HvJ EU 16 februari 2012, C-191/09, ECLI:EU:C:2012:78

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

16 februari 2012 ( *1 )

„Hogere voorzieningen — Antidumpingrechten — Verordening (EG) nr. 954/2006 — Invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, uit Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland — Verordening (EG) nr. 384/96 — Artikelen 2, lid 10, sub i, 3, leden 2, 3 en 5 tot en met 7, 18, lid 3, en 19, lid 3 — Vaststelling van normale waarde en van schade — Begrip ‚één enkele economische eenheid’ — Rechten van verdediging — Ontoereikende motivering”

In de gevoegde zaken C-191/09 P en C-200/09 P,

betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op respectievelijk 20 en 26 mei 2009,

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.-P. Hix en B. Driessen, als gemachtigden, en door G. Berrisch, Rechtsanwalt,

rekwirant,

andere partijen bij de procedure:

Interpipe Nikopolsky Seamless Tubes Plant Niko Tube ZAT (Interpipe Niko Tube ZAT), voorheen Nikopolsky Seamless Tubes Plant „Niko Tube” ZAT, gevestigd te Nikopol (Oekraïne),

Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant VAT (Interpipe NTRP VAT), voorheen Nizhnedneprovsky Tube-Rolling Plant VAT, gevestigd te Dnipropetrovsk (Oekraïne),

vertegenwoordigd door P. Vander Schueren, avocat, en N. Mizulin, solicitor,

verzoeksters in eerste aanleg,

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Vliet en C. Clyne als gemachtigden,

interveniënte in eerste aanleg,

en

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. van Vliet en C. Clyne als gemachtigden,

rekwirante,

andere partijen bij de procedure:

Interpipe Nikopolsky Seamless Tubes Plant Niko Tube ZAT (Interpipe Niko Tube ZAT), voorheen Nikopolsky Seamless Tubes Plant „Niko Tube” ZAT, gevestigd te Nikopol,

Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant VAT (Interpipe NTRP VAT), voorheen Nizhnedneprovsky Tube-Rolling Plant VAT, gevestigd te Dnipropetrovsk,

vertegenwoordigd door P. Vander Schueren, avocat, en N. Mizulin, solicitor,

verzoeksters in eerste aanleg,

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.-P. Hix en B. Driessen, als gemachtigden, en door G. Berrisch, Rechtsanwalt,

verweerder in eerste aanleg,

wijst HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Malenovský, R. Silva de Lapuerta, G. Arestis (rapporteur) en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: R. Şereş, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 november 2010,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 april 2011,

het navolgende

Arrest

1 Met hun respectieve hogere voorziening vorderen de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 10 maart 2009, Interpipe Niko Tube ZAT en Interpipe NTRP/Raad (T-249/06, Jurispr. blz. II-383; hierna: „bestreden arrest”), voor zover het Gerecht daarbij nietig heeft verklaard artikel 1 van verordening (EG) nr. 954/2006 van de Raad van 27 juni 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, uit Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland, tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 2320/97 en (EG) nr. 348/2000 tot beëindiging van de tussentijdse procedure en de procedure bij het vervallen van de maatregelen voor de eventuele herziening van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Roemenië en Rusland en tot beëindiging van de tussentijdse procedures voor de eventuele herziening van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Roemenië en Rusland en uit Kroatië en Oekraïne (PB L 175, blz. 4; hierna: „omstreden verordening”).

2 Met de incidentele hogere voorziening, die zij samen hebben ingesteld, vorderen Interpipe Nikopolsky Seamless Tubes Plant Niko Tube ZAT (Interpipe Niko tube ZAT), voorheen Nikopolsky Seamless Tubes Plant „Niko Tube” ZAT (hierna: „Niko Tube”), en Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant VAT (Interpipe NTRP VAT), voorheen Nizhnedneprovsky Tube-Rolling Plant VAT (hierna: „NTRP”), ook vernietiging van het bestreden arrest voor zover de omstreden verordening daarbij niet in haar geheel nietig is verklaard.

Toepasselijke bepalingen

3 De bepalingen betreffende de toepassing van antidumpingmaatregelen door de Europese Gemeenschap staan in verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad van 8 maart 2004 (PB L 77, blz. 12; hierna: „basisverordening”).

4 In artikel 2, leden 8 en 9, van de basisverordening wordt bepaald: „8. De uitvoerprijs is de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het product dat vanuit het land van uitvoer met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap wordt verkocht. 9. Wanneer geen uitvoerprijs voorhanden is of deze onbetrouwbaar blijkt wegens het bestaan van een associatie of een compensatieregeling tussen de exporteur en de importeur of een derde partij, mag de uitvoerprijs worden samengesteld op basis van de prijs waartegen de ingevoerde producten voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer worden doorverkocht of, indien de producten niet aan een onafhankelijke afnemer worden doorverkocht of niet worden doorverkocht in de staat waarin zij zijn ingevoerd, op elke redelijke grondslag. [...]”

5 Artikel 2, lid 10, „Vergelijking”, van deze verordening bevat de criteria aan de hand waarvan de instellingen van de Europese Unie de uitvoerprijs op billijke wijze vergelijken met de normale waarde. Dit artikel bepaalt met name: „De uitvoerprijs wordt op billijke wijze met de normale waarde vergeleken. Deze vergelijking geschiedt in hetzelfde handelsstadium, voor verkopen op zo dicht mogelijk bij elkaar liggende data en met inachtneming van andere verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Wanneer de vastgestelde normale waarde en de uitvoerprijs niet op deze grondslag kunnen worden vergeleken, wordt door middel van correcties, naargelang van de bijzondere kenmerken van elke zaak, rekening gehouden met verschillen tussen factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed op de prijzen zijn en, dientengevolge, op de vergelijkbaarheid daarvan. Hierbij dienen dubbele correcties te worden vermeden, in het bijzonder wat de kortingen, rabatten, hoeveelheden en het handelsstadium betreft. Wanneer aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kunnen correcties worden toegepast voor de hierna volgende factoren: [...] i) Commissies Er wordt een correctie toegepast voor verschillen in de commissies die in verband met de verkoop van de betrokken producten worden betaald. Onder ‚commissies’ wordt ook verstaan de marge van een bedrijf die in het product of het soortgelijke product handelt indien de functies van deze handelaar vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent. [...]”

6 In artikel 3 van die verordening, dat betrekking heeft op de vaststelling van schade, wordt bepaald: „[...] 2. De vaststelling van schade is gebaseerd op positief bewijsmateriaal en houdt een objectief onderzoek in van a) de omvang van de invoer met dumping en de gevolgen daarvan voor de prijzen van soortgelijke producten in de Gemeenschap en b) de gevolgen van deze invoer voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. 3. Wat de omvang van de invoer met dumping betreft, wordt nagegaan of deze, in absolute cijfers dan wel in verhouding tot de productie of het verbruik in de Gemeenschap, aanzienlijk is toegenomen. Wat de weerslag van de invoer met dumping op de prijzen betreft, wordt nagegaan of een aanzienlijke prijsonderbieding door het met dumping ingevoerde product ten opzichte van de prijzen van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft plaatsgevonden, dan wel of deze invoer de prijzen op enige andere wijze sterk drukt of een aanzienlijke belemmering vormt voor prijsverhogingen die zonder deze invoer hadden plaatsgevonden, met dien verstande dat geen van deze factoren op zich, noch verscheidene van deze factoren tezamen noodzakelijkerwijze doorslaggevend is of zijn. [...] 5. Het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap omvat een beoordeling van alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van die bedrijfstak van invloed zijn, zoals het feit dat een bedrijfstak nog steeds herstellende is van de gevolgen van invoer met dumping of subsidiëring die in het verleden heeft plaatsgevonden, de werkelijke hoogte van de dumpingmarge, de werkelijke en potentiële daling van de verkoop, de winst, de productie, het marktaandeel, de productiviteit, de rentabiliteit en de bezettingsgraad, alsmede de factoren die van invloed zijn op de prijzen in de Gemeenschap, de werkelijke en potentiële negatieve gevolgen voor de ‚cash flow’, de voorraden, de werkgelegenheid, de lonen, de groei en het vermogen om kapitaal of investeringen aan te trekken. Deze lijst is niet limitatief, noch zijn één of meer van deze factoren noodzakelijkerwijze doorslaggevend. 6. Aan de hand van het overeenkomstig lid 2 voorgelegde relevante bewijsmateriaal moet worden aangetoond, dat de invoer met dumping schade in de zin van [de basisverordening] veroorzaakt. Hierbij moet meer in het bijzonder worden aangetoond, dat de overeenkomstig lid 3 vastgestelde omvang en/of prijzen de in lid 5 omschreven gevolgen hebben voor de bedrijfstak van de Gemeenschap en dat deze gevolgen als aanmerkelijk kunnen worden aangemerkt. 7. Andere gekende factoren dan de invoer met dumping die de bedrijfstak van de Gemeenschap terzelfder tijd schade toebrengen, worden ook onderzocht, om te voorkomen dat de door deze andere factoren veroorzaakte schade overeenkomstig het bepaalde in lid 6 aan de invoer met dumping wordt toegeschreven. Relevant in dit verband zijn onder andere de hoeveelheden en de prijzen van de niet tegen dumpingprijzen verkochte invoer, een inkrimping van de vraag of wijzigingen in het consumentengedrag, handelsbeperkende praktijken van en de concurrentie tussen buitenlandse producenten en producenten in de Gemeenschap, technologische ontwikkelingen en exportprestaties en productiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap. [...]”

7 Artikel 18, „Niet-medewerking”, van deze verordening bepaalt onder meer: „1. Indien een belanghebbende binnen de bij deze verordening vastgestelde termijnen de toegang tot de nodige gegevens weigert of deze anderszins niet verstrekt of het onderzoek aanmerkelijk belemmert, kunnen aan de hand van de beschikbare gegevens voorlopige of definitieve conclusies, zowel in positieve als in negatieve zin, worden getrokken. Blijkt dat een belanghebbende onjuiste of misleidende inlichtingen heeft verstrekt, dan worden deze buiten beschouwing gelaten en kan van de beschikbare gegevens gebruik worden gemaakt. Belanghebbenden dienen van de gevolgen van niet-medewerking in kennis te worden gesteld. [...] 3. Wanneer de door een belanghebbende verstrekte inlichtingen niet in alle opzichten toereikend zijn, mogen zij niet buiten beschouwing worden gelaten, mits de tekortkomingen niet van dien aard zijn dat zij het bereiken van redelijk betrouwbare conclusies onnodig bemoeilijken, de inlichtingen op passende wijze binnen de termijnen worden verstrekt en controleerbaar zijn en de betrokkene naar beste vermogen heeft gehandeld. [...]”

8 Artikel 19, lid 3, van de basisverordening bepaalt: „Indien de Commissie van oordeel is, dat een verzoek om vertrouwelijke behandeling niet gegrond is en degene die de inlichtingen heeft verstrekt niet bereid is, deze bekend te maken of de bekendmaking ervan in algemene bewoordingen of in samengevatte vorm toe te staan, kunnen deze inlichtingen buiten beschouwing worden gelaten, tenzij uit goede bronnen blijkt dat ze juist zijn. [...]”

9 Artikel 20, „Mededeling van feiten en overwegingen”, van deze verordening bepaalt: „[...] 2. De in lid 1 genoemde partijen mogen om definitieve mededeling verzoeken van de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan wordt overwogen de instelling van definitieve maatregelen of de beëindiging van een onderzoek of procedure zonder maatregelen aan te bevelen, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan de mededeling van feiten of overwegingen die afwijken van die waarop de voorlopige maatregelen zijn gebaseerd. [...] 4. De definitieve mededeling wordt schriftelijk gedaan. Zij geschiedt, met inachtneming van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke gegevens, zo spoedig mogelijk en normaal uiterlijk één maand voordat de Commissie een definitief besluit neemt of voordat zij ingevolge artikel 9 een voorstel tot het nemen van definitieve maatregelen doet. Kan de Commissie bepaalde feiten of overwegingen op dat tijdstip niet mededelen, dan deelt zij deze mede zodra dit mogelijk is. De mededeling doet geen afbreuk aan besluiten die de Commissie of de Raad daarna nemen, maar indien deze besluiten op andere feiten en overwegingen zijn gebaseerd, worden deze zo spoedig mogelijk medegedeeld. [...]”

