Gerecht EU 28 februari 2002, T-86/95, ECLI:EU:T:2002:50
Tekst
Trefwoorden
1. Mededinging - Mededingingsregelingen - Relevante markt - Afbakening - Criteria - Multimodaal vervoer - Deelmarkt van diensten voor vervoer over land van zeecontainers en markt van zeevervoerdiensten in algemeen
[EG-Verdrag, art. 85 (thans art. 81 EG)]
2. Mededinging - Mededingingsregelingen - Aantasting van mededinging - Merkbaarheid - Criteria - Deelmarkt
[EG-Verdrag, art. 85 (thans art. 81 EG)]
3. Mededinging - Mededingingsregelingen - Ongunstige beïnvloeding van handel tussen lidstaten - Criteria
[EG-Verdrag, art. 85, lid 1 (thans art. 81, lid 1, EG)]
4. Mededinging - Vervoer - Mededingingsregelingen - Ongunstige beïnvloeding van handel tussen lidstaten - Overeenkomst tussen scheepvaartondernemingen betreffende verkoopvoorwaarden voor inlandvervoerdiensten aan in verschillende lidstaten gevestigde verladers - Multimodaal vervoer
[EG-Verdrag, art. 85, lid 1 (thans art. 81, lid 1, EG)]
5. Mededinging - Zeevervoer - Verordening nr. 4056/86 - Werkingssfeer - Internationaal zeevervoer
(Verordening nr. 4056/86 van de Raad, art. 1, tweede alinea)
6. Mededinging - Zeevervoer - Verordening nr. 4056/86 - Groepsvrijstelling - Restrictieve uitlegging - Niet van toepassing op overeenkomst tussen scheepvaartondernemingen betreffende vaststelling van prijzen voor inlandvervoer als onderdeel van multimodaal vervoer
[EG-Verdrag, art. 85, leden 1 en 3 (thans art. 81, leden 1 en 3, EG); verordening nr. 4056/86 van de Raad, art. 3]
7. Mededinging - Vervoer - Mededingingsregelingen - Vaststelling van toepasselijke verordening - Criteria - Overeenkomst tussen scheepvaartondernemingen betreffende vaststelling van prijzen voor inlandvervoer als onderdeel van multimodaal vervoer - Toepassing van verordening nr. 1017/68
(Verordeningen nrs. 1017/68 en 4056/86 van de Raad)
8. Beroep tot nietigverklaring - Beschikking van Commissie waarbij individuele ontheffing wordt geweigerd - Ingewikkelde economische beoordeling - Rechterlijke toetsing - Grenzen - Toepassing van overeenkomst gedurende lange periode
[EG-Verdrag, art. 85, lid 3 (thans art. 81, lid 3, EG) en art. 173 (thans, na wijziging, art. 230 EG)]
9. Mededinging - Gemeenschapsregels - Toepassing met inachtneming van nationale praktijken van lidstaten of van sommige derde staten - Ontoelaatbaarheid
[EG-Verdrag, art. 85 (thans art. 81 EG)]
10. Mededinging - Vervoer - Mededingingsregelingen - Verbod - Ontheffing - Voorwaarden - Economische voordelen voortvloeiend uit overeenkomst - Beoordelingscriteria - Overeenkomst tussen scheepvaartondernemingen betreffende vaststelling van prijzen voor inlandvervoer als onderdeel van multimodaal vervoer
[EG-Verdrag, art. 85, lid 3 (thans art. 81, lid 3, EG); verordening nr. 1017/68 van de Raad, art. 5]
11. Mededinging - Mededingingsregelingen - Verbod - Ontheffing - Voorwaarden - Cumulatieve voorwaarden
[EG-Verdrag, art. 85, lid 3 (thans art. 81, lid 3, EG)]
12. Mededinging - Mededingingsregelingen - Verbod - Ontheffing - Voorwaarden - Voorbehouden van billijk aandeel van voordelen aan gebruikers
[EG-Verdrag, art. 85, lid 3 (thans art. 81, lid 3, EG); verordening nr. 1017/68 van de Raad, art. 5]
13. Mededinging - Mededingingsregelingen - Verbod - Ontheffing - Verplichting voor onderneming om gegrondheid van haar verzoek aan te tonen
[EG-Verdrag, art. 85, lid 3 (thans art. 81, lid 3, EG)]
14. Mededinging - Zeevervoer - Mededingingsregelingen - Verbod - Ontheffing - Voorwaarden - Onmisbaarheid van mededingingsbeperkingen - Geen - Overeenkomst tussen scheepvaartondernemingen betreffende vaststelling van prijzen voor inlandvervoer als onderdeel van multimodaal vervoer - Rechtvaardiging ontleend aan doel van prijsstabiliteit van zeevervoer - Ontoelaatbaarheid
[EG-Verdrag, art. 85, lid 3 (thans art. 81, lid 3, EG); verordening nr. 4056/86 van de Raad, art. 3, sub e]
15. Mededinging - Administratieve procedure - Mededeling van punten van bezwaar - Noodzakelijke inhoud - Eerbiediging van rechten van verdediging
(Verordening nr. 1630/69 van de Commissie, art. 4)
16. Mededinging - Administratieve procedure - Eerbiediging van rechten van verdediging - Recht van betrokken partijen om hun standpunt over inaanmerkingneming van hun eigen argumenten kenbaar te maken - Geen
17. Mededinging - Administratieve procedure - Hoorzittingen - Afwezigheid van raadsman van een van betrokken ondernemingen - Schending van rechten van verdediging - Geen
18. Mededinging - Administratieve procedure - Hoorzittingen - Horen van bepaalde personen - Personen die niet hoedanigheid van klager hebben - Beoordelingsvrijheid van Commissie
(Verordening nr. 1630/69 van de Commissie, art. 7, lid 2 en 9, lid 3)
Samenvatting
1. Om uit te maken of een overeenkomst de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en tot doel of tot gevolg heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, moet in voorkomend geval de relevante markt worden afgebakend.
Er kan slechts van een voldoende afzonderlijke markt worden gesproken wanneer de betrokken diensten of producten bijzondere kenmerken hebben waardoor zij zich dermate duidelijk van andere diensten of producten onderscheiden dat zij daarmee slechts in beperkte mate uitwisselbaar zijn en de concurrentie daarmee nauwelijks merkbaar is. De mate van uitwisselbaarheid van producten moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken ervan, alsmede aan de hand van de structuur van vraag en aanbod op de markt en de mededingingsvoorwaarden.
In dit verband vormen de inlandvervoerdiensten voor het voor- en navervoer van containers als onderdeel van multimodaal vervoer een verknochte maar afzonderlijke markt ten opzichte van de zeevervoerdiensten die in dat kader door de bij een lijnvaartconference aangesloten scheepvaartondernemingen worden aangeboden.
Zodra er een specifieke vraag en een specifiek aanbod bestaat voor inlandvervoerdiensten van zeecontainers en deze met name door van de scheepvaartondernemingen onafhankelijke bedrijven worden aangeboden, volgt hieruit noodzakelijkerwijze dat er een afzonderlijke markt bestaat.
Een deelmarkt die vanuit het oogpunt van vraag en aanbod specifieke kenmerken vertoont en die producten betreft die een onontbeerlijke plaats innemen en niet uitwisselbaar zijn binnen de meer algemene markt waarvan zij deel uitmaken, moet dus worden beschouwd als een afzonderlijke productmarkt.
( cf. punten 116, 122, 128-129 )
2. De omstandigheid dat ondernemingen bijna 40 % van de betrokken markt bezitten, toont op zich reeds aan dat de overeenkomst die het voorwerp van een beschikking is waarbij een inbreuk op de mededingingsregels wordt vastgesteld, de mededinging op die markt merkbaar kan beperken. Een marktaandeel van deze omvang kan immers redelijkerwijze niet worden aangemerkt als onbeduidend.
( cf. punt 138 )
3. Een overeenkomst tussen ondernemingen moet, om de handel tussen lidstaten ongunstig te kunnen beïnvloeden, op grond van een geheel van objectieve bestanddelen, feitelijk en rechtens, met een voldoende mate van waarschijnlijkheid doen verwachten, dat zij al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel op de handelsstromen tussen lidstaten een zodanige invloed kan uitoefenen dat de verwezenlijking van de doelstellingen van een gemeenschappelijke markt tussen de lidstaten wordt geschaad. In het bijzonder is het niet nodig dat de gelaakte gedraging de handel tussen lidstaten daadwerkelijk merkbaar ongunstig heeft beïnvloed; voldoende is dat vaststaat dat die gedraging een dergelijk effect kan hebben.
( cf. punt 145 )
4. Een overeenkomst tussen scheepvaartondernemingen waarvan meerdere in verschillende lidstaten zijn gevestigd, en die betrekking heeft op de verkoopvoorwaarden voor inlandvervoerdiensten aan eveneens in verschillende lidstaten gevestigde verladers, is kennelijk van dien aard dat zij de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG).
