Gerecht EU 12 juli 2011, T-112/07, ECLI:EU:T:2011:342

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑112/07

Hitachi Ltd e.a.

tegen

Europese Commissie

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van projecten van gasgeïsoleerd schakelmateriaal – Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst – Verdeling van markt – Rechten van verdediging – Bewijs van inbreuk – Eén enkele voortdurende inbreuk – Geldboeten – Zwaarte en duur van inbreuk – Afschrikkende werking – Medewerking”

Samenvatting van het arrest

1. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Toegang tot dossier – Omvang – Niet-overlegging van document – Gevolgen

(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53, lid 1)

2. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Mededeling van antwoorden op mededeling van punten van bezwaar – Voorwaarden – Grenzen

(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53, lid 1)

3. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Bewijs van inbreuk – Schriftelijke getuigenverklaringen van werknemers van vennootschap die betrokken is bij inbreuk – Bewijswaarde – Beoordeling

(Art. 81, lid 1, EG; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie)

4. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Grondrechten – Vermoeden van onschuld – Mededingingsprocedure

(Art. 6, lid 2, VEU; art. 81, lid 1, EER-Overeenkomst, art. 53, lid 1)

5. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijslevering – Bundel aanwijzingen

(art. 81, lid 1, EG)

6. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Bewijs van inbreuk – Beoordeling van bewijswaarde van verschillende bewijselementen – Criteria

(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53, lid 1)

7. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijs van inbreuk en duur daarvan ten laste van Commissie

(Art. 81, lid 1, EG; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie)

8. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Niet-oplegging of vermindering van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming

(Art. 81, lid 1, EG, mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie, punt 21)

9. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Aantasting van mededinging – Beoordelingscriteria – Mededinging beperkend doel – Vaststelling daarvan toereikend

(Art. 81, lid 1, EG, EER-Overeenkomst, art. 53, lid 1)

10. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die één enkele inbreuk vormen – Begrip – Persoonlijke aansprakelijkheid van ondernemingen die medeplegers van volledige inbreuk zijn – Voorwaarden

(Art. 81, lid 1, EG, EER-Overeenkomst, art. 53, lid 1)

11. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Criteria – Zwaarte van inbreuk

(Art. 81, lid 1, EG, EER-Overeenkomst, art. 53, lid 1, verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

12. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Bepaling – Afschrikkende werking

(Art. 81, lid 1, EG; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

1. In een administratieve procedure tot toepassing van de mededingingsregels impliceert het recht op toegang tot het dossier, als uitvloeisel van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid moet bieden, alle voor haar verdediging mogelijk relevante documenten in het onderzoeksdossier te onderzoeken. Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie.

Het feit dat een document dat de Commissie heeft gebruikt om jegens een onderneming het bestaan van een inbreuk te staven, niet is meegedeeld, levert slechts een schending van de rechten van de verdediging op wanneer de betrokken onderneming aantoont dat de Commissie in haar beschikking tot een ander resultaat zou zijn gekomen indien het niet-meegedeelde document op grond waarvan de Commissie deze onderneming heeft beschuldigd, als belastend bewijsmiddel zou zijn uitgesloten.

De betrokken onderneming hoeft met betrekking tot de niet-mededeling van een ontlastend document enkel aan te tonen dat de niet-overlegging daarvan het verloop van de procedure en de inhoud van de beschikking van de Commissie ten nadele van deze onderneming heeft kunnen beïnvloeden. Het volstaat dat de onderneming aantoont dat zij die ontlastende stukken voor haar verweer had kunnen gebruiken, in de zin dat indien zij zich tijdens de administratieve procedure daarop had kunnen beroepen, zij elementen had kunnen aanvoeren die niet met de vaststellingen van de Commissie in dat stadium overeenstemden en zij dus op enigerlei wijze het oordeel van de Commissie in de beschikking had kunnen beïnvloeden, althans wat de zwaarte en de duur van het haar verweten gedrag en derhalve het bedrag van de geldboete betreft.

(cf. punten 31, 36‑37)

2. In het kader van een procedure die is ingeleid wegens inbreuken op de mededingingsregels, wordt de betrokken onderneming pas aan het begin van de administratieve fase op tegenspraak, door middel van de mededeling van punten van bezwaar, ingelicht over de belangrijkste feiten waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert en beschikt deze onderneming over een recht van toegang tot het dossier teneinde een daadwerkelijke uitoefening van haar rechten van de verdediging te waarborgen. Bijgevolg behoort het antwoord van de andere kartelleden op de mededeling van punten van bezwaar in beginsel niet tot de stukken van het onderzoeksdossier die partijen kunnen inzien.

Indien de Commissie een passage uit een antwoord op een mededeling van punten van bezwaar of een bij een dergelijk antwoord gevoegd document als basis wil gebruiken om in een procedure tot toepassing van artikel 81, lid 1, EG het bestaan van een inbreuk vast te stellen, moeten de andere ondernemingen in die procedure evenwel in staat worden gesteld zich over dat bewijsstuk uit te spreken. In die omstandigheden is de betrokken passage uit een antwoord op de mededeling van punten van bezwaar of een daarbij gevoegd document immers een belastend stuk voor de verschillende ondernemingen die aan de inbreuk zouden hebben deelgenomen.

Mutatis mutandis vormen een passage uit een antwoord op een mededeling van punten van bezwaar of een bij een dergelijk antwoord gevoegd document die voor de verdediging van een onderneming van belang kunnen zijn doordat deze aan de hand daarvan elementen kan aanvoeren die niet met de door de Commissie in die fase getrokken conclusies overeenkomen, bewijzen à décharge. In dat geval dient de betrokken onderneming in de gelegenheid te worden gesteld om deze passage of dit document te onderzoeken en zich daarover uit te spreken.

(cf. punten 32‑34)

3. De schriftelijke getuigenverklaringen van de werknemers van een onderneming die onder het toezicht van deze onderneming zijn opgesteld en door deze onderneming met het oog op haar verdediging in het kader van de door de Commissie wegens inbreuken op de mededingingsregels gevoerde administratieve procedure worden overgelegd, kunnen in beginsel niet worden gekwalificeerd als elementen die verschillen en losstaan van de verklaringen van die onderneming zelf. Het standpunt van een onderneming inzake de juistheid van de haar door de Commissie verweten feiten berust in de regel immers in de eerste plaats op de kennis en de meningen van haar werknemers en bestuurders.

De getuigenissen van de werknemers van een onderneming die aan een kartel heeft deelgenomen, vormen dan ook geen van de verklaringen van deze laatste afzonderlijke en losstaande bewijzen, aangezien deze getuigen zich voor de Commissie hebben uitgesproken op het initiatief van die onderneming en in het kader van de verplichting tot samenwerking van deze laatste uit hoofde van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken, waarbij zij een beroep op de externe raadsman van de betrokken onderneming hebben kunnen doen. Bijgevolg zijn deze getuigenissen niet geschikt om de verklaringen van de onderneming die hen tewerkstelt, te bevestigen. Veeleer vervolledigen zij deze verklaringen, die zij kunnen verduidelijken en waarvan zij de inhoud kunnen concretiseren. Derhalve moeten deze verklaringen ook worden bevestigd door andere bewijselementen.

(cf. punten 48, 129)

4. Twijfel bij de rechter dient in het voordeel te spelen van de onderneming die de adressaat is van de beschikking waarbij een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG is vastgesteld. De rechter kan dus niet vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft aangetoond, wanneer daarover bij hem nog twijfel bestaat, met name in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking waarbij een boete is opgelegd.

In het laatstgenoemde geval moet immers rekening worden gehouden met het beginsel van het vermoeden van onschuld zoals dit met name voortvloeit uit artikel 6, lid 2, van het Europese Verdrag van de rechten van de mens, dat deel uitmaakt van de fundamentele rechten die algemene beginselen van gemeenschapsrecht vormen. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken alsook op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties, is het beginsel van het vermoeden van onschuld inzonderheid van toepassing op procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels die tot het opleggen van geldboetes of dwangsommen kunnen leiden.

(cf. punten 58‑59)

5. Op het gebied van de mededinging is het noodzakelijk dat de Commissie zich op nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen baseert om het bestaan van de inbreuk aan te tonen. Niettemin hoeft niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria te voldoen. Het volstaat dat de door deze instelling aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet. Het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst kan dus worden afgeleid uit een reeks coïncidenties en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden.

Wanneer de Commissie uitsluitend op basis van het marktgedrag van de betrokken ondernemingen een inbreuk vaststelt, is het evenwel voldoende dat deze ondernemingen omstandigheden aantonen die een ander licht werpen op de door de Commissie vastgestelde feiten en een andere plausibele verklaring van de feiten bieden die in de plaats kan worden gesteld van die op basis waarvan de Commissie tot de conclusie is gekomen dat sprake is van schending van de mededingingsregels.

Deze regel geldt niet voor alle gevallen waarin de inbreuk uitsluitend aan de hand van niet-schriftelijke stukken is bewezen. Met betrekking tot de bewijsmiddelen die kunnen worden gebruikt om een inbreuk op artikel 81, EG aan te tonen, primeert in het gemeenschapsrecht immers het beginsel van de vrije bewijslevering.

Ook al kan het ontbreken van schriftelijke bewijzen in het kader van de globale beoordeling van de door de Commissie ingeroepen bundel van aanwijzingen van belang blijken, leidt deze omstandigheid er op zich dan ook niet toe dat de betrokken onderneming het betoog van de Commissie ter discussie kan stellen door een andere uitleg aan de feiten te geven. Dat is enkel het geval indien uit de door de Commissie aangevoerde bewijzen niet ondubbelzinnig blijkt dat sprake is van een inbreuk, zonder dat daarvoor enige interpretatie hoeft te worden verricht.

Om dezelfde reden is de Commissie zelfs bij het ontbreken van schriftelijke bewijzen niet verplicht om onafhankelijke onderzoeken ter verificatie van de feiten te verrichten.

(cf. punten 60‑66)

6. In het kader van een procedure wegens inbreuk op artikel 81, lid 1, EG is het enige voor de beoordeling van de bewijskracht van de verschillende bewijzen relevante criterium de geloofwaardigheid ervan. Volgens de algemene bewijsregels hangt de geloofwaardigheid – en bijgevolg de bewijskracht – van een document af van de oorsprong ervan, van de omstandigheden waarin het is opgesteld, van degene tot wie het gericht is en van de inhoud ervan.

Met betrekking tot door ondernemingen afgelegde verklaringen kan een bijzonder grote bewijskracht worden toegekend aan verklaringen die, ten eerste, betrouwbaar zijn, ten tweede, in naam van een onderneming zijn gegeven, ten derde, zijn afgelegd door een persoon die de professionele verplichting had om in het belang van deze vennootschap te handelen, ten vierde, tegen de belangen van diezelfde persoon ingaan, ten vijfde, van een directe getuige van de beschreven omstandigheden afkomstig zijn, en ten zesde, schriftelijk en na weloverwogen en rijp beraad zijn afgelegd.

De verklaring van een onderneming die van deelneming aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, kan daarentegen niet worden beschouwd als een voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, indien zij niet door andere bewijselementen wordt gestaafd. Indien zij echter in hoge mate betrouwbaar zijn, behoeven deze verklaringen een minder precieze en minder nadrukkelijke bevestiging dan wanneer zij niet bijzonder geloofwaardig waren geweest.

(cf. punten 68‑71)

7. Hoewel een zekere argwaan ten aanzien van vrijwillige verklaringen van de voornaamste deelnemers aan een onrechtmatige mededingingsregeling gewoonlijk geboden is, aangezien deze deelnemers geneigd kunnen zijn om het belang van hun eigen bijdrage te bagatelliseren en dat van de anderen te overtrekken, neemt dit niet weg dat wanneer om toepassing van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken wordt verzocht teneinde kwijtschelding of verlaging van de geldboete te verkrijgen, dit er niet noodzakelijkerwijs een aanzet toe vormt om bewijzen vertekend weer te geven, wat de deelneming van de andere kartelleden betreft. Iedere poging om de Commissie te misleiden kan immers twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van de verzoeker en bijgevolg zijn mogelijkheid om volledig profijt uit de mededeling inzake medewerking te trekken, in gevaar brengen.