Voorgeschiedenis van het geding

10 In de hieronder weergegeven punten 5 tot en met 20 van het bestreden arrest worden de aan het geding ten grondslag liggende feiten uiteengezet: „5 [Niko Tube en NTRP] zijn Oekraïense vennootschappen die naadloze buizen en pijpen produceren. [Zij] zijn verbonden met twee verkoopvennootschappen: SPIG Interpipe [hierna: ‚SPIG’], gevestigd in Oekraïne, en Sepco SA [hierna: ‚Sepco’], gevestigd in Zwitserland. 6 Naar aanleiding van een klacht die op 14 februari 2005 was ingediend door het ‚Defence Committee of the Seamless Steel Tube Industry of the European Union’, heeft de Commissie krachtens artikel 5 van de basisverordening een antidumpingprocedure ingeleid met betrekking tot de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, uit Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland. Verder heeft de Commissie krachtens artikel 11, lid 3, van de basisverordening twee tussentijdse herzieningsprocedures betreffende de antidumpingrechten op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland geopend. Het bericht van inleiding van deze procedures is bekendgemaakt op 31 maart 2005 (PB C 77, blz. 2). 7 Het onderzoek naar de dumping en de daaruit voortvloeiende schade had betrekking op de periode van 1 januari tot en met 31 december 2004 (hierna: ‚onderzoektijdvak’). Het onderzoek naar de trends die relevant waren voor de beoordeling van de schade, bestreek de periode van 1 januari 2001 tot het einde van het onderzoektijdvak. 8 Wegens het grote aantal producenten in de Gemeenschap heeft de Commissie overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening ten behoeve van het onderzoek een steekproef van vijf producenten uit de Gemeenschap samengesteld. Aanvankelijk bestond die steekproef uit de volgende vijf producenten in de Gemeenschap: Dalmine SpA, Benteler Stahl/Rohr GmbH, Tubos Reunidos SA, Vallourec & Mannesmann France SA (hierna: ‚V & M France’), V & M Deutschland GmbH (hierna: ‚V & M Deutschland’). Omdat Benteler Stahl/Rohr heeft beslist om niet mee te werken, heeft de Commissie deze producent vervangen door Rohrwerk Maxhütte GmbH. 9 Bij brieven van 6 juni en 14 juli 2005 hebben [Niko Tube en NTRP] alsmede [SPIG] en Sepco hun antwoorden op de antidumpingvragenlijst bij de Commissie ingediend. Van 17 tot en met 26 november 2005 zijn controles ter plaatse verricht bij [Niko Tube en NTRP] en bij [SPIG]. 10 Op 27 februari 2006 heeft de Commissie [Niko Tube en NTRP] de eerste definitieve mededeling (general disclosure document) doen toekomen. Daarin werd gedetailleerd uiteengezet op grond van welke feiten en om welke redenen zij de vaststelling van definitieve antidumpingmaatregelen voorstelde. Bij brief van 22 maart 2006 zijn [Niko Tube en NTRP] officieel opgekomen tegen de in de eerste definitieve mededeling geformuleerde conclusies van de Commissie. Zij hebben aangevoerd dat de Commissie verkeerdelijk gegevens betreffende niet door hen vervaardigde producten in aanmerking heeft genomen, dat zij de normale waarde en de uitvoerprijs niet in hetzelfde handelsstadium heeft vergeleken zoals artikel 2, lid 10, eerste alinea, van de basisverordening eist, en dat zij, door Sepco als importeur te behandelen en de uitvoerprijs van deze vennootschap bij wege van reconstructie te bepalen, inbreuk heeft gemaakt op artikel 2, lid 9, van de basisverordening. 11 Op 24 maart 2006 heeft de Commissie in aanwezigheid van [Niko Tube en NTRP] een hoorzitting over de berekening van de dumpingmarge en over de door [Niko Tube en NTRP] aangeboden prijsverbintenis gehouden. Op 30 maart 2006 heeft een hoorzitting over de schade plaatsgevonden. 12 Bij faxbericht van 3 april 2006 hebben [Niko Tube en NTRP] de Commissie verzocht om inlichtingen over de medewerking die de bedrijfstak van de Gemeenschap aan het onderzoek verleende. 13 Op 24 april 2006 heeft de Commissie een tweede definitieve mededeling vastgesteld. Daarin heeft zij afwijzend beslist op het verzoek om bepaalde niet door [Niko Tube en NTRP] vervaardigde producten, te weten de producten die onder het productcontrolenummer (hierna: ‚PCN’) KE4 vallen, van de berekening van de normale waarde uit te sluiten. Zij heeft de verkoopprijzen van Sepco gecorrigeerd, zij het niet meer op grond van artikel 2, lid 9, van de basisverordening, maar op grond van artikel 2, lid 10, sub i, daarvan. Ten slotte heeft de Commissie in die mededeling inlichtingen verstrekt over de medewerking die de bedrijfstak van de Gemeenschap verleende. 14 Bij faxbericht van 26 april 2006 hebben [Niko Tube en NTRP] de Commissie er nogmaals op gewezen dat de in antwoord op de antidumpingvragenlijst verstrekte en door de ambtenaren van de Commissie gecontroleerde gegevens aantoonden dat de atomische buizen (atomic pipes) van PCN KE4 niet door haar waren vervaardigd. 15 Bij brief van 4 mei 2006 hebben [Niko Tube en NTRP] hun volledige opmerkingen over de tweede definitieve mededeling bij de Commissie ingediend. 16 Bij brief van 30 mei 2006 heeft de Commissie [Niko Tube en NTRP] uitgelegd, waarom zij de door hen op 22 maart 2006 aangeboden verbintenis niet had aanvaard. 17 Op 7 juni 2006 is de Commissie overgegaan tot vaststelling en bekendmaking van haar voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, uit Kroatië, Oekraïne, Roemenië en Rusland, tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 2320/97 en (EG) nr. 348/2000 van de Raad, tot beëindiging van de tussentijdse procedure en de procedure bij het vervallen van de maatregelen voor de eventuele herziening van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Roemenië en Rusland en tot beëindiging van de tussentijdse procedures voor de eventuele herziening van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Roemenië en Rusland en uit Kroatië en Oekraïne. 18 Bij een faxbericht dat op 26 juni 2006 om 19.06 uur bij [Niko Tube en NTRP] is ingekomen, heeft de Commissie geantwoord op de argumenten die [Niko Tube en NTRP] in het faxbericht van 26 april 2006 en in de brief van 4 mei 2006 hadden aangevoerd, behalve op het argument betreffende het ontbreken van medewerking van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Bij een aan [Niko Tube en NTRP] gerichte brief van 16 juni 2006, die deze laatsten op 27 juni 2006 hebben ontvangen, heeft de Commissie geantwoord op de opmerkingen van [Niko Tube en NTRP] betreffende de deelneming van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan de procedure. 19 Op 27 juni 2006 is de Raad overgegaan tot vaststelling van [de omstreden verordening]. 20 Bij [deze verordening] heeft de Raad een antidumpingrecht van 25,1 % ingesteld op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, door [Niko Tube en NTRP].”

Procedure voor het Gerecht en bestreden arrest

11 Bij een op 8 september 2006 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben Niko Tube en NTRP een beroep tot nietigverklaring van de omstreden verordening ingesteld.

12 Bij een op 1 december 2006 ter griffie neergelegde akte heeft de Commissie verzocht, te mogen interveniëren aan de zijde van de Raad. Bij beschikking van 16 januari 2007 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan. Bij brief van 27 februari 2007 heeft de Commissie het Gerecht laten weten dat zij ervan afzag een memorie in interventie in te dienen, maar dat zij zou deelnemen aan de terechtzitting.

13 Als eerste middel ter ondersteuning van hun vordering tot nietigverklaring stelden Niko Tube en NTRP dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt en het non-discriminatiebeginsel had geschonden door voor de berekening van de normale waarde rekening te houden met gegevens betreffende niet door hen vervaardigde buizen.

14 In het kader van hun tweede middel voerden Niko Tube en NTRP aan dat de Raad artikel 3, leden 2, 3 en 5 tot en met 7 van de basisverordening, artikel 19, lid 3, van die verordening en het non-discriminatiebeginsel had geschonden door voor de vaststelling van de schade uit te gaan van de gegevens betreffende de vijf in de steekproef opgenomen producenten uit de Unie, ofschoon die producenten niet volledig en ten volle hadden meegewerkt.

15 Als derde middel van hun beroep stelden Niko Tube en NTRP dat, door het feit dat de in de steekproef opgenomen producenten uit de Unie niet volledig en ten volle hebben meegewerkt, de klacht niet werd gesteund door het in de verordening bepaalde minimum van producenten uit de Unie die 25 % van de productie in de Unie voor hun rekening nemen. De Raad zou dus inbreuk hebben gemaakt op artikel 5, lid 4, van de basisverordening door de antidumpingprocedure niet te beëindigen.

16 In het kader van hun vierde middel ter ondersteuning van hun beroep stelden Niko Tube en NTRP dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt bij de toepassing van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening en van artikel 2, lid 10, eerste alinea, van die verordening door in het kader van de vergelijking van de normale waarde met de uitvoerprijs de door Sepco toegepaste verkoopprijs te corrigeren door deze te verminderen met een bedrag dat overeenkomt met de commissie die een op commissiebasis werkende agent zou hebben ontvangen.

17 Als vijfde middel voerden Niko Tube en NTRP aan dat de omstandigheden van de afwijzing van de door hen aangeboden verbintenis een schending van het non-discriminatiebeginsel door de Raad opleverden.

18 Het zesde middel van Niko Tube en NTRP ten slotte bestond uit vijf onderdelen, te weten schending van de rechten van de verdediging en/of niet-nakoming van de motiveringsplicht in het kader van, respectievelijk, het voor de berekening van de normale waarde in aanmerking nemen van buizen die Niko Tube en NTRP naar eigen zeggen niet hadden vervaardigd, de beoordeling van de stelling dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet heeft meegewerkt, de correctie die op de door Sepco toegepaste uitvoerprijs is toegepast, de afwijzing van de door hen aangeboden verbintenis en de behandeling van de verkoopkosten, de administratiekosten en andere algemene kosten van SPIG.

19 Het Gerecht heeft geoordeeld dat deze zes middelen voor de behandeling ervan moesten worden gehergroepeerd naargelang van de feiten waarop zij betrekking hadden, en heeft, onder de overeenkomstige kopjes, achtereenvolgens onderzocht: de berekening van de normale waarde, de gevolgen van het feit dat de met de producenten uit de Unie verbonden vennootschappen niet hadden geantwoord op de vragenlijst, de correctie van de door Sepco toegepaste verkoopprijs, de door Niko Tube en NTRP aangeboden verbintenis en de behandeling van de verkoopkosten, de administratiekosten en andere algemene kosten van SPIG.

20 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht de meeste door Niko Tube en NTRP aangevoerde middelen en argumenten afgewezen.

21 In de punten 177 tot en met 190 van het bestreden arrest heeft het Gerecht met betrekking tot NTRP het vierde middel echter aanvaard voor zover daarin werd gesteld dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening een correctie toe te passen op de uitvoerprijs die Sepco in het kader van transacties betreffende door NTRP vervaardigde buizen had toegepast.

22 In de punten 200 tot en met 211 van het bestreden arrest heeft het Gerecht ook het zesde middel van Niko Tube en NTRP aanvaard voor zover daarin werd gesteld dat de Raad hun rechten van verdediging had geschonden bij het verrichten van de correctie op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening.