De vaststelling van de verkoopprijzen voor inlandvervoerdiensten kan onder meer van invloed zijn op het besluit van de verladers om de verzendingen over land van hun containers aan leden van een lijnvaartconference dan wel aan een landvervoeronderneming toe te vertrouwen, waardoor de bestaande mededinging op de markt voor inlandvervoerdiensten tussen bij de conference aangesloten scheepvaartondernemingen en de in de verschillende lidstaten aanwezige landvervoerders wordt vervalst.
Evenzo kan de vaststelling van de prijzen voor inlandvervoer ook invloed hebben op de mededinging tussen de havens in de verschillende lidstaten. Binnen een systeem van gelijkschakeling van havens" heeft de vaststelling van deze prijzen aan de hand van een fictief traject tussen een punt in het binnenland en de dichtstbijzijnde haven die door een van de leden van de conference wordt aangedaan, immers juist tot doel het economisch voordeel te neutraliseren dat een kortere afstand ten opzichte van een gegeven haven kan opleveren.
Ten slotte kan de betrokken overeenkomst, hoewel indirecter, in ieder geval invloed hebben op de goederenhandel tussen lidstaten, aangezien de door de leden van de conference vastgestelde prijzen van inlandvervoerdiensten een deel vormen van de uiteindelijke verkoopprijs van de vervoerde goederen.
( cf. punten 146-148 )
5. De werkingssfeer van verordening nr. 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het zeevervoer is beperkt tot het eigenlijke zeevervoer, dat wil zeggen vervoer over zee, van of naar een of meer havens van de Gemeenschap", en bestrijkt niet het voor- of navervoer van goederen over land dat in combinatie met de andere diensten wordt verricht als onderdeel van multimodaal vervoer.
( cf. punt 241 )
6. Gelet op het in artikel 85, lid 1, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG) neergelegde algemene beginsel dat mededingingverstorende overeenkomsten verboden zijn, moeten afwijkende bepalingen in een vrijstellingsverordening naar hun aard restrictief worden uitgelegd. Zulks geldt eveneens voor de bepalingen van verordening nr. 4056/86, die bepaalde overeenkomsten vrijstellen van het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, waarbij artikel 3 van de verordening moet worden aangemerkt als een groepsvrijstelling in de zin van artikel 85, lid 3, van het Verdrag.
Gelet op het zeer uitzonderlijke karakter van de groepsvrijstelling van artikel 3 van verordening nr. 4056/86, waarbij voor onbeperkte tijd vrijstelling wordt verleend voor horizontale prijsovereenkomsten voor het zeevervoer, is het bovendien des te minder aanvaardbaar, de werking van die generieke vrijstelling uit te breiden tot prijsovereenkomsten voor landvervoer tussen leden van een lijnvaartconference.
Ook gezien de totstandkomingsgeschiedenis van verordening nr. 4056/86 en de verklaring van de Raad van 17 december 1991 kan de generieke vrijstelling van artikel 3 van die verordening niet gelden voor een tussen leden van een lijnvaartconference gesloten prijsvaststellingsovereenkomst voor inlandvervoerdiensten bestaande in het voor- of navervoer van goederen, dat met andere diensten wordt verricht als onderdeel van multimodaal vervoer.
( cf. punten 252, 254, 257 )
7. Om te bepalen welke verordening op een gegeven overeenkomst van toepassing is, moet die overeenkomst worden onderzocht in het licht van de bepalingen die de werkingssfeer van de verschillende betrokken verordeningen preciseren, en mag men niet alleen afgaan op de sector waartoe de onderneming behoort die de dienst of het product levert waarover de overeenkomst handelt.
Een overeenkomst tot vaststelling van de prijzen voor inlandvervoerdiensten valt dus klaarblijkelijk niet onder de werkingssfeer van verordening nr. 4056/86 betreffende het zeevervoer, ook al wordt die overeenkomst gesloten en uitgevoerd door scheepvaartondernemingen als onderdeel van multimodale vervoerdiensten.
Een dergelijke overeenkomst moet worden onderzocht in het licht van de bepalingen van verordening nr. 1017/68 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren.
( cf. punten 260, 276 )
8. In een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) dient de toetsing door de gemeenschapsrechter van ingewikkelde economische beoordelingen die de Commissie in het kader van de haar bij artikel 85, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 3, EG) toegekende beoordelingsmarge met betrekking tot elk van de daarin vervatte vier voorwaarden heeft verricht, te worden beperkt tot de vraag of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de motivering afdoende is, of de feiten juist zijn weergegeven en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling dan wel van misbruik van bevoegdheid.
De omstandigheid dat een overeenkomst door partijen gedurende een lange periode openlijk ten uitvoer is gelegd, kan geen verandering brengen in de toetsingsbevoegdheid van de gemeenschapsrechter en is op zich evenmin relevant om uit te maken of de overeenkomst al dan niet aan de voorwaarden voor een individuele ontheffing voldoet. Dit aspect zou hooguit in aanmerking kunnen worden genomen in de fase van het onderzoek naar de gerechtvaardigdheid en evenredigheid van de opgelegde sanctie.
( cf. punten 339-340 )
9. Nationale praktijken, gesteld al dat zij in alle lidstaten gelijkelijk bestaan, kunnen niet de doorslag geven bij de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag. Des te minder kunnen praktijken in sommige derde landen daarom bepalend zijn voor de toepassing van het gemeenschapsrecht.
( cf. punt 341 )
10. Om na te gaan of de bevindingen van de Commissie in het kader van het onderzoek van de verschillende in artikel 85, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 3, EG) en artikel 5 van verordening nr. 1017/68 gestelde voorwaarden gegrond zijn, moet zeker worden gelet op de voordelen die uit de betrokken overeenkomst voortvloeien, niet alleen voor de relevante markt, dat wil zeggen de markt voor inlandvervoerdiensten verricht als onderdeel van multimodaal vervoer, maar zo nodig ook voor elke andere markt waarop de betrokken overeenkomst positieve effecten kan sorteren of zelfs meer in het algemeen voor elke dienst waarvan de kwaliteit of efficiëntie door het bestaan van die overeenkomst kan verbeteren. Immers, zowel artikel 5 van verordening nr. 1017/68 als artikel 85, lid 3, van het Verdrag kennen de mogelijkheid van een vrijstelling ten gunste van onder meer overeenkomsten die bijdragen aan de technische of economische vooruitgang, zonder dat zij daarvoor een bijzondere band met de betrokken markt verlangen.
( cf. punt 343 )
11. De vier voorwaarden voor de verlening van een ontheffing krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag (thans, artikel 81, lid 3, EG) zijn cumulatief en de ontheffing moet dus reeds worden geweigerd wanneer slechts een van die voorwaarden niet is vervuld.
( cf. punten 349, 367 )
12. De Commissie kan terecht uit een groot aantal klachten van gebruikers afleiden dat de betrokken overeenkomst niet in billijke mate rekening houdt met hun belangen en dus geen billijk aandeel van de voordelen voor de gebruikers reserveert, zoals artikel 85, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 3, EG) en artikel 5 van verordening nr. 1017/68 vereisen.
( cf. punten 371, 374 )
13. Het staat aan de ondernemingen die krachtens artikel 85, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 3, EG) om ontheffing vragen, met bewijsmateriaal aan te tonen dat een ontheffing gerechtvaardigd is. In het bijzonder staat het aan die ondernemingen om aan te tonen dat de uit de betrokken overeenkomst voortvloeiende mededingingsbeperkingen beantwoorden aan de in die bepaling genoemde doelstellingen en dat deze niet kunnen worden bereikt zonder invoering van die beperkingen.
( cf. punten 381, 384 )
14. Een overeenkomst tussen leden van een lijnvaartconference tot vaststelling van de prijzen voor inlandvervoerdiensten als onderdeel van multimodaal vervoer brengt mededingingsbeperkingen mee die niet alleen zeer ernstig zijn, maar vooral niet onmisbaar zijn ter bereiking van het doel van prijsstabiliteit van het zeevervoer, dat is genoemd door de ondernemingen die partij bij de overeenkomst zijn.
Verordening nr. 4056/86 voorziet immers in maatregelen die door de groepsvrijstelling worden gedekt en die kunnen worden genomen om de prijsstabiliteit van zeevervoerdiensten te verzekeren. Daarom moeten de belanghebbende ondernemingen in de eerste plaats gebruik maken van de mogelijkheden die de gemeenschapsregeling biedt, in het bijzonder de in artikel 3, sub e, van verordening nr. 4056/86 genoemde mogelijkheid. De argumenten om aan te tonen dat die maatregelen nog restrictiever zouden zijn dan de betrokken overeenkomst, kunnen niet slagen. Zodra immers een maatregel bij een verordening van de Raad is vrijgesteld, is de al dan niet restrictievere aard daarvan in het licht van artikel 85, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 81, lid 3, EG) niet meer aan de orde. Terecht is de Commissie dus van mening dat de betrokken mededingingsbeperkingen niet onmisbaar waren, gezien de mogelijkheid van de in artikel 3 van verordening nr. 4056/86 bedoelde maatregelen.