Het is juist dat, wat de individuele motivering van de getuigen betreft, de werknemers van een onderneming die een clementieverzoek heeft ingediend, die verplicht zijn om in het belang van deze onderneming op te treden, mogelijkerwijs allen zoveel mogelijk bewijzen à charge wensen te verstrekken, ook omdat hun medewerking in de loop van de procedure een positieve impact op hun latere loopbaan kan hebben. Zelfs indien dit het geval is, zullen deze werknemers zich evenwel eveneens bewust zijn van de mogelijke negatieve gevolgen van het verstrekken van onjuiste bewijselementen, die immers bevestiging door andere bewijzen behoeven en dus gevoeliger liggen.

(cf. punten 72, 130)

8. De Commissie kan slechts een vermindering van geldboete verlenen uit hoofde van punt 21 van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken indien de betrokken bewijselementen significante bewijskracht hebben, vergeleken met het bewijsmateriaal waarover de Commissie reeds beschikt. Bijgevolg kan een onderneming die in aanmerking wenst te komen voor een vermindering van de geldboete zich in haar clementieverzoek dat na de verzending van het antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar is ingediend, op goede gronden concentreren op de elementen die volgens haar tot dan niet rechtens genoegzaam zijn aangetoond, teneinde een significant toegevoegde waarde te leveren. Dit kan verklaren waarom de betrokken onderneming voorbijgaat aan elementen waarvan zij meent dat deze ongetwijfeld reeds door eerder overgelegde elementen zijn aangetoond.

Gelet op de bewoordingen van punt 21 van de mededeling inzake medewerking kan bovendien niet worden uitgesloten dat het overleggen van bewijselementen met een zekere bewijswaarde, maar die betrekking hebben op feiten die reeds door andere elementen zijn bewezen, geen aanleiding tot enige vermindering geeft.

(cf. punten 178‑180)

9. Voor het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) volstaat het dat de betrokken ondernemingen hun gemeenschappelijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op de markt op een bepaalde wijze te gedragen. Op de concrete gevolgen van een overeenkomst hoeft geen acht te worden geslagen, wanneer eenmaal is gebleken dat deze tot doel had de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verhinderen, te beperken of te vervalsen. In dit verband impliceert het bestaan van een wederzijdse verbintenis noodzakelijkerwijs dat sprake is van een gemeenschappelijke wil, ook al ontbreken gegevens over het juiste tijdstip waarop deze wil tot stand is gekomen of formeel uitdrukking daaraan is gegeven.

(cf. punten 268‑269)

10. De in artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, van de EER‑Overeenkomst bedoelde overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen zijn noodzakelijkerwijs het resultaat van een samenwerking van verscheidene ondernemingen, die alle medeplegers van de inbreuk zijn, maar waarvan de deelname verschillende vormen kan aannemen, afhankelijk van met name de kenmerken van de betrokken markt en de positie van elke onderneming op deze markt, de nagestreefde doelstellingen en de gekozen of voorgenomen uitvoeringsmethoden. Het loutere feit dat elke onderneming op haar eigen wijze aan de inbreuk deelneemt, volstaat evenwel niet om haar aansprakelijkheid voor de gehele inbreuk, daaronder begrepen gedragingen die in feite door andere deelnemende ondernemingen zijn begaan, maar die hetzelfde mededingingbeperkende doel of gevolg hebben, uit te sluiten.

Een onderneming die aan een inbreuk heeft deelgenomen door middel van voor haar kenmerkende gedragingen die vallen onder het begrip overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingbeperkend doel in de zin van artikel 81, lid 1, EG of artikel 53, lid 1, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in haar geheel beoogden te leveren, is aldus voor de gehele duur van haar deelneming aan deze inbreuk eveneens aansprakelijk voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk wanneer komt vast te staan dat de betrokken onderneming de onrechtmatige gedragingen van de andere deelnemers kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden.

Dat is het geval voor een onderneming van een derde land die slechts een passieve rol heeft gespeeld in het kader van een gemeenschappelijk akkoord waarbij bepaalde projecten in de EER aan de Europese producenten werden voorbehouden, wanneer zij op de hoogte was van dit akkoord en haar passieve houding niet het gevolg was van haar vrijwillige keuze maar voortvloeide uit de vorm van haar deelneming aan de overeenkomst voor de EER-markt en haar deelneming een voorafgaande voorwaarde vormde om de projecten in de EER aan de Europese producenten te kunnen toewijzen.

(cf. punten 287‑290)

11. Ingeval een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG door meerdere ondernemingen is gepleegd, moet het relatieve gewicht van de deelneming van elk van hen worden onderzocht. Aldus dient het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij de onderdelen waaraan zij wel heeft deelgenomen, in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en bij de bepaling van de geldboete.

Wat inzonderheid een akkoord betreft in het kader waarvan ondernemingen van derde landen er zich toe hebben verbonden om niet tot de markt van de Europese Economische Ruimte (EER) door te stoten en de Europese ondernemingen hunnerzijds de verschillende projecten op diezelfde markt via positieve mededingingsbeperkende handelingen onderling hebben verdeeld, is de zwaarte van het gedrag van de ondernemingen van de derde landen vergelijkbaar met die van het gedrag van de Europese ondernemingen, aangezien hun niet-deelneming aan de toewijzing van de projecten in de EER niet het gevolg was van hun vrijwillige keuze, maar louter voortvloeide uit de aard van hun deelneming aan de betrokken overeenkomst.

(cf. punten 312, 314‑316)

12. Wat de recidive betreft, vormt de afschrikkende werking één van de doelstellingen van de geldboete. Bovendien vormt de noodzaak om een dergelijke afschrikkende werking te waarborgen een algemeen vereiste waardoor de Commissie zich gedurende de gehele berekening van het bedrag van de geldboete moet laten leiden en is daarvoor niet noodzakelijkerwijs vereist dat er in deze berekening een specifieke fase is waarin alle voor de verwezenlijking van die doelstelling relevante omstandigheden tezamen worden beoordeeld.

De Commissie kan dus, zonder blijk te gegeven van een onjuiste opvatting, rekening met dat element houden, niet bij de vaststelling van de afschrikkingsfactoren, maar in het kader van de beoordeling van de verzwarende omstandigheden.

(cf. punt 353)

ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)

12 juli 2011 (*)

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt voor projecten van gasgeïsoleerd schakelmateriaal – Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst – Marktverdeling – Rechten van verdediging – Bewijs van inbreuk – Eén enkele voortdurende inbreuk – Geldboeten – Zwaarte en duur van inbreuk – Afschrikkende werking – Medewerking”

In zaak T‑112/07,

Hitachi Ltd, gevestigd te Tokio (Japan),

Hitachi Europe Ltd, gevestigd te Maidenhead (Verenigd Koninkrijk),

Japan AE Power Systems Corp., gevestigd te Tokio,

vertegenwoordigd door M. Reynolds, P. Mansfield en B. Roy, solicitors, D. Arts, advocaat, N. Green, QC, en S. Singla, barrister,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Arbault, vervolgens door X. Lewis, nadien door P. van Nuffel en J. Bourke, en ten slotte door P. van Nuffel, N. Khan en F. Ronkes Agerbeek als gemachtigden, bijgestaan door J. Holmes, barrister,

verweerster,

betreffende een verzoek, primair, tot nietigverklaring van beschikking C(2006) 6762 def. van de Commissie van 24 januari 2007 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/F/38.899 – Gasgeïsoleerd schakelmateriaal), voor zover deze beschikking verzoeksters betreft, alsook tot nietigverklaring van de hun opgelegde geldboeten, subsidiair, een verzoek tot nietigverklaring van artikel 2 van die beschikking voor zover dit artikel verzoeksters betreft en, meer subsidiair, een verzoek tot nietigverklaring of verlaging van de aan verzoeksters opgelegde geldboeten,

wijst

HET GERECHT (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: I. Pelikánová (rapporteur), kamerpresident, K. Jürimäe en S. Soldevila Fragoso, rechters,

griffier: C. Kantza, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 december 2009,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

A – Verzoeksters

1 Hitachi Ltd en haar dochteronderneming, Hitachi Europe Ltd (hierna samen: „onderneming Hitachi”), zijn ondernemingen die actief zijn in verschillende industriële sectoren, waaronder die van gasgeïsoleerd schakelmateriaal (hierna: „GGS”). Japan AE Power Systems Corp. (hierna: „JAEPS”) is een joint venture van Hitachi, Fuji Electric Systems Co. Ltd en Meidensha Corp. Zij heeft met name de activiteiten op het gebied van GGS overgenomen van de concerns waartoe haar aandeelhouders op 1 oktober 2002 behoorden.

B – Betrokken producten

2 GGS wordt gebruikt om de energiestroom in elektriciteitsnetwerken te controleren. Het is zwaar elektrisch materieel, dat wordt gebruikt als belangrijkste bestanddeel van elektriciteitsonderstations. GGS wordt wereldwijd verkocht als onderdeel van kant-en-klaar opgeleverde elektriciteitsonderstations of als afzonderlijk verkocht onderdeel voor dergelijke onderstations.

C – Administratieve procedure

3 Op 3 maart 2004 heeft ABB Ltd de Commissie van de Europese Gemeenschappen in het kader van een mondeling clementieverzoek, ingediend overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 19 februari 2002 betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „clementieregeling”), op het bestaan van mededingingsverstorende praktijken in de GGS-sector gewezen.

4 ABB heeft haar clementieverzoek aangevuld met mondelinge opmerkingen en met bewijsstukken. Op 24 april 2004 heeft de Commissie ABB een voorwaardelijke immuniteit verleend.

5 De Commissie is op basis van de verklaringen van ABB een onderzoek gestart en heeft op 11 en 12 mei 2004 inspecties verricht in de kantoren van verschillende ondernemingen die actief zijn in de GGS-sector.

6 Op 20 april 2006 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, die aan 20 ondernemingen, waaronder verzoeksters, ter kennis is gebracht. Op 18 en 19 juli 2006 heeft de Commissie de ondernemingen waartoe de mededeling van de punten van bezwaar was gericht, gehoord.

D – Bestreden beschikking

7 Op 24 januari 2007 heeft de Commissie beschikking C(2006) 6762 def. in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/F/38.899 – Gasgeïsoleerd schakelmateriaal) vastgesteld (hierna: „bestreden beschikking”).

8 In de punten 113 tot en met 123 van de bestreden beschikking heeft de Commissie opgemerkt dat de verschillende ondernemingen die aan de mededingingsregeling hebben deelgenomen, de toewijzing van GGS-projecten wereldwijd, behalve op bepaalde markten, volgens overeengekomen regels hebben gecoördineerd teneinde met name quota te handhaven die in verregaande mate hun geschatte historische marktaandelen weerspiegelden. Zij heeft gepreciseerd dat de toewijzing van GGS-projecten op basis van een gezamenlijk „Japans” quotum en een gezamenlijk „Europees” quotum geschiedde, die vervolgens door de Japanse producenten respectievelijk de Europese producenten onder elkaar dienden te worden verdeeld. In een op 15 april 1988 te Wenen gesloten overeenkomst (hierna: „GQ-overeenkomst”) werden regels vastgesteld op basis waarvan de GGS-projecten ofwel aan de Japanse producenten ofwel aan de Europese producenten moesten worden toegewezen en de waarde ervan op het overeenkomstige quotum diende te worden geïmputeerd. Voorts heeft de Commissie in de punten 124 tot en met 132 van de bestreden beschikking gepreciseerd dat de verschillende ondernemingen die aan de mededingingsregeling hebben deelgenomen, een niet-schriftelijk akkoord hebben gesloten (hierna: „gemeenschappelijk akkoord”) volgens hetwelk de GGS-projecten in Japan, enerzijds, en in de landen van de Europese kartelleden, anderzijds, samen als de „landen van oorsprong” van de GGS-projecten aangeduid, respectievelijk aan de Japanse en de Europese kartelleden werden voorbehouden. Over de GGS-projecten in de „landen van oorsprong” werd geen informatie tussen de twee groepen uitgewisseld en deze projecten werden niet op de respectieve quota aangerekend.