23 Om die redenen heeft het Gerecht artikel 1 van de omstreden verordening nietig verklaard voor zover het antidumpingrecht dat was vastgesteld voor de uitvoer naar de Gemeenschap van de producten die werden vervaardigd door Niko Tube en NTRP, hoger was dan het geval zou zijn geweest indien op de uitvoerprijs geen correctie wegens commissie was toegepast wanneer de verkopen via de verbonden handelsmaatschappij Sepco waren afgewikkeld. Het Gerecht heeft het beroep van Niko Tube en NTRP verworpen voor het overige.

Procedure voor het Hof en conclusies van partijen

24 Op 29 mei 2009 heeft de Raad ter griffie van het Hof een verzoekschrift in hogere voorziening tegen het bestreden arrest neergelegd. Deze hogere voorziening is ingeschreven onder het nummer C-191/09 P.

25 Op 27 mei 2009 heeft de Commissie ter griffie van het Hof een verzoekschrift in hogere voorziening tegen het bestreden arrest neergelegd. Deze hogere voorziening is ingeschreven onder het nummer C-200/09 P.

26 Bij beschikking van de president van het Hof van 15 juli 2009 zijn de zaken C-191/09 P en C-200/09 P gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.

27 Met zijn hogere voorziening in zaak C-191/09 P verzoekt de Raad het Hof: — het bestreden arrest te vernietigen voor zover het Gerecht daarbij enerzijds artikel 1 van de omstreden verordening nietig heeft verklaard voor zover het antidumpingrecht dat is vastgesteld voor de uitvoer naar de Gemeenschap van de door Niko Tube en NTRP vervaardigde producten, hoger was dan het geval zou zijn geweest indien op de uitvoerprijs geen correctie wegens commissie was toegepast wanneer de verkopen via de verbonden handelsmaatschappij Sepco waren afgewikkeld, en anderzijds de Raad heeft verwezen in zijn eigen kosten en in een vierde van de kosten van Niko Tube en NTRP; — het door Niko Tube en NTRP ingestelde beroep tot nietigverklaring volledig te verwerpen, en — Niko Tube en NTRP te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die welke op de procedure voor het Gerecht zijn gevallen.

28 Met zijn hogere voorziening in zaak C-200/09 P verzoekt de Commissie het Hof: — punt 1 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen; — het door Niko Tube en NTRP ingestelde beroep tot nietigverklaring volledig te verwerpen, en — Niko Tube en NTRP te verwijzen in de kosten die de Commissie in het kader van de onderhavige hogere voorziening zijn opgekomen.

29 In hun in de zaken C-191/09 P en C-200/09 P neergelegde memories van antwoord verzoeken Niko Tube en NTRP het Hof: — de door de Raad en de Commissie ingestelde hogere voorzieningen ten dele niet-ontvankelijk en in elk geval volledig ongegrond te verklaren; — het bestreden arrest te bevestigen voor zover daarin het door Niko Tube en NTRP ingestelde beroep tot nietigverklaring ten dele is aanvaard en de omstreden verordening nietig is verklaard voor zover het antidumpingrecht dat was vastgesteld voor de uitvoer naar de Gemeenschap van de door Niko Tube en NTRP vervaardigde producten, hoger was dan het geval zou zijn geweest indien op de uitvoerprijs geen correctie wegens commissie was toegepast wanneer de verkopen via de verbonden handelsmaatschappij Sepco waren afgewikkeld, en — de in het bestreden arrest verrichte verwijzing in de kosten te bevestigen en de Raad en de Commissie te verwijzen in de kosten die op de procedure voor het Hof zullen vallen.

30 In het kader van deze memorie van antwoord stellen Niko Tube en NTRP in de zaken C-191/09 P en C-200/09 P een incidentele hogere voorziening in waarbij zij het Hof verzoeken: — het bestreden arrest te vernietigen voor zover het Gerecht de omstreden verordening niet volledig nietig heeft verklaard en Niko Tube en NTRP heeft verwezen in drie vierde van de kosten in eerste aanleg; — de omstreden verordening volledig nietig te verklaren, en — de Raad en de Commissie te verwijzen in de kosten van beide instanties.

31 In zijn memorie van antwoord op die incidentele hogere voorziening verzoekt de Raad het Hof in zaak C-191/09 P: — de incidentele hogere voorziening af te wijzen; — subsidiair, de zaak naar het Gerecht terug te wijzen; — meer subsidiair, het beroep te verwerpen, en — Niko Tube en NTRP te verwijzen in de kosten van de incidentele hogere voorziening.

32 In haar memorie van antwoord op die incidentele hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof in zaak C-200/09 P: — de incidentele hogere voorziening af te wijzen; — subsidiair, de zaak naar het Gerecht terug te wijzen, en — Niko Tube en NTRP te verwijzen in de kosten.

Principale hogere voorzieningen

33 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert de Raad zeven middelen aan. De eerste vier middelen betreffen de op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening toegepaste correctie.

34 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Commissie vier middelen aan, waarvan de eerste drie nagenoeg overeenkomen met de eerste vier middelen van de Raad.

35 Bijgevolg dienen de eerste vier middelen van de Raad en de eerste drie middelen van de Commissie wegens de gelijksoortigheid ervan samen te worden behandeld.

Eerste tot en met vierde middel van de principale hogere voorziening van de Raad en eerste tot en met derde middel van de principale hogere voorziening van de Commissie

Argumenten van partijen

36 Als eerste middel voert de Raad aan dat het Gerecht in het kader van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening ten onrechte de rechtspraak betreffende het begrip „één enkele economische eenheid” op overeenkomstige wijze heeft toegepast. Het Gerecht zou ook verkeerdelijk naar deze rechtspraak hebben verwezen om uit te maken of de instellingen van de Unie hadden aangetoond dat de noodzakelijke voorwaarden voor het verrichten van deze correctie op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van deze verordening waren vervuld. Volgens de Raad is het vaste rechtspraak van het Hof dat de vaststelling van de normale waarde, de vaststelling van de uitvoerprijs en de vergelijking tussen beide worden beheerst door afzonderlijke regels, die voor de overeenkomstige verrichting in acht moeten worden genomen. De Raad baseert zich ook op de rechtspraak van het Hof voor zijn stelling dat het begrip „één enkele economische eenheid” uitsluitend geldt voor bepaalde specifieke situaties betreffende de berekening van de normale waarde. Het Hof zou met name hebben bevestigd dat in de betrokken zaken de instellingen de normale waarde terecht hadden berekend op basis van de verkopen die de daarmee belaste verbonden vennootschappen op de nationale markt aan onafhankelijke afnemers hadden verricht.

37 De Raad beklemtoont dat de onderhavige zaak niet draait om de vaststelling van de uitvoerprijs, maar om de correctie op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening, te weten de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs. Het Gerecht zou zich ertoe hebben beperkt, te verklaren dat de rechtspraak betreffende het begrip „één enkele economische eenheid” van overeenkomstige toepassing is op de berekening van de uitvoerprijs, maar zou deze rechtspraak vervolgens hebben toegepast om te bepalen, onder welke voorwaarden een correctie op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van deze verordening kon worden verricht. Dit zou een andere onjuiste rechtsopvatting opleveren. Bovendien zou het Gerecht ook zijn motiveringsplicht niet zijn nagekomen door in zijn beslissing deze overeenkomstige toepassing van het begrip „één enkele economische eenheid” op de berekening van de uitvoerprijs niet rechtens genoegzaam te rechtvaardigen.

38 Als tweede middel voert de Raad aan dat het Gerecht inbreuk heeft gemaakt op de regels betreffende de bewijslast die op de instellingen van de Unie rust wanneer deze een correctie op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening verrichten, en dat het bijgevolg een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd voor de toetsing van de beslissing van deze instellingen om een dergelijke correctie te verrichten. Een correctie op grond van deze bepaling van de basisverordening zou slechts gerechtvaardigd zijn indien een vooraf bestaande specifieke factor de vergelijkbaarheid van de prijzen aantast. Uit de rechtspraak van het Hof zou blijken dat degene die nietigverklaring van een antidumpingmaatregel vordert, dient aan te tonen dat de instellingen hun conclusie op onjuiste feiten hebben gebaseerd of een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt. In het onderhavige geval zou het Gerecht geen dergelijk onderzoek hebben verricht en zou het ten onrechte hebben beslist dat uit de in het faxbericht van de Commissie van 26 juni 2006 vervatte gegevens niet kon worden geconcludeerd dat een correctie op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening had moeten worden verricht. Het Gerecht zou dienaangaande zijn eigen oordeel in de plaats van dat van de instellingen hebben gesteld.

39 Als derde middel ter ondersteuning van zijn hogere voorziening stelt de Raad dat het Gerecht als gevolg van de twee bovengenoemde onjuiste rechtsopvattingen de beslissing van de instellingen van de Unie om een correctie op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening te verrichten, aan de hand van een onjuist juridisch criterium heeft getoetst. Het Gerecht zou bij zijn toetsing van de beslissing van de instellingen immers alleen rekening hebben gehouden met de drie elementen die in het faxbericht van de Commissie van 26 juni 2006 worden genoemd. De Raad is van mening dat het Gerecht zijn argument dat Niko Tube en NTRP rechtstreekse verkopen binnen de Unie verrichtten, ten onrechte heeft afgewezen door te verwijzen naar de rechtspraak betreffende het begrip „één enkele economische eenheid”. De Raad betoogt ook dat het Gerecht het argument van de Commissie betreffende de deelneming van SPIG aan de uitvoeractiviteiten van Niko Tube en NTRP verkeerd heeft begrepen. Bovendien zou het Gerecht de rechtspraak betreffende het begrip „één enkele economische eenheid” ten onrechte hebben toegepast voor de beoordeling of de band tussen Sepco en NTRP de mogelijkheid uitsloot te concluderen dat Sepco functies oefende die vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent. Ten slotte zou het Gerecht ook van een onjuiste rechtsopvatting blijk hebben gegeven door elk van de door de instellingen aangedragen elementen afzonderlijk te beoordelen.

40 Als vierde middel betoogt de Raad dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de instellingen een kennelijke beoordelingsfout hadden gemaakt door artikel 2, lid 10, eerste alinea, van de basisverordening op de uitvoerverkopen van Niko Tube en NTRP toe te passen op grond dat de Raad de uitvoerprijs van Sepco in het kader van transacties betreffende door NTRP vervaardigde buizen had gecorrigeerd. De onjuiste rechtsopvattingen van het Gerecht betreffende de uitlegging en de toepassing van artikel 2, lid 10, sub i, van deze verordening zouden ook de in de punten 196 en 197 van het bestreden arrest geformuleerde conclusies aantasten.

41 De Commissie is van mening dat het Gerecht van twee onjuiste rechtsopvattingen blijk heeft gegeven door het begrip „één enkele economische eenheid”, dat geldt voor de berekening van de normale waarde, op overeenkomstige wijze toe te passen op de vaststelling van de uitvoerprijs. In de eerste plaats zou het Gerecht niet uitleggen waarom het begrip „één enkele economische eenheid” op overeenkomstige wijze van toepassing zou zijn voor de vaststelling van de uitvoerprijs. Uit vaste rechtspraak van het Hof zou integendeel blijken dat dit begrip is geformuleerd om voor de vaststelling van de normale waarde bij de berekening van de dumpingmarge rekening te houden met bepaalde bijzondere situaties op de interne markt van de exporteurs. In de tweede plaats zou het Gerecht in de punten 177 en volgende van het bestreden arrest een uitspraak hebben gedaan die in strijd is met de rechtspraak die het ter ondersteuning van zijn beslissing aanhaalt. Uit het onderzoek van deze rechtspraak zou immers blijken dat het begrip „één enkele economische eenheid”, dat is geformuleerd om de normale waarde van de door een marktdeelnemer op de interne markt verkochte producten adequater te bepalen, niet kan worden gebruikt voor het bepalen van de prijs van door dezelfde marktdeelnemer voor uitvoer verkochte producten wanneer deze marktdeelnemer vergelijkbare producten naar de Unie uitvoert. Het zou integendeel vaste rechtspraak van het Hof zijn dat, wanneer een exporteur via een verkoopfiliaal een product binnen de Unie verkoopt, de uitvoerprijs wordt vastgesteld met inaanmerkingneming van de eerste verkoop aan een onafhankelijke afnemer, zoals bij de vaststelling van de normale waarde. Op de aldus vastgestelde uitvoerprijs zouden echter de in de basisverordening bepaalde correcties kunnen en moeten worden toegepast zonder dat in dit verband op de instellingen echter enige bijzondere bewijslast rust.

