Gerecht EU 21 februari 2024, T-762/20, ECLI:EU:T:2024:113

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid)

21 februari 2024 ( *1 )

„Dumping – Invoer van bepaalde soorten polyvinylalcohol van oorsprong uit China – Definitief antidumpingrecht – Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1336 – Berekening van de normale waarde – Verstoringen van betekenis in het land van uitvoer – Artikel 2, lid 6 bis, van verordening (EU) 2016/1036 – WTO-recht – Beginsel van conforme uitlegging – Correcties – Niet-terugvorderbare btw – Functies die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent – Billijke vergelijking van de uitvoerprijs met de normale waarde – Bewijslast – Artikel 2, lid 10, onder b) en i), van verordening 2016/1036 – Niet-medewerking – Beschikbare gegevens – Artikel 18 van verordening 2016/1036 – Dubbele toepassing – Toepassing die tot benadeling leidt – Verschillende productieprocessen – Prijsonderbieding – Marktsegmenten – Methode van de productcontrolenummers – Artikel 3, leden 2 en 3, van verordening 2016/1036 – Rechten van de verdediging – Vertrouwelijke behandeling – Artikelen 19 en 20 van verordening 2016/1036”

In zaak T‑762/20,

Sinopec Chongqing SVW Chemical Co. Ltd, gevestigd te Chongqing (China),

Sinopec Great Wall Energy & Chemical (Ningxia) Co. Ltd, gevestigd te Lingwu (China),

Central-China Company, Sinopec Chemical Commercial Holding Co. Ltd, gevestigd te Wuhan (China),

vertegenwoordigd door J. Cornelis, F. Graafsma en E. Vermulst, advocaten,

verzoeksters,

ondersteund door

Wegochem Europe BV, gevestigd te Amsterdam (Nederland), vertegenwoordigd door R. Antonini, E. Monard en B. Maniatis, advocaten,

interveniënte

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Luengo als gemachtigde,

verweerster,

ondersteund door

Europees Parlement, vertegenwoordigd door A. Neergaard, D. Moore en A. Pospíšilová Padowska als gemachtigden,

door

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door H. Marcos Fraile en B. Driessen als gemachtigden, bijgestaan door N. Tuominen, advocaat,

door

Kuraray Europe GmbH, gevestigd te Hattersheim am Main (Duitsland), vertegenwoordigd door R. MacLean en D. Sevilla Pascual, advocaten,

en door

Sekisui Specialty Chemicals Europe SL, gevestigd te La Canonja (Spanje), vertegenwoordigd door A. Borsos en J. Jousma, advocaten,

interveniënten,

wijst

HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: L. Truchot (rapporteur), president, H. Kanninen, L. Madise, R. Frendo en T. Perišin, rechters,

griffier: I. Kurme, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 14 en 15 december 2022,

het navolgende

Arrest

1 Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoeksters, Sinopec Chongqing SVW Chemical Co. Ltd (hierna: „Sinopec Chongqing”), Sinopec Great Wall Energy & Chemical (Ningxia) Co. Ltd (hierna: „Sinopec Ningxia”) en Central-China Company, Sinopec Chemical Commercial Holding Co. Ltd (hierna: „Sinopec Central-China”), nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2020/1336 van de Commissie van 25 september 2020 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde soorten polyvinylalcohol van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2020, L 315, blz. 1; hierna: „bestreden verordening”), voor zover deze hen betreft.

Aan het geding ten grondslag liggende feiten

2 Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia zijn Chinese ondernemingen die polyvinylalcohol (hierna: „PVA”) produceren, terwijl Sinopec Central-China – een met deze ondernemingen verbonden Chinese onderneming – de door die ondernemingen vervaardigde producten naar onder meer de Europese Unie uitvoert.

3 Op 18 juni 2019 heeft Kuraray Europe GmbH (hierna: „Kuraray”), een PVA-producent die meer dan 60 % van de totale productie van de Unie voor haar rekening neemt, bij de Europese Commissie een klacht ingediend op grond van artikel 5 van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21; hierna: „basisverordening”). Daarop heeft de Commissie een bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde soorten PVA van oorsprong uit de Volksrepubliek China bekendgemaakt (PB 2019, C 256, blz. 4).

4 Het onderzoek naar de dumping en de daaruit voortvloeiende schade had betrekking op de periode van 1 juli 2018 tot en met 30 juni 2019 (hierna: „onderzoektijdvak”). Het onderzoek van de trends die relevant zijn voor de schadebeoordeling, dat verband hield met de in de tabellen 1 tot en met 11 van de bestreden verordening vermelde gegevens, had betrekking op de periode van 1 januari 2016 tot aan het einde van het onderzoektijdvak (hierna: „beoordelingsperiode”) (overweging 39 van de bestreden verordening).

5 Nadat de Commissie meermaals schriftelijk met verzoeksters en andere bij haar onderzoek betrokken ondernemingen contact had gehad, heeft zij verzoeksters op 3 juli 2020 de in artikel 20 van de basisverordening bedoelde definitieve mededeling toegezonden (hierna: „definitieve mededeling”), waarin zij aangeeft voornemens te zijn om verzoeksters een met hun dumpingmarge overeenkomend antidumpingrecht van 26,3 % op te leggen. Na verdere schriftelijke contacten en een hoorzitting met de Commissie op 17 juli 2020 hebben verzoeksters op 20 juli 2020 hun opmerkingen over de definitieve mededeling ingediend. Op 24 juli 2020 heeft de Commissie verzoeksters een aanvullende definitieve mededeling toegezonden (hierna: „aanvullende definitieve mededeling”), waarin zij, na enkele van hun argumenten te hebben aanvaard, heeft vastgesteld dat de dumpingmarge tot 17,3 % kon worden verlaagd. Op 29 juli 2020 hebben verzoeksters opmerkingen over deze aanvullende mededeling ingediend.

6 Bij de bestreden verordening heeft de Commissie een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van bepaalde soorten PVA van oorsprong uit China en vastgesteld dat het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, voor verzoeksters 17,3 % bedroeg.

7 Voor de berekening van de normale waarde van de door verzoeksters vervaardigde producten heeft de Commissie zich niet gebaseerd op de algemene regel van artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de basisverordening, waarin is bepaald dat „de normale waarde normaal [is] gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald”. Zij heeft artikel 2, lid 6 bis, van deze verordening toegepast, welke bepaling is ingevoerd bij verordening (EU) 2017/2321 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van de basisverordening en verordening (EU) 2016/1037 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Unie zijn (PB 2017, L 338, blz. 1) (overwegingen 86 en 87 van de bestreden verordening).

8 Artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening luidt: „a) Wanneer bij de toepassing van deze of elke andere relevante bepaling van deze verordening wordt vastgesteld dat het wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van punt b) in het land van uitvoer niet passend is gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in dat land, wordt de normale waarde uitsluitend berekend aan de hand van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uitdrukking komen, waarbij de volgende regels van toepassing zijn. Hiervoor kan de Commissie onder meer de volgende bronnen gebruiken: – de overeenkomstige productie- en verkoopkosten in een passend representatief land met een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van het land van uitvoer, mits de desbetreffende gegevens onmiddellijk beschikbaar zijn; wanneer er sprake is van meer dergelijke landen wordt, indien van toepassing, de voorkeur gegeven aan landen met een toereikend niveau van sociale en milieubescherming; – indien het passend wordt geacht, niet-verstoorde internationale prijzen, kosten of benchmarks, of – binnenlandse kosten, maar uitsluitend wanneer op basis van nauwkeurig en passend bewijsmateriaal is vastgesteld dat zij niet verstoord zijn, onder meer in het kader van de onder c) opgenomen bepalingen inzake belanghebbenden. Onverminderd artikel 17 wordt die beoordeling voor iedere exporteur en producent afzonderlijk uitgevoerd. De door berekening vastgestelde normale waarde omvat een niet-verstoord en redelijk bedrag voor administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten en voor winst. b) Verstoringen van betekenis zijn de verstoringen die zich voordoen wanneer de gerapporteerde prijzen en kosten, waaronder de kosten van grondstoffen en energie, niet door de vrije marktwerking tot stand komen, doordat zij door aanzienlijk overheidsingrijpen worden beïnvloed. Bij de beoordeling van de aanwezigheid van verstoringen van betekenis, wordt onder meer acht geslagen op de mogelijke gevolgen van een of meer van de volgende factoren: – het feit dat de markt in kwestie voor een groot deel wordt bediend door ondernemingen die in handen zijn van de autoriteiten van het land van uitvoer, waarover deze zeggenschap hebben, waarop deze beleidstoezicht uitoefenen of waarvoor deze beleidsadvies geven; – overheidsdeelneming in bedrijven, waardoor inmenging van de overheid in de prijzen of kosten mogelijk wordt; – discriminerend overheidsbeleid of discriminerende overheidsmaatregelen die binnenlandse leveranciers bevoordelen of de vrije marktwerking anderszins beïnvloeden; – het ontbreken, de discriminerende toepassing of de ontoereikende handhaving van faillissements-, vennootschaps- of eigendomswetgeving; – verstoringen van loonkosten; – toegang tot financiering door instellingen die de doelstellingen van het overheidsbeleid uitvoeren of anderszins in hun werking niet onafhankelijk zijn ten opzichte van de staat. c) Wanneer de Commissie beschikt over gegronde aanwijzingen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verstoringen van betekenis zoals bedoeld onder b), in een bepaald land of een bepaalde sector in dat land, en waar passend voor de doeltreffende toepassing van deze verordening, stelt zij een rapport op waarin de marktomstandigheden, zoals bedoeld onder b), in dat land of die sector worden beschreven; zij maakt dat rapport openbaar en actualiseert het geregeld. Dergelijke rapporten en het daaraan ten grondslag liggende bewijsmateriaal worden opgenomen in het dossier van elk eventueel onderzoek betreffende dat land of die sector. De belanghebbenden hebben in het kader van elk onderzoek waarin het rapport of het daaraan ten grondslag liggende bewijsmateriaal wordt gebruikt, voldoende gelegenheid om dat rapport en dat bewijsmateriaal te ontkrachten, aan te vullen, daarover opmerkingen te maken of zich daarop te beroepen. Bij de beoordeling van de aanwezigheid van verstoringen van betekenis houdt de Commissie rekening met al het relevante bewijsmateriaal dat in het dossier van het onderzoek aanwezig is. [...]”

9 De Commissie heeft, na met name op basis van het rapport over de situatie in China van 20 december 2017 dat zij overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, onder c), van de basisverordening had gepubliceerd, te hebben vastgesteld dat er in dat land „verstoringen van betekenis” in de zin van artikel 2, lid 6 bis, onder b), van die verordening bestonden (overwegingen 91 en 171 van de bestreden verordening), in de bestreden verordening de normale waarde berekend volgens de methode van artikel 2, lid 6 bis, onder a), tweede alinea, eerste streepje, van die verordening. Daartoe heeft zij Turkije als passend representatief land aangemerkt (overwegingen 172 en 222 van de bestreden verordening). Bovendien heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, onder a), laatste alinea, van de basisverordening in de normale waarde een volgens haar niet verstoord en redelijk bedrag opgenomen voor verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (hierna: „VAA-kosten”) en voor winst (overweging 87 van de bestreden verordening).

10 Bovendien heeft de Commissie over Sinopec Ningxia vastgesteld dat de meegedeelde gegevens over de productiekosten wezenlijke en ernstige tekortkomingen vertoonden. Om die reden heeft de Commissie bij haar op grond van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening uitgevoerde berekening van de normale waarde van de door Sinopec Ningxia vervaardigde producten toepassing gegeven aan artikel 18, lid 1, van de basisverordening, volgens welke bepaling de Commissie, wanneer een belanghebbende „de toegang tot de nodige gegevens weigert [...] of het onderzoek aanmerkelijk belemmert”, zich op de „beschikbare gegevens” (hierna: „beschikbare gegevens in de zin van artikel 18”) kan baseren. De normale waarde van de door Sinopec Ningxia vervaardigde producten is aldus berekend op basis van de door andere producenten-exporteurs verstrekte informatie, en voor elke betrokken soort PVA heeft de Commissie gebruikgemaakt van de hoogste door berekening vastgesteld normale waarde die bij die andere producenten-exporteurs voorkwam (overwegingen 327-333 van de bestreden verordening).