( cf. punten 396-397 )
15. De mededeling van de punten van bezwaar moet een uiteenzetting bevatten van de punten van bezwaar in bewoordingen die, hoe bondig ook, voor de betrokkenen voldoende duidelijk zijn om te weten te komen welke gedragingen de Commissie hun verwijt. Alleen dan immers kan de mededeling van de punten van bezwaar de haar door de gemeenschapsverordeningen toegedachte functie vervullen, namelijk de ondernemingen en ondernemersverenigingen alle informatie verschaffen die zij nodig hebben om zich zinvol te kunnen verdedigen alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft. Aan dit vereiste is voldaan wanneer de beschikking aan de betrokkenen geen andere inbreuken ten laste legt dan die welke in de punten van bezwaar zijn opgenomen, en slechts feiten noemt waarover betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken. De eindbeschikking van de Commissie behoeft evenwel niet noodzakelijkerwijs gelijkluidend te zijn met de mededeling van de punten van bezwaar.
( cf. punt 442 )
16. Dat een argument dat de ondernemingen in de loop van de procedure wegens inbreuk op de mededingingsregels naar voren hebben gebracht, in aanmerking is genomen zonder dat zij in de gelegenheid zijn gesteld zich daarover uit te spreken vóór de eindbeschikking, kan op zich geen schending van hun rechten van de verdediging opleveren, wanneer de inaanmerkingneming van dat argument geen wijziging brengt in de aard van de aan hen gerichte bezwaren. De betrokken ondernemingen hebben namelijk de gelegenheid gehad zich te uiten over het door de Commissie in de mededeling van de punten van bezwaar ingenomen standpunt en zij konden dus verwachten dat hun eigen toelichting voor de Commissie aanleiding zou zijn om haar standpunt te wijzigen.
( cf. punt 447 )
17. De Commissie kan een onderneming weliswaar niet verbieden zich te laten bijstaan door een advocaat of andere externe adviseur van haar keuze, maar haar valt niet te verwijten dat zij in het kader van een inbreukprocedure waarbij veertien verschillende ondernemingen zijn betrokken, bij de organisatie van de hoorzitting geen rekening heeft gehouden met de praktische verlangens van elk van die ondernemingen. Het staat immers in de eerste plaats aan die ondernemingen om de juiste maatregelen te nemen om hun belangen zo goed mogelijk te behartigen. De enkele omstandigheid dus dat de raadsman van een van de betrokken ondernemingen niet aanwezig kon zijn bij deze of gene door de Commissie georganiseerde hoorzitting, is dus niet aan te merken als een schending van de rechten van verdediging van de betrokken onderneming of zelfs van alle ondernemingen.
( cf. punt 466 )
18. Uit de artikelen 7, lid 2, en 9, lid 3, van verordening nr. 1630/69 volgt overduidelijk dat de Commissie over een redelijke beoordelingsmarge beschikt omtrent het belang van het horen van personen wier getuigenis van belang kan zijn voor het onderzoek van het dossier, zodat de Commissie gerechtigd is om derden te horen die niet vooraf tijdens de administratieve procedure een klacht of schriftelijke opmerkingen hebben ingediend.
( cf. punt 468 )
19. Een opzettelijke inbreuk op de mededingingsregels kan worden aangenomen zonder dat daarvoor nodig is dat de onderneming bewust een bij die regels uitgevaardigd verbod heeft overtreden; voldoende is dat die onderneming er niet onwetend van kon zijn dat het gewraakte gedrag tot doel had de mededinging te beperken.
( cf. punt 479 )
20. Wanneer de Commissie in het ene geval van overtreding van de mededingingsregels geen boete oplegt, behoeft dat haar op zichzelf niet te beletten in een ander, gelijksoortige geval wel een boete op te leggen. Op het beginsel van gelijke behandeling kan men zich immers niet beroepen waar het gaat om onwettige praktijken.
In de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht kan het Gerecht evenwel van oordeel zijn dat er grond bestaat om geen boete op te leggen aan scheepvaartondernemingen die partij zijn bij een overeenkomst tot vaststelling van de prijzen voor inlandvervoerdiensten als onderdeel van multimodaal vervoer, wanneer de Commissie in een andere beschikking, die zeer korte tijd voor de bestreden beschikking werd gegeven, geen boete heeft opgelegd aan ondernemingen die partij zijn bij een andere overeenkomst die eveneens voorzag in de vaststelling van de prijzen voor het inlandgedeelte van multimodaal vervoer en bovendien nog andere ernstige inbreuken op de mededingingsregels inhield.
( cf. punten 487-488 )
Partijen
In zaak T-86/95,
Compagnie générale maritime, gevestigd te Suresnes (Frankrijk),
Hapag-Lloyd Aktiengesellschaft, gevestigd te Hamburg (Duitsland),
Kawasaki Kisen Kaisha Ltd, gevestigd te Tokio (Japan),
Lloyd Triestino di Navigazione SpA, gevestigd te Triëst (Italië),
A. P. Møller-Maersk Line, gevestigd te Kopenhagen (Denemarken),
Malaysian International Shipping Corporation Berhad, gevestigd te Kuala Lumpur (Maleisië),
Mitsui OSK Lines Ltd, gevestigd te Tokio,
Nedlloyd Lijnen BV, gevestigd te Rotterdam (Nederland),
Neptune Orient Lines Ltd, gevestigd te Singapore (Singapore),
Nippon Yusen Kabushiki Kaisha, gevestigd te Tokio,
Orient Overseas Container Line, gevestigd te Hongkong (China),
P & O Containers Ltd, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
Wilh. Wilhemsen Ltd A/S, gevestigd te Oslo (Noorwegen),
vertegenwoordigd door P. Rutley, solicitor, J. Pheasant en A. Mariott, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoeksters,
ondersteund door
The European Community Shipowners' Associations ASBL, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door D. Waelbroeck, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en door
The Japanese Shipowners' Association, gevestigd te Tokio, vertegenwoordigd door F. Randolph, barrister, en F. Murphy, solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënten,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Langeheine en R. Lyal als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
ondersteund door
The European Council of Transport Users ASBL, gevestigd te Brussel, omvattend The European Shippers Council, vertegenwoordigd door M. Clough, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 94/985/EG van de Commissie van 21 december 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/33.218 - Far Eastern Freight Conference) (PB L 378, blz. 17),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Azizi en M. Jaeger, rechters,
griffier: Y. Mottard, referendaris,
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 7 juni 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Juridische context
1 Verordening (EEG) nr. 4056/86 van de Raad van 22 december 1986 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het zeevervoer (PB L 378, blz. 4), bevat een generieke vrijstellingsregeling voor lijnvaartconferences. De achtste overweging van de considerans van deze verordening luidt als volgt:
Overwegende dat het gewenst is, ten behoeve van lijnvaartconferences een generieke vrijstelling van het kartelverbod mogelijk te maken; dat deze conferences namelijk een stabiliserende werking hebben welke een waarborg vormt voor betrouwbare dienstverlening aan verladers; dat zij er in het algemeen toe bijdragen dat een aanbod van geregelde, toereikende en doelmatige zeevervoerdiensten wordt verzekerd, met een redelijke mate van inachtneming van de belangen der vervoergebruikers; dat deze resultaten niet kunnen worden bereikt zonder de samenwerking die de scheepvaartmaatschappijen binnen de genoemde conferences op het gebied van de tarieven en eventueel van het aanbod van scheepsruimte of de verdeling van de te vervoeren tonnages en zelfs de ontvangsten ontwikkelen; dat de conferences meestal blijven blootstaan aan een daadwerkelijke concurrentie zowel van de zijde van de niet-conferencelijnen als van de wilde-vaartdiensten en in bepaalde gevallen van andere middelen van vervoer; dat de mobiliteit der vloten die de structuur van het aanbod in de sector zeevervoerdiensten kenmerkt bovendien een voortdurende concurrentiedruk op de conferences uitoefent, die gewoonlijk niet de mogelijkheid hebben de concurrentie voor een wezenlijk deel van de betrokken zeevervoerdiensten uit te schakelen."
2 Volgens artikel 1, lid 2, heeft verordening nr. 4056/86 uitsluitend betrekking op internationale diensten voor het zeevervoer van of naar een of meer havens van de Gemeenschap, met uitzondering van de wilde vaart, dat wil zeggen vervoer van bulkgoederen door middel van bevrachte schepen op bestelling. In artikel 1, lid 3, sub b, van verordening nr. 4056/86 wordt het begrip lijnvaartconference als volgt gedefinieerd:
[E]en groep van twee of meer vervoerders die schepen exploiteren, die internationale lijndiensten onderhoudt voor het vervoer van lading op een bepaalde route of routes binnen omschreven geografische grenzen en die een overeenkomst of regeling, van welke aard ook, heeft getroffen binnen het kader waarvan zij opereren op basis van eenvormige of gemeenschappelijke vervoerstarieven en enigerlei andere overeengekomen voorwaarden met betrekking tot het aanbieden van lijndiensten."