9 De GQ-overeenkomst bevatte ook regels betreffende de voor het functioneren van het kartel noodzakelijke uitwisseling van informatie tussen de twee groepen van producenten die met name door de secretarissen van deze groepen werd verricht, de manipulatie van de betrokken aanbestedingen en de vaststelling van prijzen voor de GGS-projecten die niet konden worden toegewezen. Volgens de bewoordingen van bijlage 2 bij de GQ-overeenkomst was deze overeenkomst wereldwijd van toepassing, behalve in de Verenigde Staten, Canada, Japan en 17 West-Europese landen. Bovendien werden de GGS-projecten in de andere Europese landen dan de „landen van oorsprong” krachtens het gemeenschappelijk akkoord ook aan de Europese groep voorbehouden, aangezien de Japanse producenten zich ertoe hadden verbonden, geen offertes voor GGS-projecten in Europa in te dienen.

10 Volgens de Commissie werd de verdeling van de GGS-projecten tussen de Europese producenten geregeld door een eveneens op 15 april 1988 te Wenen ondertekend akkoord met de naam „E-Group Operation Agreement for GQ-Agreement” (groep E-overeenkomst ter uitvoering van de GQ-overeenkomst) (hierna: „EQ-overeenkomst”). De Commissie heeft erop gewezen dat de toewijzing van GGS-projecten in Europa volgens dezelfde regels en procedures verliep als de toewijzing van GGS-projecten in andere landen. Meer bepaald dienden de GGS-projecten in Europa eveneens ter kennis te worden gebracht, geïnventariseerd, toegewezen en onderling geregeld, of was hiervoor een minimumprijs vastgesteld.

11 Op grond van de in de beschikking gedane feitelijke vaststellingen en juridische beoordelingen heeft de Commissie geconstateerd dat de betrokken ondernemingen inbreuk hadden gemaakt op artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna: „EER-Overeenkomst”) en heeft zij hun geldboeten opgelegd waarvan het bedrag is berekend overeenkomstig de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren voor de berekening van geldboeten”), alsook op basis van de clementieregeling.

12 In artikel 1 van de bestreden beschikking heeft de Commissie geconstateerd dat, ten eerste, Hitachi van 15 april 1988 tot 31 december 1999 en van 2 juli 2002 tot 11 mei 2004 aan de inbreuk had deelgenomen, ten tweede, Hitachi Europe van 15 april 1988 tot 31 december 1999 en van 2 juli 2002 tot 30 september 2002 aan de inbreuk had deelgenomen, en ten derde, JAEPS van 1 oktober 2002 tot 11 mei 2004 aan de inbreuk had deelgenomen.

13 Voor de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde inbreuk is Hitachi in artikel 2 van de bestreden beschikking een geldboete van 50 400 000 EUR opgelegd, waarvan zij 48 375 000 EUR hoofdelijk met Hitachi Europe diende te betalen. Evenzo is JAEPS in datzelfde artikel een geldboete van 1 350 000 EUR opgelegd, hoofdelijk te betalen met Hitachi, Fuji Electric Holdings Co. Ltd en Fuji Electric Systems (hierna samen aangeduid als: „Fuji”).

Procesverloop en conclusies van partijen

14 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 april 2007, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld. Het verweerschrift en de memorie van repliek zijn ingediend op 13 augustus en 21 november 2007. De schriftelijke behandeling werd op 10 januari 2008 afgesloten met de indiening van de memorie van dupliek.

15 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer) op 22 september 2009 besloten om tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft het Gerecht de Commissie verzocht om bepaalde documenten over te leggen en partijen verzocht, zich over de relevantie van deze documenten uit te spreken wat het aan schending van het recht van toegang tot het dossier ontleende middel betreft. Het Gerecht heeft de Commissie tevens een schriftelijke vraag gesteld met het verzoek deze ter terechtzitting te beantwoorden.

16 In antwoord op het verzoek van het Gerecht heeft de Commissie de betrokken documenten op 26 oktober 2009 overgelegd. Verzoeksters hebben op 18 november 2009 hun opmerkingen over deze documenten ingediend. De Commissie heeft de opmerkingen van verzoeksters op 3 december 2009 beantwoord.

17 Partijen hebben ter terechtzitting van 8 december 2009 pleidooi gehouden en op de schriftelijke en mondelinge vragen van het Gerecht geantwoord.

18 Bij beschikking van 26 maart 2010 heeft het Gerecht besloten om de mondelinge behandeling te heropenen. Op 29 maart 2010 heeft het Gerecht in het kader van de in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering voorziene maatregelen tot organisatie van de procesgang de Commissie verzocht, een aantal documenten over te leggen.

19 Aangezien de Commissie aanvoerde dat sommige van deze documenten niet konden worden overgelegd wegens de in het kader van de clementieregeling verleende bescherming, heeft het Gerecht in het kader van de maatregelen van instructie bedoeld in artikel 65 van het Reglement voor de procesvoering, de Commissie bij beschikking van 11 juni 2010 bevolen, deze stukken over te leggen en het heeft de voorwaarden vastgesteld waaronder die stukken door verzoeksters konden worden geraadpleegd. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn aan deze maatregel van instructie voldaan.

20 De mondelinge behandeling is gesloten op 27 juli 2010.

21 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:

– de bestreden beschikking nietig te verklaren, voor zover deze betrekking heeft op hen, en bijgevolg de hun opgelegde geldboeten nietig te verklaren;

– subsidiair, artikel 2 van de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover het ieder van hen betreft;

– meer subsidiair, de hun opgelegde geldboeten nietig te verklaren of te verlagen;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

22 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– verzoeksters te verwijzen in de kosten.

In rechte

23 Ter onderbouwing van hun beroep voeren verzoeksters vijf middelen aan. Ten eerste wordt aangevoerd dat de Commissie hun rechten van verdediging heeft geschonden. Ten tweede heeft de Commissie volgens hen het bestaan van het gemeenschappelijke akkoord of van de daaruit voortvloeiende inbreuk niet bewezen. Ten derde heeft de Commissie niet aangetoond dat sprake was van één enkele voortdurende inbreuk. Ten vierde heeft de Commissie het recht onjuist toegepast bij de vaststelling van de hun opgelegde geldboeten. Ten vijfde heeft de Commissie bij de berekening van de hun opgelegde geldboeten een methode toegepast die schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het evenredigheidsbeginsel oplevert.

24 De Commissie betwist de gegrondheid van de door verzoeksters aangevoerde middelen.

25 Vooraf dient erop te worden gewezen dat verzoeksters niet hebben gepreciseerd welke van hun middelen ter ondersteuning van de verschillende door hen ingediende vorderingen worden aangevoerd. In dit verband moet er om te beginnen van worden uitgegaan dat het eerste, het tweede en het derde middel door verzoeksters ter onderbouwing van hun primaire vordering worden aangevoerd. Indien een van deze middelen wordt toegewezen, dienen immers zowel artikel 1 als artikel 2 van de bestreden beschikking nietig te worden verklaard, voor zover deze artikelen verzoeksters betreffen. Vervolgens moet worden geoordeeld dat het vierde en het vijfde middel door verzoeksters ter onderbouwing van hun subsidiaire vordering worden aangevoerd, aangezien deze middelen betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag van de hun opgelegde geldboeten. Ten slotte zij opgemerkt dat verzoeksters geen enkel autonoom middel ter onderbouwing van hun méér subsidiaire vordering hebben ingediend.

A – Primaire vordering: nietigverklaring van de bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op verzoeksters

1. Eerste middel: schending door de Commissie van verzoeksters’ rechten van verdediging

a) Argumenten van partijen

26 Verzoeksters betogen dat de Commissie hun rechten van verdediging heeft geschonden doordat zij hun niet alle in het dossier opgenomen relevante documenten heeft doen toekomen.

27 In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel, betreffende de bewijzen à charge, stellen verzoeksters dat de Commissie hun de door Fuji op 21 november 2006 ingediende opmerkingen niet heeft bezorgd, waaruit beweerdelijk de bestaansreden van het gemeenschappelijke akkoord zou blijken, alsook de voor Fuji specifieke economische redenen waarom deze afwezig bleef op de Europese markt van GGS-projecten. Gelet op de grote bewijskracht die de Commissie aan de door Fuji verstrekte gegevens met betrekking tot het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord heeft toegekend, had de administratieve procedure hoogstwaarschijnlijk evenwel een andere afloop gehad, indien deze opmerkingen waren overgelegd.

28 In het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel voeren verzoeksters aan dat hun rechten van verdediging zijn geschonden doordat hun de hiernavolgende ontlastende elementen niet zijn bezorgd:

– het akkoord met de naam „General Rules for GE Agreement” (hierna: „GE-overeenkomst”) en de opmerkingen van de andere kartelleden over deze overeenkomst. Deze gegevens zijn relevant voor het bewijs dat reeds vóór de GQ-overeenkomst sprake was van een Europees kartel in de sector van de GGS-projecten;

– de opmerkingen van de andere kartelleden die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van het door Fuji aan de Commissie verstrekte getuigenis van H. betreffende het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord. Deze opmerkingen zouden de andere door Fuji met betrekking tot het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord overgelegde bewijselementen kunnen ontkrachten;

– de getuigenissen van de andere kartelleden over het feit dat geen gemeenschappelijk akkoord bestond en inzonderheid het door Siemens AG op 7 augustus 2006 afgelegde getuigenis dat afbreuk kon doen aan de aannemelijkheid van het betoog van de Commissie, wat het bestaan van deze overeenkomst betreft;

– de opmerkingen van de andere Japanse ondernemingen over hun beweerde deelneming aan de in punt 164 van de bestreden beschikking genoemde Europese projecten, waaruit zou kunnen blijken dat de Japanse ondernemingen nooit aan de besprekingen over deze projecten hebben deelgenomen;

– de door Areva overgelegde verklaringen die S. op 15 september 2006 over het uiteenvallen van het kartel in 1999 heeft afgelegd, waaruit blijkt dat de structuur van de vanaf 2002 toegepaste mededingingsregeling van die van het vorige kartel verschilde.

29 De Commissie betwist verzoeksters’ argumenten.

b) Beoordeling door het Gerecht

30 De eerbiediging van de rechten van de verdediging verlangt dat de betrokken persoon tijdens de administratieve procedure in staat wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk op het Verdrag heeft gestaafd (arrest Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 66).

31 Als uitvloeisel van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging impliceert het recht op toegang tot het dossier dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid moet bieden, alle voor haar verdediging mogelijk relevante documenten in het onderzoeksdossier te onderzoeken. Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 30 supra, punt 68).

32 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat de betrokken onderneming pas aan het begin van de administratieve fase op tegenspraak, door middel van de mededeling van punten van bezwaar, wordt ingelicht over de belangrijkste feiten waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert en dat deze onderneming over een recht van toegang tot het dossier beschikt teneinde een daadwerkelijke uitoefening van haar rechten van de verdediging te waarborgen. Bijgevolg behoort het antwoord van de andere kartelleden op de mededeling van punten van bezwaar in beginsel niet tot de stukken van het onderzoeksdossier die partijen kunnen inzien (arrest Gerecht van 30 september 2009, Hoechst/Commissie, T‑161/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 163).

