Gerecht EU 19 januari 2016, T-409/12, ECLI:EU:T:2016:17

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)

19 januari 2016 ( *1 )

„Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt voor projecten inzake gasgeïsoleerd schakelmateriaal — Besluit dat na de gedeeltelijke nietigverklaring door het Gerecht van de oorspronkelijke beschikking wordt vastgesteld — Geldboeten — Motiveringsplicht — Beginsel van behoorlijk bestuur — Rechten van de verdediging — Gelijke behandeling — Evenredigheid — Onjuiste beoordeling — Uitgangsbedrag — Mate van bijdrage aan de inbreuk — Afschrikkingscoëfficiënt”

In zaak T‑409/12,

Mitsubishi Electric Corp., gevestigd te Tokyo (Japan), vertegenwoordigd door R. Denton, J. Vyavaharkar, R. Browne, L. Philippou, M. Roald, J. Robinson, solicitors, en K. Haegeman, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Khan en P. van Nuffel als gemachtigden,

verweerster,

betreffende primair een verzoek tot nietigverklaring van besluit C(2012) 4381 van de Commissie van 27 juni 2012 tot wijziging van beschikking C(2006) 6762 definitief van 24 januari 2007 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] (thans artikel 101 VWEU) en artikel 53 van de EER-Overeenkomst voor zover die beschikking gericht was tot Mitsubishi Electric Corporation en Toshiba Corporation (zaak COMP/39.966 – Gasgeïsoleerd schakelmateriaal – Geldboeten) voor zover het verzoekster betreft, en, subsidiair, een verzoek tot wijziging van artikel 1 van dat besluit tot intrekking, zo niet verlaging van de aan verzoekster opgelegde boete,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, I. Pelikánová (rapporteur) en E. Buttigieg, rechters,

griffier: S. Spyropoulos, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 april 2015,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

1 Verzoekster, Mitsubishi Electric Corp., is een Japanse vennootschap die actief is in verschillende sectoren, waaronder die van gasgeïsoleerd schakelmateriaal (hierna: „GGS”). Haar GGS-activiteit werd van oktober 2002 tot april 2005 uitgeoefend door een joint venture, namelijk de in 2005 ontbonden TM T&D Corp., waarvan zij en Toshiba Corp. ieder 50 % van de aandelen in handen hadden.

2 De Commissie van de Europese Gemeenschappen stelde op 24 januari 2007 beschikking C(2006) 6762 definitief in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/F/38.899 – Gasgeïsoleerd schakelmateriaal) (hierna: „beschikking van 2007”) vast.

3 De Commissie stelde in de beschikking van 2007 één enkele en voortgezette inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte vast op de GGS-markt van de Europese Economische Ruimte (EER) van 15 april 1988 tot 11 mei 2004 en legde de Europese en Japanse GGS-producenten tot wie deze beschikking was gericht, geldboeten op waarvan het bedrag is berekend overeenkomstig de methodologie die is uiteengezet in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren voor de berekening van geldboeten”), en in de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3).

4 De in de beschikking van 2007 bedoelde inbreuk bevatte drie wezenlijke bestanddelen: — een op 15 april 1988 te Wenen ondertekende overeenkomst (hierna: „GQ-overeenkomst”) tot mondiale toewijzing van GGS-projecten overeenkomstig overeengekomen regels, tot behoud van de quota die grotendeels de geraamde historische marktaandelen weerspiegelden; de overeenkomst, die wereldwijd gold met uitzondering van de Verenigde Staten, Canada, Japan en 17 West-Europese landen, berustte op de toewijzing van een „gezamenlijk Japans quotum” aan de Japanse producenten en van een „gezamenlijk Europees quotum” aan de Europese producenten; — een parallel akkoord (hierna: „gemeenschappelijk akkoord”) tot toewijzing enerzijds van de GGS-projecten in Japan en de landen van de Europese kartelleden (hierna: „landen van oorsprong”) aan de Japanse respectievelijk Europese kartelleden en anderzijds van de GGS-projecten in de andere Europese landen ook aan de Europese groep, met de bindende toezegging van de Japanse producenten zich te onthouden van offertes voor projecten in Europa, die evenwel ter kennis van de Japanse groep moesten worden gebracht en toegerekend op het in de GQ-overeenkomst overeengekomen „gezamenlijke Europese quotum” (hierna: „kennisgeving” en „bijhouden van de quota”); — een op 15 april 1988 te Wenen door de leden van de Europese producentengroep ondertekend akkoord met het opschrift „E‑Group Operation Agreement for GQ-Agreement” (hierna: „EQ-akkoord”), met het doel de krachtens de GQ-overeenkomst aan deze groep toegewezen GGS-projecten te verdelen.

5 In artikel 1 van de beschikking van 2007 heeft de Commissie geconstateerd dat verzoekster van 15 april 1988 tot 11 mei 2004 aan de inbreuk had deelgenomen.

6 Voor de in artikel 1 van de beschikking van 2007 vastgestelde inbreuk is verzoekster in artikel 2 van de beschikking van 2007 een geldboete van 118575000 EUR opgelegd, waarvan 4650000 EUR voor de door TM T&D gemaakte inbreuk, hoofdelijk met Toshiba te betalen.

7 Verzoekster stelde op 18 april 2007 beroep in tegen de beschikking van 2007.

8 Het Gerecht verwierp enerzijds verzoeksters beroep bij arrest van 12 juli 2011, Mitsubishi Electric/Commissie (T‑133/07, Jurispr., EU:T:2011:345), voor zover het strekte tot nietigverklaring van artikel 1 van de beschikking van 2007. Het Gerecht verklaarde anderzijds artikel 2, onder g) en h), van de beschikking van 2007 nietig voor zover het verzoekster betrof, op grond dat de Commissie het beginsel van gelijke behandeling had geschonden door voor verzoekster voor de berekening van het boetebedrag uit te gaan van een ander dan het voor de Europese deelnemers aan de inbreuk gekozen referentiejaar.

9 Verzoekster stelde op 22 september 2011 bij het Hof hogere voorziening in tegen het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven.

10 Bij „letter of facts” aan verzoekster wees de Commissie op 15 februari 2012 op haar voornemen om bij een nieuw besluit verzoekster een geldboete op te leggen (hierna: „letter of facts”). Daarin zette de Commissie de feiten uiteen die haars inziens voor de berekening van deze geldboete relevant waren, gelet op het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven.

11 Verzoekster diende op 16 maart 2012 haar opmerkingen over de „letter of facts” in.

12 Verzoeksters vertegenwoordigers en het met de zaak belaste team van de Commissie kwamen bijeen op 8 juni 2012.

13 Artikel 2 van de beschikking van 2007 is gewijzigd bij besluit C(2012) 4381 van de Commissie van 27 juni 2012 tot wijziging van de beschikking van 2007 voor zover die beschikking gericht was tot verzoekster en Toshiba (zaak COMP/39.966 – Gasgeïsoleerd schakelmateriaal – Geldboeten) (hierna: „bestreden besluit”), door toevoeging van nieuwe punten onder g) en h). Onder g) is verzoekster als enige aansprakelijke onderneming een geldboete van 74817000 EUR opgelegd. Onder h) is verzoekster een hoofdelijk met Toshiba te betalen geldboete van 4650000 EUR opgelegd.

14 Tot opheffing van de door het Gerecht in het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, bekritiseerde ongelijke behandeling ging de Commissie in het bestreden besluit uit van de totale GGS-omzet voor 2003. Voor zover TM T&D in dat jaar de GGS-activiteiten van verzoekster en Toshiba uitoefende, hield de Commissie rekening met haar omzet voor 2003 (overwegingen 59 en 60 van het bestreden besluit).

15 In de eerste plaats berekende de Commissie aldus in het kader van de gedifferentieerde behandeling tot weergave van de respectieve bijdrage van de verschillende kartelleden het GGS-marktaandeel van TM T&D in 2003 (15‑20 %) en deelde zij dat marktaandeel in onder de tweede categorie volgens de in de overwegingen 482 tot en met 488 van de beschikking van 2007 vastgestelde categorisering. Bijgevolg is TM T&D een hypothetisch uitgangsbedrag van 31000000 EUR toegewezen (overweging 61 van het bestreden besluit).

16 In de tweede plaats is het uitgangsbedrag van de geldboete van TM T&D tot weergave van de ongelijke macht van verzoekster en Toshiba om bij te dragen aan de inbreuk in de periode vóór de oprichting van TM T&D verdeeld onder haar aandeelhouders naar verhouding van hun respectieve GGS-verkoop in 2001, dat het laatste volledige jaar vóór de oprichting van TM T&D is. Verzoeksters uitgangsbedrag kwam dus op 20136801 EUR en het uitgangsbedrag van Toshiba op 10863199 EUR (overwegingen 62 en 63 van het bestreden besluit).

17 In de derde plaats paste de Commissie, om de afschrikkende werking van de geldboete te garanderen, op verzoekster een afschrikkingscoëfficiënt van 1,5 toe op basis van haar omzet voor 2005 (overwegingen 69‑71 van het bestreden besluit).

18 In de vierde plaats is verzoeksters uitgangsbedrag tot weergave van de duur van de inbreuk tijdens de periode vóór de oprichting van TM T&D verhoogd met 140 % (overwegingen 73‑76 van het bestreden besluit).

19 In de vijfde plaats is verzoekster en Toshiba tot weergave van de duur van de inbreuk tijdens de activiteitsperiode van TM T&D hoofdelijk een bedrag van 15 % van het hypothetische uitgangsbedrag van TM T&D opgelegd (overweging 77 van het bestreden besluit).

20 In de zesde plaats ten slotte is het bedrag van de hoofdelijke geldboete vermenigvuldigd met verzoeksters afschrikkingscoëfficiënt en haar individueel het product van deze vermenigvuldiging opgelegd dat uitgaat boven het bedrag van de hoofdelijke geldboete (overweging 78 van het bestreden besluit).

Procedure en conclusies van partijen

21 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 september 2012, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

22 Bij brief van 8 januari 2013 heeft verzoekster afgezien van de indiening van een repliek.

23 Bij beschikking van de president van de Vierde kamer van het Gerecht van 21 februari 2013 is de procedure opgeschort tot de uitspraak van het arrest in zaak C‑489/11 P, Mitsubishi Electric Corp./Commissie.

24 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Eerste kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.

25 Bij arrest van 19 december 2013, Siemens/Commissie (C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, EU:C:2013:866), wees het Hof verzoeksters hogere voorziening tegen het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, af. De procedure in de onderhavige zaak is dus heropend.

26 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Eerste kamer) op 3 februari 2015 besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan, en in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang, bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991, heeft het de partijen verzocht een document over te leggen en heeft het hun schriftelijk een aantal vragen gesteld. De partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

27 Verzoekster vordert dat: — het bestreden besluit nietig wordt verklaard voor zover het op haar betrekking heeft; — subsidiair, artikel 1 van het bestreden besluit wordt gewijzigd met het oog op intrekking, zo niet verlaging van de haar opgelegde boete; — de Commissie wordt verwezen in de kosten.

28 De Commissie vordert dat: — het beroep gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk rechtens ongegrond wordt verklaard; — verzoekster wordt verwezen in de kosten.

In rechte

Primaire vordering: nietigverklaring van het bestreden besluit

29 Verzoekster baseert haar primaire vordering in haar verzoekschrift op negen middelen. Het eerste middel betreft niet-nakoming van de motiveringsplicht, schending het beginsel van behoorlijk bestuur en schending van verzoeksters rechten van verdediging. Het tweede middel betreft niet-nakoming van de motiveringsplicht, schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het evenredigheidsbeginsel inzake de berekening van de afschrikkingscoëfficiënt. Het derde middel betreft schending van het evenredigheidsbeginsel doordat de Commissie verzoeksters boetebedrag op dezelfde wijze als het boetebedrag van de Europese producenten heeft berekend. Het vierde middel betreft abusievelijke buitenbeschouwinglating door de Commissie van technisch en economisch bewijs bij de vaststelling van de invloed van verzoeksters gedrag en bij de berekening van het boetebedrag. Het vijfde middel betreft abusievelijke vaststelling van de inbreukduur. Het zesde middel betreft schending van het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van de tussen verzoekster en Toshiba te verdelen aandelen van het uitgangsbedrag van TM T&D. Het zevende middel betreft niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van verzoeksters rechten van verdediging bij de vaststelling van de tussen verzoekster en Toshiba te verdelen aandelen van het uitgangsbedrag van TM T&D. Het achtste middel betreft schending van het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel inzake de methode van toewijzing van het uitgangsbedrag aan verzoekster voor de periode vóór de oprichting van TM T&D. Het negende middel betreft niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van verzoeksters rechten van verdediging inzake de methode van toewijzing van het uitgangsbedrag aan verzoekster voor de periode vóór de oprichting van TM T&D.

30 Verzoekster verklaarde na de uitspraak van het arrest Siemens/Commissie (EU:C:2013:866), punt 25hierboven, in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht dat zij afstand deed van haar vijfde middel. Bijgevolg dienen alleen het eerste tot en met het vierde en het zesde tot en met het negende middel te worden onderzocht. Dienaangaande acht het Gerecht het opportuun om in de eerste plaats in te gaan op het eerste, het zevende en het negende middel, die de procedure betreffen die leidde tot de vaststelling van het bestreden besluit en de motivering ervan, in de tweede plaats het achtste en het zesde middel te onderzoeken, die de vaststelling van verzoeksters uitgangsbedrag door verwijzing naar het hypothetische uitgangsbedrag van TM T&D betreffen, in de derde plaats het derde en het vierde middel, die verzoeksters relatieve bijdrage aan de inbreuk betreffen, en in de vierde plaats het tweede middel, dat de vaststelling van verzoeksters afschrikkingscoëfficiënt betreft.

Eerste middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van het beginsel van goed bestuur en van verzoeksters rechten van verdediging

31 Volgens verzoeksters eerste middel is de Commissie bij de berekening van het haar opgelegde boetebedrag de motiveringsplicht niet-nagekomen en heeft zij het beginsel van goed bestuur en verzoeksters rechten van verdediging geschonden.

32 Volgens verzoekster moet de Commissie blijkens de mededeling van de Commissie inzake goede praktijken voor procedures op grond van de artikelen 101 [VWEU] en 102 [VWEU] (PB 2011, C 308, blz. 6) met het oog op meer transparantie in de mededeling van de punten van bezwaar of in voorkomend geval in de „letter of facts” namelijk een bepaald aantal voor de berekening van het boetebedrag relevante gegevens, zoals de relevante verkoopcijfers, opnemen.

33 In casu wordt de methode tot berekening van het boetebedrag niet duidelijk uiteengezet in de overwegingen 51 tot en met 85 van het bestreden besluit, zodat verzoekster ze niet kan begrijpen, daar de Commissie noch haar redenering noch de door haar gevolgde wezenlijke stappen heeft uiteengezet. Derhalve heeft de Commissie ook het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden.

34 Concreter stelt verzoekster dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd inzake in de eerste plaats de omvang van de geografische markt, in de tweede plaats de gedifferentieerde behandeling, in de derde plaats de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboete van TM T&D en de geschiktheid ervan, en in de vierde plaats de keuze van de op haar toepasselijke afschrikkingscoëfficiënt en de geschiktheid ervan.

35 Bovendien, aldus verzoekster, wees de Commissie noch in de mededeling van punten van bezwaar van 20 april 2006, die is toegezonden in de procedure die leidde tot de beschikking van 2007 (hierna: „mededeling van punten van bezwaar van 2006”), noch in de uitwisselingen vóór de vaststelling van het bestreden besluit op haar voornemen om de afschrikkingscoëfficiënt ook voor de activiteitsperiode van TM T&D toe te passen.

36 De Commissie betwist de gegrondheid van verzoeksters argumenten.

37 Om te beginnen dient te worden gewezen op de verwarring in verzoeksters betoog tussen de grieven inzake schending van haar rechten van verdediging in de procedure die leidde tot de vaststelling van het bestreden besluit, en de grieven inzake gebreken in de motivering van dit laatste besluit. Deze grieven verschillen en moeten dus afzonderlijk worden onderzocht.

– Grieven inzake schending van verzoeksters rechten van verdediging

38 Volgens de rechtspraak vereist de eerbiediging van de rechten van verdediging dat de belanghebbende tijdens de administratieve procedure in staat is gesteld zijn standpunt nuttig kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk op het Verdrag heeft gestaafd (arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie,C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr., EU:C:2004:6, punt 66).

39 Vooraf zij in casu opgemerkt dat de procedure tot vaststelling van het bestreden besluit, gelet op het daarin uitdrukkelijk gestelde dat het een besluit tot wijziging van de beschikking van 2007 vormt, in het verlengde ligt van de procedure die leidde tot de beschikking van 2007. Derhalve kan tot verificatie of verzoeksters rechten van verdediging zijn geëerbiedigd in de procedure die leidde tot de vaststelling van het bestreden besluit, rekening worden gehouden zowel met de beschikking van 2007 als met de maatregelen tot voorbereiding van de vaststelling ervan, waaronder de mededeling van punten van bezwaar van 2006, voor zover het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, deze beschikking en deze maatregelen onaangetast laat.

40 In de eerste plaats, aldus verzoekster, moet de Commissie, zoals aangegeven in punt 32 hierboven, volgens de mededeling inzake goede praktijken de betrokken ondernemingen een bepaald aantal relevante gegevens voor de berekening van het boetebedrag, zoals de verkoopcijfers, meedelen.

41 Zonder dat in deze context hoeft te worden ingegaan op het argument van de Commissie waarbij zij betwist dat de mededeling inzake goede praktijken dwingend is, kon verzoekster blijkens haar opmerkingen over de „letter of facts” haar standpunt over de verschillende etappes van de berekening van het te verwachten boetebedrag in detail kenbaar maken. Wat meer bepaald de relevante verkoopcijfers betreft, verwijst dat antwoord uitdrukkelijk naar de verkoopcijfers zowel van TM T&D als van verzoekster en Toshiba, die bij de berekening van het boetebedrag zouden worden gebruikt; dat impliceert dat verzoekster de voor deze berekening relevante gegevens kon identificeren en haar opmerkingen op dit punt kon maken.

42 Deze vaststelling wordt bevestigd door de interne notulen van de Commissie van de bijeenkomst van 8 juni 2012, die melding maken van gedetailleerde besprekingen tussen verzoekster en de Commissie over de verschillende etappes van de berekening van het boetebedrag dat verzoekster zou worden opgelegd.

43 Derhalve luidt de conclusie dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de Commissie haar rechten van verdediging heeft geschonden door haar voor de berekening van het boetebedrag relevante gegevens, met name de verkoopcijfers, niet mee te delen.

44 In de tweede plaats beklaagt verzoekster, zoals aangegeven in punt 35 hierboven, zich in wezen erover dat de Commissie haar niet heeft gewaarschuwd dat zij de afschrikkende werking van de geldboete wilde verzekeren door oplegging van een extra boetebedrag van 2325000 EUR, dat volgde uit de toepassing van de in punt 20 hierboven bedoelde afschrikkingscoëfficiënt die op haar toepasselijk was voor de activiteitsperiode van TM T&D (hierna: „extra bedrag”).

45 Ten eerste kondigde de Commissie dienaangaande in punt 9.2 van de mededeling van punten van bezwaar van 2006 aan dat zij geldboeten wilde opleggen aan de adressaten van dat document, en wees zij op de wil om de afschrikkende werking ervan te verzekeren als een van de wezenlijke factoren voor de vaststelling van deze boetebedragen.

46 Ten tweede stelde de Commissie in overweging 491 van de beschikking van 2007 de op verzoekster toepasselijke afschrikkingscoëfficiënt vast. Volgens het in overweging 503 van dezelfde beschikking uitdrukkelijk door de Commissie gestelde, is verzoekster voor de activiteitsperiode van TM T&D een op basis van dezelfde coëfficiënt berekend extra bedrag opgelegd. Verzoekster kon, gelet op deze overwegingen, dus begrijpen dat de Commissie de afschrikkende werking van de geldboete ook wilde verzekeren wat de activiteitsperiode van TM T&D betreft.

47 Ten derde wettigt niets in het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, om de keuze van de Commissie om de afschrikkende werking van de aan verzoekster opgelegde geldboete ook te verzekeren voor de activiteitsperiode van TM T&D, als onwettig en ongeschikt te beschouwen, daar dat arrest deze vraag niet behandelt.

48 Ten vierde ging verzoekster op basis van de overwegingen 489 en 503 van de beschikking van 2007 blijkens haar opmerkingen over de „letter of facts” ervan uit dat maximaal 15 % van het hypothetische uitgangsbedrag van TM T&D voor de activiteitsperiode van TM T&D als geldboete zou worden opgelegd „met dien verstande dat een eventuele afschrikkingscoëfficiënt voor [verzoekster] [zou] worden toegepast”. Zo blijkt uit verzoeksters eigen verklaringen uitdrukkelijk dat zij aannam dat de Commissie op haar de afschrikkingscoëfficiënt voor de activiteitsperiode van TM T&D zou toepassen en haar dus het extra bedrag zou opleggen.

49 Ten vijfde vermelden de interne notulen van de Commissie van de bijeenkomst van 8 juni 2012 uitdrukkelijk dat de in de beschikking van 2007 voor de berekening van het boetebedrag gekozen en door het Gerecht onbekritiseerde parameters volgens de Commissie ongewijzigd konden blijven, zodat methodologisch alleen het referentiejaar diende te worden gewijzigd. Zoals is vastgesteld in de punten 46 en 47 hierboven, paste de Commissie de afschrikkingscoëfficiënt in de beschikking van 2007 toe op de activiteitsperiode van TM T&D zonder dat het Gerecht deze factor voor de berekening van het boetebedrag vervolgens bekritiseerde.

50 Derhalve bevestigde de stellingname van de Commissie op de bijeenkomst van 12 juni 2012 de andere relevante gegevens waaruit bleek dat zij de afschrikkingscoëfficiënt op de activiteitsperiode van TM T&D wilde toepassen en verzoekster dus het extra bedrag wilde opleggen.

51 Gelet op het voorgaande luidt de conclusie dat verzoekster vanaf de mededeling van punten van bezwaar van 2006 wist dat de Commissie de afschrikkende werking van de opgelegde geldboete wilde verzekeren. Zij kon althans vanaf de beschikking van 2007 begrijpen dat dat voornemen impliceerde dat een extra bedrag voor de activiteitsperiode van TM T&D zou worden opgelegd. Dat voornemen bleef onaangetast door het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, en is zowel in de „letter of facts”, zoals blijkt uit verzoeksters opmerkingen over deze laatste brief, als op de vergadering van 12 juni 2012 herbevestigd.

52 Derhalve kunnen verzoeksters argumenten niet aantonen dat haar rechten van verdediging zijn geschonden wat het voornemen van de Commissie betreft om haar het extra bedrag op te leggen.

– Grieven inzake de motivering van het bestreden besluit

53 Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering de redenering van de instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig doen uitkomen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen om hun rechten te kunnen verdedigen en de Unierechter zijn toezicht kan uitoefenen (zie naar analogie arrest van 18 september 2003, Volkswagen/Commissie,C‑338/00 P, Jurispr., EU:C:2003:473, punt 124en aldaar aangehaalde rechtspraak). De Commissie moet krachtens artikel 296 VWEU weliswaar melding maken van de elementen feitelijk en rechtens waarvan de rechtvaardiging van de beslissing afhangt en de juridische overwegingen die haar tot het nemen van die beslissing hebben geleid, maar deze bepaling schrijft niet voor dat zij moet ingaan op alle punten feitelijk en rechtens die tijdens de administratieve procedure zijn behandeld (zie naar analogie arrest Volkswagen/Commissie, reeds aangehaald, EU:C:2003:473, punt 127en aldaar aangehaalde rechtspraak). De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang van dat de adressaten van de handeling of andere personen die daardoor rechtstreeks en individueel worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben (zie arrest Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, Jurispr., EU:C:1998:154, punt 63en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voormelde rechtspraak is naar analogie toepasselijk op de beschikkingen van de Commissie, waarbij een inbreuk op artikel 53, lid 1, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte wordt vastgesteld.

54 In deze context vormt het bestreden besluit, aldus het daarin uitdrukkelijk gestelde, een besluit tot wijziging van de beschikking van 2007, wat de aan verzoekster en Toshiba opgelegde geldboeten betreft. Derhalve kan voor het onderzoek van het onderhavige middel rekening worden gehouden met de motivering van de beschikking van 2007, aangezien het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, deze motivering onaangetast laat en de tekst van het bestreden besluit haar niet tegenspreekt.

55 Vooraf zij opgemerkt dat het door verzoekster in punt 32 hierboven uitgedrukte inleidende argument dat de methode voor de berekening van het boetebedrag niet duidelijk is toegelicht en door haar dus niet kon worden begrepen, te algemeen om te kunnen worden onderzocht en het is dus niet-ontvankelijk krachtens artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, dat van toepassing is inzake de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep (zie beschikking van 7 september 2010, Norilsk Nickel Harjavalta en Umicore/Commissie, T‑532/08, Jurispr., EU:T:2010:353, punt 70en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56 De motivering van de berekening van het boetebedrag in het bestreden besluit blijkt bij alomvattend onderzoek ervan in geen geval onvoldoende of incoherent, daar de Commissie de verschillende in overweging genomen factoren en de verschillende tussenbewerkingen van de berekening heeft toegelicht.

57 Wat in de eerste plaats de concretere argumenten betreft, stelt verzoekster dat ondanks het in overweging 55 van het bestreden besluit vermelde dat met de omvang van de relevante geografische markt rekening is gehouden om de zwaarte van de inbreuk te beoordelen, het punt van hetzelfde besluit betreffende de zwaarte van de inbreuk niet uitlegt hoe de omvang van de geografische markt is vastgesteld of in welk stadium daarmee rekening is gehouden om de zwaarte te beoordelen. Dienaangaande is alleen de vermelding dat de illegale activiteiten de EER in haar geheel dekten, onvoldoende.

58 Dienaangaande, aldus de Commissie, zijn de vaststellingen inzake de zwaarte van de inbreuk blijkens de inleidende zin van overweging 56 van het bestreden besluit verricht „gelet op de [in de beschikking van 2007] vastgestelde feiten”. Blijkens overweging 478 van deze laatste beschikking is de relevante geografische markt de EER-markt met op basis van de door de betrokken ondernemingen meegedeelde gegevens een omvang in 2003 van ongeveer 320 miljoen EUR; het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, liet deze vaststellingen onaangetast. Bovendien blijkt uit overweging 483 van de beschikking van 2007 duidelijk dat bij de vaststelling van de op de verschillende ondernemingen toepasselijke uitgangsbedragen rekening is gehouden met de omvang van de relevante geografische markt.

59 In de tweede plaats, aldus verzoekster, berust de gedifferentieerde behandeling op geen enkele duidelijke en nauwkeurige uitleg, daar het bestreden besluit niet uitlegt hoe de mondiale verkoopcijfers zijn gebruikt om de groepen in de beschikking van 2007 vast te stellen. Bovendien verwijst overweging 61 van het bestreden besluit naar overweging 484 van de beschikking van 2007, die verwijst naar de relevantie van de waarde van de EER-markt. Volgens verzoekster wordt een dergelijke verwijzing ontkracht doordat er, zoals is gesteld in punt 57 hierboven, geen aanwijzingen over de omvang van de relevante geografische markt zijn.

60 Dienaangaande zijn enerzijds de mondiale verkoopcijfers van 2003 van de verschillende betrokken ondernemingen, waaronder TM T&D, blijkens de overwegingen 57 tot en met 61 van het bestreden besluit, gelezen in samenhang met de overwegingen 483 tot en met 488 van de beschikking van 2007, gebruikt voor de berekening van hun aandelen op de wereldmarkt op basis waarvan zij zijn ingedeeld in groepen met verschillende uitgangsbedragen. Een dergelijke motivering volstaat gelet op de in punt 53 hierboven aangehaalde rechtspraak.

61 Aangezien in punt 58 hierboven is vastgesteld dat de Commissie de omvang van de relevante geografische markt rechtens voldoende had gemotiveerd, berust het argument betreffende overweging 61 van het bestreden besluit en overweging 484 van de beschikking van 2007 anderzijds op een onjuist uitgangspunt, zodat het niet kan worden aanvaard.

62 In de derde plaats licht de beschikking van 2007 of het bestreden besluit volgens verzoekster niet toe hoe het uitgangsbedrag van TM T&D is berekend en waarom het geschikt is. Het exacte bedrag lijkt arbitrair, aangezien over de keuze ervan geen enkele aanwijzing is gegeven. Verzoekster herhaalt bovendien dat de verwijzing naar de waarde van de EER-markt in overweging 484 van de beschikking van 2007 ongegrond is om de in punt 57 hierboven uiteengezette redenen.

63 Dienaangaande, aldus de Commissie in de overwegingen 57 tot en met 61 van het bestreden besluit, diende, daar de betrokken inbreuk zeer zwaar was, een gedifferentieerde behandeling te worden toegepast tot weergave van de ongelijke macht van de verschillende ondernemingen om de mededinging significant te schaden. Zoals vastgesteld in punt 61 hierboven, moest deze gedifferentieerde behandeling haars inziens de vorm aannemen van een categorisering van de uitgangsbedragen op basis van de mondiale GGS-omzet voor 2003. De Commissie merkte in overweging 61 van het bestreden besluit, onder verwijzing naar de in de overwegingen 484 tot en met 488 van de beschikking van 2007 vastgestelde categorisering, op dat TM T&D, gelet op haar mondiale GGS-omzet, in de tweede categorie kwam, zodat haar hypothetisch uitgangsbedrag 31000000 EUR was.

64 Voorts, aldus overweging 483 van de beschikking van 2007, zijn de categorieën aldus vastgesteld dat de verschillen tussen de GGS-marktaandelen van ondernemingen in eenzelfde categorie kleiner zijn dan de verschillen met de marktaandelen van de onder verschillende categorieën ingedeelde ondernemingen.

65 In deze context was blijkens punt 1 A van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten bij zeer zware inbreuken overigens een uitgangsbedrag van meer dan 20 miljoen EUR mogelijk.

66 Deze gegevens geven verzoekster een goed begrip van de beoordelingsfactoren op grond waarvan de Commissie de zwaarte van de door haar begane inbreuk heeft bepaald; de Commissie is de op haar rustende motiveringsplicht dus nagekomen zonder dat zij in het bestreden besluit dit nader behoefde toe te lichten of de cijfergegevens betreffende de exacte berekening van het uitgangsbedrag van TM T&D diende te vermelden (zie in die zin arrest van 29 april 2004, Tokai Carbon e.a./Commissie,T‑236/01, T‑244/01–T‑246/01, T‑251/01 en T‑252/01, Jurispr., EU:T:2004:118, punt 252).

67 Evenmin kan de keuze van de Commissie voor het precieze bedrag van 31000000 EUR voor de onder de tweede categorie ingedeelde ondernemingen, waaronder TM T&D, zelfs zonder nadere motivering van deze keuze in het bestreden besluit, als arbitrair worden aangemerkt, en de Commissie overschrijdt de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid op dit gebied niet (zie naar analogie arrest hierboven, Tokai Carbon e.a./Commissie, punt 66 EU:T:2004:118, punt 224), daar de in de punten 63 tot en met 65 hierboven gememoreerde elementen deze keuze nader schragen.

68 Wat het argument inzake de verwijzing naar de marktwaarde in de EER in overweging 484 van de beschikking van 2007 betreft, volstaat het te verwijzen naar de punten 58 en 61 hierboven.

69 In de vierde plaats, aldus verzoekster, motiveerde de Commissie noch de keuze van haar afschrikkingscoëfficiënt, noch waarom de toepassing van deze coëfficiënt op verzoekster, ook voor de activiteitsperiode van TM T&D, met het daaruit volgende opgelegde extra bedrag geschikt was.

70 Dienaangaande heeft de Commissie blijkens de punten 310 tot en met 317 van het arrest van 3 maart 2011, Siemens/Commissie (T‑110/07, Jurispr., EU:T:2011:68), in overweging 491 van de beschikking van 2007 enerzijds rechtens genoegzaam de factoren uiteengezet die zij bij de verhoging van de uitgangsbedragen van de geldboeten met het oog op afschrikking in aanmerking heeft genomen. Daar deze vaststelling van toepassing is op de aan verzoekster in het bestreden besluit opgelegde afschrikkingscoëfficiënt, luidt de conclusie dat verzoekster, wat het uitgangsbedrag van de haar opgelegde geldboete betreft, de mogelijkheid kreeg om de rechtvaardiging van deze verhoging te kennen en haar rechten uit te oefenen, alsook dat het Gerecht in staat is gesteld om zijn toezicht uit te oefenen.

71 Anderzijds was de Commissie niet gehouden tot specifieke motivering van haar keuze om de afschrikkingscoëfficiënt op verzoekster toe te passen voor de activiteitsperiode van TM T&D. Daar de Commissie verzoekster aansprakelijk stelde voor de activiteiten van TM T&D, bracht haar in de overwegingen 69 tot en met 71 van het bestreden besluit, in samenhang met overweging 491 van de beschikking van 2007, geuite voornemen om de aan verzoekster opgelegde geldboete afschrikkende werking te garanderen namelijk mee dat de afschrikkingscoëfficiënt ook voor deze zelfde periode zou worden toegepast en dus het extra bedrag zou worden opgelegd.

72 Gelet op het voorgaande dienen de in het eerste middel naar voren gebrachte grieven inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht en de in hetzelfde middel geuite grief inzake schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, die niet is gestaafd door autonome argumenten, te worden afgewezen.

73 Bijgevolg dient het eerste middel in zijn geheel te worden afgewezen.

Zevende middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van verzoeksters rechten van verdediging inzake de vaststelling van de tussen verzoekster en Toshiba te verdelen aandelen van het uitgangsbedrag van TM T&D

74 Volgens verzoekster is de Commissie de motiveringsplicht niet nagekomen doordat zij heeft verzuimd aan te geven waarom het uitgangsbedrag van TM T&D tussen haar en Toshiba moest worden verdeeld naar verhouding van de GGS-verkoop van elk van hen in 2001. Het bestreden besluit zet weliswaar uiteen dat het uitgangsbedrag van TM T&D niet dient te worden verdeeld naar de deelnemingen van haar twee aandeelhouders, maar licht namelijk niet toe waarom het noodzakelijk is om de respectieve situaties van laatstgenoemden in 2001 of op een eerdere datum weer te geven, terwijl deze benadering niet met de algemene methodologie van de beschikking van 2007 en het bestreden besluit overeenkomt en evenmin is toegepast in het geval van Schneider Electric SA (hierna: „Schneider”) inzake haar deelneming in VAS, een joint venture met VA Tech. Voorts zijn verzoeksters rechten van verdediging geschonden doordat het verschil in behandeling van verzoekster en Schneider niet nader is verklaard.

75 De Commissie betwist de gegrondheid van verzoeksters argumenten.

76 In de eerste plaats dient de Commissie, zoals is gememoreerd in de overwegingen 52 en 57 van het bestreden besluit, dienaangaande bij de vaststelling van het boetebedrag rekening te houden met de zwaarte van de inbreuk en kan zij bij een zeer zware inbreuk een gedifferentieerde behandeling toepassen op basis van de economische macht van de verschillende ondernemingen om de mededinging ernstig te schaden.

77 In de tweede plaats is in de beschikking van 2007 vastgesteld en in de overwegingen 1 tot en met 3 van het bestreden besluit gememoreerd dat verzoekster en Toshiba hun GGS-activiteiten in 2002 weliswaar aan TM T&D hebben overgedragen, maar tijdens het grootste deel van de inbreukperiode individueel aan de inbreuk hebben deelgenomen.

78 In de derde plaats was de respectieve macht van de twee aandeelhouders van TM T&D om de mededinging ernstig te schaden blijkens de overwegingen 62 en 67 van het bestreden besluit derhalve beter te beoordelen door rekening te houden met hun ongelijke concurrentiepositie op het tijdstip van de oprichting van TM T&D in plaats van met hun deelneming in het kapitaal van TM T&D.

79 In de vierde plaats was dat volgens overweging 67 van het bestreden besluit des te meer het geval daar het aandeel van de GGS-verkoop van verzoekster en Toshiba in 2001 significant verschilde van het aandeel van hun deelneming in het kapitaal van TM T&D, waardoor dit laatste aandeel de marktrealiteit niet betrouwbaar weergaf.

80 In de vijfde plaats preciseerde verzoekster in antwoord op een vraag van het Gerecht dat zij in de procedure die leidde tot de vaststelling van het bestreden besluit, en met name in haar opmerkingen over de „letter of facts”, niet had gesteld dat de in die brief overwogen methode verschilde van die in de beschikking van 2007 inzake Schneider. Derhalve was de Commissie op dit punt niet gehouden tot een bijzondere motivering die verder ging dan de uitlegging in overweging 67 van het bestreden besluit en die is samengevat in punt 79 hierboven.

81 Overigens is de specifieke reden waarom de situatie van Schneider en verzoekster verschilde, namelijk dat voor Schneider relevante omzetcijfers voor 2001 of 2003 ontbraken, hoe dan ook uiteengezet in de passage van het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, betreffende de wil van de Commissie om de ongelijke macht van verzoekster en Toshiba om bij te dragen aan de inbreuk weer te geven, waarnaar de overwegingen 62 en 67 van het bestreden besluit verwijzen.

82 Zo blijkt voldoende duidelijk uit de motivering van het bestreden besluit, voor zover nodig gelezen in samenhang met het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, allereerst dat de keuze van de Commissie om het uitgangsbedrag van TM T&D te verdelen tussen verzoekster en Toshiba naar verhouding van het aandeel in de GGS-verkoop van elk van hen in 2001 was gemotiveerd door de wil om hun respectieve macht om de mededinging ernstig te schaden weer te geven, vervolgens dat het geval van verzoekster en Toshiba verschilde van dat van andere Europese ondernemingen dan Schneider doordat zij tijdens het grootste deel van de inbreukperiode individueel aan de inbreuk hadden deelgenomen, maar hun activiteiten in 2012 hadden overgedragen aan TM T&D, en ten slotte dat de situatie van Schneider verschilde van die van verzoekster en Toshiba doordat de relevante omzetcijfers van Schneider voor 2001 of 2003 niet beschikbaar waren. Derhalve luidt de conclusie dat de motivering van het bestreden besluit op dit punt voldoet aan de eisen van de in punt 53 hierboven aangehaalde rechtspraak.

83 Voorts kan verzoekster, daar zij noodzakelijkerwijze op de hoogte moet zijn geweest van de vaststellingen in het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, niet stellen dat de Commissie haar rechten van verdediging heeft geschonden doordat zij het verschil in behandeling van haarzelf en Schneider niet nader preciseerde vóór de vaststelling van het bestreden besluit. Dat is des te meer het geval daar verzoekster, zoals vastgesteld in punt 80 hierboven, zich niet heeft beroepen op het feit dat op haar een andere methode dan op Schneider zou worden toegepast.

84 Derhalve moet het zevende middel in zijn geheel worden afgewezen.

Negende middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van verzoeksters rechten van verdediging inzake de methode van toewijzing van een uitgangsbedrag aan verzoekster voor de periode vóór de oprichting van TM T&D

85 Volgens verzoekster motiveerde de Commissie rechtens onvoldoende haar beslissing tot verdeling van het uitgangsbedrag van TM T&D tussen haar twee aandeelhouders in plaats van uit te gaan van haar omzet voor 2003 bij de berekening van het boetebedrag voor de periode vóór de oprichting van TM T&D. Deze schending vormt ook een schending van verzoeksters rechten van verdediging.

86 In de eerste plaats legt verzoekster uit dat het argument in overweging 66 van het bestreden besluit, namelijk dat het element van vergelijking met de andere deelnemers aan de inbreuk verloren zou gaan indien de omzet van TM T&D werd verdeeld tussen haar twee aandeelhouders op basis van hun GGS-verkoop voor 2001, daar bij een dergelijke benadering hun virtuele omzetcijfers voor 2001 worden vergeleken met de reële omzetcijfers van 2003 van de andere producenten, vooral benadrukt dat de Commissie het omzetcijfer van TM T&D had moeten verdelen tussen haar aandeelhouders op basis van hun deelnemingen in TM T&D. Het is immers zinloos terug te gaan tot 2001 om de respectieve posities van de verschillende producenten in 2003 te vergelijken.

87 Zo ook, aldus verzoekster, stelt de Commissie ten onrechte dat de verdeling van de omzet van TM T&D voor 2003 leidt tot virtuele omzetcijfers. Het aan verzoekster toegewezen deel van de omzet vertegenwoordigt namelijk steeds een deel van de omzet van TM T&D voor 2003, dat helemaal niets van doen heeft met verzoeksters omzet voor 2001.

88 Zo is het in overweging 66 van het bestreden besluit uiteengezette argument van de Commissie „onjuist en onlogisch”; de Commissie geeft geen rationele uitlegging voor het feit dat de omzet van TM T&D niet tussen haar aandeelhouders kon worden verdeeld.

89 In de tweede plaats wijst overweging 60 van het bestreden besluit TM T&D een tussen haar aandeelhouders te verdelen uitgangsbedrag toe, terwijl overweging 59 verwijst naar de waarde van de verkoop van verzoekster en Toshiba. De door de Commissie gevolgde methodologie is volgens verzoekster dus niet consistent met het aangegeven doel en mist elke geldige rechtvaardiging. De Commissie is dus de motiveringsplicht niet nagekomen en heeft verzoeksters rechten van verdediging geschonden, zodat de aan verzoekster opgelegde geldboete moet worden ingetrokken of verlaagd.

90 De Commissie betwist de gegrondheid van verzoeksters argumenten en wijst er met name op dat het onderhavige middel niet wijst op niet-nakoming van de motiveringsplicht, daar verzoekster alleen uitlegt dat zij het oneens is met de in het bestreden besluit gestelde redenen.

91 Dienaangaande ziet verzoeksters eerste grief, die is uiteengezet in de punten 86 tot en met 88 hierboven, inderdaad niet op de motivering van het bestreden besluit of op de eerbiediging van haar rechten van verdediging in de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van dat besluit, maar op de gegrondheid van de door de Commissie uiteengezette argumenten. De eerste grief van het onderhavige middel faalt dus en de argumenten tot staving ervan zullen samen met het zesde en achtste middel hierna worden onderzocht.

92 Inzake de tweede grief betreft het in punt 89 hierboven betoogde een inconsistentie van de motivering van het bestreden besluit en niet de vraag van de eerbiediging van verzoeksters rechten van verdediging. De tweede grief faalt dus voor zover hij schending van deze rechten betreft.

93 Inzake de inconsistentie van de motivering stelt overweging 59 van het bestreden besluit het volgende vast: „De Commissie ging voor de gedifferentieerde behandeling uit van 2003 als referentiejaar voor de vaststelling van de waarde van de verkoop van [verzoekster] en Toshiba. Deze benadering is consistent met de vaststellingen van het Gerecht in [het arrest van 12 juli 2011, Toshiba/Commissie (T‑113/07, Jurispr., EU:T:2011:343), en het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (punt 8 hierboven, EU:T:2011:345)].”

94 Overweging 60 van het bestreden besluit luidt: „Aangezien [verzoekster] en Toshiba, zoals [is] vastgesteld in de [beschikking van 2007], in 2003 via hun joint venture, TM T&D, aan het kartel hebben deelgenomen, stelde de Commissie een uitgangsbedrag voor de berekening van de aan [verzoekster] en Toshiba voor de periode van 1 oktober 2002 tot 11 mei 2004 op te leggen geldboete vast op basis van de mondiale GGS-omzet van TM T&D in 2003 [...]. De Commissie legde [dat] hypothetische uitgangsbedrag evenwel niet op als afzonderlijke geldboete, maar gebruikt het alleen i) als basis voor de berekening van de verhoging voor de duur in de periode van 1 oktober 2002 tot 11 mei 2004 en ii) als basis voor de vaststelling van de individuele uitgangsbedragen van Toshiba en [verzoekster] voor de periode van hun individuele deelname aan het kartel [...]”

95 Deze twee passages zijn niet inconsistent en wijzen er met name niet op dat de Commissie de waarde van de individuele verkopen van verzoekster en Toshiba eerst vaststelde en deze methode dan inruilde voor verdeling van het uitgangsbedrag van TM T&D tussen haar aandeelhouders.

96 Uit de overwegingen 59 en 60 van het bestreden besluit volgt namelijk veeleer in wezen dat de in de beschikking van 2007 gevolgde algemene regel die het Gerecht benadrukte in het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, namelijk het gebruik van 2003 als referentiejaar voor de vaststelling van de waarde van de verkoop, voor verzoekster op een bijzondere wijze moet worden toegepast, daar verzoekster in dat jaar geen GGS-verkoop boekte, gelet op het feit dat zij haar GGS-activiteiten had overgedragen aan TM T&D. Een dergelijke motivering is consistent en voldoet aan de eisen van de in punt 53 hierboven aangehaalde rechtspraak.

97 Derhalve dient de tweede grief ongegrond te worden verklaard voor zover hij niet-nakoming van de motiveringsplicht betreft.

98 Gelet op het voorgaande kan het negende middel gedeeltelijk niet worden aanvaard en is het gedeeltelijk ongegrond.

Achtste middel: schending van het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel inzake de methode van toewijzing van een uitgangsbedrag aan verzoekster voor de periode vóór de oprichting van TM T&D

99 Volgens verzoeksters achtste middel is het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel geschonden inzake de methode van toewijzing van een uitgangsbedrag aan verzoekster voor de periode vóór de oprichting van TM T&D.

100 Dienaangaande, aldus verzoekster, had de Commissie, in plaats van een hypothetisch uitgangsbedrag voor TM T&D vast te stellen en te verdelen tussen haarzelf en Toshiba, allereerst de omzet van TM T&D voor 2003 moeten verdelen tussen hen beiden, vervolgens hun aandelen op de mondiale markt in 2003 op basis van hun respectieve aandelen in de omzet van TM T&D moeten berekenen en ten slotte hen in de beschikking van 2007 moeten indelen onder de geschikte groep van uitgangsbedragen op basis van hun aandeel op de mondiale markt. Volgens verzoekster zou zij zo op dezelfde wijze zijn behandeld als de Europese producenten.

101 Verzoekster baseert haar standpunt op drie reeksen argumenten.

102 In de eerste plaats haalt zij een aantal passages van het bestreden besluit aan waaruit blijkt dat de boetebedragen moesten worden vastgesteld op basis van de waarde van de GGS-verkoop in 2003.

103 In de tweede plaats, aldus verschillende argumenten van verzoekster, houdt het in wezen geen steek om ervoor te kiezen voor TM T&D een uitgangsbedrag vast te stellen en aan verzoekster zelf de geldboeten op te leggen.

104 In de derde plaats bekritiseert verzoekster de vaststelling van de Commissie in overweging 66 van het bestreden besluit dat de door haar voorgestelde methode tot gevolg heeft dat haar virtuele omzet van 2001 wordt gebruikt.

105 De Commissie betwist de gegrondheid van verzoeksters argumenten.

106 Om te beginnen beschikt de Commissie bij de vaststelling van de boetebedragen over een beoordelingsmarge om het gedrag van de ondernemingen zodanig te sturen dat zij de mededingingsregels naleven (zie arrest Tokai Carbon e.a./Commissie, punt 66 hierboven, EU:T:2004:118, punt 216en aldaar aangehaalde rechtspraak).

107 Het boetebedrag wordt door de Commissie vastgesteld op basis van de zwaarte van de inbreuk en eventueel de duur ervan. De zwaarte van de inbreuk moet worden vastgesteld op basis van criteria zoals de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten. Rekening moet worden gehouden met objectieve factoren zoals de inhoud en de duur van de mededingingsverstorende gedragingen, het aantal en de intensiteit daarvan, de grootte van de betrokken markt en de schade die de economische openbare orde heeft geleden. Bij het onderzoek moet ook rekening worden gehouden met de relatieve grootte en het marktaandeel van de verantwoordelijke ondernemingen, alsook met een eventuele recidive (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 38 hierboven, EU:C:2004:6, punten 89‑91).

108 De Commissie is, telkens als zij besluit om een geldboete op grond van het mededingingsrecht op te leggen, evenwel gehouden om de algemene rechtsbeginselen te eerbiedigen, waaronder het beginsel van gelijke behandeling zoals uitgelegd door de Unierechters (arrest Gerecht van 27 september 2006, Archer Daniels Midland/Commissie,T‑59/02, Jurispr., EU:T:2006:272, punt 315). Volgens vaste rechtspraak vereist het beginsel van gelijke behandeling of non-discriminatie dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arrest Gerecht van 14 mei 1998, BPB de Eendracht/Commissie,T‑311/94, Jurispr., EU:T:1998:93, punt 309en aldaar aangehaalde rechtspraak).

109 Om te beginnen betwistte verzoekster in casu niet dat zij in het referentiejaar, namelijk 2003, zelf geen GGS-verkoop boekte, aangezien zij haar GGS-activiteiten in 2002 had overgedragen aan TM T&D.

110 Daardoor kon verzoeksters geldboete niet op precies dezelfde wijze worden berekend als de geldboete van de Europese adressaten van de beschikking van 2007 en is haar situatie op dit punt dus niet vergelijkbaar met die van laatstgenoemden.

111 Derhalve koos de Commissie er terecht voor om een hypothetisch uitgangsbedrag voor TM T&D vast te stellen en te verdelen tussen haar aandeelhouders in plaats van de mondiale GGS-verkoop van TM T&D te verdelen tussen haar aandeelhouders, en hun individuele uitgangsbedragen vast te stellen op basis van hun respectieve aandelen in deze verkoop.

112 Zoals volgt uit overweging 2 van het bestreden besluit en uit overweging 61 van de beschikking van 2007 was TM T&D namelijk een met de GGS-productie en ‑verkoop belaste volledige joint venture. TM T&D onderscheidde zich dus van haar aandeelhouders, hoewel zij er samen zeggenschap over hadden.

113 Deze omstandigheid volgt voorts uit punt 7.2.7 van de beschikking van 2007, dat vaststelt tot wie zij is gericht. Verzoekster en Toshiba zijn in de overwegingen 407 en 435 van deze beschikking namelijk uitdrukkelijk als aandeelhouders aansprakelijk gesteld voor de „van 1 oktober 2002 tot en met 11 mei 2004 door TM T&D begane inbreuk”.

114 Verzoeksters argumenten laten deze conclusie onverlet.

115 Verzoekster stelt namelijk met haar in punt 102 hierboven aangehaalde eerste reeks argumenten dat de boetebedragen blijkens de overwegingen 59 tot en met 62 en 66 van het bestreden besluit hadden moeten worden vastgesteld op basis van de waarde van de individuele GGS-verkoop van haarzelf en Toshiba in 2003.

116 Zoals reeds is vastgesteld in punt 96 hierboven, blijkt uit de overwegingen 59 en 60 van het bestreden besluit evenwel in wezen dat de in de beschikking van 2007 gevolgde algemene regel, die het Gerecht benadrukte in het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, namelijk het gebruik van 2003 als referentiejaar voor de vaststelling van de waarde van de verkoop, voor verzoekster op een bijzondere wijze moest worden toegepast, daar verzoekster in dat jaar geen GGS-verkoop boekte, gelet op het feit dat zij haar GGS-activiteiten had overgedragen aan TM T&D.

117 Deze uitlegging wordt bevestigd zowel door de overwegingen 62 en 66 van het bestreden besluit als door het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, waarin het Gerecht de door de Commissie in het bestreden besluit gevolgde methode uitdrukkelijk aanhaalde als een geschikt voorbeeld.

118 Wat de in punt 103 hierboven aangehaalde tweede reeks argumenten betreft, merkt verzoekster op dat de Commissie, voor zover de vaststelling van haar uitgangsbedrag tot doel heeft haar een individuele boete op te leggen, niet kan stellen dat zij in 2003 deelnam aan de inbreuk via TM T&D. Aangaande de boete voor de periode vóór de oprichting van TM T&D, die een aan verzoekster opgelegde individuele geldboete is, had het toepasselijke uitgangsbedrag volgens dezelfde methode als voor de andere deelnemers aan de inbreuk en dus op basis van haar omzet voor 2003 moeten worden berekend. Het uitgangsbedrag van TM T&D is een voor de activiteitsperiode van TM T&D toepasselijk afzonderlijk bedrag.

119 Dienaangaande, aldus de punten 109 en 110 hierboven, kon verzoeksters geldboete niet op precies dezelfde wijze worden berekend als de geldboete van de Europese adressaten van de beschikking van 2007, aangezien zij geen eigen GGS-omzet voor 2003 had. Dat de in het bestreden besluit opgelegde geldboeten, gelet op de ontbinding van TM T&D in 2005, alleen aan verzoekster en Toshiba zijn opgelegd, kan niet tot gevolg hebben dat de Commissie is gehouden de omzet van TM T&D artificieel te splitsen zonder acht te slaan op het feit dat zij in het referentiejaar op de markt actief was als een van haar aandeelhouders onderscheiden marktdeelnemer. Een dergelijke benadering zou namelijk daadwerkelijk afwijken van het door de Commissie aangegeven voornemen om zich bij de vaststelling van de geldboeten te baseren op de omzet in dat jaar.

120 Met de in punt 104 hierboven aangehaalde derde reeks argumenten betwist verzoekster dat het gebruik van de door haar voorgestane methode tot gevolg zou hebben dat „virtuele omzetcijfers voor 2001” worden gebruikt. Zij preciseert in deze context dat het aandeel van de omzet dat haar volgens de door haar voorgestane methode zou zijn toegewezen, steeds een deel van de omzet van TM T&D voor 2003 zou vertegenwoordigen, die niets van doen had met haar omzet voor 2001.

121 Dienaangaande moet worden toegegeven dat de betekenis van de vijfde zin van overweging 66 van het bestreden besluit, volgens welke de door verzoekster voorgestane methode „ongeschikt is doordat daarbij virtuele omzetcijfers voor 2001 van [verzoekster] en Toshiba worden vergeleken met de omzetcijfers voor 2003 van de andere ondernemingen”, niet helemaal duidelijk is, met name daar de Commissie het begrip „virtuele omzetcijfers voor 2001” niet heeft gedefinieerd.

122 De Commissie legt in de derde en de vierde zin van overweging 66 van het bestreden besluit evenwel uit dat de door verzoekster voorgestane methode het gewicht van TM T&D als entiteit die heeft deelgenomen aan de inbreuk van 2003, binnen deze inbreuk niet kan weergeven. Zo drukt de vijfde zin van diezelfde overweging 66, gelezen in de context van de onmiddellijk voorafgaande zinnen, uit dat de door verzoekster voorgestane methode volgens de Commissie tot gevolg zou hebben dat de omzet van TM T&D ondanks haar hoedanigheid van entiteit die is onderscheiden van haar aandeelhouders, artificieel wordt gesplitst tot bepaling van de virtuele omzet van laatstgenoemden. Zoals blijkt uit de punten 111 tot en met 113 en 119 hierboven, is deze vaststelling van de Commissie gegrond.

123 Gelet op het voorgaande moet het achtste middel worden afgewezen.

Zesde middel: schending van het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van de aandelen van het tussen verzoekster en Toshiba te verdelen uitgangsbedrag van TM T&D

124 Volgens verzoeksters zesde middel heeft de Commissie in overweging 62 van het bestreden besluit bij de berekening van het boetebedrag het uitgangsbedrag van TM T&D niet correct verdeeld tussen verzoekster en Toshiba. De keuze van de Commissie om het uitgangsbedrag van TM T&D te verdelen naar verhouding van de GGS-verkoop van verzoekster en Toshiba in het jaar vóór de oprichting van TM T&D, namelijk 2001, heeft immers tot gevolg dat het deel van het aan verzoekster toerekenbare uitgangsbedrag van TM T&D wordt overschat.

125 Verzoekster wijst er in deze context op dat haar keuze om haar GGS-activiteiten via TM T&D uit te oefenen irrelevant is voor de berekening van het boetebedrag. Aangezien TM T&D een volledige joint venture was, waarvan de rechten, verplichtingen, beslissingsbevoegdheden en winsten gelijk werden verdeeld tussen de twee aandeelhouders, had de Commissie volgens verzoekster haar 50 % van het uitgangsbedrag van TM T&D moeten toewijzen.

126 Verzoekster voegt eraan toe dat de tot rechtvaardiging van de verdeling van het uitgangsbedrag van TM T&D door de Commissie aangevoerde doelstelling niet is gevolgd voor de Europese producenten. De uitgangsbedragen van laatstgenoemden zijn namelijk gewoon vastgesteld op basis van hun omzet van het laatste volledige jaar van de inbreuk, namelijk 2003, zonder dat de Commissie is nagegaan of deze omzetcijfers representatief waren. In het bijzonder heeft de Commissie het uitgangsbedrag voor Schneider vastgesteld op 40 % van het uitgangsbedrag van VA Tech, daar dat percentage overeenkwam met haar deelnemingspercentage in VAS zonder de verkoop van Schneider precies in verhouding te brengen met die van VA Tech ten tijde van de oprichting van VAS.

127 Derhalve, aldus verzoekster, heeft de Commissie haar ongerechtvaardigd ongelijk behandeld.

128 Ten slotte had de Commissie volgens verzoekster het uitgangsbedrag van TM T&D moeten verdelen tussen haar aandeelhouders op basis van hun deelnemingen in TM T&D, om niet te hoeven teruggaan tot 2001 bij een vergelijking van de respectieve posities van de verschillende producenten in 2003, zoals het in overweging 66 van het bestreden besluit uiteengezette argument van de Commissie suggereert.

129 De Commissie betwist de gegrondheid van verzoeksters argumenten. De Commissie wijst er enerzijds op dat de relevantie van de door haar nagestreefde doelstelling bij de verdeling van het uitgangsbedrag van TM T&D is erkend door het Gerecht in het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven. Anderzijds verschilde het geval van Schneider op verschillende punten van de onderhavige zaak.

130 Om te beginnen heeft de Commissie in de overwegingen 62 en 67 van het bestreden besluit het hypothetische uitgangsbedrag van TM T&D verdeeld tussen verzoekster en Toshiba op basis van het aandeel van hun GGS-verkoop in 2001 tot weergave van de ongelijke macht van verzoekster en Toshiba om in de periode vóór de oprichting van TM T&D bij te dragen aan de inbreuk. Verzoekster is in overweging 63 van het bestreden besluit, daar zij een significant groter GGS-marktaandeel dan Toshiba had, ongeveer twee derde van het uitgangsbedrag van TM T&D toegewezen, terwijl slechts een derde van dat bedrag aan Toshiba is toegewezen.

131 Dienaangaande betwisten verzoekster en Toshiba in de eerste plaats niet dat zij elk 50 % van het kapitaal van TM T&D in handen hadden, zulks evenwel onverminderd het feit dat de door hen aan TM T&D bij de oprichting ervan overgedragen GGS-activiteiten en de met deze activiteiten overeenkomende marktaandelen ongelijk waren wegens de respectieve concurrentieposities van verzoekster en Toshiba op de GGS-markt op het relevante tijdstip.

132 Derhalve voert verzoekster ten onrechte de percentages van deelneming van haarzelf en Toshiba aan het kapitaal van TM T&D aan, die kunnen zijn gemotiveerd of beïnvloed door omstandigheden buiten de GGS-markt, om te voorkomen dat rekening wordt gehouden met de reële situatie op deze markt zoals zij blijkt uit de omzetcijfers voor 2001, het laatste volledige jaar vóór de oprichting van TM T&D.

133 Wat in de tweede plaats de grief betreft inzake schending van het gelijkheidsbeginsel, gebiedt dat beginsel blijkens de in punt 108 hierboven aangehaalde rechtspraak dat telkens als de Commissie besluit om een geldboete op te leggen op grond van het mededingingsrecht, vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is.

134 In casu is verzoeksters boetebedrag onbetwist anders berekend dan het boetebedrag van de Europese producenten, maar verzoeksters situatie verschilde van die van deze producenten in het algemeen en van Schneider in het bijzonder.

135 Enerzijds werden de voorheen door verzoekster en Toshiba uitgeoefende GGS-activiteiten in het referentiejaar namelijk uitgeoefend door hun joint venture, TM T&D. Op dat punt verschillen verzoekster en de Europese ondernemingen, met uitzondering van Schneider en VA Tech, die hun GGS-activiteiten hadden samengebracht in VAS.

136 Anderzijds stelt verzoekster ten onrechte dat de Commissie de relatieve concurrentieposities van de twee aandeelhouders van VAS, Schneider en VA Tech, bij de vaststelling van hun geldboeten niet heeft willen weergeven. Zoals vastgesteld in punt 275 van het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, streefde de Commissie namelijk hetzelfde doel na in overweging 489 van de beschikking van 2007, waarin zij uitdrukkelijk verwees naar de „bijdrage van Schneider aan de joint venture in termen van verkoop” ten tijde van de oprichting van VAS. Volgens de Commissie gaf het percentage van deelneming van Schneider in het kapitaal van VAS deze bijdrage niettemin passend weer.

137 In casu beschikte de Commissie over uitdrukkelijke en duidelijke gegevens, namelijk de omzetcijfers van verzoekster en Toshiba voor 2001, waaruit bleek dat hun respectieve percentage van deelneming in het kapitaal van TM T&D niet representatief was voor hun individuele marktposities tijdens het grootste deel van de inbreukperiode. Dienaangaande stelt verzoekster zelfs niet dat dergelijke gegevens met betrekking tot de positie van Schneider in VAS voorhanden zijn.

138 Derhalve schendt de keuze van de Commissie om de GGS-verkoop van verzoekster en Toshiba in 2001 en niet het percentage van deelneming van verzoekster en Toshiba in het kapitaal van TM T&D te gebruiken als criterium voor de verdeling van het uitgangsbedrag van TM T&D, het gelijkheidsbeginsel niet.

139 Voor zover verzoekster in deze context ook stelt dat de Commissie de op haar toegepaste ongelijke behandeling niet heeft gerechtvaardigd, dient te worden verwezen naar de punten 80 tot en met 82 hierboven.

140 Wat in de derde plaats het in punt 128 hierboven uiteengezette argument van verzoekster betreft, strekt de keuze van de GGS-verkoop van verzoekster en Toshiba in 2001 als verdelingscriterium er zeker toe in de berekening een factor in te voeren die verwijst naar een ander jaar dan het referentiejaar, namelijk 2003.

141 Allereerst is evenwel onbetwist dat het fundamentele gegeven aan de basis van de door de Commissie gevolgde berekeningsmethode de omzet van TM T&D voor het referentiejaar is; deze methode geeft dus een objectieve vergelijking met andere ondernemingen die aan het kartel hebben deelgenomen. Dat blijkt overigens uitdrukkelijk uit overweging 66 van het bestreden besluit.

142 Vervolgens kunnen blijkens de punten 131 en 132 hierboven de reële posities van verzoekster en Toshiba op de GGS-markt voor het grootste deel van het inbreuktijdvak worden weergegeven door rekening te houden met hun GGS-verkoop voor 2001, terwijl de percentages van hun deelneming in het kapitaal van TM T&D hun posities niet getrouw weergaven.

143 Ten slotte gaat punt 276 van het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, als criterium voor de verdeling van het uitgangsbedrag van TM T&D uitdrukkelijk uit van de GGS-verkoop van verzoekster en Toshiba voor 2001 als methode om het gelijkheidsbeginsel, krachtens hetwelk hetzelfde referentiejaar voor alle deelnemers aan de inbreuk moet gelden, te kunnen verzoenen met de wil van de Commissie om de ongelijke concurrentiepositie van verzoekster en Toshiba ten tijde van de oprichting van TM T&D weer te geven.

144 Mitsdien moet het zesde middel worden afgewezen.

Derde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel doordat de Commissie verzoeksters boetebedrag op dezelfde wijze als het boetebedrag van de Europese producenten heeft berekend

145 Volgens verzoeksters derde middel heeft de Commissie het evenredigheidsbeginsel geschonden, daar zij haar boetebedrag op dezelfde wijze als het boetebedrag van de Europese producenten heeft berekend. Zij preciseert dat zij heeft deelgenomen aan de GQ-overeenkomst, betwist te hebben deelgenomen aan het gemeenschappelijk akkoord en stelt dat zij niet heeft deelgenomen aan het EQ-akkoord, waarvan zij het bestaan niet kende. Derhalve, zelfs gesteld dat zij aansprakelijk kan worden gesteld voor het gemeenschappelijk akkoord, is de benadering van de Commissie waarbij zij op dezelfde wijze als de Europese producenten wordt gestraft terwijl deze producten, naast het gemeenschappelijk akkoord en de GQ-overeenkomst, hebben deelgenomen aan het EQ-akkoord, in strijd met het billijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Blijkens de rechtspraak wordt de deelneming aan deze zeer zware inbreuken namelijk veel strenger bestraft dan de deelneming aan een enkele zware inbreuk.

146 Verzoekster voegt eraan toe dat de Commissie in deze context in haar memorie van antwoord op haar hogere voorziening tegen het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, heeft toegegeven dat ABB de inbreuk had verzwaard door toe te geven dat naast de Europese producenten ook de Japanse producenten bij de inbreuk waren betrokken.

147 Zo ook vertonen de inbreuken waaraan verzoekster heeft deelgenomen, haars inziens een verschillende mate van zwaarte. Terwijl het EQ-akkoord tot gevolg had de mededinging tussen reële concurrenten op de Europese markt op te heffen en dus substantiële gevolgen op de Europese markt heeft gehad, konden de GQ-overeenkomst en het gemeenschappelijk akkoord, voor zover het is bewezen, hooguit potentiële concurrenten uit de markt weren. De GQ-overeenkomst en het gemeenschappelijk akkoord sorteerden eigenlijk geen enkel effect in de EER, daar de Japanse producenten, met name verzoekster, op dat grondgebied geen geloofwaardige concurrenten waren wegens bestaande objectieve economische en technische barrières.

148 De Commissie betwist de gegrondheid van verzoeksters argumenten. Zij zet in het bijzonder uiteen dat de bij de beschikking van 2007 vastgestelde inbreuk één enkele en voortgezette inbreuk was en dat de deelneming aan deze inbreuk van de Japanse ondernemingen, waaronder verzoekster, niet minder zwaar dan die van de Europese ondernemingen was.

149 Om te beginnen gaat verzoeksters vaststelling dat zij haar deelname aan het gemeenschappelijk akkoord betwist, verder dan het voorwerp van het onderhavige geding. Verzoeksters deelname aan het gemeenschappelijk akkoord is namelijk vastgesteld bij de beschikking van 2007, die na de uitspraak van het arrest Siemens/Commissie (EU:C:2013:866), punt 25hierboven, dienaangaande definitief is geworden. Het bestreden besluit betreft evenwel niet de vaststelling van verzoeksters deelname aan de inbreuk, maar alleen de haar als gevolg daarvan op te leggen geldboete.

150 Wat de andere grieven betreft, dient volgens de rechtspraak, voor zover een inbreuk door meerdere ondernemingen is begaan, de zwaarte van de deelname van elk van hen te worden onderzocht (zie arrest van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni,C‑49/92 P, Jurispr., EU:C:1999:356, punt 150en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij de onderdelen waaraan zij wel heeft deelgenomen, dient dus in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en bij de bepaling van het boetebedrag (arrest Commissie/Anic Partecipazioni, reeds aangehaald, EU:C:1999:356, punt 90).

151 In casu is in de eerste plaats in de punten 2 tot en met 4 hierboven reeds gememoreerd dat de Commissie in de beschikking van 2007 één enkele en voortgezette inbreuk vaststelde die het gemeenschappelijk akkoord, de GQ-overeenkomst en het EQ-akkoord omvatte. Zo geeft verzoekster ten onrechte te verstaan dat de Europese ondernemingen hebben deelgenomen aan twee inbreuken, terwijl zijzelf maar aan één enkele inbreuk heeft deelgenomen.

152 In de tweede plaats is verzoeksters bijdrage aan de inbreuk, anders dan zij stelt, niet kleiner doordat zij niet heeft deelgenomen aan de door het EQ-akkoord geregelde toewijzing van GGS-projecten in de EER.

153 Dienaangaande was de deelname van de Japanse en de Europese producenten aan de in de beschikking van 2007 vastgestelde overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreffende de EER verschillend van aard. De Japanse ondernemingen, waaronder verzoekster, verbonden zich er in het gemeenschappelijk akkoord immers toe om de EER-markt niet te betreden, zodat zij deelnamen door zich te onthouden. De Europese ondernemingen hebben de verschillende GGS-projecten op diezelfde markt onderling verdeeld door nadere kartelafspraken (zie in die zin arrest van 12 juli 2011, Toshiba/Commissie,T‑113/07, Jurispr., EU:T:2011:343, punt 260).

154 Dat de Japanse ondernemingen, waaronder verzoekster, zich onthielden, vormde een voorafgaande voorwaarde om de GGS-projecten in de EER volgens de daartoe overeengekomen regels aan de Europese producenten te kunnen toewijzen (arrest Toshiba/Commissie, punt 153 hierboven, EU:T:2011:343, punt 261). De nakoming van de verbintenissen van de Japanse ondernemingen krachtens het gemeenschappelijk akkoord was dus een noodzakelijke bijdrage aan de werking van de inbreuk in haar geheel.

155 Het Gerecht stelde in de punten 220 en 226 van het arrest Toshiba/Commissie (EU:T:2011:343), punt 153hierboven, bovendien vast dat de deelname van de Japanse ondernemingen aan het gemeenschappelijk akkoord, dat de kennisgeving en het bijhouden van de quota omvatte, meebracht dat zij op de hoogte waren van de toewijzing van de GGS-projecten in de EER aan de Europese producenten, en redelijkerwijs ervan konden uitgaan dat zij in de EER aan de Europese producenten werden toegewezen via nadere kartelafspraken. Zo waren de Japanse producenten, ongeacht of zij kennis hadden van het EQ-akkoord als zodanig, op de hoogte van het daardoor geregelde inbreukmakende gedrag.

156 Bijgevolg luidt de conclusie dat verzoeksters bijdrage aan de inbreuk vergelijkbaar is met die van de Europese ondernemingen.

157 In de derde plaats kan evenmin worden ingestemd met verzoeksters argument dat ABB de inbreuk verzwaarde door toe te geven dat ook de Japanse producenten daarbij betrokken waren. Weliswaar is een inbreuk namelijk zwaarder naarmate er meer deelnemers zijn, maar daaruit kunnen geen geldige conclusies worden getrokken over de relatieve bijdrage van de deelname van de verschillende groepen van deze zelfde deelnemers aan de betrokken inbreuk.

158 Wat in de vierde plaats de vergelijking van de zwaarte van de verschillende betrokken mededingingsverstorende gedragingen betreft, probeert verzoekster de verschillende bestanddelen van de in de beschikking van 2007 vastgestelde enkele inbreuk enerzijds artificieel uit elkaar te halen.

159 Anderzijds gaat verzoeksters argument uit van het feit dat zij geen geloofwaardige concurrent in de EER was. Blijkens de punten 161 tot en met 182 hierna toonde verzoekster dat uitgangspunt evenwel rechtens onvoldoende aan, zodat in het kader van het onderhavige middel daarmee geen rekening kan worden gehouden.

160 Mitsdien moet het derde middel worden afgewezen.

Vierde middel: abusievelijke buitenbeschouwinglating door de Commissie van technisch en economisch bewijs bij de vaststelling van de invloed van verzoeksters gedrag en bij de berekening van haar boetebedrag

161 Volgens verzoeksters vierde middel heeft de Commissie bij de vaststelling van de invloed van haar gedrag en de berekening van haar boetebedrag technisch en economisch bewijsmateriaal abusievelijk buiten beschouwing gelaten. Zij preciseert dat zij na ontvangst van de mededeling van punten van bezwaar van 2006 onafhankelijke deskundigen heeft belast met de opstelling van een technisch rapport en een economisch rapport, die zonder enige redelijke twijfel aantonen dat een niet-Europese leverancier geen enkele kans had gemaakt om de Europese GGS-markt tussen 1988 en 2004, behoudens beperkte en specifieke verkopen, te betreden wegens economische en technische barrières (hierna: „externe rapporten”).

162 De Commissie liet deze externe rapporten buiten beschouwing bij de analyse van de gevolgen van de gestelde inbreuken op de Europese markt en weerlegde ze niet met precieze argumenten. Zij kwalificeerde ze namelijk alleen als in generische termen opgesteld algemeen onderzoek, hoewel zij geloofwaardig uitleggen waarom verzoekster niet in Europa verkocht, hetgeen ook relevant is voor de aansprakelijkheid van een onderneming krachtens artikel 101 VWEU.

163 Volgens verzoekster ging de Commissie er dus abusievelijk van uit dat verzoekster GGS in Europa had kunnen verkopen, hoewel zij deze GGS volgens de duidelijke conclusies van de externe rapporten tijdens het grootste deel van de inbreukperiode niet direct aan Europese klanten kon verkopen. Derhalve is de Commissie de verplichting niet nagekomen om het economische effect van een eventuele mededingingsverstorende gedraging bij de vaststelling van een boetebedrag te onderzoeken, zodat zij verzoekster een onevenredige geldboete heeft opgelegd.

164 De Commissie betwist de gegrondheid van verzoeksters argumenten en met name de relevantie en de bewijskracht van de externe rapporten.

165 Dienaangaande blijkt uit punt 1 A van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten dat bij de vaststelling van het boetebedrag rekening moet worden gehouden met de daadwerkelijke economische macht van de inbreukmakers om andere marktdeelnemers, met name de consumenten, aanzienlijke schade te berokkenen.

166 Verzoeksters betoog komt in beginsel neer op de stelling dat haar deelname aan de inbreuk, anders dan is aangenomen door de Commissie in de overwegingen 314 tot en met 318 van de beschikking van 2007, waarmee in casu rekening kan worden gehouden daar het arrest Mitsubishi Electric/Commissie (EU:T:2011:345), punt 8hierboven, deze overwegingen onaangetast liet, de mededinging in de EER niet kon schaden.

167 In de eerste plaats houdt het bestaan van het gemeenschappelijk akkoord en met name van de regeling inzake kennisgeving van projecten en bijhouden van de quota, zoals de Commissie in overweging 317 van de beschikking van 2007 vaststelt, dienaangaande in dat de Europese producenten de Japanse producenten als geloofwaardige mogelijke concurrenten beschouwden ondanks bepaalde objectieve toegangsbarrières, waarvan de Commissie het bestaan overigens niet betwist. Als dat niet het geval was geweest, zou het gemeenschappelijk akkoord niet zijn gesloten en nageleefd door de Europese producenten, voor wie een deel van de GGS-projecten buiten de EER verloren ging. Voor zover de Europese producenten bijzonder goed geplaatst waren om de situatie in de EER te beoordelen wegens hun geprivilegieerde positie in Europa, vormt hun aanvaarding van het gemeenschappelijk akkoord een argument dat de plausibiliteit van de door verzoekster verdedigde stelling ernstig aantast (zie naar analogie arrest van 12 juli 2011, Hitachi e.a./Commissie,T‑112/07, Jurispr., EU:T:2011:342, punt 319).

168 In de tweede plaats zijn de door verzoekster voorgelegde externe rapporten specifiek opgesteld met het oog op haar verdediging in de procedure die leidde tot de vaststelling van de beschikking van 2007. Zoals de Commissie in overweging 318 van de beschikking van 2007 stelde, zijn deze rapporten in algemene termen opgesteld en vermelden zij niet of verzoekster de haalbaarheid of de commerciële opportuniteit besprak om de EER-markt te betreden.

169 Wat het economische rapport betreft, berusten bepaalde aangevoerde argumenten bovendien op verschillen tussen de nationale markten in Europa of op de voorkeur voor de reeds gevestigde leverancier. Althans wat de andere landen dan de landen van oorsprong betrof, troffen de verschillen tussen de nationale markten ook de Europese producenten, zodat de Japanse producenten op dit punt niet a priori waren benadeeld. Zo ook strekt een eerdere bevredigende relatie met een leverancier tot nadeel van alle andere leveranciers, ongeacht of zij Europees of Japans zijn (zie naar analogie arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 167 hierboven, EU:T:2011:342, punt 323).

170 Voorts overtuigen bepaalde in het economisch rapport uiteengezette argumenten niet.

171 Wat de in punt 3 van dat rapport bedoelde institutionele barrières betreft, geven de auteurs zelf toe dat het belang ervan sinds 1996 is verminderd.

172 Wat de analyse van de productiekosten in punt 4.1 van het economisch rapport betreft, baseren de auteurs zich voor de arbeidskosten op een „gemiddeld verschil” voor de periode 1980‑2003. Bij deze te algemene benadering zijn gegevens over irrelevante jaren meegeteld, en, wat belangrijker is, wordt het feit verhuld dat het verschil, zoals blijkt uit afbeelding 4 op bladzijde 15 van het economisch rapport, veel kleiner was in bepaalde periodes, met name van 1996 tot en met 2003. Zo ook spreken, inzake de kostprijs van staal, de gegevens in tabel 4 op bladzijde 16 van het economisch rapport, volgens welke de prijs in Japan tussen 1997 en 2004 3 % lager lag, de vaststelling van de auteurs onderaan dezelfde bladzijde tegen dat „Japan geen voor- of nadeel heeft inzake staal”. Bijgevolg is het verschil in de productiekosten van 22 % in tabel 5 van het economisch rapport onbetrouwbaar, met name wat de tweede helft van de inbreukperiode betreft.

173 De auteur van het technisch rapport werkte eerder voor twee projecten met verzoekster samen, waardoor zijn onafhankelijkheid enigszins twijfelachtig wordt. Ook lijkt de betrokken deskundige alleen rechtstreekse gedetailleerde kennis te hebben over de Britse markt en berusten zijn conclusies over de andere EER-landen op inlichtingen van andere in de sector werkzame personen, zoals blijkt uit de punten 1, 20, 22 en 31 van het technisch rapport. Bovendien betreft een aantal van deze conclusies in de punten 4, 5, 31 en 32 van het technisch rapport niet het technisch gebied of zijn zij weinig categorisch en zelfs bijzonder omzichtig geformuleerd.

174 Het technisch rapport vermeldt niettemin twee a priori relevante technische moeilijkheden: enerzijds het in de punten 29 en 30 van het technisch rapport aangehaalde feit dat verzoeksters GGS-assortiment gedeeltelijk incompatibel was met de door de Europese klanten gezochte parameters en anderzijds het in punt 28 van het technisch rapport aangehaalde feit dat een door de Europese klanten algemeen erkend onafhankelijk laboratorium bijkomende tests moest verrichten. De auteur van het technisch rapport geeft in punt 30 ervan evenwel zelf toe dat verzoekster producten voor de Europese markt had kunnen ontwerpen. Zijn enige kritiek op dat punt betreft de kostprijs daarvan; deze overweging valt evenwel buiten de context van een technisch rapport en dus van de deskundigheid van de auteur ervan.

175 Bovendien stelde het Gerecht in het arrest Hitachi e.a./Commissie (EU:T:2011:342), punt 167hierboven, dienaangaande reeds vast dat een Japanse producent die de EER-markt wil betreden, gehouden was het betrokken product aan te passen aan de geldende voorschriften zoals die uit de door de Internationale Elektrotechnische Commissie vastgestelde standaardnormen voortvloeien, een aantal conformiteitstesten te verrichten en de overeenkomstige certificaten te verkrijgen. Verzoekster betwist evenwel niet dat de Japanse producenten in het verleden bij de incidentele verkoop van GGS-producten in de EER en bij de grootschaligere verkoop op andere grondgebieden waar de door de Internationale Elektrotechnische Commissie vastgestelde standaardnormen eveneens gelden, erin slaagden deze formaliteiten te vervullen (zie naar analogie arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 167 hierboven, EU:T:2011:342, punt 321).

176 Het technisch rapport verwijst ook naar de bijkomende technische vereisten en gebruiken die in sommige West-Europese landen van toepassing zijn. Althans wat de andere landen dan de landen van oorsprong betreft, gelden dergelijke vereisten evenwel voor alle potentiële leveranciers, Europese dan wel Japanse (zie naar analogie arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 167 hierboven, EU:T:2011:342, punt 322).

177 Hetzelfde geldt voor de in de punten 26 en 29 van het technisch rapport aangehaalde vermeende voorkeur voor de nationale producenten, aangezien de EER-landen die geen landen van oorsprong zijn, blijkens het bestreden besluit juist de landen waren waar geen geloofwaardige nationale leveranciers aanwezig waren. Een dergelijke redenering is om de in punt 169 hierboven uiteengezette redenen a fortiori van toepassing op de in de punten 26, 28 en 31 van het technisch rapport aangehaalde vermeende voorkeur voor de reeds gevestigde leverancier.

178 Voorts verminderden blijkens het technisch rapport de meeste van de daarin beschreven toetredingsbarrières geleidelijk vanaf de tweede helft van de jaren 90.

179 Tot conclusie van het onderzoek van de twee rapporten dient erop te worden gewezen dat ook de werkelijke marktsituatie de bewijskracht ervan ondermijnt. Zoals is gememoreerd in punt 175 hierboven en zoals blijkt uit overweging 316 van de beschikking van 2007, konden de Japanse producenten, met inbegrip van verzoekster, in de inbreukperiode namelijk af en toe GGS-producten in de EER en in grotere mate in de rest van Europa en in het Middellandse Zeegebied verkopen. Zij konden in de relevante periode dus soortgelijke als de door verzoekster in casu aangevoerde barrières overwinnen.

180 In de derde plaats zij opgemerkt dat het langdurige bestaan van het gemeenschappelijk akkoord – en dus de afwezigheid van de Japanse producenten op de EER-markt – sommige door verzoekster genoemde toegangsdrempels kunstmatig kon verhogen, inzonderheid die welke verband hielden met de acceptatie van de Japanse leveranciers door de Europese afnemers. Verzoekster kan niet op basis van de effecten van de inbreuk waaraan zij heeft deelgenomen, een vermindering van de haar voor diezelfde inbreuk opgelegde geldboete eisen (zie naar analogie arrest Hitachi e.a./Commissie, punt 167 hierboven, EU:T:2011:342, punt 327).

181 Mitsdien luidt de conclusie dat verzoekster rechtens onvoldoende haar bewering heeft onderbouwd dat haar deelname aan de inbreuk de mededinging in de EER niet kon schaden. Derhalve kan de Commissie niet worden verweten deze bewering bij de berekening van verzoeksters boetebedrag buiten beschouwing te hebben gelaten.

182 Bijgevolg moet het vierde middel worden afgewezen.

Tweede middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht alsook schending van het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel inzake de berekening van de afschrikkingscoëfficiënt

183 Volgens verzoekster is de Commissie de motiveringsplicht niet nagekomen en heeft zij het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel geschonden bij de berekening van de op haar toegepaste afschrikkingscoëfficiënt.

184 Zij herinnert er dienaangaande aan dat de drempels op basis waarvan de karteldeelnemers tot vaststelling van de afschrikkingscoëfficiënten in categorieën zijn ingedeeld, coherent en objectief moeten worden vastgesteld. Haars inziens diende zij niet als enige in de derde categorie met een afschrikkingscoëfficiënt van 1,5, maar in dezelfde categorie als ABB met een coëfficiënt van 1,25 te komen.

185 Enerzijds is het verschil tussen haar omzet en die van ABB namelijk vergelijkbaar met het verschil tussen de omzet van Siemens en Hitachi, die beide onder de eerste categorie met een afschrikkingscoëfficiënt van 2,5 zijn ingedeeld.

186 Anderzijds zijn de verschillen tussen de omzetcijfers van de ondernemingen van de eerste en de tweede categorie alsook die van de tweede en derde categorie veel groter dan het verschil tussen verzoeksters omzetcijfers en die van ABB.

187 In deze context gaf de Commissie geen objectieve rechtvaardiging voor haar benadering, zodat zij het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Bijgevolg, aldus verzoekster, dient het Gerecht op haar een vermenigvuldigingsfactor voor afschrikkende werking van 1,25 toe te passen zoals in het arrest Tokai Carbon e.a./Commissie (EU:T:2004:118), punt 66hierboven.

188 De Commissie betwist de gegrondheid van verzoeksters argumenten.

189 Dienaangaande zijn de in de beschikking van 2007 vastgestelde afschrikkingscoëfficiënten, waarnaar de overwegingen 70 en 71 van het bestreden besluit verwijzen, blijkens punt 320 van het arrest Siemens/Commissie (EU:T:2011:68), punt 70hierboven, evenredig aan de omzetcijfers van alle betrokken ondernemingen, behalve voor Siemens, waarvoor de verhouding zelfs degressief is, aangezien op haar dezelfde coëfficiënt als op Hitachi is toegepast, hoewel zij in 2005 wereldwijd ruim 6 miljard EUR omzet méér dan Hitachi boekte.

190 Nog steeds volgens punt 320 van het arrest Siemens/Commissie (EU:T:2011:68), punt 70hierboven, voldoet een dergelijk evenredig verband aan de eisen die zijn gesteld in punt 338 van het arrest van 5 april 2006, Degussa/Commissie (T‑279/02, Jurispr., EU:T:2006:103), volgens hetwelk de indeling van ondernemingen in categorieën ter bepaling van de afschrikkingscoëfficiënt op grond van het gelijkheidsbeginsel objectief gerechtvaardigd moest zijn.

191 Evenmin, aldus het Gerecht in punt 322 van het arrest Siemens/Commissie (EU:T:2011:68), punt 70hierboven, kon verzoekster steun vinden in het door haar in die zaak aangehaalde arrest Tokai Carbon e.a./Commissie (EU:T:2004:118), punt 66hierboven, daar dit laatste was gewezen in andere feitelijke omstandigheden.

192 Derhalve luidt de conclusie dat verzoeksters afschrikkingscoëfficiënt volgens een objectief gerechtvaardigde methode is vastgesteld, in het bijzonder wat de keuze van de Commissie betreft om haar onder een afzonderlijke categorie en niet onder dezelfde categorie als ABB in te delen.

193 Bijgevolg moet de grief inzake schending van het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel worden afgewezen.

194 Aangezien verzoekster niet ongelijk is behandeld, diende de Commissie de vaststelling van haar afschrikkingscoëfficiënt niet specifiek te rechtvaardigen.

195 Overigens heeft de Commissie, zoals opgemerkt in punt 70 hierboven, blijkens de punten 310 tot en met 317 van het arrest Siemens/Commissie (EU:T:2011:68), punt 70hierboven, in overweging 491 van de beschikking van 2007 rechtens genoegzaam de factoren uiteengezet die zij bij de verhoging van de uitgangsbedragen van de geldboeten in aanmerking heeft genomen om de afschrikkende werking ervan te verzekeren. Daar deze vaststelling van toepassing is op de aan verzoekster in het bestreden besluit opgelegde afschrikkingscoëfficiënt, luidt de conclusie dat verzoekster de mogelijkheid heeft gekregen om de rechtvaardiging van deze verhoging te kennen wat het uitgangsbedrag van de haar opgelegde geldboete betreft, en haar rechten geldend te maken, alsook dat het Gerecht in staat is gesteld om zijn toezicht uit te oefenen.

196 Bijgevolg dienen de grief inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht en het tweede middel in zijn geheel hoe dan ook te worden afgewezen.

197 De primaire hoofdvordering dient in haar geheel te worden afgewezen, daar alle ter ondersteuning ervan aangevoerde middelen zijn afgewezen.

Subsidiaire vordering: verlaging van het boetebedrag

198 Verzoekster vordert subsidiair artikel 1 van het bestreden besluit te wijzigen tot intrekking, zo niet verlaging van de haar opgelegde boete.

199 Dienaangaande berust de subsidiaire vordering niet op andere dan de ter ondersteuning van de primaire vordering aangevoerde middelen of argumenten. Gelet op het vooroverwogene en bij gebreke van andere gegevens die in casu kunnen leiden tot intrekking, zo niet verlaging van de aan verzoekster opgelegde boete, dient het Gerecht, in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht, de subsidiaire vordering niet toe te wijzen.

200 Derhalve dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen.

Kosten

201 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Eerste kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Mitsubishi Electric Corp. wordt verwezen in de kosten.

Kanninen Pelikánová Buttigieg Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 januari 2016. ondertekeningen

Inhoud

Voorgeschiedenis van het geding

Procedure en conclusies van partijen

In rechte

Primaire vordering: nietigverklaring van het bestreden besluit

Eerste middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van het beginsel van goed bestuur en van verzoeksters rechten van verdediging

– Grieven inzake schending van verzoeksters rechten van verdediging

– Grieven inzake de motivering van het bestreden besluit

Zevende middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van verzoeksters rechten van verdediging inzake de vaststelling van de tussen verzoekster en Toshiba te verdelen aandelen van het uitgangsbedrag van TM T&D

Negende middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van verzoeksters rechten van verdediging inzake de methode van toewijzing van een uitgangsbedrag aan verzoekster voor de periode vóór de oprichting van TM T&D

Achtste middel: schending van het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel inzake de methode van toewijzing van een uitgangsbedrag aan verzoekster voor de periode vóór de oprichting van TM T&D

Zesde middel: schending van het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van de aandelen van het tussen verzoekster en Toshiba te verdelen uitgangsbedrag van TM T&D

Derde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel doordat de Commissie verzoeksters boetebedrag op dezelfde wijze als het boetebedrag van de Europese producenten heeft berekend

Vierde middel: abusievelijke buitenbeschouwinglating door de Commissie van technisch en economisch bewijs bij de vaststelling van de invloed van verzoeksters gedrag en bij de berekening van haar boetebedrag

Tweede middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht alsook schending van het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel inzake de berekening van de afschrikkingscoëfficiënt

Subsidiaire vordering: verlaging van het boetebedrag

Kosten

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in