42 Als tweede middel ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Commissie aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen ter zake van de bewijslast en ter zake van de grenzen van zijn rechtmatigheidstoetsing. Het Gerecht zou de instellingen een bijzonder zware bewijslast hebben opgelegd ter zake van de handelsbescherming, een gebied waarop deze nochtans een ruime beoordelingsvrijheid hebben. Het Gerecht zou de regels inzake de bewijslast hebben geschonden door te overwegen dat moest worden nagegaan „of de instellingen het bewijs, of althans aanwijzingen, hebben aangedragen dat de functies van Sepco niet die van een bedrijfsinterne verkoopafdeling zijn, maar vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent”. Uit de rechtspraak van het Hof zou immers blijken dat de instellingen correct zijn uitgegaan van de prijs die Sepco aan de eerste onafhankelijke afnemer binnen de Unie in rekening heeft gebracht, en vervolgens op die prijs de correcties hebben toegepast waarin artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening voorziet. In de plaats van aan te tonen dat de instellingen een kennelijke beoordelingsfout hadden gemaakt, zoals het had moeten doen om de gedeeltelijke nietigverklaring van die verordening te rechtvaardigen, zou het Gerecht ten onrechte hebben geoordeeld dat uit de rechtspraak betreffende het begrip „één enkele economische eenheid” voorvloeide dat op de instellingen een bijzonder zware bewijslast rust wanneer zij een correctie op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening moeten toepassen. Bovendien zou de beslissing van het Gerecht dat de instellingen de betrokken correctie niet konden verrichten, onverenigbaar zijn met de vaststelling in de punten 213 en 214 van het bestreden arrest dat het faxbericht van de Commissie van 26 juni 2006 omstandig aangeeft waarom die correctie is verricht.

43 Met betrekking tot het derde middel, dat is gericht tegen de beslissing van het Gerecht dat de instellingen inbreuk hebben gemaakt op artikel 2, lid 10, eerste alinea, van de basisverordening, stelt de Commissie dat zij in haar eerste twee middelen van hogere voorziening heeft aangetoond dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te concluderen dat met betrekking tot de door NTRP vervaardigde buizen de correctie op grond van dat artikel niet geldig was verricht. Volgens het Gerecht wordt de op grond van deze bepaling verrichte correctie immers geacht de symmetrie tussen normale waarde en uitvoerprijs te herstellen. Het Gerecht heeft echter uitdrukkelijk overwogen dat het middel inzake schending van artikel 2, lid 10, eerste alinea, van de basisverordening onlosmakelijk verbonden was met het middel inzake schending van artikel 2, lid 10, sub i, van deze verordening. De Commissie betoogt dat, aangezien de eerste twee middelen gegrond moeten verklaard, daaruit voortvloeit dat de correctie juist is verricht, zodat het Gerecht, door te oordelen dat de Raad en de Commissie inbreuk hadden gemaakt op artikel 2, lid 10, eerste alinea, van de basisverordening, eveneens van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven, temeer daar volgens de Commissie het Gerecht niet is ingegaan op het argument van de Raad dat, aangezien SPIG zowel bij de binnenlandse verkopen als bij de uitvoerverkopen betrokken was, en de correctie alleen gold voor de extra deelneming van Sepco aan de uitvoerverkopen, de correctie symmetrie en geen asymmetrie heeft gecreëerd.

44 Op deze middelen van de Raad en de Commissie antwoorden Niko Tube en NTRP dat het eerste middel van deze instellingen, dat in beide hogere voorzieningen wordt aangevoerd en betrekking heeft op het begrip „één enkele economische eenheid”, niet-ontvankelijk is omdat de Raad en de Commissie, ofschoon zij de gelegenheid hebben gehad de relevantie van dit begrip voor de toepassing van de correctie op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening te betwisten, dit in hun voor het Gerecht aangevoerde middelen en schriftelijke argumenten niet hebben gedaan.

45 Volgens Niko Tube en NTRP geldt het begrip „één enkele economische eenheid” wel degelijk voor de vaststelling van de uitvoerprijs, vóór en na de correctie op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening. Het Gerecht zou zijn beslissing op dit punt passend hebben gemotiveerd. Of er sprake is van controle en van scheiding van de productie- en de verkoopactiviteiten, en dus of er sprake is van één enkele economische eenheid, is een andere vraag, die eerder rijst en los staat van de vraag naar de concrete uitwerking van het bestaan daarvan op de berekening van de normale waarde en de uitvoerprijs vóór en na de op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening verrichte correcties. Niko Tube en NTRP betogen dat het begrip „één enkele economische eenheid” namelijk beperkt is tot de erkenning van een economische realiteit, dat wil zeggen tot het beschrijven van de respectieve rollen en functies van de verschillende verbonden eenheden. Aangezien het Gerecht erkent dat de vaststelling van de normale waarde en de vaststelling van de uitvoerprijs door afzonderlijke specifieke bepalingen worden geregeld, zou het terecht gewag hebben gemaakt van de „overeenkomstige” toepassing van dit begrip, volgens hetwelk de scheiding van activiteiten binnen een groep van juridisch zelfstandige eenheden, niet eraan in de weg staat dat deze eenheden één enkele economische eenheid vormen. Het Gerecht zou alleen erkennen dat in de regel, of het nu gaat om de vaststelling van de uitvoerprijs dan wel om de vaststelling van de normale waarde, niet kan worden voorbijgegaan aan de economische realiteit.

46 Bovendien vormt volgens Niko Tube en NTRP het feit dat het bestaan van één enkele economische eenheid een andere uitwerking kan hebben naargelang het gaat om de vaststelling van de normale waarde of om die van de uitvoerprijs, geen belemmering voor een ruimere toepassing van de vaste rechtspraak van het Hof betreffende dit begrip, dat het Hof tot nu toe slechts in het kader van enkele gedingen heeft toegepast. Daarbij komt dat volgens hen artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening de instellingen van de Unie die voor de vaststelling van de uitvoerprijs verschillende kosten van met de producent-exporteur verbonden verkoopvennootschap, zoals de handelsmarge, in mindering willen brengen, de verplichting oplegt deze beslissing te rechtvaardigen door aan te tonen dat deze verbonden vennootschap functies uitoefent die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent. Wanneer de verkoopvennootschap met de producent-exporteur één enkele economische eenheid vormt en de functie van een bedrijfsinterne dienst voor de uitvoerverkoop uitoefent, is er volgens hen geen reden om aan te nemen dat zij kan worden gelijkgesteld met een op commissiebasis werkende agent. Volgens Niko Tube en NTRP dienen daartoe de door de verbonden verkoopvennootschap uitgeoefende functies en het bestaan van „controle” van de producent-exporteur over deze vennootschap te worden gepreciseerd. Wanneer een dergelijke controle bestaat en de functies van de verbonden vennootschap die van een bedrijfsinterne dienst voor de uitvoerverkoop zijn, is er immers sprake van één enkele economische eenheid en niet van een verband dat kan worden gelijkgesteld met dat tussen een principaal en zijn agent, zodat er voor de instellingen geen enkele grond is om de handelsmarge van de verkoopvennootschap in mindering te brengen in het kader van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening. Ten slotte zou de door de Raad en de Commissie ter ondersteuning van hun middel aangehaalde rechtspraak niet eraan in de weg staan dat het door het Hof in het kader van de vaststelling van de normale waarde toegepaste begrip „één enkele economische eenheid” ook wordt gehanteerd om na te gaan of de functies van de verkoopvennootschap kunnen worden gelijkgesteld met die van een op commissiebasis werkende agent. Uit het feit dat de rechterlijke instellingen van de Unie het begrip „één enkele economische eenheid” slechts met het oog op de vaststelling van de normale waarde hebben gehanteerd, zou niet voortvloeien dat dit begrip niet kan worden gehanteerd voor de vaststelling van de uitvoerprijs. Niko Tube en NTRP zijn van mening dat een kwestie als het specifieke voorwerp van het onderhavige geding gewoon nog nooit aan het Hof is voorgelegd.

47 Niko Tube en NTRP antwoorden gezamenlijk op het tweede en het derde middel van de Raad, die samenvallen met het tweede middel van de Commissie. Wat het tweede middel betreft, betogen zij dat het Gerecht niet van een onjuiste opvatting blijk heeft gegeven ter zake van het opleggen van bewijslast aan de instellingen en de grenzen van zijn bevoegdheid tot toetsing van de omstreden verordening niet heeft overschreden. Met betrekking tot het derde middel zijn Niko Tube en NTRP van mening dat het Gerecht geen juridisch onjuist criterium heeft toegepast bij het onderzoek van de beslissing van de instellingen om een correctie als bedoeld in artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening te verrichten. In dit artikel zou uitdrukkelijk worden bepaald dat de instelling die deze correctie wil verrichten, dient aan te tonen of althans aanwijzingen dient te verstrekken dat de verkoopvennootschap in feite functies uitoefent die kunnen worden gelijkgesteld met die van een op commissiebasis werkende agent. De Raad en de Commissie zouden de argumenten van Niko Tube en NTRP dat Sepco een bedrijfsinterne dienst voor uitvoerverkoop was, weliswaar hebben betwist, maar geen enkel ter zake dienend bewijselement hebben aangedragen voor hun stelling dat deze vennootschap daadwerkelijk als agent had gehandeld. Volgens Niko Tube en NTRP zijn de instellingen eigenlijk van mening dat het volstaat dat een verkoopvennootschap die verbonden is met of op enigerlei wijze onder de controle staat van een producent-exporteur, het betrokken product binnen de Unie verkoopt, om van rechtswege te concluderen dat de vennootschap de functies van een agent uitoefent. Een dergelijke conclusie zou het nuttige effect van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening in gevaar brengen.

48 Volgens Niko Tube en NTRP is het overduidelijk dat het Gerecht het geheel van argumenten van de Raad en de Commissie alsmede alle informatie waarover het beschikte, in aanmerking heeft genomen en heeft onderzocht alvorens te concluderen dat de instellingen een kennelijke beoordelingsfout hadden gemaakt door onvoldoende aanwijzingen aan te dragen voor het feit dat Sepco als een op commissiebasis werkende agent had gehandeld.

49 Met betrekking tot het vierde middel van de Raad en het derde middel van de Commissie stellen Niko Tube en NTRP dat het Gerecht gegronde redenen had om te concluderen dat de instellingen een kennelijke beoordelingsfout hadden gemaakt door artikel 2, lid 10, eerste alinea, van de basisverordening toe te passen. De correctie zou als zodanig een asymmetrie handhaven of zelfs creëren, zoals het Gerecht in punt 195 van het bestreden arrest heeft aangegeven.

Beoordeling door het Hof

50 Met de zeven middelen van hun hogere voorziening komen de instellingen van de Unie in wezen op tegen de overeenkomstige toepassing — in de punten 177 tot en met 179 van het bestreden arrest — van de ter zake van de berekening van de normale waarde ontwikkelde rechtspraak betreffende het begrip „één enkele economische eenheid” op de aan de uitvoerprijs aangebrachte correcties als bedoeld in artikel 2, lid 10, van de basisverordening, alsmede tegen de in punt 180 van het bestreden arrest vermelde en in de punten 182 en volgende daarvan toegepaste regel inzake de bewijslast, volgens welke de instellingen, wanneer zij menen een correctie te moeten aanbrengen, bewijzen moeten aandragen van het bestaan van de factor uit hoofde waarvan de correctie wordt aangebracht.

51 In dit verband dient er allereerst aan te worden herinnerd dat de normale waarde en de uitvoerprijs volgens verschillende regels worden bepaald en dat de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten dus niet noodzakelijkerwijs in beide gevallen op dezelfde wijze moeten worden behandeld. Eventuele verschillen tussen de twee waarden zouden echter in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van de in artikel 2, lid 10, van de basisverordening bedoelde correcties (zie in die zin arresten van 7 mei 1991, Nakajima/Raad, C-69/89, Jurispr. blz. I-2069, punten 63, 70 en 73, en 10 maart 1992, Minolta Camera/Raad, C-178/87, Jurispr. blz. I-1577, punt 12).