11 Bij de vergelijking van de normale waarde van de door verzoeksters vervaardigde producten met hun uitvoerprijs heeft de Commissie krachtens artikel 2, lid 10, onder b) en i), van de basisverordening twee correcties toegepast. Ten eerste heeft zij de normale waarde verhoogd om rekening te houden met „het verschil in indirecte belastingen tussen de verkoop ten uitvoer uit [China] naar de Unie en de normale waarde waarbij indirecte belastingen zoals de [belasting over de toegevoegde waarde] buiten beschouwing [waren] gelaten” (overweging 388 van de bestreden verordening). Ten tweede heeft zij de uitvoerprijs verlaagd omdat de PVA die door Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia werd vervaardigd, in de Unie werd verkocht via Sinopec Central-China, die niet als een bedrijfsinterne verkoopafdeling, maar eerder als een handelaar moest worden beschouwd (punten 358 en 373 van de bestreden verordening). Voorts heeft de Commissie door middel van correcties ter verlaging van de uitvoerprijs ook de kosten van verzekering, vervoer, lading, overlading en lossing, kredietkosten en bankkosten (hierna: „litigieuze kosten”) weggenomen, teneinde het niveau te bereiken dat overeenkwam met het stadium „af fabriek” (overwegingen 313, 314 en 357 van de bestreden verordening).

12 Bij het onderzoek overeenkomstig artikel 3, leden 2, 3 en 6, van de basisverordening naar de schade die de bedrijfstak van de Unie zou hebben geleden, heeft de Commissie de prijsonderbieding geanalyseerd. Daartoe heeft zij zich om te beginnen gebaseerd op haar vaststellingen dat de PVA-markt niet uit twee afzonderlijke segmenten bestond (overwegingen 61‑64 van de bestreden verordening). Voorts heeft zij met name gebruikgemaakt van een methode waarbij de invoerprijzen en de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie per productsoort werden vergeleken, met dien verstande dat zij voor sommige productsoorten geen overeenkomst heeft vastgesteld (overwegingen 432 en 433 van de bestreden verordening).

Conclusies van partijen

13 Verzoeksters verzoeken het Gerecht: – nietigverklaring van de bestreden verordening voor zover deze hen betreft; – de Commissie en de vennootschappen die aan haar zijde hebben geïntervenieerd, te verwijzen in de kosten.

14 Wegochem Europe BV (hierna: „Wegochem”), interveniënte aan de zijde van verzoeksters, verzoekt het Gerecht: – de bestreden verordening nietig te verklaren voor zover deze verzoeksters betreft; – de Commissie te verwijzen in de kosten, met inbegrip van die welke zij heeft gemaakt.

15 De Commissie, ondersteund door het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie, Kuraray en Sekisui Specialty Chemicals Europe SL (hierna: „Sekisui”), verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.

In rechte

16 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vijf middelen aan: ten eerste, onverenigbaarheid van de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening met de uit het recht van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) voortvloeiende verplichtingen; ten tweede, schending van artikel 2, lid 10, van de basisverordening en een kennelijk onjuiste beoordeling; ten derde, schending van artikel 18, leden 1 en 5, van de basisverordening en van artikel 6.8 van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (GATT) (PB 1994, L 336, blz. 103; hierna: „antidumpingovereenkomst”), opgenomen in bijlage 1 A bij de Overeenkomst tot oprichting van de WTO (PB 1994, L 336, blz. 3) en bijlage II bij de antidumpingovereenkomst (PB 1994, L 336, blz. 118; hierna: „bijlage II”); ten vierde, schending van artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening bij de vaststelling van de prijsonderbieding en schending van artikel 3, lid 6, van deze verordening en, ten vijfde, schending van de rechten van de verdediging.

Eerste middel: onverenigbaarheid van de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening met de uit het WTO-recht voortvloeiende verplichtingen

17 Verzoeksters betogen dat de Commissie in de bestreden verordening artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening heeft toegepast op een wijze die niet in overeenstemming is met de antidumpingovereenkomst, zoals uitgelegd in de beslissingen van het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO (DSB). Verzoeksters erkennen dat de antidumpingovereenkomst geen rechtstreekse werking heeft, maar voeren aan dat deze omstandigheid, gelet op de punten die deze overeenkomst en de basisverordening gemeen hebben, geen invloed heeft op de in casu door de Commissie niet nagekomen verplichting om bovengenoemde bepaling van de basisverordening uit te leggen in overeenstemming met het WTO-recht, met inbegrip van de uitspraken van het DSB.

18 Verzoeksters verduidelijken dat het onderhavige middel niet kan worden beschouwd als een exceptie van onwettigheid tegen artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. Zij betwisten immers deze bepaling niet als zodanig, maar de wijze waarop de Commissie deze in de bestreden verordening heeft toegepast. Verzoeksters wijzen op de mogelijkheid om artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening in overeenstemming met het WTO-recht uit te leggen, zonder dat hierbij sprake is van een uitlegging contra legem of een uitlegging die erop neerkomt dat deze bepaling wordt uitgehold.

19 De Commissie, ondersteund door het Parlement, de Raad, Kuraray en Sekisui, betwist de argumenten van verzoeksters.

20 In herinnering moet worden gebracht dat volgens artikel 216, lid 2, VWEU de door de Unie gesloten internationale overeenkomsten verbindend zijn voor de instellingen van de Unie en bijgevolg van hogere rang zijn dan de handelingen van de Unie. Bijgevolg moeten bepalingen van afgeleid recht zo veel mogelijk in overeenstemming met die overeenkomsten worden uitgelegd, in het bijzonder wanneer dergelijke bepalingen juist strekken tot uitvoering van een door de Unie gesloten internationale overeenkomst (zie in die zin arresten van 9 januari 2003, Petrotub en Republica/Raad, C‑76/00 P, EU:C:2003:4, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 18 maart 2014, Z., C‑363/12, EU:C:2014:159, punten 71 en 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 januari 2022, Commissie/Hubei Xinyegang Special Tube, C‑891/19 P, EU:C:2022:38, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21 Volgens overweging 3 van de basisverordening dienen, ter verzekering van een correcte en doorzichtige uitvoering van de regels van de antidumpingovereenkomst, de bewoordingen van die overeenkomst zo veel mogelijk in het Unierecht tot uitdrukking te komen. Op grond van het algemene internationaalrechtelijke beginsel van de naleving van verdragsrechtelijke verplichtingen (pacta sunt servanda), dat is neergelegd in artikel 26 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (United Nations Treaty Series, deel 1155, blz. 331), moet de Unierechter bij de uitlegging en de toepassing van de antidumpingovereenkomst rekening houden met de uitspraken van het DSB waarin de bepalingen van die overeenkomst worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 20 januari 2022, Commissie/Hubei Xinyegang Special Tube,C‑891/19 P, EU:C:2022:38, punten 30, 32 en 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22 Het gebruik van de uitdrukking „zo veel mogelijk” in de rechtspraak die in punt 20 hierboven is genoemd, wijst evenwel erop dat deze rechtspraak niet kan worden toegepast bij een bepaling met een duidelijke en ondubbelzinnige betekenis, die dus geen uitlegging behoeft. Anders zou door die toepassing het beginsel van conforme uitlegging van bepalingen van afgeleid Unierecht als grondslag dienen voor een uitlegging contra legem van deze bepaling, hetgeen onaanvaardbaar is (zie arrest van 13 juli 2018, Confédération nationale du Crédit mutuel/ECB, T‑751/16, EU:T:2018:475, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 28 februari 2017, Canadian Solar Emea e.a./Raad, T‑162/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:124, punt 151).

23 Bovendien moet worden opgemerkt dat een uitlegging in overeenstemming met de handelingen van de instellingen van de Unie in het licht van de bepalingen van een internationale overeenkomst waarbij de Unie partij is, zoals omschreven in de in de punten 20 tot en met 22 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, niet mag worden verward met de toetsing van de rechtmatigheid van die handelingen.

24 Volgens vaste rechtspraak kunnen de bepalingen van een internationale overeenkomst immers slechts worden ingeroepen ter ondersteuning van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van afgeleid Unierecht of een exceptie van onwettigheid van een dergelijke handeling, als is voldaan aan de dubbele voorwaarde dat ten eerste de aard en de opzet van die overeenkomst hier niet aan in de weg staan, en voorts die bepalingen inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn. Slechts wanneer cumulatief aan die beide voorwaarden is voldaan, kunnen dergelijke bepalingen voor de Unierechter worden ingeroepen als criterium voor de beoordeling van de rechtmatigheid van een handeling van de Unie (zie arrest van 16 juli 2015, Commissie/Rusal Armenal, C‑21/14 P, EU:C:2015:494, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25 Aangezien verzoeksters in casu verklaren geen exceptie van onwettigheid op te werpen en zij hoe dan ook niet stellen, laat staan aantonen, dat is voldaan aan de voorwaarden van de in punt 24 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, moeten zij, wil het Gerecht het onderhavige middel kunnen toewijzen, aantonen dat artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening onduidelijk is of dubbelzinnigheden bevat die zouden moeten worden weggenomen door een uitlegging die in overeenstemming is met deze regels, en dat deze uitlegging niet contra legem is.

26 Opgemerkt zij dat verzoeksters niet aanvoeren dat de bewoordingen van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening dubbelzinnig zijn.

27 In de eerste plaats betogen verzoeksters evenwel dat artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening slechts in overeenstemming met het WTO-recht kan worden toegepast indien het aldus wordt uitgelegd dat van de drie bronnen die in artikel 2, lid 6 bis, onder a), van deze verordening worden genoemd, alleen de laatste betreffende het gebruik van de binnenlandse kosten in het land van uitvoer, in aanmerking moet worden genomen.

28 Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie arrest van 2 juli 2020, Magistrat der Stadt Wien (Veldhamster),C‑477/19, EU:C:2020:517, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

29 De door verzoeksters voorgestelde uitlegging van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening komt erop neer dat de eerste twee in artikel 2, lid 6 bis, onder a), van die verordening bedoelde bronnen worden uitgesloten en dat de derde zo ruim wordt opgevat dat deze zelfs wordt toegepast wanneer niet is aangetoond dat de betrokken kosten niet zijn verstoord.

30 Om te beginnen kan de door verzoeksters aangevoerde uitlegging niet worden gebaseerd op de bewoordingen van de betrokken bepaling, die drie opties opsomt, waarvan de derde aan een nauwkeurige voorwaarde is onderworpen. Zoals blijkt uit het gebruik van de woorden „onder meer” zijn deze drie opties niet uitputtend, zodat de Commissie ook gebruik kan maken van andere bronnen dan die welke in deze drie opties zijn bedoeld. Het feit dat de wetgever aan de Commissie een beoordelingsmarge heeft gelaten bij de keuze of er aanvullende bronnen zullen worden gebruikt, betekent echter niet dat de Commissie een vierde bron mag kiezen die samenvalt met de derde, maar zonder dat hoeft te worden voldaan aan de voorwaarde dat moet worden aangetoond dat de binnenlandse kosten van het land van uitvoer niet zijn verstoord.

31 Voorts is voor deze uitlegging evenmin steun te vinden in de context van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. Deze bepaling voert immers specifieke regels in die verschillen van de regels die voortvloeien uit andere leden van artikel 2 van de basisverordening, doordat zij van toepassing zijn op gevallen waarin de binnenlandse markt van het land van uitvoer verstoringen van betekenis vertoont. De omstandigheid dat in artikel 2, lid 6 bis, onder a), eerste alinea, van de basisverordening wordt verwezen naar de „toepassing van deze of elke andere relevante bepaling van deze verordening” houdt derhalve niet in dat deze bepaling in alle gevallen op een manier moet worden uitgelegd die in overeenstemming is met de bepalingen van de antidumpingovereenkomst die overeenkomen met andere bepalingen van artikel 2 van de basisverordening.