3 Bij artikel 3 van verordening nr. 4056/86 worden overeenkomsten die de vaststelling van vervoerstarieven en -voorwaarden voor de levering van regelmatige zeevervoerdiensten tot doel hebben, vrijgesteld van het verbod van artikel 85, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 81, lid 1, EG). De vrijstelling strekt zich ook uit tot overeenkomsten met een of meer van de volgende doelstellingen:
a) de coördinatie van de dienstregelingen van de schepen, hun afvaart- of aanloopdata;
b) het vaststellen van de frequentie van de reizen of de aanloop;
c) de coördinatie of de onderlinge verdeling van de reizen of de aanloop tussen leden van de conference;
d) de regeling van de door elk der leden aangeboden vervoerscapaciteit;
e) de verdeling van de vervoerde tonnage of de opbrengsten onder de leden."
4 Volgens artikel 23, lid 1, van verordening nr. 4056/86 stelt de Commissie, alvorens een beschikking te geven, de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen in de gelegenheid hun standpunt kenbaar te maken ter zake van de punten van bezwaar welke zij in aanmerking heeft genomen. Verordening (EEG) nr. 4260/88 van de Commissie van 16 december 1988 betreffende de mededelingsverplichtingen, de klachten, de verzoeken en het horen van belanghebbenden en derden, zoals bedoeld in verordening nr. 4056/86 (PB L 376 blz. 1), die ten tijde van de feiten van kracht was, bevat de procedurele voorschriften die bij de hoorzitting moeten worden nageleefd.
5 Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1017/68 van de Raad van 19 juli 1968 houdende de toepassing van mededingingsregels op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB L 175, blz. 1), bepaalt:
Op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren is deze verordening van toepassing op overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, welke tot doel of ten gevolge hebben, het bepalen van vrachtprijzen en vervoervoorwaarden, het beperken of controleren van het vervoersaanbod, het verdelen van de vervoermarkten, de toepassing van technische verbeteringen of de technische samenwerking, de gemeenschappelijke financiering of verwerving van materieel of benodigdheden voor vervoer, die rechtstreeks verband houdt met vervoersprestaties, voorzover zulks noodzakelijk is voor de gemeenschappelijke exploitatie van een groep ondernemingen voor vervoer over de weg of over de binnenwateren zoals omschreven in artikel 4, en op machtsposities op de vervoermarkt. Deze verordening is eveneens van toepassing op handelingen van tussenpersonen in het vervoer welke hetzelfde doel of dezelfde gevolgen hebben als bovengenoemde."
6 In artikel 2, sub a, van verordening nr. 1017/68 wordt bepaald:
Behoudens het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 6, zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden, zonder dat daartoe enige voorafgaande beschikking is vereist, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen, welke de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, en met name die welke bestaan uit:
a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van vrachtprijzen en vervoervoorwaarden of van andere contractuele voorwaarden,
[...]"
7 Artikel 5 van verordening nr. 1017/68 bepaalt:
Het verbod van artikel 2 kan met terugwerkende kracht buiten toepassing worden verklaard:
- voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,
- voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen,
- voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen,
die bijdragen
- tot verbetering van de kwaliteit van de vervoerdiensten, of
- tot bevordering van een grotere continuïteit en stabiliteit in en de bevrediging van de vervoersbehoeften, op markten die onderhevig zijn aan sterke schommelingen in de tijd van vraag en aanbod, of
- tot verhoging van de productiviteit der ondernemingen, of
- tot bevordering van de technische of economische vooruitgang
mits daarbij in redelijke mate rekening wordt gehouden met de belangen der gebruikers en zonder nochtans
a) de betrokken vervoerondernemingen beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn,
b) aan deze ondernemingen de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken vervoermarkt, de mededinging uit te schakelen."
8 In artikel 11, lid 4, van verordening nr. 1017/68 wordt bepaald: [indien] de Commissie op grond van een naar aanleiding van een klacht of ambtshalve ingeleide procedure concludeert dat een overeenkomst, een besluit of een onderling afgestemde feitelijke gedraging voldoet aan de voorwaarden van artikel 2 en van artikel 5, geeft zij een beschikking tot toepassing van artikel 5. In deze beschikking is de datum vermeld, met ingang waarvan zij in werking treedt. Dit kan een vroegere datum zijn dan die van de beschikking".
9 Ingevolge artikel 22, lid 2, van verordening nr. 1017/68 kan de Commissie geldboeten opleggen aan ondernemingen of ondernemersverenigingen, wanneer dezen opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op onder meer artikel 2 van die verordening.
10 Volgens artikel 26, lid 1, van verordening nr. 1017/68 stelt de Commissie, alvorens een beschikking te geven, de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen in de gelegenheid hun standpunt kenbaar te maken ter zake van de punten van bezwaar die tegen hen zijn ingebracht. Verordening (EEG) nr. 1630/69 van de Commissie van 8 augustus 1969 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 26, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 1017/68 van de Raad van 19 juli 1968 (PB L 209, blz. 11), noemt de procedurele voorschriften die daarbij in acht moeten worden genomen.
De feiten van het geschil
11 De Far Eastern Freight Conference (hierna: FEFC") is de naam van een aantal met elkaar verbonden lijnvaartconferences bestaande uit lijnvaartmaatschappijen die regelmatige zeevervoerdiensten onderhouden voor containervervoer over zee tussen Noord-Europa en Zuid-Oost- en Oost-Azië, alsmede voor door to door" of multimodale vervoerdiensten.
12 De bij de FEFC aangesloten lijnvaartmaatschappijen zijn algemene toetredingsvoorwaarden en gemeenschappelijke tarieven overeengekomen. Om rekening te houden met multimodaal vervoer hebben zij omstreeks 1971, toen het gebruik van containers terrein begon te winnen, de bevoegdheden van de FEFC voor de vaststelling van de prijzen in de sectoren zeevervoer en afwikkeling in de haven van lading of lossing, uitgebreid tot inlandvervoerdiensten.
13 Het tarief van de FEFC, zoals dat ten tijde van de feiten gold, is opgenomen in een document met de titel NT 90 en is op 1 januari 1990 in werking getreden. Dit document bevat algemene voorwaarden voor het vervoer, met inbegrip van de betalingsvoorwaarden. Het bestaat uit vijf elementen, waarvan er twee betrekking hebben op het inlandsegment van multimodaal vervoer (het inlandvervoer in de landen van oorsprong en van bestemming).
14 Op 28 april 1989 ontving de Commissie van het Bundesverband der Deutschen Industrie (BDI), de Deutscher Industrie- und Handelstag (DIHT) en het Bundesverband des Deutschen Gross- und Aussenhandels (BGA), de organisaties die deelnemen in het Deutsche Seeverladerkomitee (DSVK, de Duitse Raad van Zeeverladers), een klacht over bepaalde praktijken van de FEFC met betrekking tot de prijsvaststelling voor multimodaal vervoer.
15 De klagers noemden de volgende vijf elementen als kenmerken van een multimodale vervoerdienst:
a) het inlandtransport naar de haven;
b) de behandeling van de vracht in de haven (overlading van het middel voor inlandtransport naar het schip);
c) het zeevervoer (vervoer over zee van de ene haven naar de andere);
d) de behandeling van de vracht in de haven van bestemming (overlading van het schip naar het middel voor inlandtransport);
e) het inlandtransport van de haven van bestemming naar de plaats van de eindbestemming.
16 Zij voerden aan dat de groepsvrijstelling bedoeld in artikel 3 van verordening nr. 4056/86 alleen betrekking heeft op het derde van de hierboven genoemde elementen (het eigenlijke zeevervoer), terwijl de leden van de FEFC niet alleen voor het zeevervoer maar ook voor het inlandvervoer en de vrachtbehandeling de prijzen zijn overeengekomen.
17 De klagers stelden, dat aangezien artikel 1, lid 2, van verordening nr. 4056/86 ziet op de internationale diensten voor het zeevervoer van of naar een of meer havens van de Gemeenschap, met uitzondering van de wilde vaart", de werkingssfeer van de groepsvrijstelling bedoeld in artikel 3 van die verordening niet ruimer kon zijn dan die van de verordening zelf. Volgens hen is de toepasselijke regeling in casu verordening nr. 1017/68, waarvan artikel 2 concurrentiebeperkende activiteiten, zoals het vaststellen van de prijzen verbiedt en niet voorziet in vrijstelling voor prijsvaststellingspraktijken zoals die welke de leden van de FEFC voor het inlandvervoer toepassen.
18 De klagers vroegen de Commissie de noodzakelijke maatregelen te treffen om de activiteiten van de FEFC in verband met het vaststellen van prijzen voor de levering van inlandtransportdiensten te doen beëindigen.
19 Op 18 december 1992 heeft de Commissie besloten in deze zaak een procedure in te leiden.
20 Bij schrijven van 21 december 1992 heeft de Commissie aan verzoeksters een mededeling van punten van bezwaar betekend.