52 In punt 177 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat „volgens vaste rechtspraak betreffende de berekening van de normale waarde, die echter mutatis mutandis van toepassing is op de berekening van de uitvoerprijs, de scheiding van productie- en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, niets kan afdoen aan het feit dat het gaat om één enkele economische eenheid die op deze wijze activiteiten verricht die in andere gevallen worden verricht door een organisatie die ook juridisch een eenheid vormt (zie mutatis mutandis arresten van 5 oktober 1988, Brother Industries/Raad, 250/85, […] Jurispr. blz. 5683, punt 16; 10 maart 1992, Matsushita Electric/Raad, C-175/87, Jurispr. blz. I-1409, punt 12, en 13 oktober 1993, Matsushita Electric Industrial/Raad, C-104/90, Jurispr. blz. I-4981, punt 9).”

53 Het bij het Gerecht aanhangige geding betrof de op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening verrichte correctie van de uitvoerprijs. Dienaangaande blijkt zowel uit de tekst als uit de opzet van artikel 2, lid 10, van deze verordening dat de uitvoerprijs of de normale waarde alleen kan worden gecorrigeerd om rekening te houden met verschillen betreffende factoren die de twee prijzen beïnvloeden, zoals commissies — dat wil zeggen verschillen in de commissies die voor de betrokken verkopen worden betaald —, en die dus de vergelijkbaarheid van de prijzen beïnvloeden, teneinde ervoor te zorgen dat de prijzen in hetzelfde handelsstadium worden vergeleken. Bijgevolg vereist een correctie van de uitvoerprijs in het kader van de toepassing van artikel 2, lid 10, van de basisverordening allereerst een onderzoek van het handelsstadium waarin de uitvoerprijs was vastgesteld.

54 In dit verband dient er ook op te worden gewezen dat de tekst van artikel 2, lid 10, van de basisverordening, in het bijzonder het bepaalde sub i daarvan, niets bevat dat in de weg kan staan aan de toepassing van het begrip „één enkele economische eenheid” voor de definitieve vaststelling van de uitvoerprijs met het oog op een billijke vergelijking op grond van dit artikel. Indien een producent aldus zijn voor uitvoer naar de Unie bestemde producten afzet via een juridisch zelfstandige onderneming waarover hij echter economische controle heeft, staat geen enkele juridische of economische dwingende reden in de weg aan de erkenning dat deze twee bedrijven „één enkele economische eenheid” vormen.

55 Vaststaat dat het begrip „één enkele economische eenheid” is ontwikkeld voor de vaststelling van de normale waarde. Het Gerecht heeft in de punten 178 en 179 van het bestreden arrest terecht een uiteenzetting gegeven van de specifieke situaties waarin voor de berekening van de normale waarde tot het bestaan van een dergelijke eenheid mag worden geconcludeerd. Uit deze overwegingen blijkt echter niet dat dit begrip alleen in het kader van de interne markt van de producenten-exporteurs mag worden toegepast. Indien een producent zijn voor de Unie bestemde producten afzet via een juridisch zelfstandige onderneming waarover hij echter economische controle heeft, pleit het vereiste van een vaststelling die de economische realiteit van de betrekkingen tussen deze producent en die verkoopvennootschap weerspiegelt, veeleer voor de toepassing van het begrip „één enkele economische eenheid” voor de berekening van de uitvoerprijs.

56 Uit een en ander volgt dat het Gerecht de rechtspraak betreffende het begrip „één enkele economische eenheid”, die in beginsel van toepassing is voor de berekening van de normale waarde, terecht op overeenkomstige wijze heeft toegepast voor de vaststelling van de uitvoerprijs.

57 Met betrekking tot de bewijslast ter zake van het bestaan van de factor uit hoofde waarvan de betrokken correctie wordt gevraagd of verricht, heeft het Gerecht in punt 180 van het bestreden arrest geoordeeld dat, „evengoed als een partij die op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening een correctie vraagt om de normale waarde en de uitvoerprijs vergelijkbaar te maken met het oog op de bepaling van de dumpingmarge, het bewijs moet leveren dat haar verzoek gerechtvaardigd is, ook de instellingen, wanneer zij een correctie menen te moeten toepassen, zich op bewijzen moeten baseren, of althans op aanwijzingen waarmee het bestaan kan worden aangetoond van een grond voor de correctie en waarmee de gevolgen daarvan voor de vergelijkbaarheid van de prijzen kunnen worden bepaald.”

58 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat, volgens de rechtspraak van het Hof, indien een partij op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties vraagt om de normale waarde en de uitvoerprijs vergelijkbaar te maken met het oog op de bepaling van de dumpingmarge, deze partij het bewijs moet leveren dat haar verzoek gerechtvaardigd is (zie in die zin arresten van 7 mei 1987, Nachi Fujikoshi/Raad, 255/84, Jurispr. blz. 1861, punt 33; Nippon Seiko/Raad, 258/84, Jurispr. blz. 1923, punt 45, en Minebea/Raad, 260/84, Jurispr. blz. 1975, punt 43).

59 Bovendien wordt in artikel 2, lid 10, van de basisverordening bepaald dat wanneer de vastgestelde normale waarde en de uitvoerprijs niet kunnen worden vergeleken, door middel van correcties, naargelang van de bijzondere kenmerken van elke zaak, rekening wordt gehouden met verschillen tussen factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed op de prijzen zijn en, dientengevolge, op de vergelijkbaarheid daarvan.

60 In deze omstandigheden rust de bewijslast ten aanzien van de toepassing van de specifieke correcties opgesomd in artikel 2, lid 10, sub a tot en met k, van de basisverordening, zoals de advocaat-generaal in punt 79 van zijn conclusie heeft opgemerkt, op degenen die zich daarop willen beroepen, ongeacht om wie het gaat.

61 Wanneer een producent verzoekt om toepassing van een correctie, in beginsel een verlaging van de normale waarde of, logischerwijze, een verhoging van de uitvoerprijzen, dient hij dus aan te geven en te bewijzen dat aan de voorwaarden voor toekenning van een dergelijke correctie is voldaan. In het omgekeerde geval, zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld, wanneer, zoals in casu, de Raad en de Commissie van mening zijn dat een correctie ter verlaging van de uitvoerprijs dient te worden toegepast omdat een aan een producent verbonden verkoopvennootschap functies uitoefent die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent, moeten deze instellingen ten minste met elkaar overeenstemmende aanwijzingen verstrekken die aantonen dat aan deze voorwaarde is voldaan.

62 In punt 184 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geconcludeerd dat de elementen die de Commissie ter rechtvaardiging van de op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening verrichte correctie heeft aangedragen, niet voldoende overtuigend waren en dus niet konden worden beschouwd als aanwijzingen waarmee het bestaan van de grond voor de correctie kon worden aangetoond, en waarmee de gevolgen daarvan voor de vergelijkbaarheid van de prijzen konden worden bepaald. Tegen die beslissing voeren de Raad en de Commissie aan dat het Gerecht daarbij de grenzen van zijn rechtmatigheidstoetsing heeft overschreden.

63 Het is vaste rechtspraak van het Hof dat op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen, de instellingen van de Unie over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken. Bij het rechterlijk toezicht op een dergelijke beoordeling dient dan ook alleen te worden nagegaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale, C-351/04, Jurispr. blz. I-7723, punten 40 en 41).

64 Er zij echter aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak uit artikel 225 EG en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie volgt dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is, enerzijds, om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van zijn vaststellingen blijkt uit de hem overgelegde processtukken en, anderzijds, om die feiten te beoordelen. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof bevoegd om krachtens artikel 225 EG toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden (zie arrest van 3 september 2009, Moser Baer India/Raad, C-535/06 P, Jurispr. blz. I-7051, punt 31).

65 Het Hof is dus niet bevoegd om de feiten vast te stellen, noch in beginsel om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht daarvoor in aanmerking heeft genomen. Wanneer deze bewijzen volgens de regels zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het immers uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem overgelegde bewijzen. Deze beoordeling levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van deze bewijzen (zie arrest Moser Baer India/Raad, reeds aangehaald, punt 32).

66 Uit de punten 184 tot en met 190 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht de juridische kwalificatie van de situatie van Niko Tube en NTRP door de Raad en de Commissie overeenkomstig deze rechtspraak heeft getoetst. Het Gerecht heeft in dit verband vastgesteld dat de drie in het faxbericht van de Commissie van 26 juni 2006 uiteengezette elementen geen aanwijzingen vormden die de conclusie van deze instellingen konden schragen dat Sepco, althans wat de transacties betreffende de door NTRP vervaardigde buizen betreft, aan de voorwaarden voor een correctie op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening voldeed.

67 In die omstandigheden heeft het Gerecht de instellingen geen bijzondere bewijslast opgelegd, met uitzondering van de verplichting om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor een dergelijke correctie was voldaan.

68 Verder dient te worden vastgesteld dat deze toetsing door het Gerecht, die betrekking had op de drie in het faxbericht van de Commissie van 26 juni 2006 uiteengezette elementen en op de in punt 188 van het bestreden arrest genoemde relevante elementen van het dossier en beoogde na te gaan of de instellingen voor het verrichten van de betrokken correctie het bewijs hadden geleverd dat de functies van Sepco vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent, geen nieuwe beoordeling van de feiten oplevert die in de plaats komt van de beoordeling van de feiten door de instellingen. De aldus verrichte toetsing heeft geen inbreuk gemaakt op de ruime beoordelingsvrijheid die de instellingen op het gebied van de handelspolitiek bezitten en die wordt gerechtvaardigd door de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken.

69 Gelet op een en ander dienen het eerste tot en met het vierde middel van de principale hogere voorziening van de Raad en het eerste tot en met het derde middel van die van de Commissie te worden afgewezen.

Vijfde tot en met zevende middel van de principale hogere voorziening van de Raad en vierde middel van de principale hogere voorziening van de Commissie

Argumenten van partijen

70 De Raad voert tegen het bestreden arrest drie middelen aan waarmee wordt opgekomen tegen de in het arrest besloten liggende conclusie dat de rechten van verdediging van Niko Tube en NTRP waren geschonden. Zo voert de Raad als vijfde middel aan dat het Gerecht de eisen inzake informatieverstrekking te strikt interpreteert. Volgens deze instelling kan de vraag of het, om een exporteur in staat te stellen zijn rechten van verdediging uit te oefenen, volstaat de rechtsgrondslag van een correctie op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening mee te delen dan wel of aanvullende informatie moet worden verstrekt, niet abstract, maar alleen met in aanmerkingneming van de omstandigheden van het concrete geval worden beantwoord. Het Gerecht had dus moeten onderzoeken of, gelet op de specifieke omstandigheden van het concrete geval, de loutere mededeling van de rechtsgrondslag van de correctie volstond.

71 Als zesde middel voert de Raad aan dat het Gerecht zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden voor toepassing van het criterium aan de hand waarvan het heeft onderzocht of Niko Tube en NTRP zonder de te late mededeling van de drie in het faxbericht van de Commissie van 26 juni 2006 nadrukkelijk naar voren gebrachte elementen „een — zij het geringe — kans zouden hebben gehad dat de administratieve procedure een ander resultaat zou hebben opgeleverd”. Aan de hand van dit criterium kan immers worden uitgemaakt of de onregelmatigheid van de procedure gevolgen heeft gehad voor het vermogen van deze partijen om hun belangen te verdedigen. Het Gerecht zou van een onjuiste rechtsopvatting blijk hebben gegeven door niet te onderzoeken of deze te late mededeling Niko Tube en NTRP daadwerkelijk de mogelijkheid heeft ontnomen, argumenten aan te voeren of opmerkingen te maken die tot gevolg konden hebben dat de administratieve procedure een ander resultaat zou hebben opgeleverd. De Raad is van mening dat, indien het Gerecht de voorwaarden voor toepassing van dit beoordelingscriterium in acht had genomen, het zou hebben vastgesteld dat de door Niko Tube en NTRP aangevoerde argumenten in wezen identiek waren aan die welke vóór de ontvangst van het faxbericht van de Commissie van 26 juni 2006 in het kader van de procedure voor de Commissie waren aangevoerd.