33 Indien de Commissie een passage uit een antwoord op een mededeling van punten van bezwaar of een bij een dergelijk antwoord gevoegd document als basis wil gebruiken om in een procedure tot toepassing van artikel 81, lid 1, EG het bestaan van een inbreuk vast te stellen, moeten de andere ondernemingen in die procedure evenwel in staat worden gesteld zich over dat bewijsstuk uit te spreken. In die omstandigheden is de betrokken passage uit een antwoord op de mededeling van punten van bezwaar of een daarbij gevoegd document immers een belastend stuk voor de verschillende ondernemingen die aan de inbreuk zouden hebben deelgenomen (zie arrest Hoechst/Commissie, punt 32 supra, punt 164 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voornoemde rechtspraak geldt naar analogie voor artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst.

34 Mutatis mutandis vormen een passage uit een antwoord op een mededeling van punten van bezwaar of een bij een dergelijk antwoord gevoegd document die voor de verdediging van een onderneming van belang kunnen zijn doordat deze aan de hand daarvan elementen kan aanvoeren die niet met de door de Commissie in die fase getrokken conclusies overeenkomen, bewijzen à décharge. In dat geval dient de betrokken onderneming in de gelegenheid te worden gesteld om deze passage of dit document te onderzoeken en zich daarover uit te spreken.

35 Het enkele feit dat andere ondernemingen dezelfde argumenten als de betrokken onderneming hebben aangevoerd en dat deze ondernemingen in voorkomend geval méér middelen voor hun verweer hebben aangewend, volstaat echter niet om die argumenten als „bewijzen à décharge” te beschouwen (zie in die zin arrest Gerecht van 27 september 2006, Jungbunzlauer/Commissie, T‑43/02, Jurispr. blz. II‑3435, punten 353 en 355).

36 Aangaande de gevolgen van het verlenen van toegang tot het dossier waarbij deze regels niet in acht zijn genomen, levert het feit dat een document dat de Commissie heeft gebruikt om jegens een onderneming het bestaan van een inbreuk te staven, niet is meegedeeld, slechts een schending van de rechten van de verdediging op wanneer de betrokken onderneming aantoont dat de Commissie in haar beschikking tot een ander resultaat zou zijn gekomen indien het niet-meegedeelde document op grond waarvan de Commissie deze onderneming heeft beschuldigd, als belastend bewijsmiddel zou zijn uitgesloten (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 30 supra, punten 71 en 73).

37 Wat de niet-mededeling van een ontlastend document betreft, hoeft de betrokken onderneming enkel aan te tonen dat de niet-overlegging daarvan het verloop van de procedure en de inhoud van de beschikking van de Commissie ten nadele van deze onderneming heeft kunnen beïnvloeden. Het volstaat dat de onderneming aantoont dat zij die ontlastende stukken voor haar verweer had kunnen gebruiken, in de zin dat indien zij zich tijdens de administratieve procedure daarop had kunnen beroepen, zij elementen had kunnen aanvoeren die niet met de vaststellingen van de Commissie in dat stadium overeenstemden en zij dus op enigerlei wijze het oordeel van de Commissie in de beschikking had kunnen beïnvloeden, althans wat de zwaarte en de duur van het haar verweten gedrag en derhalve het bedrag van de geldboete betreft (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 30 supra, punten 74 en 75).

38 In dit verband kan de mogelijkheid dat een niet-overgelegd document het verloop van de procedure en de inhoud van de beschikking van de Commissie heeft kunnen beïnvloeden, slechts worden aangetoond na een voorlopig onderzoek van bepaalde bewijsmiddelen waaruit zou blijken dat de niet-overgelegde stukken – gelet op die bewijsmiddelen – mogelijk een belang hadden dat niet had mogen worden verwaarloosd (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 30 supra, punt 76).

– Eerste onderdeel: niet-mededeling van de bewijzen à charge

39 De Commissie erkent dat zij zich voor de aan verzoeksters in de bestreden beschikking verweten grieven niet op de opmerkingen van Fuji van 21 november 2006 kon steunen, maar zij betwist dat zij deze opmerkingen daadwerkelijk als bewijs à charge heeft gebruikt.

40 Niettemin dient erop te worden gewezen dat de Commissie, zoals verzoeksters stellen, in de punten 125 en 255 van de bestreden beschikking ter staving van het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord naar de opmerkingen van Fuji van 21 november 2006 heeft verwezen.

41 In die omstandigheden hangt de afdoening van het onderhavige onderdeel af van het resultaat van het onderzoek van de door verzoeksters in het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel betreffende het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord aangevoerde argumenten. Indien immers wordt geconstateerd dat het bestaan van dit akkoord ook zonder gebruikmaking van de opmerkingen van Fuji van 21 november 2006 als bewijs à charge rechtens genoegzaam vaststaat, dient het onderhavige onderdeel te worden afgewezen. Indien daarentegen wordt geconstateerd dat voornoemde opmerkingen een ter onderbouwing van de in de bestreden beschikking met betrekking tot het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord verrichte vaststellingen noodzakelijk element vormen, dient het onderhavige middel te worden toegewezen.

– Tweede onderdeel: niet-mededeling van de bewijzen à décharge

42 In de eerste plaats wordt tussen partijen niet betwist dat de GE-overeenkomst aan verzoeksters is meegedeeld. Verzoeksters stellen immers enkel dat zij slechts over een zeer korte termijn hebben beschikt om deze overeenkomst te bestuderen, zonder evenwel te preciseren in hoeverre deze omstandigheid hun verweer heeft bemoeilijkt. Bovendien erkennen verzoeksters in hun opmerkingen van 18 november 2009 dat zij in de gelegenheid zijn gesteld om zich over deze overeenkomst uit te spreken en dat zij ook daadwerkelijk gebruik van deze mogelijkheid hebben gemaakt. Hun betoog betreffende bedoelde overeenkomst kan dan ook niet worden aanvaard.

43 Wat in de tweede plaats de opmerkingen van de andere kartelleden over de GE-overeenkomst betreft, preciseren verzoeksters in hun opmerkingen van 18 november 2009 dat ook Toshiba Corp. en Mitsubishi Electric System Corp. (hierna: „Melco”) de bewijskracht van deze overeenkomst als ontlastend element hebben erkend, om dezelfde redenen als die welke verzoeksters aan de Commissie hebben aangegeven. Verzoeksters stellen dus louter dat Toshiba en Melco dezelfde argumenten als zijzelf hebben aangevoerd, hetgeen impliceert dat de opmerkingen van Toshiba en Melco niet als een bewijs à décharge kunnen worden aangemerkt.

44 In de derde plaats geldt dezelfde vaststelling voor de opmerkingen van de andere kartelleden die de geloofwaardigheid van het getuigenis van H. over het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord ondermijnen. In hun opmerkingen van 18 november 2009 wijzen verzoeksters er immers op dat Toshiba en Melco de bewijskracht van dit getuigenis eveneens hebben gekritiseerd, om dezelfde redenen als die welke zij aan de Commissie hebben verstrekt.

45 In de vierde plaats maken de door Melco en Siemens ingediende opmerkingen en afgelegde verklaringen alsook het door Fuji verstrekte getuigenis melding van het bestaan van „hoge” toegangsdrempels tot de Europese markt en van het feit dat deze markt „verzadigd” was, waardoor het voor de Japanse producenten moeilijk zo niet onmogelijk was om zich op deze markt te begeven. Siemens en Melco – alsook hun werknemers – hebben het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord of van de daarover gevoerde besprekingen overigens expliciet betwist en het door Siemens overgelegde getuigenis van T. preciseert dat het op de GQ-overeenkomst gebaseerde kartel op het Midden-Oosten was gericht en niet voor Europa gold.

46 Enerzijds zijn verzoeksters evenwel niet opgekomen tegen de verklaring van de Commissie dat de getuigenissen van de werknemers van Fuji aan hen zijn meegedeeld. Wat deze elementen betreft is dan ook geenszins sprake van schending van het recht op toegang tot het dossier.

47 Anderzijds hebben verzoeksters in hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar dezelfde argumenten aangevoerd als die welke in punt 45 supra zijn uiteengezet, hetgeen impliceert dat de opmerkingen van Melco en Siemens niet kunnen worden beschouwd als bewijzen à décharge waarvan overlegging een impact op het verloop van de procedure en op de inhoud van de bestreden beschikking kon hebben gehad.

48 Hetzelfde geldt voor de getuigenissen van de werknemers van Melco en Siemens, aangezien de schriftelijke getuigenverklaringen van de werknemers van een onderneming die onder het toezicht van deze onderneming zijn opgesteld en door deze onderneming met het oog op haar verdediging in het kader van de door de Commissie gevoerde administratieve procedure worden overgelegd, in beginsel niet kunnen worden gekwalificeerd als elementen die verschillen en losstaan van de verklaringen van die onderneming zelf. Het standpunt van een onderneming inzake de juistheid van de haar door de Commissie verweten feiten berust in de regel immers in de eerste plaats op de kennis en de meningen van haar werknemers en bestuurders.

49 Voor zover verzoeksters aanvoeren dat de getuigenissen van de werknemers van Siemens de stelling van de Commissie op losse schroeven zetten volgens welke de Europese producenten het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord niet hebben betwist, dient erop te worden gewezen dat niet is aangetoond dat de Commissie zich in de mededeling van de punten van bezwaar of in een later stadium op een dergelijke algemene stelling heeft gebaseerd. Dienaangaande blijkt uit punt 125 van de bestreden beschikking hooguit dat de Commissie heeft geconstateerd dat het bestaan van dit akkoord niet door Alstom en Areva is betwist, noch openlijk is betwist door de onderneming die behoort tot het concern waarvan VA TECH Transmission & Distribution GmbH & Co. KEG (hierna: „VA TECH”) deel uitmaakt. De Commissie heeft daarentegen geen preciseringen verstrekt over het standpunt van Siemens of over dit van de Europese producenten in het algemeen. Derhalve gaat het argument van verzoeksters mank wat de feiten betreft. De positie van de Europese producenten inzake het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord en de relevantie daarvan zal in de punten 197 tot en met 203 hierna worden onderzocht.

50 In de vijfde plaats heeft de Commissie ingevolge het verzoek van het Gerecht betreffende de opmerkingen van de andere Japanse ondernemingen over hun beweerde deelneming aan de in punt 164 van de bestreden beschikking genoemde GGS-projecten in de Europese Economische Ruimte (EER) een uittreksel uit het antwoord van Melco op de mededeling van de punten van bezwaar overgelegd waaruit blijkt dat Melco ontkent aan de verdeling van deze projecten te hebben deelgenomen.

51 In haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar heeft Melco evenwel louter hetzelfde standpunt als verzoeksters ingenomen, hetgeen deze laatste in hun opmerkingen van 18 november 2009 ook erkennen. Bijgevolg vormt het uittreksel uit het antwoord van Melco op de mededeling van de punten van bezwaar geen bewijselement à décharge waarvan overlegging een impact op het verloop van de procedure en op de inhoud van de bestreden beschikking kon hebben gehad.

52 In de zesde plaats blijkt uit de verklaringen van S. van 15 september 2006 dat deze laatste enerzijds van mening was dat het kartel door de onderbreking door Siemens van haar deelneming aan het kartel in 1999 was ontbonden, en anderzijds dat de vanaf 2002 opgezette mededingingsregeling fundamenteel verschilde van die welke tot in 1999 had bestaan.

53 In hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar hebben verzoeksters evenwel dezelfde argumenten aangevoerd ter betwisting van het feit dat sprake was van één enkele voortdurende inbreuk. In die omstandigheden dient te worden geoordeeld dat, gelet op hetgeen in punt 48 supra met betrekking tot de kwalificatie van de getuigenissen van de werknemers van een onderneming is gepreciseerd, de verklaringen van S. evenmin een bewijselement à décharge vormen waarvan de overlegging een impact op het verloop van de procedure en op de inhoud van de bestreden beschikking kon hebben gehad.