32 Wat ten slotte de doelstellingen van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling tot doel heeft te voorkomen dat voor een antidumpingonderzoek gebruik wordt gemaakt van gegevens betreffende de prijzen en kosten in het land van uitvoer die zijn verstoord door verstoringen van betekenis op de binnenlandse markt van dat land. Het is namelijk de bedoeling dat gebruik wordt gemaakt van ofwel gegevens over een passend representatief derde land, ofwel internationale gegevens, ofwel de binnenlandse kosten in het land van uitvoer, mits wordt aangetoond dat deze gegevens niet verstoord zijn.

33 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat verzoeksters met hun in punt 27 hierboven samengevatte argument een uitlegging contra legem van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening voorstellen die niet kan worden aanvaard.

34 In de tweede plaats betogen verzoeksters dat artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening in overeenstemming met artikel 2.2 en artikel 2.2.1.1 van de antidumpingovereenkomst moet worden uitgelegd.

35 Om te beginnen kan volgens verzoeksters de normale waarde op grond van artikel 2.2 van de antidumpingovereenkomst slechts in drie gevallen worden geconstrueerd in plaats van deze te berekenen op basis van de in het land van uitvoer toegepaste prijzen, waaronder het geval van een bijzondere marktsituatie in het land van uitvoer.

36 Verzoeksters verduidelijken dat met het begrip „bijzondere marktsituatie” zoals uitgelegd in de uitspraken van het DSB, geen onbeperkte vrijheid wordt verleend aan de autoriteit die belast is met een antidumpingonderzoek (hierna: „bevoegde autoriteit”) en dit begrip juist enkel van toepassing is in situaties waarin de vergelijkbaarheid van de normale waarde en de uitvoerprijs in het geding is. Doen zich als gevolg van aanzienlijk overheidsingrijpen op de markt van het land van uitvoer verstoringen van betekenis voor, dan vormt enkel die situatie op zich evenwel nog geen reden om bij de berekening van de normale waarde voorbij te gaan aan de door de producenten-exporteurs in dat land gemaakte kosten en in plaats daarvan gebruik te maken van de kosten van de producenten van een derde land. De Commissie moet aantonen dat er een verband bestaat tussen deze situatie en de vergelijkbaarheid van de prijzen. In casu is dit bewijs evenwel niet geleverd.

37 Voorts is volgens verzoeksters, zelfs al wordt ervan uitgegaan dat een verstoring van de kosten van de productiemiddelen wijst op een bijzondere marktsituatie, de methode die de Commissie in het onderhavige geval hanteerde – waarbij verplicht gebruik moet worden gemaakt van de kosten van productiemiddelen uit niet-verstoorde bronnen en geen rekening mag worden gehouden met de gegevens over de productiekosten van de Chinese producenten-exporteurs zoals opgenomen in hun administratie – niettemin in strijd met artikel 2.2.1.1 van de antidumpingovereenkomst, zoals uitgelegd in de uitspraken van het DSB.

38 Er zij aan herinnerd dat, zoals in punt 23 hierboven is opgemerkt, het beroep van verzoeksters op het beginsel van conforme uitlegging er niet toe kan leiden dat het Gerecht de rechtmatigheid van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening toetst aan de WTO-regels, zonder dat hoeft te worden aangetoond dat is voldaan aan de voorwaarden die in de rechtspraak aan uitoefening van die toetsing worden gesteld.

39 Bovendien volgt uit punt 20 hierboven dat het beginsel van conforme uitlegging slechts ten volle van toepassing is indien de betrokken bepalingen van Unierecht ertoe strekken de WTO-regels ten uitvoer te leggen.

40 In herinnering moet worden gebracht dat de Uniewetgever bij verordening 2017/2321 artikel 2 van de basisverordening heeft gewijzigd, waardoor lid 6 bis werd ingevoegd en lid 7 gewijzigd.

41 Volgens de rechtspraak gaf artikel 2, lid 7, van de basisverordening, in de versie vóór die welke voortvloeit uit verordening 2017/2321, uitdrukking aan de wil van de Uniewetgever om op dit gebied een voor de rechtsorde van de Unie passende benadering te volgen door een bijzondere regeling in te voeren met gedetailleerde regels voor de berekening van de normale waarde voor invoer uit landen zonder markteconomie. Daarom is er geoordeeld dat deze bepaling niet kan worden geacht een maatregel te zijn waarmee binnen de rechtsorde van de Unie moet worden gezorgd voor uitvoering van een bijzondere verplichting die in het kader van de WTO-overeenkomsten is aangegaan, waarin geen regels vervat zijn over de berekening van de normale waarde voor landen die geen markteconomie hebben (arrest van 5 mei 2022, Zhejiang Jiuli Hi-Tech Metals/Commissie, C‑718/20 P, EU:C:2022:362, punt 88; zie in die zin en naar analogie ook arrest van 16 juli 2015, Commissie/Rusal Armenal, C‑21/14 P, EU:C:2015:494, punten 47‑50). Het Gerecht heeft verduidelijkt dat in deze bepaling regels voor de berekening van de normale waarde worden vastgesteld die geen pendant hebben in de WTO-overeenkomsten en dat de Commissie daarom niet verplicht was deze bepaling uit te leggen in overeenstemming met de verplichtingen die voor de Unie uit de WTO voortvloeien. Zou dit wel het geval zijn, dan zou haar immers de beoordelingsbevoegdheid worden ontnomen die de wetgever haar heeft willen toekennen (zie in die zin en naar analogie arrest van 19 september 2019, Zhejiang Jndia Pipeline Industry/Commissie, T‑228/17, EU:T:2019:619, punten 111‑113).

42 Geoordeeld moet worden dat deze beginselen naar analogie van toepassing zijn op artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening.

43 Deze bepaling voert immers een bijzondere regeling in voor de vaststelling van de normale waarde in geval van uitvoer uit landen waarvan vaststaat dat op hun binnenlandse markt sprake is van verstoringen van betekenis, zoals omschreven in diezelfde bepaling. Het WTO-recht bevat echter geen specifieke regels voor de berekening van de normale waarde in dergelijke situaties.

44 Bovendien is het juist dat in overweging 2 van verordening 2017/2321 wordt toegelicht dat deze verordening „de vaststelling of een WTO-lid al dan niet een markteconomie is, onverlet [dient] te laten, alsmede de voorwaarden zoals vastgesteld in de protocollen en overige instrumenten volgens welke landen zijn toegetreden tot de overeenkomst [tot oprichting van de WTO]”, waaronder het protocol inzake de toetreding van de Volksrepubliek China tot de WTO (hierna: „toetredingsprotocol”).

45 Ook is het juist dat punt 15 van het toetredingsprotocol specifieke regels bevat voor de toepassing van de antidumpingovereenkomst op invoer uit China en voorziet in een overgangsperiode die uiterlijk vijftien jaar na de toetreding van de Volksrepubliek China tot de WTO, dat wil zeggen op 11 december 2016, zou aflopen.

46 Uit de opname van overweging 2 in verordening 2017/2321 kan echter niet worden afgeleid dat de Uniewetgever met deze verordening een mechanisme tot uitvoering van punt 15 van het toetredingsprotocol heeft willen instellen.

47 In ieder geval volgt daaruit, gesteld dat punt 15 van het toetredingsprotocol eraan in de weg staat dat na het verstrijken van de daarin vastgestelde overgangsperiode in het kader van een antidumpingonderzoek een methode ter vaststelling van de normale waarde van de onderzochte bedrijfstak wordt gebruikt die niet is gebaseerd op de Chinese prijzen of kosten, dat artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening onverenigbaar is met dat punt.

48 Aangezien verzoeksters geen exceptie van onwettigheid van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening in het licht van de WTO-regels hebben opgeworpen, bevestigt deze eventuele onverenigbaarheid enkel dat deze bepaling onmogelijk in de door verzoeksters gewenste zin kan worden uitgelegd.

49 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het beginsel van conforme uitlegging van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening in het licht van de WTO-regels.

50 Het eerste middel moet dus worden afgewezen.

Tweede middel: schending van artikel 2, lid 10, van de basisverordening en kennelijk onjuiste beoordeling

51 Het tweede middel bestaat uit drie onderdelen, waarvan het eerste betrekking heeft op schending van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening en een kennelijke beoordelingsfout, het tweede op schending van de aanhef van artikel 2, lid 10, van die verordening en het derde op schending van artikel 2, lid 10, onder b), van die verordening.

Eerste onderdeel

52 Na te hebben opgemerkt dat al hun uitvoer van PVA naar de Europese Unie via Sinopec Central-China verliep, hebben verzoeksters, ondersteund door Wegochem, betoogd dat de Commissie – die meende dat Sinopec Central-China niet de rol van een bedrijfsinterne verkoopafdeling vervulde, maar een vergelijkbare functie had als een op commissiebasis werkende agent – ten onrechte op grond van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening een correctie ter verlaging van de uitvoerprijs heeft toegepast (hierna: „eerste bestreden correctie”) die overeenkomt met de VAA-kosten van deze vennootschap en een voor haar geldende winstmarge die is geraamd op basis van informatie van een onafhankelijke marktdeelnemer.

53 In de eerste plaats benadrukken verzoeksters dat de Commissie volgens de bewoordingen van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening en de relevante rechtspraak alleen een correctie op grond van deze bepaling kan toepassen als zij op zijn minst met elkaar overeenstemmende aanwijzingen verstrekt, waaruit blijkt dat een aan een producent verbonden verkoopvennootschap functies uitoefent die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent.

54 Verzoeksters verduidelijken dat de Commissie de bewijslast niet kan omkeren door te oordelen dat een dergelijke correctie in de regel gerechtvaardigd is zodra een onderneming een verbonden handelsvennootschap opricht om haar verkoop ten uitvoer te verrichten, en dat het derhalve aan de producent die deze vennootschap heeft opgericht staat om aan te tonen dat de betrokken correctie niet gerechtvaardigd is.

55 In de tweede plaats kan op basis van de gegevens die de Commissie in de loop van de procedure tot vaststelling van de bestreden verordening en in die verordening heeft aangevoerd, niet worden geoordeeld dat de eerste bestreden correctie in het onderhavige geval gerechtvaardigd is.

56 De Commissie betwist verzoeksters’ argumenten.

57 In de eerste plaats bestaat er een algemene regel volgens welke een correctie op grond van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening gerechtvaardigd is wanneer een onderneming een verbonden vennootschap opricht om handelstransacties te verrichten die zij anders aan derde marktdeelnemers zou moeten toevertrouwen. Het is immers een feit dat de aldus opgerichte verbonden vennootschap functies uitoefent die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent. Slechts bij wijze van uitzondering op deze algemene regel mag een dergelijke correctie niet worden toegepast wanneer de producent en zijn verbonden distributeur die belast is met de uitvoer naar de Unie, één enkele economische eenheid vormen. Uitzonderingen op een algemene regel moeten strikt worden uitgelegd.

58 In de tweede plaats preciseert de Commissie dat zij nooit heeft gesteld dat zij aan de hand van enkel één van de gegevens waarop zij zich heeft gebaseerd om de eerste bestreden correctie toe te passen, al kon uitsluiten dat Sinopec Central-China als bedrijfsinterne verkoopafdeling kon worden aangemerkt. Zij beklemtoont dat een globale beoordeling van de relevante gegevens noodzakelijk is en voert aan dat op grond van alle in het onderhavige geval in aanmerking genomen gegevens bij elkaar kan worden vastgesteld dat Sinopec Central-China een zelfstandige en onafhankelijke handelsvennootschap is.