72 Als zevende middel voert de Raad aan dat de beoordeling van de elementen waarop het Gerecht zich in de punten 185 tot en met 188 van het bestreden arrest heeft gebaseerd voor zijn conclusie dat de rechten van de verdediging van Niko Tube en NTRP waren geschonden, blijk geeft van verschillende onjuiste rechtsopvattingen, zoals uit het onderzoek van de eerste drie middelen van de hogere voorziening voortvloeit. De door het Gerecht in punt 209 van het bestreden arrest geformuleerde conclusie dat Niko Tube en NTRP „hebben [...] aangetoond dat een eerdere mededeling van de in het faxbericht van [de Commissie] van 26 juni 2006 genoemde elementen hen in staat zou hebben gesteld datzelfde bewijs te leveren vóór de vaststelling van de [omstreden] verordening en daarmee hun stelling te staven dat de Commissie geen enkele materiële grond had om de litigieuze correctie toe te passen”, berust dus ook op een vergissing. De redenering van het Gerecht bevat ook een tegenspraak doordat enerzijds wordt geconcludeerd dat de rechten van de verdediging zijn geschonden met betrekking tot de door Niko Tube en NTRP verrichte verkopen, en anderzijds in de punten 188 en 189 van het bestreden arrest wordt geoordeeld dat Niko Tube en NTRP niet hadden aangetoond dat Sepco onder de controle van NTRP stond. Bijgevolg zou een eerdere mededeling van de drie in het faxbericht van de Commissie van 26 juni 2006 besloten liggende elementen Niko Tube en NTRP geen enkele kans hebben gegeven om met betrekking tot de door NTRP via Sepco verrichte verkopen tot een ander resultaat te komen.

73 De Commissie voert als vierde middel aan dat het Gerecht te strikte, en dus ongerechtvaardigde, criteria heeft gehanteerd om te concluderen dat de rechten van verdediging van Niko Tube en NTRP waren geschonden. De Commissie stelt dat laatstgenoemden, met het oog op de uitoefening van hun rechten van verdediging, volledig op de hoogte waren gebracht van de precieze redenen waarom zij de betrokken correctie wilde verrichten. In een brief van 4 mei 2006 zouden zij overigens opmerkingen hebben gemaakt over deze correctie. Het Gerecht zou de kwestie van de rechtmatigheid van de verrichte correctie, de grond van de zaak, verwarren met de kwestie van de eerbiediging van de rechten van verdediging van Niko Tube en NTRP. Dat het Gerecht heeft geoordeeld dat een correctie onrechtmatig is verricht, zou nog niet betekenen dat daardoor ipso facto de rechten van verdediging van Niko Tube en NTRP zijn geschonden. Het Gerecht zou geen onderscheid maken tussen de eisen inzake motivering van de handeling die respectievelijk in de fase van de vaststelling van de definitieve rechtshandeling en tijdens de daaraan voorafgaande administratieve procedure op de instellingen rusten. In de fase van de vaststelling van de definitieve rechtshandeling zou de definitieve motivering aan de adressaten van de rechtshandeling moeten worden meegedeeld en moeten voldoen aan de bepalingen van artikel 253 EG. In de daaraan voorafgaande fase zou alleen worden geëist dat de marktdeelnemers voldoende worden geïnformeerd om hun rechten van verdediging te kunnen uitoefenen. Het Gerecht zou dus ten onrechte hebben geoordeeld dat, omdat de motivering in de fase van de definitieve rechtshandeling vollediger was, de vόόr de vaststelling daarvan meegedeelde informatie, de betrokken marktdeelnemers noodzakelijkerwijze heeft belet, hun rechten van verdediging uit te oefenen.

74 Niko Tube en NTRP behandelen de drie door de Raad aangevoerde middelen, die overeenkomen met het vierde middel van de Commissie, gezamenlijk. Volgens deze partijen heeft het Gerecht terecht beslist dat hun rechten van verdediging waren geschonden omdat zij de gelegenheid hadden moeten krijgen om hun standpunt over het bestaan en de relevantie van alle ter ondersteuning van een correctie aangevoerde feiten en omstandigheden kenbaar te maken. Aan dit vereiste zou niet worden voldaan wanneer de redenen voor het verrichten van een correctie slechts worden meegedeeld aan het einde van de administratieve procedure, zodat die mededeling in feite samenvalt met het afsluiten van de procedure. De inachtneming van het principiële recht om te worden gehoord zou eisen dat de belanghebbende ondernemingen in de loop van de administratieve procedure de gelegenheid hebben gekregen om hun standpunt kenbaar te maken over het bestaan en de relevantie van de aangevoerde feiten en omstandigheden en over de documenten die de Commissie in aanmerking heeft genomen voor haar stelling dat een inbreuk is gemaakt. De toetsing door het Gerecht zou alleen betrekking mogen hebben op de feitelijke bewijzen die in de loop van de administratieve procedure zijn verzameld en die hebben geleid tot de vaststelling van de maatregel waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd. Indien de toetsing door het Gerecht betrekking had op andere feitelijke elementen dan die welke in de loop van de administratieve procedure zijn verzameld, zou dit impliceren dat Niko Tube en NTRP tijdens de procedure voor het Gerecht niet in staat zijn geweest hun rechten van verdediging ten volle uit te oefenen. Daarbij komt dat, indien Niko Tube tijdig op de hoogte ware gebracht van de criteria die de instellingen bij hun beoordeling werkelijk hadden gehanteerd, zij tijdens de administratieve procedure haar argumenten specifiek op die criteria had kunnen concentreren en het resultaat van de procedure had kunnen beïnvloeden.

Beoordeling door het Hof

75 Het Gerecht heeft het zesde middel van Niko Tube en NTRP, betreffende schending van de rechten van de verdediging ter zake van de op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening verrichte correctie, aanvaard omdat Niko Tube en NTRP, indien de Commissie hun de in haar faxbericht van 26 juni 2006 vervatte elementen vóór de vaststelling van de omstreden verordening had meegedeeld, tijdig argumenten hadden kan aanvoeren die zij niet hebben kunnen aanvoeren wegens de vertraging waarmee de Commissie de betrokken informatie heeft verstrekt. Zij zouden zich dus beter hebben kunnen verdedigen en in voorkomend geval de administratieve procedure een andere wending hebben kunnen geven.

76 In punt 64 van het bestreden arrest heeft het Gerecht terecht herinnerd aan de rechtsspraak van het Hof betreffende de eerbiediging van de rechten van verdediging van de bij antidumpingonderzoeken betrokken partijen. Volgens deze rechtspraak moeten de belanghebbende ondernemingen tijdens de administratieve procedure in staat zijn gesteld om zinvol hun standpunt kenbaar te maken over het bestaan en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en over het bewijsmateriaal dat de Commissie gebruikt tot staving van het door haar gestelde bestaan van dumping en van daaruit voortvloeiende schade (arrest van 27 juni 1991, Al-Jubail Fertilizer/Raad, C-49/88, Jurispr. blz. I-3187, punt 17).

77 Opgemerkt zij dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging van kapitaal belang is in antidumpingonderzoekprocedures (zie in die zin arrest Al-Jubail Fertilizer/Raad, reeds aangehaald, punten 15-17, en naar analogie arresten van 21 september 2006, Technische Unie/Commissie, C-113/04 P, Jurispr. blz. I-8831, punt 55, en 1 oktober 2009, Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware/Raad, C-141/08 P, Jurispr. blz. I-9147, punt 93).

78 In het bijzonder dient eraan te worden herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof Niko Tube en NTRP niet kunnen worden verplicht aan te tonen dat de beschikking van de Commissie anders zou hebben geluid, maar alleen dat zulks niet helemaal was uitgesloten, aangezien deze partijen zich zonder de procedurele onregelmatigheid beter hadden kunnen verdedigen (zie arrest Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware/Raad, reeds aangehaald, punt 94 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

79 Een onregelmatigheid betreffende de rechten van de verdediging kan echter slechts tot nietigverklaring van de litigieuze verordening leiden indien de mogelijkheid bestaat dat als gevolg van deze onregelmatigheid de administratieve procedure tot een ander resultaat had kunnen leiden en dus dat daadwerkelijk afbreuk is gedaan aan rechten van verdediging van Niko Tube en NTRP (zie arrest Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware/Raad, reeds aangehaald, punt 107).

80 Uit de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt dat het Gerecht in punt 203 van het bestreden arrest terecht heeft vastgesteld dat pas bij de tweede definitieve mededeling de dato 24 april 2006 aan Niko Tube en NTRP is meegedeeld dat de correctie met betrekking tot de via Sepco afgewikkelde verkopen naar de Gemeenschap in feite op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening was verricht en niet op grond van artikel 2, lid 9, van deze verordening, zoals in de eerste definitieve mededeling was vermeld, zonder dat de Commissie echter in het tweede document aangeeft waarom artikel 2, lid 10, sub i, van die verordening in het onderhavige geval van toepassing was. Het is in die omstandigheden dat Niko Tube en NTRP bij brief van 4 mei 2006 aan de Commissie hebben laten weten dat zij diende aan te tonen dat de activiteiten van Sepco vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent.

81 Het Gerecht heeft echter vastgesteld dat de Commissie pas bij faxbericht van 26 juni 2006, dus een dag voor de vaststelling van de omstreden antidumpingverordening, voor het eerst heeft meegedeeld waarom de activiteiten van Sepco haars inziens vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent en de correctie op grond van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening dus gegrond was. Deze vaststelling wordt in casu niet betwist.

82 In dit verband is het feit dat het Gerecht zich in punt 209 van het bestreden arrest heeft gebaseerd op zijn in de punten 185 tot en met 188 van dat arrest geformuleerde conclusie dat de drie in het faxbericht van de Commissie van 26 juni 2006 besloten liggende elementen niet konden worden beschouwd als aanwijzingen die konden aantonen dat Sepco functies uitoefende die vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent, en dat Sepco en NTRP geen economische eenheid vormden, niet van dien aard dat daarmee de feitelijke vaststelling van het Gerecht dat Niko Tube en NTRP pas een dag voor de vaststelling van de omstreden antidumpingverordening op de hoogte zijn gebracht van de motivering betreffende de rechtsgrondslag van de betrokken correctie, opnieuw in het geding wordt gebracht.

83 Zoals in punt 78 van het onderhavige arrest is opgemerkt, volstaat het, om van een aantasting van de rechten van de verdediging te kunnen spreken, aan te tonen dat Niko Tube en NTRP zich zonder de vastgestelde procedurele onregelmatigheid beter hadden kunnen verdedigen.

84 In het onderhavige geval hebben Niko Tube en NTRP voor het Gerecht echter argumenten kunnen aanvoeren die het Gerecht gegrond heeft geacht en op basis waarvan het, in de punten 190 en 243 van het bestreden arrest, het op het bestaan van een kennelijke fout van de Raad bij de toepassing van artikel 2, lid 10, sub i, van de basisverordening gebaseerde onderdeel van het vierde middel dat deze partijen in het kader van hun beroep tot nietigverklaring hadden aangevoerd, heeft aanvaard en op grond daarvan de omstreden verordening ten dele nietig heeft verklaard. Zoals het Gerecht in punt 209 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, blijkt uit deze omstandigheid dat een eerdere mededeling van de in het faxbericht van de Commissie van 26 juni 2006 besloten liggende elementen Niko Tube en NTRP in staat zou hebben gesteld, vóór de vaststelling van de omstreden verordening voor de instellingen dezelfde argumenten aan te dragen als die op basis waarvan het Gerecht tot nietigverklaring is overgegaan, en daarmee hun stelling te staven dat de Commissie geen enkele materiële grond had om de omstreden correctie te verrichten.