54 Gelet op een en ander dient het tweede onderdeel van het eerste middel te worden afgewezen.

2. Tweede middel: de Commissie heeft niet het bewijs geleverd van het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord of van de daaruit voortvloeiende inbreuk

55 Verzoeksters betogen in het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel dat de Commissie het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond en zij merken op dat de Commissie geen inspanningen heeft geleverd om de daarover bestaande twijfels aan de hand van een onafhankelijk onderzoek weg te nemen. Volgens hen had de Commissie in casu de door hen verstrekte andere uitleg van de feiten moeten aanvaarden. In het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel voeren verzoeksters aan dat de Commissie niet heeft aangetoond dat het gemeenschappelijk akkoord een mededingingsbeperkend akkoord of een onderling afgestemde feitelijke gedraging vormde.

56 De Commissie betwist de gegrondheid van verzoeksters’ argumenten.

a) Eerste onderdeel: de Commissie heeft niet het bewijs geleverd van het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord

57 Volgens de rechtspraak is het aan de Commissie de door haar vastgestelde inbreuken te bewijzen en bewijzen te leveren die rechtens genoegzaam het bestaan aantonen van de feiten die een inbreuk vormen (zie arrest Gerecht van 27 september 2006, Dresdner Bank e.a./Commissie, T‑44/02 OP, T‑54/02 OP, T‑56/02 OP, T‑60/02 OP en T‑61/02 OP, Jurispr. blz. II‑3567, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58 In die context dient twijfel bij de rechter in het voordeel te werken van de onderneming die de adressaat is van de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld. De rechter kan dus niet vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft aangetoond, wanneer daarover bij hem nog twijfel bestaat, met name in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een boetebeschikking (arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, punt 57 supra, punt 60).

59 In het laatstgenoemde geval moet immers rekening worden gehouden met het beginsel van het vermoeden van onschuld zoals dit met name voortvloeit uit artikel 6, lid 2, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europese Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat deel uitmaakt van de grondrechten, die algemene beginselen van gemeenschapsrecht vormen. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken alsook op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties, is het onschuldvermoeden inzonderheid van toepassing op procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden (zie in die zin arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, punt 57 supra, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60 De Commissie moet dus nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aanvoeren om het bestaan van de inbreuk aan te tonen. Niettemin dient te worden beklemtoond dat niet elk door de Commissie aangevoerd bewijs noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria hoeft te voldoen. Het volstaat dat de door haar aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (zie arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, punt 57 supra, punten 62 en 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61 Gelet op de algemene bekendheid van het verbod op mededingingsverstorende overeenkomsten kan van de Commissie bovendien niet worden geëist dat zij stukken overlegt waaruit expliciet van overleg tussen de betrokken marktdeelnemers blijkt. De fragmentarische en schaarse bewijzen waarover de Commissie eventueel beschikt, moeten in elk geval kunnen worden aangevuld via deductie, zodat de relevante omstandigheden kunnen worden gereconstrueerd. Het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst kan dus worden afgeleid uit een reeks coïncidenties en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (zie arrest Dresdner Bank e.a./Commissie, punt 57 supra, punten 64 en 65, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62 Wanneer de Commissie evenwel uitsluitend op basis van het marktgedrag van de betrokken ondernemingen een inbreuk vaststelt, is het voldoende dat deze ondernemingen omstandigheden aantonen die een ander licht werpen op de door de Commissie vastgestelde feiten en een andere plausibele verklaring van de feiten bieden die in de plaats kan worden gesteld van die op basis waarvan de Commissie tot de conclusie is gekomen dat sprake is van schending van de communautaire mededingingsregels (zie in die zin arrest Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, Jurispr. blz. II‑2501, punt 186 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63 Anders dan verzoeksters beweren, geldt deze regel niet voor alle gevallen waarin de inbreuk uitsluitend aan de hand van niet-schriftelijke stukken is bewezen.

64 Met betrekking tot de bewijsmiddelen die kunnen worden gebruikt om een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG aan te tonen, primeert in het gemeenschapsrecht immers het beginsel van de vrije bewijslevering (arrest Gerecht van 8 juli 2004, Dalmine/Commissie, T‑50/00, Jurispr. blz. II‑2395, punt 72). Deze rechtspraak geldt naar analogie voor artikel 53 van de EER-Overeenkomst.

65 Ook al kan het ontbreken van schriftelijke bewijzen in het kader van de globale beoordeling van de door de Commissie ingeroepen bundel van aanwijzingen van belang blijken, deze omstandigheid leidt er op zich dan ook niet toe dat de betrokken onderneming het betoog van de Commissie ter discussie kan stellen door een andere uitleg aan de feiten te geven. Dat is enkel het geval indien uit de door de Commissie aangevoerde bewijzen niet ondubbelzinnig blijkt dat sprake is van een inbreuk, zonder dat daarvoor enige interpretatie hoeft te worden verricht (zie in die zin arrest Gerecht van 12 september 2007, Coats Holdings en Coats/Commissie, T‑36/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 74).

66 Om dezelfde reden is de Commissie zelfs bij het ontbreken van schriftelijke bewijzen niet verplicht om onafhankelijke onderzoeken ter verificatie van de feiten te verrichten.

67 Bovendien verbiedt geen enkele bepaling en geen enkel algemeen beginsel van gemeenschapsrecht de Commissie zich jegens onderneming te beroepen op de verklaringen van andere ondernemingen die zij verwijt aan het kartel te hebben deelgenomen. Anders zou de op de Commissie rustende bewijslast met betrekking tot gedragingen die in strijd zijn met artikel 81 EG onoverkomelijk zwaar zijn en onverenigbaar met haar taak van toezicht op de juiste toepassing van deze bepaling (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 62 supra, punt 192). Voornoemde rechtspraak geldt naar analogie voor artikel 53 van de EER-Overeenkomst.

68 De verklaring van een onderneming die van deelneming aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, kan evenwel niet worden beschouwd als een voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, indien zij niet door andere bewijselementen wordt gestaafd. Gezien hun betrouwbaarheid behoeven deze verklaringen echter een minder precieze en minder nadrukkelijke bevestiging dan wanneer zij niet bijzonder geloofwaardig waren geweest (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 62 supra, punten 219 en 220).

69 Inzake de bewijskracht van de verschillende bewijsstukken is het enige voor de beoordeling van de aangevoerde bewijzen relevante criterium de geloofwaardigheid ervan (arrest Dalmine/Commissie, punt 64 supra, punt 72).

70 Volgens de algemene bewijsregels hangt de geloofwaardigheid en bijgevolg de bewijskracht van een document af van de oorsprong ervan, van de omstandigheden waarin het is opgesteld, van degene tot wie het gericht is en van de inhoud ervan (arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punten 1053 en 1838).

71 Met betrekking tot verklaringen kan een bijzonder grote bewijskracht worden toegekend aan verklaringen die, ten eerste, betrouwbaar zijn, ten tweede, in naam van een onderneming zijn gegeven, ten derde, zijn afgelegd door een persoon die de professionele verplichting had om in het belang van deze vennootschap te handelen, ten vierde, tegen de belangen van diezelfde persoon ingaan, ten vijfde, van een directe getuige van de beschreven omstandigheden afkomstig zijn, en ten zesde, schriftelijk en na weloverwogen en rijp beraad zijn afgelegd (zie in die zin arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 62 supra, punten 205‑210).

72 Hoewel een zekere argwaan ten aanzien van vrijwillige verklaringen van de voornaamste deelnemers aan een onrechtmatige mededingingsregeling gewoonlijk geboden is, aangezien deze deelnemers, zoals verzoeksters aanvoeren, geneigd kunnen zijn om het belang van hun eigen bijdrage te bagatelliseren en dat van de anderen te overtrekken, neemt dit niet weg dat wanneer om toepassing van de clementieregeling wordt verzocht teneinde kwijtschelding of verlaging van de geldboete te verkrijgen, dit er niet noodzakelijkerwijs een aanzet toe vormt om bewijzen vertekend weer te geven, wat de deelneming van de andere kartelleden betreft. Iedere poging om de Commissie te misleiden kan immers twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van de verzoeker en bijgevolg zijn mogelijkheid om volledig profijt uit de clementieregeling te trekken, in gevaar brengen (zie in die zin arrest Gerecht van 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T‑120/04, Jurispr. blz. II‑4441, punt 70).

73 In dit verband moet er tevens op worden gewezen dat de mogelijke gevolgen van het overleggen van vertekende gegevens des te ernstiger zijn daar de betwiste verklaring van een onderneming, zoals uit punt 68 supra blijkt, moet worden bevestigd door andere bewijselementen. Dat verhoogt immers het risico dat onjuiste verklaringen worden ontmaskerd, zowel door de Commissie als door de andere betrokken ondernemingen.

74 Wat de toepassing van deze regels op het onderhavige geval betreft, dient er vooraf aan te worden herinnerd dat het gemeenschappelijk akkoord volgens de in de bestreden beschikking verrichte vaststellingen een niet-geschreven akkoord betrof bevattende, ten eerste, de verbintenis van de Japanse ondernemingen om van de markt van GGS-projecten in de EER afwezig te blijven, ten tweede, de verbintenis van de Europese ondernemingen om niet op de Japanse markt van GGS-projecten op te treden en ten derde, de verbintenis van de Europese ondernemingen om de Japanse ondernemingen op de hoogte te brengen van de GGS-projecten in de Europese landen die geen landen van oorsprong waren en om diezelfde projecten op het in de GQ-overeenkomst voorziene gezamenlijke „Europese” quotum te imputeren. Volgens de Commissie had het systeem van kennisgeving van de projecten en het bijhouden van quota tot doel, een compensatie te bieden aan de Japanse ondernemingen, die door de Europese ondernemingen als potentiële concurrenten op de EER-markt werden beschouwd.

75 In deze context dient om te beginnen verzoeksters’ betoog dat de inhoud van het begrip „gemeenschappelijk akkoord” niet overal in de bestreden beschikking dezelfde is, te worden afgewezen. Ook al kunnen kleine verschillen worden vastgesteld tussen de verschillende formuleringen die in de bestreden beschikking zijn gebruikt, deze verschillen hebben immers geen invloed op de fundamentele kenmerken van dat begrip zoals die in het vorige punt zijn toegelicht.

76 Van de verschillende in punt 74 supra opgesomde bestanddelen van het gemeenschappelijk akkoord vormt de beweerde verbintenis van de Japanse ondernemingen om niet tot de markt van GGS-projecten in de EER door te dringen, de basis van de door de Commissie aan verzoeksters verweten grief. Bijgevolg moet rechtens genoegzaam worden aangetoond dat deze verbintenis inderdaad bestond. De andere bestanddelen van het gemeenschappelijk akkoord kunnen – indien bewezen – echter ook relevant blijken te zijn, als indirecte bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat deze verbintenis van de Japanse ondernemingen daadwerkelijk bestond.

77 Verzoeksters betwisten dat sprake was van een gemeenschappelijk akkoord. Zij voeren aan dat hun afwezigheid van de Europese markt van GGS-projecten kan worden verklaard door het feit dat de Japanse ondernemingen om verschillende redenen, inzonderheid om commerciële en technische redenen, niet als geloofwaardige concurrenten op de Europese markt werden beschouwd. Zij bestwisten de bewijskracht van de verschillende door de Commissie in de bestreden beschikking aangevoerde bewijselementen en refereren aan andere elementen die er volgens hen op wijzen dat het gemeenschappelijk akkoord niet heeft bestaan. Voorts leggen zij een door consulenten voorbereid rapport over (hierna: „extern rapport”) dat hun andere opvatting van de feiten moet onderbouwen.

78 De Commissie betoogt dat het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord – en inzonderheid de verbintenis van de Japanse ondernemingen om niet tot de markt van GGS-projecten in de EER door te dringen, rechtens genoegzaam is aangetoond door een bundel van bewijzen waaronder schriftelijke stukken, verklaringen van ondernemingen, getuigenissen en gegevens over de praktische werking van het kartel.