– Toepasselijke regels

59 Er zij herinnerd aan de relevante bepalingen van artikel 2, lid 10, van de basisverordening, die luiden als volgt: „De uitvoerprijs wordt op billijke wijze met de normale waarde vergeleken. Deze vergelijking geschiedt in hetzelfde handelsstadium, voor verkopen op zo dicht mogelijk bij elkaar liggende data en met inachtneming van andere verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Wanneer de vastgestelde normale waarde en de uitvoerprijs niet op deze grondslag kunnen worden vergeleken, wordt door middel van correcties, naargelang van de bijzondere kenmerken van elke zaak, rekening gehouden met verschillen tussen factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed op de prijzen zijn en, dientengevolge, op de vergelijkbaarheid daarvan. Hierbij dienen dubbele correcties te worden vermeden, in het bijzonder wat de kortingen, rabatten, hoeveelheden en het handelsstadium betreft. Wanneer aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kunnen correcties worden toegepast voor de hiernavolgende factoren: [...] i) Commissies Er wordt een correctie toegepast voor verschillen in de commissies die in verband met de verkoop van de betrokken producten worden betaald. Onder ‚commissies’ wordt ook verstaan de marge van een handelaar die in het product of het soortgelijke product handelt indien de functies van deze handelaar vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent.”

60 Uit de rechtspraak volgt dat een correctie op grond van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening alleen kan worden toegepast wanneer de in een derde land gevestigde producent en zijn verbonden distributeur die belast is met de uitvoer naar de Unie, één enkele economische eenheid vormen (zie naar analogie arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 39).

61 Inderdaad kan de scheiding van productie- en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, niets afdoen aan het feit dat het gaat om één enkele economische eenheid die op deze wijze activiteiten verricht die in andere gevallen worden verricht door een organisatie die ook juridisch een eenheid vormt (zie naar analogie arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62 In deze omstandigheden kan de erkenning dat er één enkele economische eenheid bestaat, voorkomen dat kosten die kennelijk in de verkoopprijs van een product begrepen zijn wanneer de verkoop wordt verricht door een bedrijfsinterne verkoopafdeling van de producent, niet meer daarin begrepen zijn wanneer de verkoop wordt verricht door een juridische zelfstandige vennootschap die echter economisch wordt gecontroleerd door de producent (zie naar analogie arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63 Hieruit volgt dat een distributeur die één enkele economische eenheid vormt met een in een derde staat gevestigde producent, niet kan worden geacht functies uit te oefenen die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent in de zin van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening (zie naar analogie arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 42).

64 In het kader van de analyse of er tussen een producent en zijn verbonden distributeur sprake is van één enkele economische eenheid, moet de economische realiteit van de betrekkingen tussen deze producent en deze distributeur worden beoordeeld. Gelet op het vereiste van een vaststelling die de economische realiteit van de betrekkingen tussen deze producent en die distributeur weerspiegelt, dienen de instellingen van de Unie rekening te houden met alle relevante factoren aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of deze distributeur al dan niet de functies van een bedrijfsinterne verkoopafdeling van deze producent uitoefent (zie naar analogie arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

– Bewijs

65 De bewijslast met betrekking tot de in artikel 2, lid 10, van de basisverordening opgesomde specifieke correcties moet volgens de rechtspraak worden gedragen door de partij die zich erop wenst te beroepen (zie in die zin en naar analogie arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66 Wanneer de instellingen van de Unie van mening zijn dat een correctie ter verlaging van de uitvoerprijs dient te worden toegepast omdat een aan een producent verbonden verkoopvennootschap functies uitoefent die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent, staat het dus aan deze instellingen om ten minste met elkaar overeenstemmende aanwijzingen te verstrekken die aantonen dat aan deze voorwaarde is voldaan (zie naar analogie arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67 Hieruit volgt dat, in het geval waarin de instellingen van de Unie melding hebben gemaakt van met elkaar overeenstemmende aanwijzingen waaruit bleek dat een met een producent verbonden distributeur functies uitoefende die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent, het aan deze distributeur of deze producent was om het bewijs aan te voeren dat een correctie krachtens artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening niet was gerechtvaardigd (zie naar analogie arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 85).

68 Hieruit volgt dat de Commissie, om de eerste bestreden correctie met recht te kunnen toepassen, met elkaar overeenstemmende aanwijzingen moest aandragen waaruit bleek dat deze correctie gerechtvaardigd was.

69 De Commissie kan zich niet op het standpunt stellen dat een correctie op grond van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening in beginsel moet worden toegepast zodra een onderneming een verbonden handelsvennootschap opricht om haar verkoop ten uitvoer te verrichten.

70 Het bestaan van deze algemene regel, die zou neerkomen op een omkering van de bewijslast, is immers niet aangetoond, aangezien de daartoe door de Commissie aangehaalde rechtspraak niet relevant is.

71 Ten eerste baseert de Commissie zich op het arrest van 7 februari 2013, EuroChem MCC/Raad (T‑459/08, niet gepubliceerd, EU:T:2013:66). In punt 132 van dat arrest heeft het Gerecht opgemerkt dat de tweede volzin van artikel 2, lid 10, onder i), van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51), afkomstig was uit artikel 1, lid 5, van verordening (EG) nr. 1972/2002 van de Raad van 5 november 2002 tot wijziging van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2002, L 305, blz. 1). In datzelfde punt heeft het Gerecht vastgesteld dat volgens overweging 6 van verordening nr. 1972/2002 de betrokken zin werd ingevoegd teneinde te bepalen dat correcties, in overeenstemming met de vaste praktijk van de instellingen, ook konden worden toegepast indien de partijen niet als opdrachtgever en agent optraden, maar als koper en verkoper hetzelfde economische resultaat behaalden. Uit de punten 133 en 134 van dat arrest blijkt evenwel dat een correctie moet worden toegepast indien de met de verkoop belaste vennootschap die verbonden is met een producent-exporteur functies vervult die vergelijkbaar zijn met die van een agent die op commissiebasis werkt, en dat, om te bepalen of dit het geval is, de respectieve rollen van de verschillende verbonden ondernemingen moeten worden onderzocht. Hieruit volgt dat het Gerecht in dat arrest het bestaan van de door de Commissie in casu aangevoerde algemene regel niet heeft erkend.

72 Ten tweede beroept de Commissie zich op het arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad (C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punt 39), waarin evenwel niet wordt verwezen naar een algemene regel en een uitzondering daarop.

73 Ten derde baseert de Commissie zich op punt 50 van het arrest van 28 oktober 2004, Shanghai Teraoka Electronic/Raad (T‑35/01, EU:T:2004:317), en punt 49 van het arrest van 28 juni 2019, Changmao Biochemical Engineering/Commissie (T‑741/16, niet gepubliceerd, EU:T:2019:454). Daarin heeft het Gerecht opgemerkt dat de methode voor de vaststelling van de normale waarde van een product als bedoeld in artikel 2, lid 7, onder b), van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), en verordening nr. 1225/2009, die respectievelijk van toepassing waren ten tijde van de relevante feiten, een uitzondering vormde op de daartoe in artikel 2, lid 7, onder a), van deze verordeningen vastgestelde specifieke methode, welke laatste bepaling in beginsel van toepassing is op invoer uit landen zonder markteconomie. In het onderhavige geval zet de Commissie echter niet uiteen en toont zij a fortiori niet aan dat het feit dat er geen correctie op grond van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening wordt toegepast wanneer een producent-exporteur zijn producten in de Unie verkoopt via een verbonden vennootschap, een uitzondering vormt op een in die verordening opgenomen regel op grond waarvan die correctie in beginsel in dergelijke omstandigheden moet worden toegepast. Deze arresten staven dus noch het bestaan van de door de Commissie aangevoerde algemene regel, noch het feit dat een dergelijke correctie alleen bij uitzondering niet wordt toegepast, namelijk wanneer er sprake is van één enkele economische eenheid.

74 Ten vierde heeft de Commissie zich ter terechtzitting beroepen op het arrest van 14 december 2022, Xinyi PV Products (Anhui) Holdings/Commissie (T‑586/14 RENV II, niet gepubliceerd, EU:T:2022:799, punt 57), waarin is bevestigd dat er een regel bestaat op grond waarvan een correctie krachtens artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening in het algemeen wordt toegepast wanneer een producent-exporteur zijn producten via een verbonden vennootschap verkoopt. Opgemerkt zij evenwel dat het Gerecht zich in dat arrest heeft uitgesproken over een situatie waarin vaststond dat de met de betrokken producent-exporteur verbonden vennootschap handelde in aanvulling op de interne exportdienst waarover deze producent-exporteur beschikte, zoals blijkt uit de punten 52 en 57 van voornoemd arrest. Aangezien de situatie in de onderhavige zaak anders is, baseert de Commissie zich ten onrechte op dat arrest.

75 De Commissie kan evenmin oordelen dat een correctie op grond van artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening moet worden toegepast op grond van het door verzoeksters voor het Gerecht aangevoerde feit dat Sinopec Central-China niet onder rechtstreekse zeggenschap van Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia staat.

76 In dit verband volgt uit overweging 366 van de bestreden verordening weliswaar dat de Commissie erkent dat sprake is van gezamenlijke zeggenschap, aangezien Sinopec Central-China, Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia „allen onder de zeggenschap staan van Sinopec Group”, maar in geen van de overwegingen van die verordening wordt ingegaan op het onderzoek naar de indirecte aard van die zeggenschap en de gevolgen die deze zou kunnen hebben voor het bewijs dat de Commissie krachtens de in de punten 65 tot en met 67 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak moest leveren.

77 In overweging 366 van de bestreden verordening heeft de Commissie ook opgemerkt dat „het bestaan van een gemeenschappelijke zeggenschap een noodzakelijke voorwaarde is voor het bestaan van één economische entiteit, en dat deze een aanzet geeft tot de analyse of de totaliteit van de relevante feiten met betrekking tot de verbonden handelaar aantonen dat er sprake is van één economische entiteit” en dat „[h]et [...] de bedoeling [is] na te gaan of de door de verbonden handelaar uitgevoerde taken vergelijkbaar zijn met die van een interne verkoopafdeling, of niet”.

78 Deze benadering van de Commissie in de bestreden verordening moet worden goedgekeurd, aangezien zij in overeenstemming is met de rechtspraak waarin is geoordeeld dat de kapitaalstructuur van vennootschappen die één enkele economische eenheid kunnen vormen, een relevante aanwijzing is voor het bestaan van die eenheid (zie in die zin arrest van 10 maart 2009, Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad, T‑249/06, EU:T:2009:62, punt 179).

79 Op basis van deze vaststelling moet dus worden nagegaan of de Commissie voldoende met elkaar overeenstemmende aanwijzingen heeft verstrekt om aan te tonen dat Sinopec Central-China, ondanks het bestaan van gemeenschappelijke zeggenschap, niet als bedrijfsinterne verkoopafdeling kon worden beschouwd en dat bijgevolg de eerste bestreden correctie noodzakelijk was.

– Door de Commissie verzamelde aanwijzingen

80 De Commissie baseert haar besluit op de volgende aanwijzingen: – Sinopec Central-China heeft klanten geworven en onderhield contact met hen; – Sinopec Chongqing hield zich bezig met de rechtstreekse verkoop ten uitvoer; – Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia hielden zich bezig met de rechtstreekse verkoop in China; – Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia namen de verkoopkosten voor hun rekening; – Sinopec Central-China bracht ook producten op de markt die door andere producenten dan Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia waren vervaardigd.

81 Nagegaan moet worden of op basis van bovengenoemde aanwijzingen kan worden geoordeeld dat de Commissie het van haar verlangde bewijs heeft geleverd.