85 In de punten 185 tot en met 190 van het bestreden arrest heeft het Gerecht bovengenoemd onderdeel van het vierde middel weliswaar slechts aanvaard ter zake van de betrekking tussen Sepco en NTRP en het verworpen ter zake van de betrekking tussen Sepco en Niko Tube, doch ingeval de betrokken elementen in een eerdere fase van de administratieve procedure waren meegedeeld, hadden de Raad en de Commissie en niet het Gerecht de invloed daarvan op die twee betrekkingen moeten onderzoeken tegen de achtergrond van de argumenten die Niko Tube en NTRP op dat ogenblik zouden hebben aangevoerd. Het Gerecht heeft dus, niettegenstaande zijn eigen vaststellingen omtrent de grond van de zaak in die punten 185 tot en met 190, in de punten 210 en 211 van het bestreden arrest zonder zichzelf tegen te spreken het zesde door Niko Tube en NTRP in eerste aanleg aangevoerde middel kunnen aanvaarden en kunnen oordelen dat zonder de door de Commissie begane onregelmatigheid niet alleen NTRP maar ook Niko Tube zich beter had kunnen verdedigen en in voorkomend geval de administratieve procedure een andere wending had kunnen geven.

86 Uit een en ander volgt dat Niko Tube en NTRP in geen enkele fase van de administratieve procedure nuttig zijn gehoord over de middelen die zij tegen de voorgenomen correctie hadden kunnen aanvoeren.

87 Mitsdien moet afwijzend worden beslist op het vijfde tot en met het zevende middel van de Raad en op het vierde middel van de Commissie, die door deze instellingen ter ondersteuning van hun respectieve hogere voorzieningen zijn aangevoerd en waarin deze stellen dat de rechten van verdediging van Niko Tube en NTRP niet zijn geschonden.

88 Bijgevolg moeten de principale hogere voorzieningen in hun geheel worden afgewezen.

Incidentele hogere voorziening

89 Ter ondersteuning van hun incidentele hogere voorziening stellen Niko Tube en NTRP dat het Gerecht hun eerste, tweede en vierde middel in eerste aanleg ten onrechte heeft afgewezen. Zij voeren daartoe drie middelen aan. Het eerste middel is gericht tegen de beslissing van het Gerecht dat de Raad bij de vaststelling van de normale waarde geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt en het non-discriminatiebeginsel niet heeft geschonden. Volgens Niko Tube en NTRP heeft deze instelling bij de berekening van de dumpingmarge immers rekening gehouden met producten die niet door hen werden vervaardigd. Als tweede middel stellen Niko Tube en NTRP dat het Gerecht van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven door te beslissen dat de materiële schade overeenkomstig artikel 3 van de basisverordening was vastgesteld. Het derde middel van Niko Tube en NTRP, ten slotte, is gericht tegen het oordeel van het Gerecht dat Sepco als een op commissiebasis werkende agent voor rekening van Niko Tube heeft gehandeld.

Eerste middel van de incidentele hogere voorziening

Argumenten van partijen

90 Het eerste middel van Niko Tube en NTRP bestaat uit vijf onderdelen. Het eerste onderdeel betreft schending van het recht om te worden gehoord. Als tweede onderdeel stellen zij dat het Gerecht de grenzen van zijn rechterlijke toetsing heeft overschreden. Als derde onderdeel voeren Niko Tube en NTRP aan dat het Gerecht geen uitspraak heeft gedaan op een van de door hen aangevoerde middelen. Als vierde onderdeel van dit middel stellen deze partijen dat het Gerecht een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt met betrekking tot de op de Commissie rustende zorgvuldigheidsplicht. Als vijfde middel voeren zij ten slotte aan dat het Gerecht de duidelijke betekenis van de hem voorgelegde bewijzen onjuist heeft opgevat.

91 Als eerste onderdeel van hun eerste middel stellen Niko Tube en NTRP dat het Gerecht van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven en hun rechten van verdediging heeft geschonden door te oordelen dat de instellingen op goede gronden hebben beslist om atomische buizen, producten die Niko Tube en NTRP naar met bewijsstukken gestaafd eigen zeggen niet produceren, niet buiten beschouwing te laten voor de berekening van de dumpingmarge. Het Gerecht zou dienaangaande ten onrechte rekening hebben gehouden met nieuwe elementen die de Raad voor het eerst in de loop het geding heeft aangedragen. Bijgevolg zou het Gerecht, zoals Niko Tube en NTRP in het kader van het tweede onderdeel van hun eerste middel stellen, de grenzen van zijn toetsingsbevoegdheid hebben overschreden en blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te aanvaarden dat de instellingen aanvullende en nieuwe feiten en toelichtingen aandragen.

92 Wat dit laatste punt betreft, betogen Niko Tube en NTRP in het derde onderdeel van hun eerste middel dat deze toelichtingen en stellingen van de Raad te laat waren omdat zij niet deel uitmaakten van het tijdens de administratieve procedure samengestelde dossier, en om die reden buiten beschouwing moesten worden gelaten teneinde de rechten van verdediging in acht te nemen. Het Gerecht zou in het rapport ter terechtzitting akte hebben genomen van dit middel, maar zou het in het bestreden arrest niet hebben behandeld.

93 Verder betogen Niko Tube en NTRP in het kader van het vierde onderdeel van hun eerste middel dat het Gerecht in de punten 52 en 53 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de Commissie bij haar onderzoek van de door hen verstrekte informatie over de verkoop van deze atomische buizen van de vereiste zorgvuldigheid blijk had gegeven. Waar de instellingen tien verschillende argumenten aanvoerden ter ondersteuning van hun stelling dat zij hun zorgvuldigheidplicht waren nagekomen, heeft het Gerecht immers geoordeeld dat slechts twee van die argumenten daadwerkelijk wezen op een „gewettigde bezorgdheid”. Volgens Niko Tube en NTRP berust de beslissing van het Gerecht dat instellingen aan hun zorgvuldigheidsplicht hebben voldaan, ofschoon het anderzijds heeft vastgesteld dat slechts twee van de tien door de instellingen aangevoerde argumenten gegrond waren, niet op een redelijke beoordeling en is zij dus onjuist en bijgevolg ongegrond.

94 Ten slotte stellen Niko Tube en NTRP in het kader van het vijfde onderdeel van hun eerste middel, nog steeds met betrekking tot de informatie die zij de instellingen over de verkoop van atomische buizen hadden verstrekt, dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat deze in de loop van de administratieve procedure verstrekte informatie „de met het onderzoek belaste functionarissen van de Commissie in verwarring had kunnen brengen”, voor zover deze beslissing van het Gerecht is gebaseerd op niet-ontvankelijke, en in elk geval ook onjuiste en ongegronde, argumenten die de instellingen voor het eerst voor het Gerecht hebben aangevoerd. In die omstandigheden is de door het Gerecht in punt 53 van het bestreden arrest geformuleerde conclusie dat de normale waarde op redelijke wijze is vastgesteld en dat de Commissie heeft voldaan aan haar verplichting om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, kennelijk onjuist.

95 Met betrekking tot deze middelen wijzen de Raad en de Commissie erop dat Niko Tube en NTRP van geen enkele van de vijf grieven tegen de door het Gerecht in het bestreden arrest geformuleerde conclusie dat de normale waarde op redelijke wijze was vastgesteld, het bestaan heeft bewezen. Volgens deze instellingen moet het eerste ter ondersteuning van de incidentele hogere voorziening aangevoerde middel dan ook worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

96 Niko Tube en NTRP stellen dat het Gerecht van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven en hun rechten van verdediging heeft geschonden door in de punten 47 tot en met 55, 59 en 60 van het bestreden arrest rekening te houden met nieuwe elementen, namelijk de nieuwe motivering die de Raad en de Commissie hebben gegeven voor hun weigering om atomische buizen buiten beschouwing te laten bij de berekening van de normale waarde, en de ter ondersteuning van die nieuwe motivering aangedragen nieuwe feiten, die tijdens de administratieve procedure niet aan Niko Tube en NTRP waren meegedeeld.

97 In punt 67 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat — zonder dat behoeft te worden uitgemaakt of de overwegingen betreffende het buiten beschouwing laten van de onder PCN KE4 en technische norm TU 14 3P 197 2001 vallende atomische buizen bij de berekening van de normale waarde van wezenlijk belang zijn —, anders dan Niko Tube en NTRP stelden, hun geen nieuwe feiten en geen nieuwe motivering waren meegedeeld bij de brieven die zij inderdaad pas hebben ontvangen op 27 juni 2006, de dag waarop de omstreden verordening is vastgesteld.

98 Niko Tube en NTRP verklaren in het bijzonder dat de Raad en de Commissie in het kader van de administratieve procedure geen rekening hebben gehouden met het feit dat de atomische buizen niet overeenkwamen met het betrokken product, dat wil zeggen het product waarop de gestelde dumpingpraktijken betrekking zouden hebben. Niko Tube en NTRP stellen dat zij dit soort buizen niet vervaardigden. Bovendien zouden de Raad en de Commissie tijdens de administratieve procedure nooit hebben gesteld dat de door Niko Tube en NTRP overgelegde aankooplijst dit argument ontkrachtte. Volgens laatstgenoemden wordt in het onderzoeksdossier niet gezegd dat zij niet voldoende hebben meegewerkt om de leverancier van die buizen te identificeren, ofschoon de instellingen deze aan Niko Tube en NTRP toegeschreven tekortkoming hebben aangevoerd ter ondersteuning van hun beslissing. Het argument van de instellingen dat zij de juistheid van de stelling dat de atomische buizen niet door Niko Tube en NTRP waren vervaardigd, niet konden nagaan omdat dit element op nieuwe informatie berustte, kan echter niet worden aanvaard, omdat deze stelling van Niko Tube en NTRP volgens laatstgenoemden in feite berustte op inlichtingen die zij reeds eerder hadden verstrekt. Niko Tube en NTRP wijzen er in dit verband op dat het Gerecht zelf in punt 48 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de vragenlijst die de verkoopvennootschap SPIG heeft moeten invullen, slechts betrekking had op de verkopen naar de Unie en dat de lijst „DMsales”, die betrekking had op de verkopen op de Oekraïense markt, volledig vrijwillig was verstrekt.

99 Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 45 en 46 van het bestreden arrest geoordeeld dat het feit dat op de verkooplijsten van Niko Tube en NTRP geen melding werd gemaakt van volgens technische norm TU 14 3P 197 2001 vervaardigde buizen, voor de Commissie een aanwijzing was dat deze vennootschappen die atomische buizen niet hadden verkocht, zelfs niet aan de met hen verbonden verkoopvennootschap SPIG. Het Gerecht heeft ook vastgesteld — in punt 46 van het bestreden arrest — dat op de lijsten van de productiekosten van Niko Tube en NTRP, die respectievelijk het opschrift „DMcop” en „ECcop” dragen, geen melding werd gemaakt van volgens technische norm TU 14 3P 197 2001 vervaardigde producten. Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat deze lijsten aantoonden dat geen enkel van de aldaar vermelde producten door Niko Tube en NTRP volgens technische norm TU 14 3P 197 2001 was vervaardigd. In de punten 47 en 48 van het bestreden arrest heeft het Gerecht echter beklemtoond dat in de lijst van verkopen op de nationale markt, die het opschrift „DMsales” draagt en die SPIG in het kader van haar antwoord op de haar door de Commissie toegestuurde vragenlijst had overgelegd, niettemin melding werd gemaakt van zes transacties betreffende atomische buizen die onder PCN KE4 vielen en volgens technische norm TU 14 3P 197 2001 waren vervaardigd, en die alleen door de vennootschap NTRP werden geleverd.

100 Ook al is uit het aan het Gerecht overgelegde dossier gebleken dat deze zes transacties in feite uitsluitend betrekking hadden op de Oekraïense markt, heeft het Gerecht enerzijds in punt 50 van het bestreden arrest geconcludeerd dat de Commissie over tegenstrijdige informatie beschikte of althans over informatie waarvan de geldigheid ter discussie kon worden gesteld, en anderzijds in punt 51 van dat arrest dat Niko Tube en NTRP hadden nagelaten deze twijfel weg te nemen door het bewijs te leveren dat het bij de zes betrokken transacties om aankopen van SPIG bij een onafhankelijke leverancier ging.