79 Derhalve moeten de betrouwbaarheid en de inhoud van de verschillende betrokken bewijselementen worden onderzocht teneinde te verifiëren of de door de Commissie ingeroepen elementen, in hun geheel beschouwd, met betrekking tot het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord tot een stellige overtuiging leiden die niet op losse schroeven wordt gezet door de door verzoeksters aangevoerde elementen.

GQ-overeenkomst en EQ-overeenkomst

– Argumenten van partijen

80 Verzoeksters stellen enerzijds dat de GQ-overeenkomst en de EQ-overeenkomst nergens naar het gemeenschappelijk akkoord verwijzen, ofschoon de regels van het kartel in deze overeenkomsten op gedetailleerde wijze zijn vastgesteld. In dit verband blijkt uit bijlage 2 bij de GQ-overeenkomst niet dat een dergelijk gemeenschappelijk akkoord bestond, maar wel dat de West-Europese landen van de werkingssfeer van de overeenkomst waren uitgesloten.

81 Verzoeksters betwisten anderzijds dat een nauw verband tussen de GQ-overeenkomst en de EQ-overeenkomst bestond. Hoewel de GQ-overeenkomst zeer gedetailleerd is, verwijst deze nergens naar de EQ-overeenkomst. Bovendien waren de Japanse producenten geen partij bij de EQ-overeenkomst en waren zij niet op de hoogte van de inhoud daarvan.

82 Verzoeksters zijn dan ook van mening dat de GQ-overeenkomst en de EQ-overeenkomst geen schriftelijke bewijzen van het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord vormen. Voor zover deze overeenkomsten geen melding maken van het gemeenschappelijk akkoord, ondanks het zogenoemde fundamentele belang van dit akkoord voor het wereldwijde kartel, vormen de bepalingen van deze overeenkomsten zelfs het bewijs dat dit akkoord niet heeft bestaan.

83 De Commissie betwist de gegrondheid van verzoeksters’ argumenten.

– Beoordeling door het Gerecht

84 Tussen partijen staat vast dat de GQ-overeenkomst voorziet in de organisatie van een wereldwijd kartel voor GGS-projecten. Zoals verzoeksters aanvoeren, gewaagt deze overeenkomst enerzijds evenwel, nergens van het gemeenschappelijk akkoord, en sluit deze overeenkomst anderzijds – in bijlage 2 bij de overeenkomst – Japan, de toenmalige twaalf lidstaten van de Europese Gemeenschap en ook vijf andere West-Europese landen van haar werkingssfeer uit.

85 In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de GQ-overeenkomst een schriftelijk bewijs van het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord vormt. De interpretatie van de Commissie volgens welke de uitsluiting van de Europese landen en van Japan aan het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord te wijten was, is dus op het eerste gezicht niet aannemelijker dan de door verzoeksters aangekleefde tegenovergestelde opvatting.

86 De EQ-overeenkomst is dan weer een overeenkomst tot uitvoering van de GQ-overeenkomst, met name wat de verdeling van het door laatstgenoemde overeenkomst voorziene gezamenlijke „Europese” quotum betreft. In zoverre bestond er tussen deze overeenkomsten een bepaald verband. De EQ-overeenkomst is evenwel enkel door de Europese ondernemingen gesloten. Verzoeksters waren bij deze overeenkomst dus geen partij. Bovendien maakt deze overeenkomst niet expliciet melding van het gemeenschappelijk akkoord.

87 In dit verband dient er ook op te worden gewezen dat volgens punt 4 van deel „E (E-Members)” van bijlage 2 bij de EQ-overeenkomst de Europese producenten „beslissen over de kennisgeving van de Europese projecten aan [de groep van Japanse producenten]”. Uit de context van bijlage 2 blijkt dat deze informatie moest worden meegedeeld voordat de betrokken GGS-projecten werden toegewezen.

88 Dit gegeven doet in zekere mate afbreuk aan verzoeksters’ betoog, aangezien het erop wijst dat de Japanse producenten volgens de Europese producenten minstens geïnteresseerd konden zijn in de wijze waarop bepaalde GGS-projecten in de EER werden toegewezen, en zij dus volgens hen potentiële concurrenten voor dergelijke projecten waren.

89 Niettemin blijkt uit niets in de EQ-overeenkomst noch uit andere door de Commissie overgelegde bewijselementen dat het mechanisme in kwestie door de Europese producenten is toegepast of dat de Japanse producenten op de hoogte waren van het bestaan daarvan.

90 De EQ-overeenkomst vormt dan ook slechts een aanwijzing die lijkt aan te geven dat de Japanse producenten voor de levering van bepaalde GGS-projecten in de EER als geloofwaardige concurrenten werden beschouwd, zoals de Commissie aanvoert.

91 Verder moet worden opgemerkt dat de verbintenis van een groep producenten om niet tot een aan een andere groep voorbehouden markt door te stoten, zoals de verbintenis die de Commissie aan de Japanse producenten verwijt, gebaseerd is op een eenvoudig concept dat gemakkelijk kan worden uitgevoerd. Voor de tenuitvoerlegging daarvan is in beginsel evenmin enige interactie tussen de betrokken ondernemingen vereist. Bijgevolg kan een dergelijke verbintenis perfect de vorm van een niet-geschreven akkoord aannemen, hetgeen ook het risico vermindert dat zij wordt ontdekt. De Commissie heeft in dit verband in de punten 170 tot en met 176 van de bestreden beschikking aangegeven dat de deelnemers aan de mededingingsregeling in casu een reeks organisatorische en technische voorzorgen hadden genomen om te voorkomen dat het kartel bekend werd.

92 Het is juist dat voor het door de Commissie gelaakte systeem van kennisgeving van projecten en bijhouden van quota zoals dit na de verdeling van de betrokken GGS-projecten werd toegepast, bepaalde uitvoeringsmaatregelen waren vereist, maar dat neemt niet weg dat deze maatregelen niet bijzonder ingewikkeld waren, aangezien zij in hoofdzaak uit de mededeling van bepaalde gegevens door de Europese groep aan de Japanse groep bestonden. Deze mededeling gebeurde overigens parallel met de kennisgeving die krachtens de GQ-overeenkomst met betrekking tot de GGS-projecten buiten de EER werd verricht. Bijgevolg hoefden voor dergelijke maatregelen niet noodzakelijkerwijs schriftelijke regels te bestaan.

De verklaringen van ABB

– Argumenten van partijen

93 Om te beginnen herhalen verzoeksters dat de door ABB in het kader van haar clementieverzoek overgelegde bewijselementen en inzonderheid de verklaring die zij heeft afgelegd nadat de Commissie haar voorwaardelijke immuniteit had verleend, moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond van de druk waaraan ABB blootstond, aangezien deze de haar verleende immuniteit wilde behouden en zij de zwaarte van haar eigen gedragingen heeft geminimaliseerd en de ernst van de gedragingen van de andere betrokken ondernemingen heeft uitvergroot. In casu bleek deze druk uit de partijdige verklaringen van ABB op de hoorzitting voor de Commissie en in het kader van een tegelijkertijd door de Tsjechische mededingingsautoriteit gevoerde procedure.

94 Verzoeksters voegen hieraan toe dat de verklaringen van ABB niet uit de periode van de feiten dateren, onvoldoende preciseringen over het gemeenschappelijk akkoord verstrekken en gaandeweg zijn gewijzigd, hetgeen de bewijskracht ervan vermindert.

95 In haar aanvankelijke clementieverzoek van 3 maart 2004 heeft ABB niet aan het bestaan van een gemeenschappelijk akkoord gerefereerd, dat zij slechts in haar opmerkingen van 11 maart 2004 ter sprake heeft gebracht.

96 Aangaande de opmerkingen van ABB van 11 maart 2004 preciseren verzoeksters in de eerste plaats dat waar ABB het over de deelneming van de Japanse ondernemingen aan het gemeenschappelijk akkoord heeft, zij naar JAEPS en TM T & D Corp. lijkt te verwijzen, een joint venture van Toshiba en Melco die de activiteiten van deze laatste op het gebied van GGS van oktober 2002 tot april 2005 heeft geëxploiteerd. In de bestreden beschikking heeft de Commissie de verklaringen van ABB evenwel niet alleen aldus opgevat dat deze op de volledige inbreukperiode vanaf 1988 zagen, terwijl noch TM T & D noch JAEPS destijds bestonden, maar deze verklaringen naast deze twee ondernemingen ook op Hitachi en Hitachi Europe betrekking hadden.

97 In de tweede plaats stellen verzoeksters dat ABB in haar opmerkingen van 11 maart 2004 louter vage verklaringen betreffende de duur van het kartel heeft afgelegd en zij zich op de periode tussen 1999 en 2002 heeft geconcentreerd.

98 In de derde plaats voeren verzoeksters aan dat de opmerkingen van ABB van 11 maart 2004, gelet op de vaagheid en de tegenstrijdigheid ervan, veeleer veronderstellingen van het personeel van laatstgenoemde onderneming betreffende de marktvoorwaarden lijken te bevatten dan het bewijs van een uit een gemeenschappelijke wil voortvloeiende uitdrukkelijke overeenkomst.

99 In de vierde plaats heeft ABB in haar opmerkingen van 11 maart 2004 volgens verzoeksters meteen bevestigd dat de betrokken ondernemingen van mening waren dat de toegang tot de Europese markt wegens juridische, technische en commerciële obstakels moeilijk zo niet onmogelijk was. Zij stellen dat in dergelijke omstandigheden elke uitdrukkelijke overeenkomst houdende de verbintenis om zich niet op die markt te begeven, geen doel zou hebben gediend.

100 In de vijfde plaats betogen verzoeksters ten slotte dat ABB in de opmerkingen die zij op 4 oktober 2005 heeft geformuleerd, nadat zijzelf en andere Japanse producenten opmerkingen hadden ingediend waarbij zij verklaarden waarom voornoemde obstakels bestonden, haar vorige opmerkingen over het gemeenschappelijk akkoord heeft gewijzigd, aangezien zij met name heeft verklaard dat de drempels van de Europese markt niet onoverkomelijk waren en de Japanse producenten bijgevolg – economisch gezien – toegang tot deze markt hadden. De bewijskracht van een dergelijke laattijdige verklaring die radicaal met vorige verklaringen breekt, is volgens verzoeksters evenwel twijfelachtig.

101 De Commissie betwist de gegrondheid van verzoeksters’ argumenten.

– Beoordeling door het Gerecht

102 Wat de geloofwaardigheid van de door ABB in het kader van haar clementieverzoek afgelegde verklaringen betreft, is in de punten 72 en 73 supra uiteengezet dat het enkele feit dat om toepassing van de mededeling inzake samenwerking wordt verzocht teneinde voornoemde immuniteit te verkrijgen, er niet noodzakelijkerwijs toe aanzet om vertekende bewijzen met betrekking tot de deelneming van de andere kartelleden over te leggen.

103 De specifieke omstandigheden waaruit beweerdelijk de door ABB ondergane druk blijkt, doen niet af aan deze stelling. Op de hoorzitting voor de Commissie heeft ABB er zich immers toe beperkt, het feitelijke kader van het kartel uiteen te zetten en aan te voeren dat de door haar aan de Commissie verstrekte feitelijke elementen rechtvaardigden dat haar immuniteit werd verleend. In het kader van de door de Tsjechische mededingingsautoriteit ingeleide procedure bevatte de memorie van interventie van ABB, naast deze twee aspecten, een deel waarin de feiten juridisch werden beoordeeld, alsook opmerkingen over de mededeling van de punten van bezwaar. In beide gevallen lijkt ABB niet meer te hebben gedaan dan hetgeen kan worden verwacht van een onderneming die om immuniteit heeft verzocht en die door middel van volledige samenwerking met de betrokken autoriteit de haar verleende voorwaardelijke immuniteit wenst te behouden. Bijgevolg dient niet te worden geoordeeld dat afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van ABB wordt gedaan door het feit dat zij om immuniteit heeft verzocht.