21 De Commissie heeft de betrokken ondernemingen vervolgens de gelegenheid gegeven hun standpunt over de tegen hen ingebrachte punten van bezwaar kenbaar te maken en alle andere eventuele opmerkingen in te dienen overeenkomstig artikel 26, lid 1, van verordening nr. 1017/68 en de bepalingen van verordening nr. 1630/69.
22 Op 21 december 1994 heeft de Commissie beschikking 94/985/EG inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/33.218 - Far Eastern Freight Conference) (PB L 378, blz. 17; hierna: de bestreden beschikking") vastgesteld.
23 Het dispositief van de bestreden beschikking luidt als volgt:
Artikel 1
De leden van de Far Eastern Freight Conference [...] hebben inbreuk gemaakt op de bepalingen van artikel 85 van het EG-Verdrag en van artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1017/68 door gezamenlijk prijzen vast te stellen voor de inlandvervoerdiensten binnen het gebied van de Gemeenschap die aan verladers worden verleend in combinatie met andere diensten als onderdeel van multimodaal vervoer van gecontaineriseerde vracht tussen Noord-Europa en het Verre Oosten.
Artikel 2
De voorwaarden van artikel 5 van verordening (EEG) nr. 1017/68 zijn niet vervuld.
Artikel 3
De [...] leden van de Far Eastern Freight Conference worden gelast om de in artikel 1 bedoelde inbreuk te beëindigen.
Artikel 4
De ondernemingen waaraan deze beschikking is gericht, worden gelast om zich voortaan te onthouden van overeenkomsten of van onderling afgestemde gedragingen die eenzelfde of een gelijkaardige doelstelling of gevolg hebben als de overeenkomst die in artikel 1 is bedoeld.
Artikel 5
Aan de ondernemingen waaraan deze beschikking is gericht worden in verband met de in artikel 1 bedoelde inbreuk op de bepalingen van artikel 85 van het EG-Verdrag en van artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1017/68, onderstaande geldboeten opgelegd:
Compagnie Générale Maritime 10 000 ECU
Hapag-Lloyd Aktiengesellschaft 10 000 ECU
Croatia Line 10 000 ECU
Kawasaki Kisen Kaisha Limited 10 000 ECU
Lloyd Triestino di Navigazione SpA 10 000 ECU
A. P. Møller-Maersk Line 10 000 ECU
Malaysian International Shipping Corporation Berhad 10 000 ECU
Mitsui OSK Lines Ltd 10 000 ECU
Nedlloyd Lijnen BV 10 000 ECU
Neptune Orient Lines Ltd 10 000 ECU
Nippon Yusen Kabushiki Kaisha 10 000 ECU
Orient Overseas Container Line 10 000 ECU
P& O Containers Ltd 10 000 ECU
Artikel 6
De in artikel 5 vastgestelde geldboeten dienen binnen drie maanden na de datum van kennisgeving van deze beschikking te worden betaald, op bankrekening nr. 310-0933000-43 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, Bank Brussel-Lambert, Europees Agentschap, Rondpunt Schuman 5, B-1040 Brussel.
Na afloop van deze termijn is automatisch rente verschuldigd tegen de rentevoet die het Europees Monetair Instituut voor zijn ecu-verrichtingen toepast op de eerste werkdag van de maand waarin deze beschikking is gegeven, vermeerderd met drie en een half procentpunten, zijnde 9,25 %.
Artikel 7
Deze beschikking is gericht tot de in de bijlage opgenomen ondernemingen.
Deze beschikking vormt overeenkomstig artikel 192 van het EG-Verdrag executoriale titel."
Procesverloop
24 Op 16 maart 1995 hebben dertien van de veertien lijnvaartmaatschappijen tot dewelke de bestreden beschikking was gericht, krachtens artikel 173 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230 EG) een verzoek tot nietigverklaring van de beschikking ingediend.
25 Bij afzonderlijke akte van 10 april 1995 verzochten zij tevens krachtens de artikelen 185 en 186 EG-Verdrag (thans artikelen 242 EG en 243 EG) om opschorting van de uitvoering van de bestreden beschikking. Gelet op de beschikking van de president van het Hof van 19 juli 1995, Commissie/Atlantic Container Line e.a. [C-149/95 P(R), Jurispr. blz. I-2165], zijn partijen overeengekomen dat de Commissie de tenuitvoerlegging van het verbod van de door verzoeksters overeengekomen gezamenlijke vaststelling van prijzen voor inlandvervoerdiensten niet zou afdwingen in afwachting van het arrest van het Gerecht in zaak T-395/94, Atlantic Container Line e.a., of in de onderhavige zaak. In dit verband heeft de president van het Gerecht op 31 oktober 1995 op verzoek van partijen besloten de kortgedingprocedure te schorsen totdat in zaak T-395/94, of, al naar het eerst, in de onderhavige zaak arrest zal zijn gewezen.
26 Bij beschikking van 12 december 1995 heeft de president van de Vijfde kamer (uitgebreid) van het Gerecht The European Community Shipowners' Association ASBL (hierna: ECSA") en The Japanese Shipowners' Association (hierna: JSA") toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verzoeksters, alsmede The European Council of Transport Users ASBL (hierna: ECTU"), omvattend The European Shippers Council, ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.
27 Op 30 oktober 1995 heeft de High Court of Justice (England & Wales) op grond van artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) het Hof verschillende prejudiciële vragen gesteld over, onder meer, de toepassing van artikel 85 van het Verdrag en uitlegging van de verordeningen nrs. 4056/86 en 1017/68 op overeenkomsten waarbij lijnvaartmaatschappijen de vrachttarieven in het kader van multimodale zee-/landvervoeroperaties vaststellen (zaak C-339/95, Compagnia di Navigazione Marittima e.a.) (PB C 351, blz. 4).
28 Bij beschikking van 26 juli 1996 (niet gepubliceerd in de Jurisprudentie) heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 47, derde alinea, van 's Hofs Statuut-EG en de artikelen 77, sub a, en 78 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de procedure in zaak T-86/95 geschorst totdat in zaak C-339/95 arrest zou zijn gewezen. Na de doorhaling van zaak C-339/95 bij beschikking van de president van het Hof van 11 maart 1998 (niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), werd de procedure in zaak T-86/95 hervat.
29 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan; bij wijze van maatregel tot de organisatie van de procesgang heeft het verzoeksters gevraagd een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden.
30 Ter terechtzitting van 7 juni 2000 hebben partijen pleidooi gevoerd en vragen van het Gerecht beantwoord.
Conclusies van partijen
31 Verzoeksters, ondersteund door JSA en ECSA, interveniënten, concluderen dat het het Gerecht behage:
- de bestreden beschikking nietig te verklaren;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
32 De Commissie, ondersteund door ECTU, concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep te verwerpen;
- verzoeksters in de kosten te verwijzen.
In rechte
33 Verzoeksters onderbouwen hun beroep met vijf middelen. Het eerste middel klaagt over schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, het tweede over schending van artikel 3 van verordening nr. 4056/86 waarin de groepsvrijstelling is geregeld, het derde over schending van artikel 85, lid 3, van het Verdrag en artikel 5 van verordening nr. 1017/68 dat handelt over toekenning van een individuele ontheffing en het vierde middel over procedurele onregelmatigheden tijdens de administratieve procedure. Het vijfde middel strekt tot intrekking of vermindering van de geldboeten.
I - Voorafgaande opmerkingen
34 Onder uitdrukkelijke verwijzing naar de zaken T-395/94 en T-395/94 R voeren verzoeksters in de onderhavige procedure de in die zaken naar voren gebrachte argumenten aan. Zoals de Commissie terecht opmerkt, kan een dergelijke algemene verwijzing naar de argumenten die in een andere zaak zijn aangevoerd, niet in aanmerking worden genomen. Overeenkomstig immers artikel 19, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG, dat krachtens artikel 46, eerste alinea, van datzelfde statuut en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van toepassing is op het Gerecht, moet een verzoeker een, zij het summiere, uiteenzetting geven van de middelen die hij aanvoert. Die bepalingen hebben tot doel de verwerende partij in staat te stellen haar verdediging voor te bereiden en het Gerecht zijn rechterlijke controle uit te oefenen (zie, onder meer, arrest Hof van 13 december 1990, Commissie/Griekenland, C-347/88, Jurispr. blz. I-4747, punt 28; beschikking Gerecht van 28 april 1993, de Hoe/Commissie, T-85/92, Jurispr. blz. II-523, punten 20-22).
35 De verwijzing in het verzoekschrift (punt 1.37) voorzover mogelijk en nodig [...] naar de argumenten en het bewijsmateriaal die in de zaken T-395/94 en T-395/94 R zijn aangevoerd, voorzover die betrekking hebben op de vraag van de multimodale tarieven van de lijnvaartconferences", is een zo algemene verwijzing naar het betoog in zaak T-395/94, dat het Gerecht zijn rechterlijke controle niet kan uitoefenen. Aan deze conclusie valt ook niet te ontkomen met betrekking tot de verwijzing in punt 11.25 van het verzoekschrift naar het betoog in zaak T-395/94 R, dat onder punt 11.26 van het verzoekschrift summier wordt samengevat. Daarom moet de rechterlijke toetsing door het Gerecht beperkt blijven tot de middelen en argumenten die in het verzoekschrift expliciet worden uiteengezet.
II - Het eerste middel: schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag
A - Argumenten van partijen
De relevante markt
(36 tot en met 69)
Merkbare beperking van de mededinging
(70 tot en met 82)
Invloed op de handel tussen de lidstaten
(83 tot en met 109)
B - Beoordeling door het Gerecht
110 In het kader van het onderzoek van het eerste middel, schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, zij er om te beginnen op gewezen, dat verzoeksters de mededingingsbeperkende werking van de in de bestreden beschikking gewraakte overeenkomst waarbij zij gezamenlijk de prijzen voor als onderdeel van multimodaal vervoer verrichte inlandvervoerdiensten van de FEFC hebben vastgelegd, niet betwisten. In dit verband zij eraan herinnerd dat een overeenkomst tot vastlegging van de prijzen een beperking van de mededinging is die in artikel 85, lid 1, sub a, van het Verdrag uitdrukkelijk wordt genoemd (zie, onder meer, arrest Hof van 17 oktober 1972, Cementhandelaren/Commissie, 8/72, Jurispr. blz. 977, punten 18 en 19, en arrest Gerecht van 17 december 1991, Enichem Anic/Commissie, T-6/89, Jurispr. blz. II-1623, punt 198).
111 Wel betwisten verzoeksters dat die overeenkomst op de relevante markt, zoals die behoort te zijn afgebakend, de mededinging merkbaar kan beperken en de handel tussen de lidstaten merkbaar ongunstig kan beïnvloeden en daardoor onder het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag valt. In dit verband verwijten verzoeksters de Commissie primair dat zij in de bestreden beschikking de relevante markt niet heeft afgebakend. Subsidiair stellen zij dat de afbakening van de relevante markt die de Commissie in de bestreden beschikking impliciet heeft verricht, onjuist is, voorzover daarbij is aangenomen dat het inlandvervoer van containers in het kader van door de FEFC georganiseerde multimodale vervoeroperaties een afzonderlijke markt vormt ten opzichte van het zeevervoer. Ten slotte stellen verzoeksters nog, dat zo de betrokken vervoerdiensten tot een markt voor inlandvervoerdiensten behoren, die markt alle inlandvervoerdiensten moet omvatten.
De afbakening van de relevante markt
112 Op de primaire grief moet worden geantwoord dat de Commissie, anders dan verzoeksters beweren, in de punten 10 en 42 van de bestreden beschikking duidelijk de inlandvervoerdiensten heeft aangewezen als de markt die door de betrokken overeenkomst ongunstig wordt beïnvloed. De Commissie wijst erop dat de diensten waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, de inlandvervoerdiensten zijn die door de scheepvaartmaatschappijen die bij de FEFC zijn aangesloten, binnen de Europese Gemeenschap aan verladers worden verleend als onderdeel van een multimodale transportoperatie voor het vervoer van gecontaineriseerde vracht tussen Noord-Europa en het Verre Oosten. Voorts geeft zij in de punten 12 tot en met 37 van de bestreden beschikking een meer uitgebreide beschrijving van die diensten en noemt zij de marktdeelnemers die aan vraag- en aanbodzijde actief zijn (punten 16-27), alsmede de relevante mededingingsvoorwaarden vooral op het gebied van de prijzen (punten 26, 28 en 30).
113 Dat betekent dat de Commissie het feitelijke kader waarin de betrokken overeenkomst is gesloten en effect moet sorteren, alsmede de structuur en de werking van de betrokken diensten naar behoren heeft uiteengezet.
114 Bovendien is niet van belang dat de Commissie in de bestreden beschikking geen specifieke titel over de definitie van de relevante markt heeft opgenomen.
115 Verzoeksters' grief inzake het ontbreken van een definitie van de relevante markt in de bestreden beschikking moet daarom worden verworpen.
116 In elk geval dient eraan te worden herinnerd dat in het kader van de toepassing van artikel 85 van het Verdrag de relevante markt in voorkomend geval moet worden afgebakend om uit te maken of de overeenkomst de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en tot doel of tot gevolg heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst (arresten Gerecht van 6 juli 2000, Volkswagen/Commissie, T-62/98, Jurispr. blz. II-2707, punt 230, en 15 september 1998, European Night Services e.a./Commissie, T-374/94, T-375/94, T-384/94 en T-388/94, Jurispr. blz. II-3141, punten 93-95 en 103). Dat betekent dat in het kader van de toepassing van artikel 85 van het Verdrag verzoeksters' grieven inzake de door de Commissie in aanmerking genomen afbakening van de markt niet los mogen staan van de grieven betreffende de ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten en de verstoring van de mededinging (arresten Gerecht van 21 februari 1995, SPO e.a./Commissie, T-29/92, Jurispr. blz. II-289, punt 75, en 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T-25/95, T-26/95, T-30/95-T-32/95, T-34/95-T-39/95, T-42/95-T-46/95, T-48/95, T-50/95-T-65/95, T-68/95-T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95, Jurispr. blz. II-491, punt 1093).
117 Met betrekking tot de subsidiaire grief, dat de aan de omstreden beschikking ten grondslag liggende definitie van de relevante markt onjuist is, dient eraan te worden herinnerd dat de in de bestreden beschikking onderkende mededingingsbeperkende overeenkomst strekt tot de vastlegging, door de leden van de FEFC, van een gezamenlijk tarief met betrekking tot de inlandvervoerdiensten binnen het gebied van de Gemeenschap die aan verladers worden verleend in combinatie met andere diensten als onderdeel van multimodaal vervoer van gecontaineriseerde vracht tussen Noord-Europa en het Verre Oosten" (artikel 1 van de bestreden beschikking).
118 Onder multimodaal vervoer" (in de betrokken bedrijfstak ook intermodaal vervoer", direct vervoer" of gecombineerd vervoer" genoemd) wordt verstaan gecombineerd land-/zeevervoer van containers. Voor het vervoer over land staat vast dat de verzending van zeecontainers vanuit de bedrijfsvestiging van de verlader naar de haven van inlading (het voorvervoer) en van de haven van lossing naar de bedrijfsvestiging van de ontvanger (het navervoer), zoals in de bestreden beschikking wordt vermeld (punt 16), door de verlader zelf of door de zeevervoerder kan worden verzorgd. Daarbij ligt de keuze tussen een van deze formules bij de verlader (punt 17 van de beschikking). In beide gevallen kan het vervoer over land worden uitbesteed (punten 19-24 van de bestreden beschikking).
119 Wanneer het vervoer over land door de verlader wordt verzorgd, moet deze verlader de nodige containers in voorkomend geval afhalen bij de scheepvaartonderneming van zijn keuze om in zijn eigen bedrijfsvestiging de betrokken goederen daarin te laden, en de containers vervolgens naar een door de scheepvaartonderneming aangewezen plaats van afgifte brengen. Evenzo dient de verlader of de ontvanger van de goederen in de haven van lossing het inlandvervoer van de containers naar zijn eigen bedrijfsvestiging te verzorgen om deze uit te laden, en de containers vervolgens leeg te retourneren naar de scheepvaartmaatschappij. Als hij het vervoer over land niet zelf verzorgt, kan de verlader, zoals in de bestreden beschikking vermeld (punten 21-24), een beroep doen op de diensten van een onafhankelijke derde zoals een expediteur, een wegvervoerder of een spoorweg- of binnenvaartonderneming.
120 Wanneer het inlandvervoer door de zeevervoerder wordt verzorgd, levert de scheepvaartonderneming de containers aan de verlader en brengt zij deze naar de haven van inlading of vanaf de haven van lossing naar de bedrijfsvestiging van de ontvanger. In dat geval geschiedt het eigenlijke vervoer van de container over land meestal niet door de scheepvaartonderneming zelf, maar door een van de scheepvaartonderneming onafhankelijke wegvervoerder, spoorwegonderneming of een binnenvaartonderneming aan wie de scheepvaartonderneming de vervoeroperatie heeft uitbesteed (punten 19 en 20 van de bestreden beschikking). Slechts een klein aantal scheepvaartmaatschappijen hebben dochtermaatschappijen opgericht om vervoerdiensten over land uit te voeren. Vaststaat dat de litigieuze overeenkomst tot doel heeft de vastlegging door de leden van de FEFC van de aan de verladers te berekenen verkoopprijzen voor inlandvervoerdiensten die de scheepvaartmaatschappijen als onderdeel van multimodaal vervoer organiseren.