101 De eerste twee onderdelen van het onderhavige middel, te weten schending van de rechten van verdediging en overschrijding door het Gerecht van de grenzen van zijn rechterlijke toetsing, berusten beide op de premisse dat het Gerecht had moeten oordelen dat de door de instellingen van de Unie voor het eerst voor het Gerecht aangevoerde gronden voor de afwijzing van het verzoek van Niko Tube en NTRP om de onder PCN KE4 vallende atomische buizen buiten beschouwing te laten bij de berekening van de normale waarde, te laat waren aangevoerd, omdat deze gronden voor het eerst voor deze rechterlijke instelling zijn aangevoerd en niet uit de administratieve procedure bleken.

102 Dienaangaande behoeft er slechts op te worden gewezen, zoals de advocaat-generaal in punt 182 van zijn conclusie heeft gedaan, dat uit de punten 47 tot en met 55, 59 en 60 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht bij de behandeling van de middelen tot nietigverklaring betreffende, respectievelijk, een kennelijke beoordelingsfout en schending van het non-discriminatiebeginsel, alleen de elementen in aanmerking heeft genomen die uit de tijdens de administratieve procedure uitgewisselde stukken bleken.

103 In het bijzonder bij zijn onderzoek of de Raad een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door de afwijzing van het verzoek van Niko Tube en NTRP om de onder PCN KE4 vallende atomische buizen buiten beschouwing te laten voor de berekening van de normale waarde en van de dumpingmarge op grond dat zij geen dergelijke buizen vervaardigden, heeft het Gerecht de motivering voor deze afwijzing met name onderzocht tegen de achtergrond van de feitelijke context waarin zij was gegeven. Daarbij heeft het Gerecht de afwijzing van dat verzoek gewoon in zijn context geplaatst door erop te wijzen dat op de lijst van leveranciers en aankopen van SPIG slechts één leverancier van onder PCN KE4 vallende atomische buizen werd genoemd, namelijk NTRP, hetgeen gevolgen kon hebben voor de stelling van Niko Tube en NTRP dat zij geen dergelijke buizen vervaardigden. Die context, en met name de in punt 50 van het bestreden arrest genoemde omstandigheid dat de Commissie over tegenstrijdige informatie over de vervaardiging door NTRP van de onder PCN KE4 vallende atomische buizen beschikte, kon Niko Tube en NTRP zeker niet zijn ontgaan. In punt 51 van het bestreden arrest heeft het Gerecht immers vastgesteld dat laatstgenoemden aan de Commissie stukken hadden toegestuurd die tot deze verwarring hebben geleid, namelijk documenten die werden opgevoerd als facturen die betrekking zouden hebben op de zes transacties met onder PCN KE4 vallende atomische buizen die ten onrechte op de verkooplijst van SPIG zouden zijn vermeld.

104 Uit het voorgaande volgt dat de antwoorden die het Gerecht op de twee respectievelijk in de punten 47 tot en met 55, 59 en 60 van het bestreden arrest onderzochte middelen heeft gegeven, niet berusten op door de instellingen van de Unie te laat aangevoerde gronden.

105 Als derde onderdeel van hun eerste middel voeren Niko Tube en NTRP aan dat het Gerecht geen antwoord heeft gegeven op hun middel dat de verklaringen en de uitleg die de Raad in zijn verweerschrift heeft gegeven, wegens laattijdigheid buiten beschouwing moeten worden gelaten om hun rechten van verdediging te vrijwaren. Opgemerkt zij dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de motiveringsplicht niet eist dat het Gerecht een uiteenzetting geeft die volledig en één voor één alle argumenten van de partijen volgt, en dat de motivering impliciet kan zijn, mits zij de belanghebbenden in staat stelt de redenen te kennen waarom de betrokken maatregelen zijn getroffen (zie arrest van 18 december 2008, Coop de France Bétail et Viande/Commissie, C-101/07 P en C-110/07 P, Jurispr. blz. I-10193, punt 75).

106 Uit een en ander blijkt dat het Gerecht het betrokken argument impliciet heeft afgewezen bij zijn onderzoek en afwijzing ten gronde van de middelen tot nietigverklaring betreffende, respectievelijk, een kennelijke beoordelingsfout en schending van het non-discriminatiebeginsel, afwijzing die volgens Niko Tube en NTRP zelf op door hen als laattijdig aangemerkte gronden berust.

107 Met betrekking tot het vierde onderdeel van hun middel, volgens hetwelk het Gerecht een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door in punt 55 van het bestreden arrest afwijzend te beslissen op hun middel inzake de zorgvuldigheidsplicht die op de instellingen rust wanneer deze de normale waarde dienen vast te stellen, verklaren Niko Tube en NTRP dat het Gerecht had moeten onderzoeken of de Commissie de bewijselementen waarover zij beschikte, over het geheel genomen met de vereiste zorgvuldigheid en dus op redelijke wijze had onderzocht, en niet of de Commissie die bewijselementen op coherente wijze had onderzocht.

108 In dit verband moet worden gepreciseerd dat de vraag of het Gerecht op grond van deze feiten terecht tot de slotsom is kunnen komen dat de instellingen noch in hun zorgvuldigheidsplicht noch in hun motiveringsplicht tekort zijn geschoten, een rechtsvraag is die in het kader van een hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof (arrest Moser Baer India/Raad, reeds aangehaald, punt 34).

109 Allereerst dient erop te worden gewezen dat het Gerecht geen lijst van tien factoren heeft gegeven, maar in de punten 33 tot en met 37 van het bestreden arrest vijf groepen van gronden heeft genoemd die de instellingen ertoe hadden gebracht afwijzend te beslissen op het verzoek om de onder PCN KE4 vallende atomische buizen buiten beschouwing te laten bij de berekening van de normale waarde en van de dumpingmarge.

110 In punt 46 van het bestreden arrest heeft het Gerecht er weliswaar op gewezen dat Niko Tube en NTRP bewijzen hadden aangedragen dat zij geen onder PCN KE4 vallende atomische buizen vervaardigden, doch vervolgens heeft het in de punten 47 en 48 van het bestreden arrest opgemerkt dat volgens de door SPIG verstrekte informatie NTRP volgens technische norm TU 14 3P 197 2001 vervaardigde onder PCN KE4 vallende atomische buizen had geleverd. Daarbij komt dat, anders dan Niko Tube en NTRP stellen, het Gerecht in punt 48 van het bestreden arrest niet heeft geoordeeld dat het argument volgens welke SPIG NTRP als enige leverancier van de genoemde buizen zou hebben genoemd, „ongegrond” was. Integendeel, het Gerecht heeft geoordeeld dat „SPIG geen fout [had] gemaakt door [...] geen melding te maken van een andere leverancier dan NTRP”, aangezien de betrokken buizen kennelijk op de Oekraïense markt waren doorverkocht.

111 Vervolgens kan het feit dat het Gerecht zich niet specifiek heeft uitgesproken over bepaalde factoren die in de incidentele hogere voorziening van Niko Tube en NTRP worden vermeld, niet worden opgevat als een vaststelling dat het Gerecht deze factoren „niet relevant” zou hebben geacht. Integendeel, het Gerecht mocht om legitieme redenen van proceseconomie zeer zeker oordelen dat het in verband met de behandeling van een middel betreffende een kennelijke beoordelingsfout waarvan Niko Tube en NTRP het bewijs dienden te leveren, niet verplicht was om alle door de instellingen ter onderbouwing van hun conclusie aangevoerde argumenten te beantwoorden, aangezien enkele van de aangevoerde argumenten volstonden om die conclusie te schragen.

112 Niko Tube en NTRP geven zelf toe dat het Gerecht heeft geoordeeld dat het feit dat zij hebben nagelaten om bewijzen over te leggen die duidelijk maakten dat de betrokken buizen bij een onafhankelijke derde en niet bij NTRP waren gekocht, en het feit dat de Commissie tijdens het controlebezoek ter plaatse de kwestie van de onder PCN KE4 vallende atomische buizen niet aan de orde had gesteld omdat zij hun verzoek om uitsluiting van deze buizen nog niet hadden geformuleerd, aanleiding gaven tot „legitieme bezorgdheid”. Het is in wezen op basis van deze twee factoren dat het Gerecht heeft geconcludeerd dat de instellingen geen kennelijke beoordelingsfout hadden gemaakt door afwijzend te beslissen op het verzoek van Niko Tube en NTRP om de onder PCN KE4 vallende atomische buizen buiten beschouwing te laten bij de berekening van de normale waarde en van de dumpingmarge. Het argument dat Niko Tube en NTRP het niet eens zijn met laatstgenoemd oordeel en proberen om dit voor het Hof opnieuw ter discussie te stellen, is een feitelijke kwestie waarvoor het Hof in het kader van een hogere voorziening niet bevoegd is.

113 Uit het voorgaande volgt dat, ook al heeft het Gerecht slechts twee van de door de instellingen van de Unie aangevoerde factoren in aanmerking genomen voor zijn conclusie ten gronde, dit niet betekent dat de instellingen hadden nagelaten om alle elementen die hun tijdens de administratieve procedure waren verstrekt, zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken.

114 Met betrekking tot het vijfde onderdeel van het eerste middel, te weten onjuiste opvatting van de bewijselementen, dient, voor zover Niko Tube en NTRP, anders dan het Gerecht in de punten 49 en 50 van het bestreden arrest zou hebben geoordeeld, stellen dat hun antwoord op de vragenlijst van de Commissie geen tegenstrijdige gegevens bevatte, er allereerst op te worden gewezen dat het Gerecht pas na een onderzoek van niet alleen de antwoorden van Niko Tube en NTRP op de vragenlijst maar ook de antwoorden van de met hen verbonden verkoopvennootschap SPIG in punt 50 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de Commissie over tegenstrijdige informatie beschikte. Deze conclusie van het Gerecht is immers met name gebaseerd op de vaststelling, in de punten 47 en 48 van het bestreden arrest, dat volgens de door SPIG verstrekte informatie NTRP volgens technische norm TU 14 3P 197 2001 vervaardigde onder PCN KE4 vallende atomische buizen had geleverd. Daardoor heeft het Gerecht de antwoorden van Niko Tube en NTRP op de vragenlijst van de Commissie niet onjuist opgevat.

115 Tegen de achtergrond van het voorgaande dient vervolgens te worden vastgesteld dat het Gerecht ook de in het dossier vervat liggende bewijselementen niet onjuist heeft opgevat door in punt 52 van het bestreden arrest te concluderen dat de Commissie de vereiste zorgvuldigheid aan de dag had gelegd.

116 Wat ten slotte het door Niko Tube en NTRP tegen de overweging van het Gerecht in punt 51 van het bestreden arrest gevoerde betoog betreft dat het ontbreken van een vertaling in het Engels van de aankoopfacturen van SPIG slechts een voorwendsel is geweest om te oordelen dat Niko Tube en NTRP de twijfel van de Commissie omtrent de tegenstrijdige antwoorden niet hadden proberen weg te nemen, dient erop te worden gewezen dat Niko Tube en NTRP de betrokken facturen niet hebben aangehaald en ze evenmin als bijlage bij hun incidentele hogere voorziening hebben gevoegd om aan te tonen dat het Gerecht deze documenten onjuist had opgevat, maar zich ertoe beperken het Hof te verwijzen naar een bijlage bij het bij het Gerecht ingediende verweerschrift van de Raad, waarin die documenten zijn opgenomen.

117 Aangezien volgens vaste rechtspraak van het Hof een gestelde onjuiste opvatting van de feiten of de bewijselementen duidelijk uit de stukken van het dossier moet blijken, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw moeten worden beoordeeld (arresten van 6 april 2006, General Motors/Commissie, C-551/03 P, Jurispr. blz. I-3173, punt 54, en 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C-362/05 P, Jurispr. blz. I-4333, punt 67), volstaan deze omstandigheden om die grief af te wijzen.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen