a fortiori dat, in het kader van de hoofdregel, de basis waarop de Commissie de normale waarde bepaalt, redelijk moet zijn (zie in die zin arrest van 22 maart 2012, GLS, C‑338/10, EU:C:2012:158, punt 25). Zoals herhaaldelijk is opgemerkt, vereist artikel 2, lid 10, onder a), bovendien dat de raming van de marktwaarde van de fysieke verschillen die voor de billijke vergelijking wordt gebruikt, redelijk is.
124 In de vijfde plaats kan de Commissie zich niet beroepen op het feit dat zij de litigieuze methode heeft toegepast omdat verzoekster had verzocht om in het kader van de dumpingmarge rekening te houden met uitvoertransacties met betrekking tot productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond.
125 Zoals hierboven in de punten 57 en 108 in herinnering is gebracht, had de Commissie deze transacties in de voorlopige verordening zonder meer buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de dumpingmarge. Zoals door verzoekster in het tweede onderdeel van het onderhavige middel in herinnering is gebracht, druist een dergelijke uitsluiting volgens het Hof in tegen het doel van de verschillende berekeningsmethoden van de dumpingmarge, dat er in lijn met het doel van artikel 2, lid 11, van de basisverordening in bestaat om de daadwerkelijke omvang van de dumping tot uiting te brengen. Het logische gevolg van een dergelijke uitsluiting is volgens het Hof namelijk dat de Commissie niet kan meten welke invloed die transacties op genoemde berekening hebben, zodat zij zich er niet van kan vergewissen dat in de berekende dumpingmarge alle dumping volledig tot uitdrukking komt (arrest van 5 april 2017, Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener/Raad, C‑376/15 P en C‑377/15 P, EU:C:2017:269, punt 55).
126 Voorts heeft verzoekster, zoals zij terecht ter terechtzitting heeft opgemerkt, de Commissie enkel verzocht om bij de vaststelling van de normale waarde rekening te houden met de transacties betreffende de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond. Daarentegen heeft zij haar niet gevraagd om de litigieuze methode te gebruiken om de normale waarde van deze productsoorten te berekenen. Integendeel, zoals blijkt uit het onderzoek door het Gerecht van de derde grief van het eerste middel van het oorspronkelijke beroep, had verzoekster zich vóór de vaststelling van uitvoeringsverordening nr. 430/2013, tegen de vaststelling van deze methode verzet, en had zij zelfs voorgesteld om een alternatieve methode te gebruiken (arrest van 30 juni 2016, Jinan Meide Casting/Raad, T‑424/13, EU:T:2016:378, punt 123).
127 Uit een en ander volgt dat het eerste onderdeel van het derde middel moet worden aanvaard.
3. Tweede onderdeel: de Commissie heeft artikel 2, lid 11, van de basisverordening geschonden door te kiezen voor een methode die transacties betreffende productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat feitelijk uitsluit
128 Verzoekster betoogt dat doordat in strijd met artikel 2, lid 11, van de basisverordening is gekozen voor een methode die neerkomt op een vermoeden dat er sprake is van eenzelfde niveau van dumping voor productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestaat en rechtstreeks vergelijkbare productsoorten, de uiteindelijk vastgestelde dumpingmarge de dumping niet volledig tot uitdrukking brengt. Zij stelt dat deze methode leidt tot de feitelijke uitsluiting van de transacties met betrekking tot deze productsoorten, en berust op het onjuiste vermoeden dat deze transacties geen reële weerslag hebben gehad op de totale dumpingmarge. In repliek stelt zij dat het standpunt van de Commissie aangaande deze kwestie in strijd is met het arrest van 5 april 2017, Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener/Raad (C‑376/15 P en C‑377/15 P, EU:C:2017:269).
129 De Commissie repliceert ten eerste dat geen enkele productsoort werd uitgesloten. Ten tweede voert de Commissie aan dat, zelfs indien zou worden vastgesteld dat de toegepaste methode de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond feitelijk heeft uitgesloten, deze methode hoe dan ook geen schending van artikel 2, lid 11, van de basisverordening oplevert, aangezien uit de rechtspraak en artikel 2.4.2 van de antidumpingovereenkomst volgt dat uitvoertransacties die niet vergelijkbaar zijn, kunnen worden uitgesloten om een billijke vergelijking te waarborgen.
130 Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat het onderhavige onderdeel moet worden afgewezen voor zover het gebaseerd is op de premisse dat de litigieuze methode de Commissie ertoe heeft gebracht om de transacties met betrekking tot productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond feitelijk uit te sluiten.
131 Zelfs indien de litigieuze methode de Commissie ertoe heeft gebracht om voor al deze productsoorten een identieke of althans soortgelijke dumpingmarge te berekenen, neemt dit immers niet weg dat de inaanmerkingneming van deze productsoorten een weerslag heeft gehad op de totale dumpingmarge. In dit verband zij eraan herinnerd, zoals in punt 93 hierboven is uiteengezet, dat de Commissie, om de totale dumpingmarge vast te stellen, de voor elke productsoort verkregen bedragen van dumping optelt en aldus tot het totale dumpingbedrag voor het betrokken product komt, dat zij vervolgens in verband brengt met het totale bedrag van verzoeksters uitvoertransacties. Bijgevolg hebben de dumpingbedragen die zijn vastgesteld voor de productsoorten waarvoor geen soortgelijke productsoort bestond, die zijn opgeteld bij de dumpingbedragen voor de andere productsoorten, zelfs indien deze bedragen elk overeenkwamen met een identieke of soortgelijke dumpingmarge, noodzakelijkerwijs gevolgen gehad voor de totale dumpingmarge. Het is niet uitgesloten dat, zoals de Commissie stelt, de litigieuze methode zelfs heeft bijgedragen tot een verlaging van het niveau van deze totale dumpingmarge.
132 Voor zover het onderhavige onderdeel er echter op neerkomt te stellen dat de litigieuze methode in strijd is met het doel van artikel 2, lid 11, van de basisverordening, aangezien het resultaat van de toepassing van die methode ontoereikend is om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen, moet dit onderdeel op basis van de in de punten 83 tot en met 86 hierboven uiteengezette redenering worden aanvaard.
133 Uit een en ander volgt dat het derde middel moet worden aanvaard in zijn twee onderdelen, zodat de bestreden verordening nietig moet worden verklaard. Het is bijgevolg in beginsel niet nodig om de andere middelen te onderzoeken. [omissis]
HET GERECHT (Vijfde kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1146 van de Commissie van 28 juni 2017 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide Castings Co., Ltd, wordt nietig verklaard.
2) De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.
Gratsias Labucka Ulloa Rubio Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 20 september 2019. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 5 april 2017, C-376/15, ECLI:EU:C:2017:269
- Gerecht EU 30 juni 2016, T-424/13, ECLI:EU:T:2016:378
- HvJ EU 14 juni 2016, C-361/14, ECLI:EU:C:2016:434
- HvJ EU 10 september 2015, C-687/13, ECLI:EU:C:2015:573
- HvJ EU 22 maart 2012, C-338/10, ECLI:EU:C:2012:158
- Gerecht EU 16 december 2011, T-423/09, ECLI:EU:T:2011:764
- Gerecht EU 15 december 2010, T-427/08, ECLI:EU:T:2010:517
- Gerecht EU 9 juli 2008, T-301/01, ECLI:EU:T:2008:262