82 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het eerste in punt 80 hierboven genoemde aspect betreffende de activiteiten van Sinopec Central-China op het gebied van klantenwerving en het onderhouden van klantencontact in de definitieve mededeling aan de orde komt. Verzoeksters hebben de relevantie van het eerste aspect in hun opmerkingen over de definitieve mededeling betwist met het betoog dat zowel onafhankelijke marktdeelnemers als bedrijfsinterne verkoopafdelingen zich bezighouden met het werven van klanten en het onderhouden van contacten met hen. In punt 358 van de bestreden verordening heeft de Commissie dit aspect vermeld, zonder evenwel op verzoeksters’ argumenten te antwoorden.

83 Voor het Gerecht heeft de Commissie zich beperkt tot het betoog dat het eerste aspect relevant was, hoewel het bij klantenwerving en het onderhouden van klantencontact gaat om activiteiten die zowel een bedrijfsinterne verkoopafdeling als een verkoopagent kan uitoefenen.

84 In die omstandigheden kunnen verzoeksters op goede gronden stellen dat het feit dat een entiteit zich bezighoudt met klantenwerving en het onderhouden van klantencontact, niet relevant is voor de vaststelling of die entiteit een bedrijfsinterne verkoopafdeling dan wel een verkoopagent is.

85 Aangaande het tweede in punt 80 hierboven genoemde aspect, namelijk het feit dat Sinopec Chongqing zich bezighield met rechtstreekse verkoop ten uitvoer, volgt uit de rechtspraak dat hoe groter het aandeel van die rechtstreekse verkoop is, des te moeilijker kan worden gesteld dat de verbonden distributeur de functies van een bedrijfsinterne verkoopafdeling uitoefent (zie in die zin arresten van 10 maart 1992, Matsushita Electric/Raad, C‑175/87, EU:C:1992:109, punt 14, en 25 juni 2015, PT Musim Mas/Raad, T‑26/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:437, punt 69). Daarentegen kan er sprake zijn van een economische eenheid wanneer de producent een deel van de verkoopfuncties vervult in aanvulling op de verkoopfuncties die de distributiemaatschappij voor deze producten verricht (zie arrest van 10 maart 2009, Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad, T‑249/06, EU:T:2009:62, punt 179 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

86 In het onderhavige geval voeren verzoeksters aan dat de rechtstreeks, zonder tussenkomst van Sinopec Central-China, door Sinopec Chongqing verrichte verkoop ten uitvoer slechts een aanvulling vormde op de verkoop ten uitvoer van Sinopec Central-China en geen betrekking had op de PVA-verkopen aan klanten in de Unie, maar op de verkopen aan klanten in de Verenigde Staten. De reden hiervoor houdt verband met het inningsstelsel voor antidumpingrechten in de Verenigde Staten, op grond waarvan enkel voor rechtstreekse verkopen een nulrecht geldt. De hoeveelheid PVA die met deze verkopen rechtstreeks naar de Verenigde Staten werd uitgevoerd, bedroeg slechts 10,9 % van de gecumuleerde uitvoer naar de Unie en de Verenigde Staten en was niet belangrijk genoeg om te oordelen dat er wegens die rechtstreekse verkopen geen sprake is van één enkele economische eenheid.

87 De Commissie repliceert dat uit de aanzienlijke hoeveelheid rechtstreekse verkopen van Sinopec Chongqing in de Verenigde Staten, die overeenkwam met 12,1 % van haar verkopen in de Unie, volgt dat zij over haar eigen bedrijfsinterne verkoopafdeling beschikt. De reden waarom Sinopec Chongqing deze verkopen zelf heeft gerealiseerd, is niet „noodzakelijkerwijs doorslaggevend” voor de beoordeling van haar economische relatie met Sinopec Central-China. Evenzo is het van weinig belang dat laatstgenoemde de gehele verkoop ten uitvoer naar de Unie heeft verricht.

88 In de eerste plaats moet in herinnering worden gebracht dat het Gerecht in punt 185 van het arrest van 10 maart 2009, Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad (T‑249/06, EU:T:2009:62), heeft vastgesteld dat ten onrechte een correctie op grond van artikel 2, lid 10, onder i), van verordening nr. 384/96 was toegepast en daartoe met name heeft geoordeeld dat de rechtstreekse verkoop ten uitvoer van een van de verzoekende partijen in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, marginaal was en een aanvulling vormde op die van de met deze vennootschappen verbonden distributeur. Het Gerecht merkt op dat het hier ging om een overgangsfase voor de rechtstreekse verkopen die bestemd waren voor de nieuwe lidstaten en dat deze verkopen 8 % van de verkopen van deze ondernemingen aan de Unie vertegenwoordigden.

89 In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 69 en 70 van het arrest van 25 juni 2015, PT Musim Mas/Raad (T‑26/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:437), geoordeeld dat in een situatie waarin de rechtstreekse verkopen ten uitvoer een omvang hadden van 27,08 % van de totale verkoop ten uitvoer, niet kon worden uitgesloten dat de met de betrokken producenten verbonden distributeur de functies van een bedrijfsinterne verkoopafdeling uitoefende, maar dat het bestaan van een dergelijke situatie niettemin een aanwijzing vormde die andere factoren staaft en dus bijdroeg aan de vaststelling dat er geen sprake was van één enkele economische eenheid.

90 In het onderhavige geval staat vast dat Sinopec Chongqing rechtstreekse verkopen ten uitvoer naar de Verenigde Staten heeft verricht die overeenkwamen met 10,9 % van haar totale verkopen in de Unie en de Verenigde Staten, welke omvang overeenkomt met 12,1 % van haar verkopen in de Unie indien de rechtstreekse verkoop aan de Verenigde Staten wordt uitgedrukt als percentage van uitsluitend de Unieverkopen en niet als percentage van de gecumuleerde verkopen in de Unie en de Verenigde Staten. Bovendien hebben verzoeksters ter terechtzitting, zonder door de Commissie te zijn weersproken, verduidelijkt dat zij hun PVA ook naar andere landen uitvoerden en dat deze verkoop ten uitvoer via Sinopec Central-China verliep. Indien de hele verkoop ten uitvoer in aanmerking werd genomen, zouden de rechtstreekse verkopen van Sinopec Chongqing dus een nog kleiner percentage hebben uitgemaakt van heel haar PVA-productie die voor de verkoop ten uitvoer was bestemd.

91 Derhalve moet ten eerste worden opgemerkt dat de Commissie ten onrechte stelt dat het percentage PVA dat betrekking heeft op de rechtstreekse verkoop ten uitvoer van Sinopec Chongqing „kennelijk aanzienlijk” is, aangezien het hoger is dan 8 %, welk percentage in punt 185 van het arrest van 10 maart 2009, Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad (T‑249/06, EU:T:2009:62), als marginaal is aangemerkt. Zoals blijkt uit punt 88 hierboven, heeft het Gerecht in dat arrest immers onderzocht welk percentage van de totale verkoop van de betrokken producenten-exporteurs naar de Unie bestond uit door hen verrichte rechtstreekse verkopen ten uitvoer naar de Unie. In het onderhavige geval ligt dit percentage van rechtstreeks verrichte verkopen ten uitvoer bij Sinopec Chongqing op nul procent, want de gehele verkoop ten uitvoer naar de Unie van de door Sinopec Chongqing geproduceerde PVA kwam voor rekening van Sinopec Central-China.

92 Ten tweede moet worden vastgesteld dat ongeacht het totaal van de verkopen ten opzichte waarvan het percentage wordt berekend (zie punt 90 hierboven), de procentuele omvang van de rechtstreekse PVA-verkopen ten uitvoer van Sinopec Chongqing ten opzichte van dat totaal niet in de buurt komt van 27,08 %, welk percentage het Gerecht in de punten 69 en 70 van het arrest van 25 juni 2015, PT Musim Mas/Raad (T‑26/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:437), in de omstandigheden van die zaak heeft aangemerkt als een aanwijzing die kan bijdragen tot de vaststelling dat er geen sprake was van één enkele economische eenheid (zie punt 89 hierboven).

93 Voorts zij eraan herinnerd dat het Gerecht in punt 68 van het arrest van 25 juni 2015, PT Musim Mas/Raad (T‑26/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:437), ook heeft opgemerkt dat het niet was uitgesloten dat een verbonden vennootschap binnen een dergelijke entiteit de functies van een bedrijfsinterne verkoopafdeling uitoefent door de verkopen van de producent te organiseren en daarover te onderhandelen, zonder evenwel rechtstreeks alle facturen betreffende die verkopen uit te reiken, aangezien er verschillende goede redenen kunnen zijn waarom „op papier” de producent hierbij betrokken is. In het onderhavige geval hebben verzoeksters, zonder door de Commissie te zijn weersproken, uiteengezet dat Sinopec Chongqing in de Verenigde Staten een antidumpingrecht van nul genoot. Voorts heeft Wegochem, evenmin weersproken door de Commissie, ter terechtzitting verduidelijkt dat het concern waartoe zij behoorde, door verzoeksters geproduceerde PVA naar zowel de Unie als de Verenigde Staten invoerde en dat dit concern in beide gevallen onderhandelde met Sinopec Central-China, hoewel de facturen voor de invoer in de Verenigde Staten om bovengenoemde reden door Sinopec Chongqing werden uitgereikt.

94 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat het tweede aspect geen overtuigende aanwijzing is dat Sinopec Central-China niet als bedrijfsinterne verkoopafdeling kan worden aangemerkt.

95 Wat het derde in punt 80 hierboven genoemde aspect betreft, dat betrekking heeft op het feit dat Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia zich bezighielden met rechtstreekse verkopen op de Chinese markt, betogen verzoeksters dat het bestaan van deze rechtstreekse verkopen niet eraan in de weg staat dat Sinopec Central-China wordt aangemerkt als een bedrijfsinterne verkoopafdeling die verantwoordelijk is voor de verkoop ten uitvoer. Verzoeksters hebben immers nooit gesteld dat Sinopec Central-China zowel voor de verkoop op de Chinese markt als voor de verkoop ten uitvoer als verantwoordelijke bedrijfsinterne verkoopafdeling optrad. Zij hebben enkel aangevoerd dat Sinopec Central-China verantwoordelijk was voor de verkoop ten uitvoer. De wijze waarop een producent zijn producten op zijn binnenlandse markt verkoopt, is niet relevant voor de vaststelling dat er sprake is van één enkele economische eenheid voor de verkoop ten uitvoer.

96 De Commissie repliceert dat het feit dat Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia aanzienlijke verkopen op de Chinese markt verrichtten, aantoont dat zij over bedrijfsinterne verkoopafdelingen beschikten, die ook hun uitvoermarkten konden bedienen, en dat Sinopec Central-China als zelfstandige handelvennootschap optrad.

97 Opgemerkt zij dat het feit dat Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia rechtstreeks op de Chinese markt PVA verkopen, kan aantonen dat deze vennootschappen over de noodzakelijke structuur beschikten om hun producten te verkopen zonder gebruik te maken van de diensten van Sinopec Central-China of andere, eventueel niet verbonden vennootschappen.

98 Zoals verzoeksters betogen, volgt evenwel uit de rechtspraak dat bij de verkoop ten uitvoer en bij de verkoop op de nationale markt van een producent-exporteur al dan niet verbonden vennootschappen betrokken kunnen zijn, of verschillende interne verkoopdiensten (zie in die zin arrest van 10 maart 1992, Minolta Camera/Raad,C‑178/87, EU:C:1992:112, punten 2, 9 en 13, en de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de gevoegde zaken Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP, C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2011:245, punten 65 en 66).

99 Hieruit volgt dat het derde aspect geen overtuigende aanwijzing is die in de weg staat aan de erkenning van de status van bedrijfsinterne verkoopafdeling van Sinopec Central-China.

100 Wat het vierde in punt 80 hierboven genoemde aspect betreft, dat betrekking heeft op het feit dat Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia verkoopkosten dragen, voeren verzoeksters aan dat deze vennootschappen slechts verkoopkosten hebben gemaakt voor de verkopen op de Chinese markt en, wat Sinopec Chongqing betreft, voor de verkopen naar de Verenigde Staten.

101 Met betrekking tot het vierde aspect repliceert de Commissie dat het feit dat Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia verkoopkosten droegen die voor laatstgenoemde hoger waren dan die van Sinopec Central-China, een bijkomend bewijs is van de autonomie van Sinopec Central-China.

102 Opgemerkt zij dat niet wordt betwist dat Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia slechts kosten hebben gemaakt voor de verkopen op de Chinese binnenlandse markt en, wat Sinopec Chongqing betreft, voor de rechtstreekse uitvoer naar de Verenigde Staten. Het vierde aspect doet dus niet af aan de beoordeling door het Gerecht van het tweede en het derde aspect.

103 Wat het vijfde in punt 80 hierboven genoemde aspect betreft, namelijk dat Sinopec Central-China ook producten van andere producenten dan Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia in de handel brengt, betogen verzoeksters dat de aankopen door Sinopec Central-China van door derde producenten vervaardigde PVA, slechts 2 % uitmaken van haar PVA-aankopen bij Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia. Alleen wanneer een verbonden handelaar een groot deel van zijn omzet behaalt uit de verkoop van producten van derde ondernemingen, zijn de functies van deze handelaar niet vergelijkbaar met die van een bedrijfsinterne verkoopafdeling. Bovendien verkocht Sinopec Central-China de door derde producenten vervaardigde PVA uitsluitend op de Chinese markt.

104 Wegochem voegt hieraan toe dat het enkele feit dat Sinopec Central-China ook bepaalde producten van andere producenten in de handel heeft gebracht, niet bewijst dat deze vennootschap als onafhankelijke handelaar is opgetreden. Daartoe had de Commissie moeten aantonen dat deze verkoopactiviteiten zodanig omvangrijk waren dat Sinopec Central-China zich onafhankelijk kon opstellen, los van de groep waarmee zij verbonden was. De Commissie had dus moeten beoordelen wat, in verhouding tot de omzet van Sinopec Central-China, de omvang was van de door haar verkochte PVA die afkomstig was van derde ondernemingen. De Commissie heeft een dergelijke beoordeling echter niet verricht.

105 De Commissie antwoordt dat zij weliswaar niet heeft beoordeeld wat binnen de totale omzet van Sinopec Central-China de omvang was van de verkoop van welke producten dan ook die Sinopec Central-China bij andere ondernemingen dan Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia had gekocht, maar wel heeft aangetoond dat de door Sinopec Central-China verkochte PVA die was vervaardigd door andere producenten, 10 % uitmaakte van alle PVA-verkopen door Sinopec Central-China in de Unie en dus niet verwaarloosbaar was.

106 Er zij aan herinnerd dat volgens de rechtspraak het aandeel van de verkoop door de met een producent verbonden distributeur van producten die afkomstig zijn van niet-verbonden producenten, een belangrijke factor is om te bepalen of die distributeur één enkele economische eenheid vormt met de verbonden producent. Indien de distributeur een groot deel van zijn omzet behaalt uit de verkoop van producten van niet-verbonden ondernemingen, kan dit dus een aanwijzing vormen dat deze distributeur niet de functies van een bedrijfsinterne verkoopafdeling heeft (zie arrest van 14 juli 2021, Interpipe Niko Tube en Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant/Commissie, T‑716/19, EU:T:2021:457, punt 159 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

107 In de rechtspraak wordt tevens duidelijk gemaakt dat de instellingen van de Unie bij de vaststelling of er sprake is van één enkele economische eenheid, ook rekening mogen houden met de door de verbonden distributeur verrichte werkzaamheden voor andere producten dan het product waarop het antidumpingonderzoek betrekking heeft, en met het deel van de verkopen van deze distributeur dat bestond uit producten die afkomstig waren van niet-verbonden producenten (zie in die zin arrest van 26 oktober 2016, PT Musim Mas/Raad, C‑468/15 P, EU:C:2016:803, punten 44‑46 en 49).

108 In het onderhavige geval moet worden opgemerkt dat de Commissie erkent (zie punt 105 hierboven) dat zij het in bovengenoemde rechtspraak bedoelde onderzoek niet heeft verricht. Bijgevolg kan zij het vijfde aspect niet aanvoeren als relevante aanwijzing dat er in casu geen sprake is van één enkele economische eenheid.

109 Gesteld al dat de Commissie zich ertoe mocht beperken de omzet van Sinopec Central-China uit haar PVA-verkopen te onderzoeken, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat de Commissie niet betwist dat, zoals verzoeksters reeds in hun opmerkingen over de aanvullende definitieve mededeling hadden gesteld, Sinopec Central-China’s aankopen van PVA die derde producenten hadden vervaardigd, slechts 2 % van haar PVA-aankopen bij Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia uitmaakten. Sinopec Central-China behaalde haar omzet uit PVA-verkopen dus met PVA die zij nagenoeg volledig van Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia had gekocht.

110 Met betrekking tot het argument van de Commissie dat de omvang van de door Sinopec Central-China bij derde producenten aangekochte PVA 10 % uitmaakt van de totale hoeveelheid PVA die deze onderneming in het onderzoektijdvak naar de Unie heeft uitgevoerd, moet worden vastgesteld dat de Commissie niet uitlegt hoe deze gegevens kunnen bijdragen aan het bewijs dat Sinopec Central-China niet als een bedrijfsinterne verkoopafdeling handelde. De relevantie van dit gegeven valt te betwijfelen en wel omdat de PVA die Sinopec Central-China van derde producenten heeft gekocht niet naar de Unie is uitgevoerd, maar in China aan een verbonden onderneming is verkocht, hetgeen verzoeksters in hun opmerkingen over de aanvullende definitieve mededeling en ter terechtzitting hebben benadrukt en de Commissie niet heeft bestreden.

111 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het vijfde aspect niet relevant is voor het bewijs dat Sinopec Central-China functies uitoefende die vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent.

112 Gelet op alle voorgaande overwegingen met betrekking tot het eerste tot en met het vijfde aspect, blijkt dat alleen het tweede en het derde aspect niet voldoende zijn om een reeks overeenstemmende aanwijzingen te kunnen vormen waarmee is aan te tonen dat de functies van Sinopec Central-China vergelijkbaar zijn met de functies van een op commissiebasis werkende agent of in de weg staan aan de erkenning van zijn status van interne verkoopafdeling. In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de Commissie het bewijs dat overeenkomstig de in de punten 65 tot en met 67 hierboven vermelde rechtspraak van haar werd verlangd, niet heeft geleverd, zodat zij een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt met haar vaststelling dat Sinopec Central-China functies uitoefende die vergelijkbaar waren met die van een op commissiebasis werkende agent.

113 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden toegewezen.

Tweede onderdeel

114 Verzoeksters betogen dat de Commissie in de bestreden verordening de specifiek uit de aanhef van artikel 2, lid 10, van de basisverordening voortvloeiende verplichting niet is nagekomen om de uitvoerprijs en de normale waarde in hetzelfde handelsstadium op billijke wijze te vergelijken.

115 Teneinde een uitvoerprijs op het niveau „af fabriek” te verkrijgen, heeft de Commissie als correctie de litigieuze kosten afgetrokken van de aan onafhankelijke afnemers gefactureerde verkoopprijs (zie punt 11 hierboven).

116 Daarentegen is geen soortgelijke correctie toegepast op de door de Commissie op basis van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening berekende normale waarde; die werd geacht zonder correcties al een niveau „af fabriek” weer te geven. Deze normale waarde komt evenwel overeen met de productiekosten, zoals vastgesteld aan de hand van de productiefactoren van verzoeksters, die werden vermenigvuldigd met de niet-verstoorde waarden voor het gekozen representatieve land, te weten Turkije, vermeerderd met 17,6 % aan VAA-kosten. Tot deze verhoging is besloten op basis van informatie die de Commissie had verkregen over een Turkse producent, Ilkalem Ticaret Ve Sanayi A. S. (hierna: „Ilkalem”), waarin niet was gespecificeerd wat deze VAA-kosten inhielden. Gewoonlijk zijn de litigieuze kosten daarin echter opgenomen.

117 Verzoeksters wijzen erop dat zij in hun opmerkingen over de definitieve mededeling de aandacht van de Commissie hebben gevestigd op het feit dat de vergelijking tussen de uitvoerprijs en de normale waarde hoogstwaarschijnlijk niet billijk was, aangezien de litigieuze kosten a priori zijn opgenomen in de VAA-kosten die deel uitmaken van de door de Commissie in aanmerking genomen normale waarde.

118 Verzoeksters preciseren dat de Commissie niet van de veronderstelling uit mag gaan dat een overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening aangenomen normale waarde in alle omstandigheden overeenkomt met een niveau „af fabriek”.

119 Wegochem ondersteunt de argumenten van verzoeksters en beklemtoont dat bij de toepassing van artikel 2, lid 10, van de basisverordening de partij die een correctie verlangt weliswaar degene is die moet bewijzen dat aan de daartoe vereiste voorwaarden is voldaan, maar dat de Commissie deze partij moet meedelen welke informatie noodzakelijk is en dat zij deze partij geen onredelijke bewijslast mag opleggen.

120 Volgens Wegochem hebben verzoeksters in hun opmerkingen over de definitieve mededeling verzocht om correcties op de normale waarde om zo tot een billijke vergelijking te komen en hebben zij dit verzoek toereikend gemotiveerd, gelet op het feit dat de normale waarde was berekend overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening en de door de Commissie gebruikte gegevens over de VAA-kosten dus niet van hen afkomstig waren, maar van de databank Orbis (hierna: „Orbis-databank”), die de Commissie besloot te gebruiken en waarin slechts een totale waarde voor deze kosten zonder nadere uitsplitsing werd weergegeven. Volgens Wegochem kon de Commissie niet van verzoeksters verlangen dat zij gegevens betreffende een derde zouden overleggen die nog gedetailleerder waren dan die waarover de Commissie zelf beschikte.

121 Wegochem wijst er in elk geval op dat het algemeen bekend is dat normaal gesproken ook de litigieuze kosten in de VAA-kosten zijn opgenomen, zoals wordt bevestigd in de gebruikershandleiding bij de Orbis-databank.

122 De Commissie antwoordt dat de partij die op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening een correctie verlangt om tot een billijke vergelijking van de uitvoerprijs met de normale waarde te komen, moet bewijzen dat deze correctie gerechtvaardigd is. In de loop van de procedure die tot de vaststelling van de bestreden verordening heeft geleid, hebben verzoeksters betoogd dat bepaalde kosten die van de uitvoerprijs waren afgetrokken, niet van de normale waarde waren afgetrokken. Hun verzoek om correcties hebben zij echter niet onderbouwd. Volgens de Commissie proberen verzoeksters met hun beroep op schending van de aanhef van bovengenoemde bepaling te ontkomen aan de op hen rustende bewijslast.

123 De Commissie verduidelijkt ook dat verzoeksters ondanks het feit dat de normale waarde in het onderhavige geval berekend overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening, hun verzoek om correcties toch nader hadden moeten onderbouwen.

124 De bewoordingen van artikel 2, lid 10, eerste tot en met vijfde volzin, van de basisverordening staan in punt 59 hierboven te lezen.

125 In het onderhavige geval heeft de Commissie besloten om op basis van artikel 2, lid 10, onder e), g) en k), van de basisverordening correcties ter verlaging van de uitvoerprijs toe te passen om de litigieuze kosten uit die prijs weg te laten en zo overeenkomstig haar praktijk het niveau van een transactie „af fabriek” te verkrijgen, zoals blijkt uit de overwegingen 313, 314 en 357 van de bestreden verordening en uit de verduidelijkingen die de Commissie in antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht en ter terechtzitting heeft verstrekt.

126 Opgemerkt zij dat het alleen noodzakelijk is om correcties door te voeren om het niveau „af fabriek” van de uitvoerprijs te verkrijgen – zoals vereist volgens artikel 2, lid 10, van de basisverordening teneinde ervoor te zorgen dat „de uitvoerprijs (...) op billijke wijze met de normale waarde [wordt] vergeleken” – indien de normale waarde ook op het niveau „af fabriek” wordt berekend.