104 Evenmin kan verzoeksters’ argument worden aanvaard dat is ontleend aan het feit dat de verklaringen van ABB niet uit de periode van de feiten dateren. Om te beginnen kunnen de door een onderneming in het kader van haar clementieverzoek ten aanzien van de Commissie afgelegde verklaringen per definitie immers niet samenvallen met het verweten inbreukmakende gedrag in zijn totaliteit, waardoor deze verklaringen wegens deze omstandigheid elke bewijskracht zouden missen. Verder heeft ABB in casu aangevoerd dat het gemeenschappelijk akkoord vanaf 11 maart 2004 bestond, te weten voordat de inbreuk waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, is beëindigd.

105 Wat de inhoud van de verschillende verklaringen van ABB betreft, dient in de eerste plaats geen bijzonder belang te worden gehecht aan het feit dat het gemeenschappelijk akkoord niet wordt vermeld in het aanvankelijke verzoek, te weten het clementieverzoek van 3 maart 2004. Het is immers normaal dat de betrokken onderneming bij een eerste contact met de Commissie in het kader van een clementieverzoek niet in detail alle aspecten beschrijft van de inbreuk die zij aan het licht wil brengen.

106 Bovendien heeft ABB in het aanvankelijke verzoek weliswaar niet expliciet melding gemaakt van het gemeenschappelijk akkoord, maar heeft zij niettemin aangegeven dat JAEPS en TM T & D tot de deelnemers van het kartel behoorden en dat dit kartel voor alle lidstaten van de Europese Unie gold. Deze verklaring impliceert dat deze twee ondernemingen volgens ABB aan het gemeenschappelijk akkoord hebben deelgenomen.

107 In de tweede plaats heeft ABB in haar opmerkingen van 11 maart 2004, dus voordat haar voorwaardelijke immuniteit werd verleend, expliciet verwezen naar het bestaan van een gemeenschappelijk akkoord op grond waarvan deze twee Japanse ondernemingen geen inschrijvingen voor Europese projecten zouden indienen en de Europese ondernemingen geen inschrijvingen voor Japanse projecten zouden indienen.

108 In die context spreekt het vanzelf dat ABB naar twee Japanse ondernemingen heeft verwezen, namelijk JAEPS en TM T & D, aangezien op het tijdstip waarop zij haar verklaringen heeft afgelegd, de activiteiten op het gebied van GGS van de ondernemingen Hitachi, Fuji, Toshiba en Melco in deze twee joint ventures waren gegroepeerd. Dit neemt niet weg dat de Commissie deze verklaring aldus kon opvatten dat daaruit bleek dat deze ondernemingen zelf aan het gemeenschappelijk akkoord hadden deelgenomen. In haar aanvankelijke verzoek had ABB immers reeds gepreciseerd dat het kartel – voor zover haar bekend was – reeds meer dan tien jaar bestond, hetgeen impliceert dat de oprichting ervan ruim aan de oprichting van JAEPS en TM T & D voorafging.

109 Evenzo dient op basis van de gecombineerde lezing van de opmerkingen van ABB van 11 maart 2004 en van haar aanvankelijke verzoek verzoeksters’ argument dat ABB geen preciseringen over de duur van het kartel heeft verstrekt, te worden afgewezen. In haar aanvankelijke verzoek heeft ABB immers aangegeven dat het kartel minstens sinds 1994 in werking was getreden en haar opmerkingen van 11 maart 2004 weerspreken deze vaststelling niet.

110 Bovendien heeft ABB stellig verklaard dat het gemeenschappelijk akkoord gebaseerd was op de omstandigheid dat de Japanse producenten door de Europese afnemers niet volledig werden aanvaard en dat zij met bepaalde obstakels op de Europese markt werden geconfronteerd. Uit haar opmerkingen van 11 maart 2004 volgt evenwel ondubbelzinnig dat de Japanse ondernemingen volgens haar niet louter deze obstakels hebben geconstateerd, maar zij ten aanzien van hun Europese partners de verbintenis zijn aangegaan om weg te blijven van de EER-markt. Veeleer dan dat zij ertoe leidden dat dit akkoord zonder voorwerp was, vormden de toegangsdrempels tot deze markt dus een factor die tot het sluiten van dit akkoord heeft geleid. Voorts zij benadrukt dat deze vaststelling geenszins paradoxaal is, aangezien het normaal is dat een producent – in het kader van een regeling houdende verdeling van de markt zoals die waartegen de Commissie in casu optreedt – aan zijn concurrenten die delen van de markt overlaat waar hij zwak staat.

111 In de derde plaats moet verzoeksters’ bewering dat de opmerkingen van ABB van 4 oktober 2005 in tegenspraak zijn met haar eerdere verklaringen, worden afgewezen. In die opmerkingen heeft ABB het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord immers bevestigd. Ook al heeft zij bij die gelegenheid beklemtoond dat de obstakels waarmee de Japanse producenten die tot de EER-markt wensten door te stoten, werden geconfronteerd, konden worden overwonnen, deze vaststelling is daarom nog niet in tegenspraak met haar verklaringen van 11 maart 2004. In laatstgenoemde verklaringen had zij niet had gesteld dat het doorstoten tot deze markt onmogelijk was, maar enkel dat dit moeilijk was.

112 Anders dan verzoeksters beweren, vormen de opmerkingen van ABB van 4 oktober 2005 dus een verduidelijking die strookt met haar vorige verklaringen.

113 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de verklaringen van ABB een element vormen aan de hand waarvan het gemeenschappelijk akkoord kan worden bewezen, aangezien in deze verklaringen op het bestaan van dit akkoord wordt gewezen, de essentiële inhoud daarvan wordt beschreven en aanwijzingen betreffende de duur ervan en de deelnemers eraan worden verstrekt.

114 Bovendien zijn de verklaringen van ABB samenhangend, zijn ze in naam van een onderneming afgelegd en blijkt uit de inhoud ervan dat zij op interne opsporingen en op besprekingen met de werknemers van deze onderneming zijn gebaseerd. Aan deze verklaringen moet dan ook een zekere bewijskracht worden toegekend. Niettemin dient de inhoud ervan volgens de in punt 68 supra genoemde rechtspraak ook te worden bevestigd door andere bewijselementen.

Getuigenissen van de werknemers en van een gewezen werknemer van ABB

– Argumenten van partijen

115 Verzoeksters herhalen om te beginnen hun argument dat de bewijskracht van de door ABB overgelegde gegevens gering is aangezien deze laatste heeft verzocht, voor de immuniteitsregeling in aanmerking te komen.

116 Verzoeksters wijzen er in dit verband op dat de getuigenissen van de werknemers en van een gewezen werknemer van ABB zijn afgelegd in het kader van gesprekken op verzoek van de Commissie die in september 2005 hebben plaatsgevonden, te weten 18 maanden na het eerste clementieverzoek, in aanwezigheid van haar personeel en van de juridische raadsman van ABB, die tijdens het onderhoud met M. overigens actief is tussengekomen.

117 Tevens blijkt volgens verzoeksters uit sommige bij deze gesprekken gemaakte opmerkingen dat vooraf voorbereidende bijeenkomsten zijn gehouden en dat minstens één schriftelijke memorie is opgesteld. Inzonderheid lijken de verklaringen van M. te zijn uitgelokt via een voorbereidend gesprek met de externe raadsman van ABB, welk gesprek op de dag zelf van de hoorzitting heeft plaatsgevonden. Desondanks zijn er incoherenties tussen de verschillende getuigenissen.

118 Verder zijn de getuigen gebrieft over het belang van de gesprekken voor de afdoening van het clementieverzoek van ABB. Deze getuigen hadden er volgens verzoeksters dan ook persoonlijk belang bij, de Commissie bewijselementen te verstrekken die het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord bevestigden. Aldus was met name voor M. de enige reden om aan de procedure mee te werken, het behoud van de uitkeringen die hem tijdens zijn pensioen door ABB waren verleend.

119 De getuigenissen dreigden ABB volgens verzoeksters daarentegen niet te schaden, aangezien deze in het kader van het onderzoek van haar clementieverzoek gunstig zouden worden beoordeeld.

120 Voorts zijn de verklaringen van de getuigen noch schriftelijk opgesteld, noch door hen opnieuw onderzocht om de juistheid ervan na te gaan. Deze verklaringen zijn dus niet afgelegd na grondige overpeinzing. De getuigen hebben in hun hoedanigheid van werknemer of van gewezen werknemer gesproken, en niet als officiële vertegenwoordigers van ABB.

121 Verzoeksters voegen hieraan toe dat de ondervraagde personen in vele gevallen geen directe getuigen waren van de gebeurtenissen waarover zij spreken. Met name M. is geen rechtstreekse getuige van de oorsprong van het gemeenschappelijk akkoord geweest, noch van de beweerde vaststelling daarvan op 15 april 1988, aangezien hij te kennen heeft gegeven dat het akkoord misschien al bestond voordat hij geboren werd.

122 Bovendien weerspreekt het getuigenis van M. van september 2005 op tal van punten de vorige – op diens eerdere verklaringen gebaseerde – opmerkingen van ABB en zijn de door hem gebruikte bewoordingen onnauwkeurig en door de Commissie of door de externe raadsman van ABB ingefluisterd. Verder doet het feit dat hij zich niet herinnerde dat de GE-overeenkomst al vóór november 2006 bestond, nog meer twijfels over de betrouwbaarheid van zijn getuigenis rijzen.

123 De Commissie heeft zelf erkend dat het getuigenis van M. slechts geringe bewijskracht had, aangezien deze bij de keuze van de door hem gebruikte bewijselementen blijk van selectiviteit had gegeven.

124 Wat de inhoud van de getuigenissen betreft heeft niemand van de getuigen de duur van het gemeenschappelijk akkoord kunnen bevestigen, aangezien het mechanisme van de GQ-overeenkomst – en dus impliciet deze overeenkomst zelf – volgens M. in 2002 is beëindigd, terwijl de andere getuigen beweren dat de overeenkomst in verschillende periodes tussen 2002 en 2004 heeft gegolden. Evenzo heeft geen enkele getuige de woorden „gemeenschappelijk akkoord” gebruikt en de verwijzingen naar het bestaan van een mededingingsregeling zijn uitgelokt door de Commissie en niet spontaan geformuleerd.

125 Verzoeksters preciseren in dit verband dat ofschoon de Commissie de methode van het gemeenschappelijk akkoord tijdens het onderhoud met Wi. heeft toegelicht, deze laatste enkel opmerkingen over de periode van juli 2002 tot en met januari 2004 heeft kunnen maken. De opmerkingen van P. over het gemeenschappelijk akkoord waren even vaag, waarna de Commissie heeft getracht hem te overtuigen om zijn onnauwkeurige bewoordingen te vervangen door een meer expliciete formulering die haar standpunt bevestigde. V.‑A. heeft zijnerzijds bij zijn gesprek met de Commissie meteen laten weten dat Europa en Noord-Amerika waren uitgesloten van het kartel. Net als bij P. heeft de Commissie later tijdens het gesprek het concept „gemeenschappelijk akkoord” geïntroduceerd. Deze drie getuigenissen zijn dan ook onnauwkeurig, onsamenhangend en niet het resultaat van een grondige reflectie.

126 Aangaande het getuigenis van M. voeren verzoeksters aan dat zijn initiële verklaring betreffende de wederzijdse bescherming van de thuismarkten betrekking had op het concept van landen van oorsprong en niet op het gemeenschappelijk akkoord zoals dit door de Commissie is gedefinieerd. Bovendien zijn ook diens verklaringen over het gemeenschappelijk akkoord vaag.

127 Verzoeksters merken tevens op dat M. niet heeft bevestigd dat de Japanse producenten in staat waren om GGS-producten op de Europese markt te verkopen. Zelfs na de tussenkomst van de externe raadsman van ABB, die geprobeerd heeft om de getuige te beïnvloeden, heeft deze laatste immers gehandhaafd dat de tussenkomst van de Japanse producenten op de Europese markt heel zeldzaam was.

128 De Commissie betwist de gegrondheid van verzoeksters’ argumenten.

– Beoordeling door het Gerecht

129 Vooraf moet erop worden gewezen dat de getuigenissen van de werknemers en van de gewezen werknemer van ABB geen van de verklaringen van deze laatste afzonderlijke en losstaande bewijzen vormen, aangezien deze getuigen zich voor de Commissie op het initiatief van ABB en in het kader van de verplichting tot samenwerking van deze laatste uit hoofde van de mededeling inzake samenwerking hebben uitgesproken, waarbij zij een beroep op de externe raadsman konden doen. Bijgevolg zijn de betrokken getuigenissen niet geschikt om de verklaringen van ABB te bevestigen in de zin van de in punt 68 supra aangehaalde rechtspraak. Veeleer vervolledigen zij deze verklaringen, die zij kunnen verduidelijken en waarvan zij de inhoud kunnen concretiseren. Derhalve moeten ook deze verklaringen door andere bewijselementen worden bevestigd.

130 Voor zover verzoeksters de geloofwaardigheid ter discussie stellen van de getuigenissen die zijn verstrekt door de werknemers en de gewezen werknemer van een onderneming die een clementieverzoek had ingediend, blijkt uit de punten 72 en 73 supra dat dergelijke gegevens niet automatisch wantrouwig moeten worden benaderd. Het is juist dat, wat de individuele motivering van de getuigen betreft, de werknemers van een dergelijke onderneming, die verplicht zijn om in het belang van deze onderneming op te treden, mogelijkerwijs allen zo veel mogelijk bewijzen à charge wensen te verstrekken, ook omdat hun medewerking in de loop van de procedure een positieve impact op hun latere loopbaan kan hebben. Zelfs indien dit het geval is, zullen deze werknemers zich evenwel eveneens bewust zijn van de mogelijke negatieve gevolgen van het verstrekken van onjuiste bewijselementen, die immers bevestiging behoeven en dus gevoeliger liggen.

131 M., een gewezen werknemer van ABB, was in beginsel niet langer gehouden om in het kader van de vrijwillige medewerking aan een administratieve procedure in het belang van zijn vroegere werkgever op te treden. Daardoor had hij er in beginsel echter evenmin belang bij om in die context onjuiste gegevens te verstrekken. In dit verband moet worden opgemerkt dat M. op het tijdstip waarop hij zijn getuigenis heeft afgelegd, reeds gepensioneerd was. In die omstandigheden lijkt een gebrek aan medewerking in de loop van de administratieve procedure geen negatieve consequenties voor hem te kunnen hebben gehad, inzonderheid wat de beweerdelijk aan hem door ABB gedane uitkeringen betreft.

132 Het feit dat er een bepaalde tijd is verstreken tussen de indiening van het clementieverzoek en de gesprekken met de getuigen, doet op zich evenmin aan de bewijskracht van de ontvangen getuigenissen af. De Commissie kan immers in de loop van haar onderzoek op goede gronden bijkomende bewijzen verzamelen, teneinde over alle relevante gegevens te beschikken om te kunnen beoordelen of sprake is van een inbreuk, met name tegen de achtergrond van de opmerkingen van de betrokken ondernemingen.

133 De tijd die is verstreken tussen het getuigenis en de feiten waarop dit betrekking heeft, kan bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van dit getuigenis evenwel van belang zijn, aangezien de getuigen in de regel een gedetailleerder en betrouwbaarder getuigenis over recente gebeurtenissen kunnen afleggen. In casu is de tijd die is verstreken tussen het tijdstip waarop de getuigenissen zijn afgelegd, in september 2005, en het einde van de betrokkenheid van de verschillende getuigen bij het kartel, te weten mei 2004 voor V.‑A., W. en P. en juni 2002 voor M., niet voldoende lang om een invloed op hun geloofwaardigheid te hebben.

134 Aan de geloofwaardigheid van de getuigenissen wordt algemeen genomen evenmin afbreuk gedaan door het feit dat de externe raadsman van ABB bij de gesprekken aanwezig was, aangezien de getuigenissen in het kader van de medewerking van ABB uit hoofde van de mededeling inzake samenwerking zijn afgelegd en de getuigen bij de aanvang van hun respectieve gesprekken uitdrukkelijk hebben aangegeven dat zij door deze raadsman wensten te worden bijgestaan.

135 Stellig is de externe raadsman van ABB op een bepaald ogenblik tijdens het gesprek met M. tussengekomen, teneinde deze te suggereren dat het voor de Japanse producenten rendabel kon zijn om tot de Europese markt door te stoten, waarvan M. niet overtuigd leek. Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat M. twijfels heeft geuit betreffende het commerciële belang van een dergelijk optreden en dient bij de beoordeling van de inhoud van zijn getuigenis daarmee rekening te worden gehouden. Verzoeksters preciseren evenwel niet in welke mate deze tussenkomst van de externe raadsman van ABB in andere opzichten aan de geloofwaardigheid van het getuigenis van M. afdoet.

136 Betreffende de omstandigheid dat vooraf een memorie is opgesteld en voorbereidende gesprekken zijn gehouden, hoeft het geen verwondering te wekken dat een onderneming die een clementieverzoek heeft ingediend, vooraf de relevante feitelijke elementen voor haar verzoek vastlegt en de getuigen die zich daarover kunnen uitspreken identificeert, en met laatstgenoemden nagaat in hoeverre zij daarvan op de hoogte zijn.

137 Bovendien is het niet zo dat de betrokken getuigenissen geen nadelige gevolgen voor ABB konden hebben. Aangezien de gesprekken hebben plaatsgevonden voordat de mededeling van de punten van bezwaar is verzonden, wisten noch ABB, noch haar werknemers, noch haar gewezen werknemer immers met zekerheid welke de exacte draagwijdte en inhoud was van de grieven die ABB zouden worden verweten.

138 Verzoeksters stellen evenwel terecht dat de betrokken getuigenissen niet het resultaat lijken te zijn van een grondige reflectie en evenmin na overpeinzing en bijkomende verificaties opnieuw zijn overwogen. De getuigenissen zijn immers mondeling verstrekt en er is geen spoor van dat de Commissie vooraf schriftelijke vragen aan de getuigen heeft voorgelegd, noch dat de verklaringen over het gemeenschappelijk akkoord en de drempels voor de toegang tot de markt in de EER nadien door degenen die deze verklaringen hebben afgelegd, zijn geverifieerd en opnieuw tegen het licht zijn gehouden.

139 Evenzo lijken de getuigen zich niet als officiële vertegenwoordigers van ABB te hebben uitgesproken. Deze rol lijkt immers in hoofdzaak te zijn opgenomen door de externe raadgevers van ABB, die de in de punten 102 tot en met 114 supra genoemde verklaringen hebben afgelegd. Verder was M., zoals in punt 131 supra is opgemerkt, op het tijdstip waarop hij zijn getuigenis heeft afgelegd op het eerste gezicht niet meer gehouden om in het belang van zijn gewezen werkgever op te treden en er zijn evenmin aanwijzingen dat hijzelf of een andere getuige zich systematisch op het onderhoud heeft voorbereid door andere werknemers van ABB te raadplegen of documenten die deze laatste in haar bezit had, in te kijken. Ten slotte hadden de vragen die de Commissie tijdens de gesprekken heeft gesteld, geen betrekking op het officiële standpunt van ABB betreffende de aan de orde gestelde onderwerpen, maar veeleer op de zaken waarvan de verschillende getuigen persoonlijk kennis hadden.

140 Verzoeksters’ betoog dat de ondervraagde personen vaak geen directe getuigen van de betrokken gebeurtenissen waren, dient te worden afgewezen. Uit de getuigenissen blijkt immers dat de vier getuigen persoonlijk aan de activiteiten van het kartel hebben deelgenomen. Inzonderheid M. was een van de vertegenwoordigers van ABB in het kartel tussen 1988 en 2002, dat wil zeggen gedurende bijna de volledige periode waarin dit van kracht was, terwijl ABB zelf een van de hoofdrolspelers was. M. was dus een rechtstreekse en bevoorrechte getuige van de door hem uiteengezette feiten.

141 In dit verband moet worden erkend dat M. in zijn getuigenis heeft bevestigd dat hij niet aanwezig was bij de vaststelling van het gemeenschappelijk akkoord, dat volgens hem aan de ondertekening van de GQ-overeenkomst en aan die van de EQ-overeenkomst voorafging. Evenzo heeft hij op de vraag of de kwestie van het gemeenschappelijk akkoord ter sprake is gebracht op de bijeenkomsten waaraan hij heeft deelgenomen, geantwoord dat deze kwestie niet aan de orde hoefde te worden gesteld, aangezien het gemeenschappelijk akkoord voor zichzelf sprak. Deze omstandigheden doen evenwel niet af aan de bewijskracht van het getuigenis van M. Een getuige kan om te beginnen immers perfect het bewijs van een duurzaam fenomeen leveren ofschoon hij aan het begin daarvan niet aanwezig was. Ook al heeft M. voorts verklaard dat de kwestie van het gemeenschappelijk akkoord niet expliciet is besproken op de bijeenkomsten waaraan hij heeft deelgenomen, uit zijn getuigenis blijkt evenwel dat dit volgens hem het geval was, aangezien de inhoud van dit akkoord door de deelnemers aan het kartel werd begrepen en aanvaard en door hen is uitgevoerd zonder dat het uitdrukkelijk hoefde te worden besproken. Voor zover de door de Commissie aan de orde gestelde verbintenis van de Japanse ondernemingen louter uit een onthouding om op te treden en niet uit een positieve handeling bestond, kan dat overigens het geval zijn.

142 Verzoeksters zetten niet in detail uiteen welke de zogenoemde incoherenties waren waardoor de verschillende getuigenissen mank gingen. Wanneer de getuigenissen zowel onderling als met de andere door ABB overgelegde bewijselementen worden vergeleken, kunnen bovendien geen incoherenties worden vastgesteld die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen over het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord. Het enige verschil dat enigszins relevant kan zijn, houdt verband met het feit dat de Japanse ondernemingen er commercieel belang bij hadden, tot de Europese markt door te dringen. Zoals in de punten 156 tot en met 158 hierna wordt uiteengezet, doet het standpunt van sommige getuigen ter zake evenwel niet af aan hun verklaringen over het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord.

143 Wat de beweerde onvolledigheid van het getuigenis van M. betreft, zij opgemerkt dat het geen verbazing hoeft te wekken dat een getuige zich tijdens een gesprek niet alle schriftelijke stukken van een kartel kan herinneren. Ook al heeft M. tijdens het gesprek niet expliciet aan de GE-overeenkomst gerefereerd, hij heeft niettemin verwezen naar de toewijzing van GGS-projecten in de EER krachtens overeenkomsten die van vóór de GQ-overeenkomst dateerden, waaronder met name de GE-overeenkomst.

144 Het feit dat de Commissie niet alle elementen van een getuigenis heeft gebruikt, impliceert evenmin dat dit getuigenis slechts geringe bewijskracht heeft. Het is immers normaal dat sommige elementen irrelevant zijn of sommige omstandigheden op meer overtuigende wijze blijken uit andere bewijzen.

145 Wat de inhoud van de getuigenissen betreft, zijn de verklaringen over de duur van het kartel, anders dan verzoeksters stellen, zowel onderling samenhangend als coherent met het betoog van de Commissie.

146 M. heeft immers duidelijk aangegeven dat de regel van wederzijdse eerbiediging van de thuismarkten door de groepen Europese en Japanse producenten reeds lang bestond en zelfs van vóór de GQ-overeenkomst dateerde.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in