127 Volgens de in punt 65 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak stond het dus aan de Commissie, die ervoor had gekozen om de betrokken vergelijking op het niveau „af fabriek” uit te voeren, om aan te tonen dat deze correcties noodzakelijk waren teneinde tot een billijke vergelijking van de uitvoerprijs met de normale waarde te komen.

128 Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat verzoeksters, gesteld al dat zij de bewijslast droegen, in hun opmerkingen over de definitieve mededeling hebben betoogd dat de door de Commissie in aanmerking genomen uitvoerprijs niet de litigieuze kosten omvatte, terwijl bij de berekening van de normale waarde ook werd gelet op de VAA-kosten, waartoe naar alle waarschijnlijkheid de litigieuze kosten behoorden, zodat de vergelijking niet billijk kon zijn. Zij stelden de Commissie voor, hetzij de litigieuze kosten niet van de uitvoerprijs af te trekken, hetzij op basis van de door Sinopec Chongqing verstrekte gegevens correcties ter verlaging van de aangenomen normale waarde toe te passen. Zoals Wegochem beklemtoont, hebben verzoeksters de Commissie dus in wezen verzocht correcties toe te passen om te waarborgen dat de uitvoerprijs op billijke wijze met de normale waarde werd vergeleken, en hebben zij hun verzoek naar behoren gemotiveerd.

129 Het is juist dat volgens de rechtspraak artikel 2, lid 10, van de basisverordening, anders dan artikel 2.4 van de antidumpingovereenkomst, niet preciseert dat de „autoriteiten [...] de belanghebbenden [mededelen] welke gegevens zij voor een billijke vergelijking nodig hebben en [dat zij] deze belanghebbenden geen onredelijke bewijslast [opleggen]”. Voor zover de uit laatstgenoemd artikel voortvloeiende vereisten betrekking hebben op het recht van de partijen bij een administratieve procedure om de nodige gegevens te ontvangen om met kennis van zaken aan die procedure deel te kunnen nemen, en op de omvang van de bewijslast die zij moeten nakomen, maken die vereisten evenwel deel uit van de algemene beginselen van het Unierecht en met name van het beginsel van behoorlijk bestuur, dat eveneens is neergelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De instellingen van de Unie moeten de partij die om een correctie verzoekt dus meedelen welke inlichtingen daartoe noodzakelijk zijn en mogen die partij geen onredelijke bewijslast opleggen (zie in die zin arrest van 8 juli 2008, Huvis/Raad, T‑221/05, niet gepubliceerd, EU:T:2008:258, punten 77 en 78; zie in die zin en naar analogie ook arresten van 10 oktober 2012, Ningbo Yonghong Fasteners/Raad, T‑150/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:529, punt 124, en 11 september 2014, Gold East Paper en Gold Huasheng Paper/Raad, T‑443/11, EU:T:2014:774, punt 166).

130 In het onderhavige geval zijn de in punt 128 hierboven weergegeven opmerkingen van verzoeksters behandeld in de overwegingen 313 en 314 van de bestreden verordening, die luiden als volgt: „(313) In hun opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen kwamen drie in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs op tegen het feit dat de Commissie bepaalde vrachtkosten in mindering heeft gebracht op de uitvoerprijs, terwijl deze kosten (samen met uitgaven voor laden en lossen enzovoort en financiële uitgaven zoals bankkosten) niet in mindering zijn gebracht op de VAA-kosten van de producent in het representatieve land. (314) De Commissie was het niet eens met dit argument. [Zij] merkte op dat niets erop wijst dat deze kosten waren inbegrepen in de voor de producent in het representatieve land gerapporteerde VAA-kosten. Voorts hebben de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs geen bewijs van het tegendeel verstrekt. Derhalve werd dit argument afgewezen.”

131 Opgemerkt zij dat, aangezien de Commissie de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening heeft berekend, de daartoe door haar gebruikte gegevens betreffende de VAA-kosten niet afkomstig waren van verzoeksters, maar van Ilkalem, dat door de Commissie was gekozen. In dit verband geeft de Commissie toe dat een nadere uitsplitsing van de door haar gebruikte VAA-kosten uit de Orbis-databank niet onmiddellijk beschikbaar was en dat zij bijgevolg de informatie in deze databank over Ilkalem aan verzoeksters had meegedeeld.

132 Zoals Wegochem betoogt, bevatten de gegevens die de Commissie gebruikte ook een post over „other operating expenses” (andere exploitatiekosten). Onder „other operating expenses” vallen volgens de gebruikershandleiding van de Orbis-databank „All costs not directly related to the production of goods sold such as commercial costs, administrative expenses, etc. + depreciation of those costs” (alle kosten die niet rechtstreeks verband houden met de productie van verkochte goederen, zoals commerciële kosten, administratieve uitgaven, enz. + afschrijving van deze kosten). In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft de Commissie toegegeven niet te weten of de litigieuze kosten onder de „other operating expenses” vielen. Derhalve moet worden vastgesteld dat op grond van bovengenoemde definitie niet kan worden uitgesloten dat in deze „other operating expenses” de litigieuze kosten waren opgenomen.

133 Zoals Wegochem tevens nog in herinnering brengt, heeft de Commissie bovendien in de vragenlijst die zij bij het onderzoek ter vaststelling van de bestreden verordening aan de producenten-exporteurs heeft toegezonden, ook bepaalde met de litigieuze kosten overeenkomende kosten in de VAA-kosten opgenomen.

134 Hieruit volgt dat de Commissie, die zelf niet over een nauwkeuriger uitsplitsing van de VAA-kosten van Ilkalem beschikte, niet redelijkerwijs kon verlangen dat verzoeksters, nadat zij in hun opmerkingen over de definitieve mededeling aan de orde hadden gesteld of de vergelijking tussen de uitvoerprijs en de normale waarde wel billijk was, hun verzoek nader zouden onderbouwen met gegevens over een derde die nauwkeuriger waren dan die waarover de Commissie zelf beschikte.

135 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Commissie in overweging 314 van de bestreden verordening een onredelijk bewijs van verzoeksters verlangt.

136 Aan deze gevolgtrekking wordt niet afgedaan door de recente rechtspraak van het Hof waaruit blijkt dat het enkele feit dat de normale waarde is vastgesteld op basis van gegevens die niet afkomstig zijn van de betrokken producenten-exporteurs, nog geen reden is om de regel voor de bewijslastverdeling, zoals die voortvloeit uit artikel 2, lid 10, van de basisverordening en de relevante rechtspraak, te versoepelen (zie de punten 65-67 hierboven). Volgens deze rechtspraak geldt de regel dat de partij die op grond van een van de in dat artikel genoemde factoren een correctie vraagt, moet aantonen dat deze factor de prijzen en dus de vergelijkbaarheid daarvan beïnvloedt, immers ongeacht de methode die voor de berekening van de normale waarde wordt gehanteerd (zie in die zin arrest van 28 april 2022, Changmao Biochemical Engineering/Commissie, C‑666/19 P, EU:C:2022:323, punt 151).

137 Voordat het Hof tot de slotsom kwam dat de Commissie de betrokken producenten-exporteurs geen onredelijke bewijslast had opgelegd, heeft het namelijk benadrukt dat uit de litigieuze verordening bleek dat de Commissie deze producenten-exporteurs de relevante gegevens had meegedeeld (zie in die zin arrest van 28 april 2022, Changmao Biochemical Engineering/Commissie, C‑666/19 P, EU:C:2022:323, punt 152).

138 In het onderhavige geval heeft de Commissie verzoeksters echter geen gegevens verstrekt waarmee zij een nadere onderbouwing hadden kunnen geven van hun verzoek om de litigieuze kosten niet af te trekken van de uitvoerprijs noch van de normale waarde.

139 Gelet op een en ander moet het tweede onderdeel van het tweede middel worden aanvaard.

Derde onderdeel

140 Het derde onderdeel van het onderhavige middel bestaat uit twee grieven. Ten eerste betwisten verzoeksters, ondersteund door Wegochem, de keuze van de Commissie om op basis van artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening een correctie ter verhoging van de normale waarde (hierna: „tweede bestreden correctie”) toe te passen, teneinde het verschil weer te geven tussen het tarief van de verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde (btw) en het tarief van de btw-teruggave bij uitvoer. Ten tweede voeren zij aan dat de Commissie deze correctie hoe dan ook op een buitensporig hoog niveau heeft vastgesteld.

– Eerste grief

141 Verzoeksters betogen dat voor hun verkoop ten uitvoer weliswaar een teruggaaf van de voorbelasting gold, maar dat zij geen btw hoefden af te dragen, zoals blijkt uit hun facturen. Aangezien de normale waarde is berekend op basis van gegevens over een derde land, wordt bij deze waarde volgens verzoeksters bovendien per definitie geen rekening gehouden met de Chinese btw. De Commissie heeft volgens hen geen bewijs van het tegendeel kunnen leveren. Zo is het van weinig belang dat de Chinese btw-regels verschillen naargelang het gaat om verkopen op de Chinese binnenlandse markt dan wel om verkoop ten uitvoer. De Commissie heeft niet uiteengezet waarom de tweede betwiste correctie noodzakelijk was, ook al was de normale waarde op basis van die gegevens berekend.

142 Verzoeksters leiden daaruit af dat de tweede bestreden correctie niet vereist was om te komen tot een fiscaal neutrale vergelijking van de uitvoerprijs met de normale waarde. Het gaat hier immers om twee elementen die op het vlak van de indirecte belasting reeds gelijkwaardig zijn, want ze zijn beide uitgedrukt in een bedrag exclusief btw.

143 De Commissie betwist verzoeksters’ argumenten.

144 Artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening luidt als volgt: „Invoerheffingen en indirecte belastingen De normale waarde wordt gecorrigeerd voor een bedrag dat overeenkomt met alle invoerheffingen of indirecte belastingen die op een soortgelijk product en de fysiek daarin verwerkte materialen worden geheven, wanneer dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer, en die voor het naar de Unie uitgevoerde product niet worden geïnd of worden terugbetaald.”

145 In de overwegingen 387 en 388 van de bestreden verordening heeft de Commissie uiteengezet waarom zij het voor een billijke vergelijking tussen de uitvoerprijs en de normale waarde noodzakelijk achtte om de tweede bestreden correctie toe te passen, ondanks de bezwaren die met name verzoeksters in hun opmerkingen over de definitieve mededeling naar voren hadden gebracht.

146 Deze overwegingen luiden als volgt: „(387) In hun opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen voerden drie producenten-exporteurs en een producent/gebruiker in de Unie aan dat er geen correctie voor niet-terugvorderbare btw diende te worden doorgevoerd. Deze belanghebbenden voerden met name aan dat de Commissie niet heeft uitgelegd waarom een dergelijke correctie nodig is, met name in het licht van het feit dat de normale waarde wordt berekend door (gedeeltelijke) gebruikmaking van gegevens van een derde land. Deze belanghebbenden voerden tevens aan dat de Commissie niet heeft uitgelegd waarom er, zonder btw-correctie, een verschil zou bestaan tussen de uitvoerprijs en de door berekening vastgestelde normale waarde dat van invloed is op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Naar hun mening is er, aangezien de normale prijs is gebaseerd op berekening, geen teruggaaf van de voorbelasting en dient er dus geen correctie voor verschillen in de btw-teruggave te worden doorgevoerd. (388) De Commissie was het niet eens met dit argument. De Commissie bracht een correctie aan overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening voor het verschil [op het gebied van] indirecte belastingen tussen de verkoop ten uitvoer uit [China] naar de Unie en de normale waarde waarbij indirecte belastingen zoals btw buiten beschouwing zijn gelaten. De Commissie hoeft niet aan te tonen dat er met betrekking tot de door berekening vastgestelde normale waarde daadwerkelijk btw is verschuldigd die bij verkoop op de binnenlandse markt volledig kan worden terugbetaald, aangezien dit niet ter zake doet. In de normale waarde die werd berekend zoals vermeld in de overwegingen 335 tot en met 347 en 295, is btw buiten beschouwing gelaten, aangezien de normale waarde in het land van uitvoer wordt berekend aan de hand van de niet-verstoorde waarden in het representatieve land zonder rekening te houden met de btw-behandeling ter zake. De feitelijke situatie met betrekking tot de btw-behandeling van de verkoop op de binnenlandse markt en bij uitvoer speelt zich volledig af in [China]. Uit het onderzoek is gebleken dat de producenten-exporteurs in het OT in [China] een btw-verplichting aangingen van 13 % of 16 % (13 % is van toepassing van april tot en met juni 2019 en 16 % voor de periode van juli 2018 tot en met maart 2019) bij uitvoer, terwijl 5 %, 9 % of 10 % wordt terugbetaald (5 % is van toepassing van juli tot en met augustus 2018, 9 % is van toepassing van september tot en met oktober 2018 en 10 % is van toepassing van november 2018 tot en met juni 2019). Derhalve heeft de Commissie in overeenstemming met artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening voor het verschil in indirecte belastingen, in dit geval de btw die bij de verkoop ten uitvoer gedeeltelijk wordt terugbetaald, de normale waarde naar behoren gecorrigeerd. [...]”

147 Aangezien de Commissie het initiatief heeft genomen om de tweede bestreden correctie toe te passen, moest zij overeenkomstig de in de punten 65 tot en met 67 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak aantonen dat deze correctie noodzakelijk was.

148 Bijgevolg moet worden nagegaan of de Commissie de noodzaak van de tweede betwiste correctie voldoende heeft aangetoond.

149 Vastgesteld moet worden dat de formulering van overweging 388 van de bestreden verordening niet gemakkelijk te begrijpen is.

150 Evenwel moet in herinnering worden gebracht dat volgens de rechtspraak de vraag of is voldaan aan de eisen die in de zin van artikel 296, tweede alinea, VWEU gesteld worden aan de motivering van Uniehandelingen, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten – of andere personen die door deze handeling rechtstreeks en individueel worden geraakt – bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet vereist dat alle relevante feitelijke of juridische gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling voldoet aan de vereisten van dat artikel, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betreffende materie regelen (zie arrest van 20 januari 2022, Commissie/Hubei Xinyegang Special Tube, C‑891/19 P, EU:C:2022:38, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

151 Evenzo kan er bij de motivering van een verordening mee worden volstaan te verwijzen naar het geheel van omstandigheden die hebben geleid tot de vaststelling van deze verordening, en naar de algemene doelstellingen van die verordening. Derhalve mag van de instellingen van de Unie niet worden verlangd dat zij een nadere beschrijving geven van de verschillende, soms talrijke en ingewikkelde feiten met het oog waarop de verordening is vastgesteld, laat staan dat zij deze feiten min of meer volledig beoordelen (zie arrest van 20 januari 2022, Commissie/Hubei Xinyegang Special Tube, C‑891/19 P, EU:C:2022:38, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

152 Hieruit volgt dat een verordening tot vaststelling van antidumpingrechten de kern van de redenering van de Commissie moet bevatten, maar dat het niet vereist is om voor elk van de vele door de belanghebbenden aangevoerde feitelijke argumenten een specifieke motivering op te nemen. Het Gerecht kan de Commissie dus om aanvullende toelichtingen verzoeken en daarmee rekening houden bij zijn toetsing, mits deze zijn gebaseerd op gegevens uit het dossier van de Commissie (zie in die zin en naar analogie arrest van 20 januari 2022, Commissie/Hubei Xinyegang Special Tube,C‑891/19 P, EU:C:2022:38, punten 92, 93, 95 en 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

153 In het onderhavige geval heeft de Commissie twee documenten overgelegd – namelijk de bijlagen F.6 en F.7 bij de memorie met het antwoord op de schriftelijke vragen van het Gerecht – die elk het opschrift „Verificatieverslag” dragen en die zij na twee bezoeken in de kantoren van Sinopec Chongqing en Sinopec Ningxia aan verzoeksters had toegezonden. Uit bladzijde 12 van bijlage F.6 en bladzijde 8 van bijlage F.7 blijkt dat een Chinese exportonderneming die bij een andere Chinese onderneming producten kocht om die vervolgens uit te voeren, tijdens het onderzoektijdvak een btw-tarief van aanvankelijk 16 % en later 13 % betaalde. Bij de uitvoer kon een gedeelte van deze reeds betaalde btw worden teruggevraagd. Tijdens dit tijdvak ging het eerst om 5 %, later om 9 % en ten slotte om 10 % van deze btw. Het verschil tussen de voorbelasting bij uitvoer en deze teruggaaf vormt de niet-terugvorderbare btw.

154 Voorts hebben verzoeksters ter terechtzitting verduidelijkt dat zij overweging 388 van de bestreden verordening betwistten voor zover de Commissie daarin stelde dat er in China tijdens het onderzoektijdvak bij uitvoer 13 % of 16 % btw werd geheven. Volgens hen was deze btw wel van toepassing op binnenlandse verkopen, maar niet op de verkoop ten uitvoer. Verzoeksters hebben ook erkend dat de kwestie van de niet-terugvorderbare btw de enige relevante kwestie vormde.

155 In het licht van de verduidelijkingen die de Commissie aldus heeft verstrekt en waarover verzoeksters beschikten, moet overweging 388 van de bestreden verordening aldus worden begrepen dat de Commissie, zoals zij ter terechtzitting heeft bevestigd, van mening was dat in de uitvoerprijs van de producten van verzoeksters een bedrag ter hoogte van de niet-terugvorderbare btw was opgenomen terwijl de normale waarde exclusief btw was berekend, en dat in deze omstandigheden een correctie ter verhoging van de normale waarde gerechtvaardigd was om een billijke vergelijking te waarborgen.

156 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Commissie heeft aangetoond dat de tweede bestreden correctie noodzakelijk was.

157 Opgemerkt zij evenwel dat het niet de bedoeling van artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening is om de volgens artikel 2, lid 6 bis, van deze verordening berekende normale waarde van het representatieve land te corrigeren voor de niet-terugvorderbare btw die van invloed is op de prijs bij uitvoer in het land waar de invoer met dumping vandaan komt. De Commissie heeft dus ten aanzien van de rechtsgrondslag van de tweede bestreden correctie een verkeerde toepassing gegeven aan het recht. Er zij evenwel aan herinnerd dat een Uniehandeling volgens vaste rechtspraak niet wegens een onjuiste rechtsgrondslag kan worden vernietigd wanneer een dergelijke onjuiste grondslag geen beslissende invloed heeft gehad op het oordeel van de opsteller ervan (zie in die zin en naar analogie arresten van 18 december 1997, Costantini/Commissie, T‑57/96, EU:T:1997:214, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 juni 2015, Navarro/Commissie, T‑556/14 P, EU:T:2015:368, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het onderhavige geval is de toepassing van dit beginsel geboden. Er zij op gewezen dat de Commissie op grond van artikel 2, lid 10, onder k), van de basisverordening – waarin is bepaald dat er „correcties [kunnen] worden toegepast voor verschillen voor andere factoren dan vermeld [in artikel 2, lid 10,] onder a) tot en met j), [van deze verordening] indien wordt aangetoond dat die van invloed zijn op de prijsvergelijking [...], met name wanneer klanten bij voortduring verschillende prijzen op de binnenlandse markt betalen ten gevolge van deze factoren” – de tweede bestreden correctie immers kon toepassen om de symmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs van het betrokken product te herstellen en een billijke vergelijking tussen deze twee waarden te waarborgen (zie in die zin en naar analogie arrest van 19 mei 2021, China Chamber of Commerce for Import and Export of Machinery and Electronic Products e.a./Commissie, T‑254/18, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2021:278, punt 597).

158 Dienaangaande moet in antwoord op het door verzoeksters ter terechtzitting en door Wegochem in haar memorie in interventie aangevoerde argument worden verduidelijkt dat in casu is voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 2, lid 10, onder k), van de basisverordening. Terwijl de niet-terugvorderbare btw de uitvoerprijs verhoogt, staat immers vast dat er geen btw in de normale waarde is opgenomen als die is berekend aan de hand van gegevens van een derde land en met toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening de prijs van het betrokken product op de nationale markt van het land van uitvoer vervangt.

159 Gelet op een en ander moet de eerste grief die verzoeksters ter ondersteuning van het derde onderdeel van het tweede middel hebben aangevoerd, worden afgewezen.

– Tweede grief

160 Verzoeksters betogen dat, gesteld al dat een correctie op grond van artikel 2, lid 10, onder b), van de basisverordening noodzakelijk was, de in de bestreden verordening vastgestelde correctie buitensporig is, aangezien er geen rekening mee wordt gehouden dat de voorbelasting wordt berekend over de waarde van de grondstoffen, terwijl de terugbetaling bij uitvoer wordt berekend op basis van de waarde van de verkoop. Zij illustreren deze grief met een voorbeeldberekening waarin zij als bedrag van de niet-terugvorderbare btw uitgaan van het verschil tussen enerzijds het bedrag aan voorbelasting over de kosten van bepaalde voor de berekening van de normale waarde gebruikte productiemiddelen, en anderzijds het bedrag aan btw-teruggave zoals vastgesteld als percentage van de uitvoerprijs.

161 De Commissie betwist verzoeksters’ argumenten.

162 In herinnering moet worden gebracht dat bij de tweede bestreden correctie de aangenomen normale waarde, die gebaseerd was op Turkse gegevens en geen btw bevatte, met een percentage werd verhoogd en het zo mogelijk werd om een billijke vergelijking te maken met de uitvoerprijs, gelet op het feit dat die tenslotte zelf een bedrag omvatte dat overeenkwam met de niet-terugvorderbare btw. Anders dan verzoeksters lijken te betogen, heeft de Commissie het percentage aan voorbelasting dus niet opgenomen in de kosten van productiemiddelen die voor de berekening van de normale waarde zijn gebruikt, en evenmin heeft zij van het zo tot stand gekomen bedrag aan voorbelasting een bedrag afgetrokken dat overeenkwam met het percentage aan btw over de uitvoerprijs dat werd teruggegeven. Hieruit volgt dat de argumenten van verzoeksters die de onderhavige grief moeten staven, niet in overeenstemming zijn met de feiten van de onderhavige zaak, zodat daarmee niet kan worden aangetoond dat de tweede bestreden correctie buitensporig hoog is.

163 Bijgevolg moet de tweede grief die verzoeksters ter ondersteuning van het derde onderdeel van het tweede middel hebben aangevoerd, worden afgewezen en daarmee ook dit onderdeel in zijn geheel.

164 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de eerste twee onderdelen van het tweede middel gegrond zijn, terwijl het derde onderdeel van dit middel ongegrond is.

Derde middel: schending van artikel 18, leden 1 en 5, van de basisverordening alsook van artikel 6.8 van de antidumpingovereenkomst en bijlage II daarbij

165 Met het onderhavige middel voeren verzoeksters twee grieven aan, na eerst te hebben verduidelijkt niet te betwisten dat de Commissie de normale waarde van Sinopec Ningxia mocht berekenen op basis van de beschikbare gegevens in de zin van artikel 18 (zie punt 10 hierboven). Ten eerste stellen zij dat de Commissie gegevens die zij bij een eerste toepassing van artikel 18 heeft verkregen, niet kan gebruiken als beschikbare gegevens in de zin van dat artikel. Ten tweede verwijten verzoeksters de Commissie dat zij hen heeft benadeeld en niet is uitgegaan van de in bijlage II bedoelde „meest betrouwbare informatie die beschikbaar is” (hierna: „meest betrouwbare informatie die beschikbaar is”), welke bijlage betrekking heeft op artikel 6.8 van de antidumpingovereenkomst, een bepaling die in artikel 18 van de basisverordening in het Unierecht is omgezet.

Eerste grief

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in