121 In het kader van hun subsidiaire grief, onjuiste definitie van de relevante markt, beweren verzoeksters dat die inlandvervoerdiensten deel uitmaken van de ruimere markt van zeevervoer georganiseerd als onderdeel van multimodaal vervoer. De relevante markt moet volgens hen worden gedefinieerd als het lijnvaartvervoer, als onderdeel van vervoerdiensten van haven tot haven of van multimodaal vervoer, tussen Noord-Europa en het Verre Oosten, met de in die gebieden gelegen havens als aanloopplaatsen. Meer in het bijzonder zouden de door hen aan de verladers geboden inlandvervoerdiensten van containers noodzakelijk en onlosmakelijk deel uitmaken van de lijnvaartdiensten die door de FEFC aan de verladers voor de verzending van hun goederen in containers tussen Noord-Europa en het Verre Oosten worden verkocht.
122 Volgens de rechtspraak kan slechts van een voldoende afzonderlijke markt worden gesproken wanneer het betrokken product of de betrokken dienst bijzondere kenmerken heeft waardoor het product of de dienst dermate duidelijk van andere producten of diensten wordt onderscheiden, dat een uitwisseling met deze andere producten of diensten slechts in beperkte mate mogelijk is en de concurrentie daarmee nauwelijks merkbaar is (zie arresten Hof van 11 april 1989, Ahmed Saeed Flugreisen en Silver Line Reisebüro, 66/86, Jurispr. blz. 803, punten 39 en 40, en 14 februari 1978, United Brands/Commissie, 27/76, Jurispr. blz. 207, punten 11 en 12, alsmede arrest Gerecht van 12 december 1991, Hilti/Commissie, T-30/89, Jurispr. blz. II-1439, punt 64). De mate van onderlinge uitwisselbaarheid van producten moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken van die producten, alsmede aan de hand van de structuur van de vraag en van het aanbod op de markt en van de mededingingsverhoudingen (zie arrest Hof van 9 november 1983, Michelin/Commissie, 322/81, Jurispr. blz. 3461, punt 37, en arrest Gerecht van 6 oktober 1994, Tetra Pak/Commissie, T-83/91, Jurispr. blz. II-755, punt 63).
123 Ofschoon de scheepvaartmaatschappijen inlandvervoerdiensten in aanvulling op hun zeevervoerdiensten aanbieden, staat vast dat de verladers de keuze behouden om deze twee soorten prestaties bij verschillende marktdeelnemers te betrekken. Artikel 5, lid 3, van verordening nr. 4056/86 waarborgt de verladers trouwens de mogelijkheid om zich voor inlandvervoerdiensten tot de onderneming van hun keuze te wenden. Voor de verkoop van die diensten aan de verladers staan de scheepvaartondernemingen dus in concurrentie met de landvervoerders. Het valt niet te betwisten dat die laatsten alleen op de markt voor landvervoerdiensten aanwezig zijn.
124 Bovendien moesten de verladers, voordat de scheepvaartondernemingen het voor- en navervoer van containers over land gingen aanbieden, ook zijn ingesteld op het verzenden van de goederen naar en van de havens. De markt voor dit landvervoer bestond reeds voordat de scheepvaartondernemingen zich op deze markt begaven. Zelfs nadat de container in zwang was geraakt en de scheepvaartondernemingen zich op de markt voor landvervoer hadden begeven, moesten de verladers de keuze behouden om zoals voorheen te handelen en hun eigen ,merchant haulage te blijven regelen indien zij zulks verlangden", aldus het in punt 17 van de bestreden beschikking geciteerde economische rapport van de hoogleraren S. Gilman en M. Graham (punt 4.42), dat verzoeksters ter ondersteuning van hun betoog hebben ingediend. Ook al valt niet te ontkennen dat het gebruik van containers de combinatie van verschillende wijzen van transport heeft vergemakkelijkt, blijft het niettemin een feit dat het voor- en navervoer van goederen een inlandvervoerdienst is. Deze omstandigheid bewijst het bestaan van een markt voor inlandvervoerdiensten, die verbonden is met, maar, als onderdeel van een multimodale vervoerdienst, losstaat van de markt voor zeevervoerdiensten (zie in deze zin arrest Hof van 3 oktober 1985, CBEM, 311/84, Jurispr. blz. 3261, punt 26).
125 Eveneens staat vast, zoals in de bestreden beschikking wordt benadrukt (punten 19-24), dat de vervoerdiensten over land die als onderdeel van multimodaal vervoer nodig zijn voor het voor- en navervoer van containers, in de regel worden geleverd door landvervoerders die onafhankelijk zijn van de scheepvaartmaatschappijen en de verladers, ongeacht of het de verlader of de scheepvaartmaatschappij is die het vervoer over land verzorgt. In beide gevallen worden de inlandvervoerdiensten die nodig zijn voor het voor- en navervoer van containers, immers meestal uitbesteed aan landvervoerondernemingen die zijn gespecialiseerd in het vervoer over de weg, per spoor of over de binnenwateren.
126 Het voor- en navervoer van containers als onderdeel van multimodaal vervoer vormt dus blijkbaar een specifieke vraag en een specifiek aanbod. Er bestaan landvervoerondernemingen die onafhankelijk zijn van de verladers en de scheepvaartmaatschappijen, die aan laatstgenoemden gespecialiseerde diensten voor landvervoer van zeecontainers leveren met het oog op de verzending over zee of aansluitend op de verzending over zee in het kader van multimodaal vervoer.
127 Dit specifieke karakter wordt bovendien versterkt doordat voor vraag en aanbod op het gebied van inlandvervoerdiensten in het kader van multimodaal vervoer bijzondere mededingingsvoorwaarden gelden, die anders zijn dan op andere markten, in het bijzonder de markt voor zeevervoer. Want terwijl bij zeevervoer de prijs hoofdzakelijk afhangt van de waarde van de vervoerde goederen, staat vast dat bij vervoerdiensten over land de prijs per container wordt bepaald, zonder enig direct verband met de waarde van de vervoerde goederen. Bovendien staat vast dat verzending over land in lokale valuta in rekening wordt gebracht, terwijl bij vervoer over zee in Amerikaanse dollar wordt afgerekend.
128 Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat, anders dan verzoeksters beweren, de Commissie in de bestreden beschikking terecht heeft geoordeeld dat de inlandvervoerdiensten voor het voor- en navervoer van containers als onderdeel van multimodaal vervoer een afzonderlijke markt vormen ten opzichte van de zeevervoerdiensten die als onderdeel van dat multimodaal vervoer door de bij de FEFC aangesloten scheepvaartondernemingen worden aangeboden. Volgens de rechtspraak moet een deelmarkt die vanuit het oogpunt van vraag en aanbod specifieke kenmerken vertoont en waarin een product wordt aangeboden dat een onontbeerlijke plaats inneemt en dat niet uitwisselbaar is binnen de meer algemene markt waarvan het deel uitmaakt, worden beschouwd als een afzonderlijke productmarkt (zie arresten Gerecht van 10 juli 1991, RTE/Commissie, T-69/89, Jurispr. blz. II-485, punten 61 en 62; BBC/Commissie, T-70/89, Jurispr. blz. II-535, punt 50, en ITP/Commissie, T-76/89, Jurispr. blz. II-575, punten 47 en 48).
129 Verzoeksters' stelling dat het landvervoer dat de scheepvaartondernemingen als onderdeel van multimodaal vervoer verzorgen, door die scheepvaartondernemingen ten behoeve van de verladers wordt verricht als noodzakelijk deel van hun zeevervoerdiensten, is in dit verband niet ter zake dienend. Zodra er een specifieke vraag en een specifiek aanbod bestaat voor inlandvervoerdiensten van zeecontainers en zulke diensten onder meer door los van de scheepvaartmaatschappijen staande ondernemingen worden aangeboden, betekent dit noodzakelijkerwijze dat er een afzonderlijke markt bestaat (zie, bij analogie, arrest Hof van 31 mei 1979, Hugin/Commissie, 22/78, Jurispr. blz. 1869, punten 7 en 8; arrest Hilti/Commissie, reeds aangehaald, punt 67; bevestigd bij arrest Hof van 2 maart 1994, Hilti/Commissie, C-53/92 P, Jurispr. blz. I-667, punten 13 en 14; arrest Tetra Pak/Commissie, reeds aangehaald, punt 82, bevestigd bij arrest Hof van 14 november 1996, Tetra Pak/Commissie, C-333/94 P, Jurispr. blz. I-5951, punt 36). Zo heeft het Gerecht op het gebied van vervoer over land van zeecontainers reeds uitgemaakt dat spoorwegdiensten bestaande in onder meer toegang tot spoorweginfrastructuur en ter beschikking stellen van locomotieven en tractie, wegens hun specifieke aard een afzonderlijke markt vormen ten opzichte van de markt voor vervoer per spoor in het algemeen en van de markt voor het wegvervoer of het vervoer over de binnenwateren (arrest Gerecht van 21 oktober 1997, Deutsche Bahn/Commissie, T-229/94, Jurispr. blz. II-1689, punten 55 en 56).
130 Daarom heeft de Commissie, anders dan verzoeksters stellen, in de bestreden beschikking terecht geoordeeld dat de relevante markt in casu de markt is voor gespecialiseerde inlandvervoerdiensten in verband met verzending van zeecontainers over zee als onderdeel van multimodaal vervoer tussen Noord-Europa en het Verre Oosten, met uitsluiting van de diensten op het gebied van zeevervoer van containers die door scheepvaartondernemingen als onderdeel van dat multimodaal vervoer worden geleverd.
131 Ten slotte, voor het geval het Gerecht zou oordelen dat de bewuste inlandvervoerdiensten een afzonderlijke markt vormen, stellen verzoeksters nog dat dan in ieder geval alle soortgelijk vervoer over land tot de relevante markt moet worden gerekend. In het bijzonder zou de relevante markt dan, behalve het landvervoer van containers voor verzending over zee door de FEFC tussen Noord-Europa en het Verre Oosten, ook het landvervoer van containers door onafhankelijke scheepvaartondernemingen die op dezelfde zeeroute varen, het landvervoer van containers door de FEFC en door onafhankelijke ondernemingen op andere routes, het landvervoer van alle andere containers tussen punten in het binnenland van Europa, alsmede het landvervoer van andere goederen op soortgelijke wijze maar anders dan per container dienen te omvatten.
132 Deze stelling moet als kennelijk ongegrond worden verworpen.
133 Uit de punten 10 en 42 van de bestreden beschikking en artikel 1 van het dispositief blijkt immers dat het in geding zijnde gemeenschappelijke tarief betrekking heeft op de inlandvervoerdiensten die in combinatie met andere diensten aan de verladers worden aangeboden als onderdeel van multimodaal containervervoer tussen Noord-Europa en het Verre Oosten, dat wordt verzorgd door bij de FEFC aangesloten scheepvaartondernemingen. Dat betekent uiteraard dat de relevante markt niet alle inlandvervoerdiensten van ongeacht welke aard betreft, maar alleen de inlandvervoerdiensten in containers als onderdeel van een multimodale vervoerdienst.
134 Bovendien, en om dezelfde reden, is de geografische markt niet die voor alle inlandvervoer van containers als onderdeel van multimodaal vervoer in verband met alle zeeroutes, maar enkel die voor inlandvervoer van containers dat in verband staat met de route tussen Noord-Europa en het Verre Oosten. De gemeenschappelijke tarieflijst die hier in geding is, geldt immers uitsluitend in het kader van multimodale vervoerdiensten met betrekking tot die zeeroute tussen Noord-Europa en het Verre Oosten, welke route overigens niet door andere routes kan worden vervangen (zie, bij analogie, arrest Ahmed Saeed Flugreisen en Silver Line Reisebüro, reeds aangehaald, punten 40 en 41). Zonder dat in casu behoeft te worden ingegaan op de vraag, of de relevante markt moet worden beperkt tot inlandvervoer van containers die zijn bestemd voor inlading in schepen van de bij de FEFC aangesloten ondernemingen, zoals uit punt 11 van de bestreden beschikking schijnt te volgen, dan wel in ruimere zin voor inlading in alle schepen die op de bewuste route varen, kan worden volstaan met de vaststelling dat de Commissie, naar uit punt 33 van de bestreden beschikking blijkt, de invloed op de mededinging heeft beoordeeld in het ruimere kader van de tweede hypothese. De Commissie heeft dus in de definitie van de relevante markt terecht niet de inlandvervoerdiensten begrepen die als onderdeel van multimodale vervoerdiensten op andere zeerouten dan tussen Noord-Europa en het Verre Oosten worden geleverd.
135 In het licht van het voorgaande blijkt de afbakening van de relevante markt als de markt voor de inlandvervoerdiensten binnen het gebied van de Gemeenschap die aan verladers worden verleend in combinatie met andere diensten als onderdeel van multimodaal vervoer van gecontaineriseerde vracht tussen Noord-Europa en het Verre Oosten, niet aanvechtbaar te zijn.
136 In die omstandigheden moeten de grieven waarmee verzoeksters primair over ontbreken van een afbakening van de relevante markt en subsidiair over onjuiste afbakening van de relevante markt klagen, worden verworpen.
De merkbaarheid van de beperking van de mededinging
137 Op de eerste grief van verzoeksters, dat de bestreden beschikking geen enkele beoordeling bevat omtrent de criteria van de merkbaarheid van de mededingingsbeperking en geen definitie geeft van de relevante markt waarop die merkbare invloed moet worden afgemeten, volstaat de opmerking dat uit punt 33 van de bestreden beschikking juridisch afdoende blijkt, dat, zoals door verzoeksters niet is weersproken, de bij de FEFC aangesloten scheepvaartondernemingen in 1993, dus ten tijde van de feiten, 38,5 % van de markt voor inlandvervoer van zeecontainers als onderdeel van multimodaal vervoer tussen Noord-Europa en het Verre Oosten in handen hadden. Zoals bij het onderzoek van de klacht met betrekking tot de afbakening van de relevante markt is vastgesteld, heeft de Commissie die markt terecht aangemerkt als de relevante markt voor de toepassing van artikel 85 van het Verdrag op de gewraakte overeenkomst.
138 Een en ander betekent dat de grief van verzoeksters om deze reden alleen al moet worden verworpen. De omstandigheid dat verzoeksters bijna 40 % van de markt in handen hebben, toont immers op zichzelf reeds aan dat de onderhavige overeenkomst van dien aard is dat de mededinging op die markt daardoor merkbaar wordt beperkt. Een marktaandeel van deze omvang kan immers redelijkerwijze niet worden aangemerkt als onbeduidend in de zin van de rechtspraak (zie, onder meer, arrest Hof van 9 juli 1969, Völk, 5/69, Jurispr. blz. 295, punt 7, en 7 juni 1983, Musique diffusion française e.a./Commissie, 100-103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 86). Aangezien de bestreden beschikking uitdrukkelijk verwijst naar het marktaandeel van de bij de FEFC aangesloten scheepvaartondernemingen op de relevante markt, moet worden aangenomen dat de Commissie daarmee een juridisch afdoende beoordeling heeft gegeven van de criteria voor de merkbaarheid van de in geding zijnde mededingingsbeperking.
139 Ten overvloede moet nog worden benadrukt dat de Commissie in de bestreden beschikking heeft uiteengezet dat de door de bij de FEFC aangesloten scheepvaartondernemingen verzorgde inlandvervoerdiensten in 1991 ongeveer 1 015 208 containers TEU vertegenwoordigden, dat wil zeggen ongeveer 9 276 653 ton. Ongeveer 89 % hiervan werd geheel of gedeeltelijk binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap vervoerd (punt 33 van de bestreden beschikking). Bovendien vertegenwoordigen de inlandvervoeroperaties op de routes tussen Noord-Europa en het Verre Oosten volgens de bestreden beschikking 18,6 % van de algemene kostprijs voor de levering van multimodale vervoerdiensten, hetgeen in 1992 overeenkwam met een bedrag van ongeveer 477 200 000 ECU (punten 34 en 35 van de beschikking). In het licht van die gegevens heeft de Commissie in punt 45 van de beschikking geconcludeerd dat de beperking van de mededinging tussen de leden van de FEFC met betrekking tot de prijzen voor het inlandsegment van een multimodale vervoeroperatie aanzienlijk zal zijn wegens het zeer grote aantal containers en de daarmee verbonden kosten (punten 33-37)".
140 In die omstandigheden is het duidelijk dat verzoeksters de Commissie niet kunnen verwijten de merkbaarheid van de betrokken overeenkomst op de mededinging niet te hebben beoordeeld.
141 De tweede grief van verzoeksters, dat in de bestreden beschikking niet op juiste wijze is beoordeeld of de betrokken overeenkomst een merkbare invloed heeft op de mededinging, op grond dat de merkbare invloed van de betrokken overeenkomst dient te worden beoordeeld in de context van zeevervoer dat als onderdeel van multimodaal vervoer wordt verricht, moet eveneens worden verworpen, omdat hij uitgaat van een onjuiste afbakening van de relevante markt. Bovendien, gesteld al dat de door verzoeksters voorgestelde afbakening van de relevante markt steekhoudend is, dan zou de mededingingsbeperkende werking van de overeenkomst des te meer merkbaar zijn. Het staat immers vast dat op de aldus gedefinieerde markt de leden van de FEFC in 1992 een marktaandeel van 58 % (punt 33 van de overweging) hadden. Een overeenkomst waarbij de prijzen worden vastgelegd voor diensten die een aanzienlijk deel van de algemene kostprijs van het multimodaal vervoer vertegenwoordigen, gesloten tussen ondernemingen die bijna 60 % van de relevante markt in handen hebben, zal de mededinging alleszins merkbaar beperken in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
142 In de derde plaats moet ook de stelling van verzoeksters, dat de positie van de partijen bij de betrokken overeenkomst zou moeten worden beoordeeld op de markt voor soortgelijk landvervoer, worden verworpen omdat zij is gebaseerd op een onjuiste afbakening van de relevante markt, die niet alle vervoer over land omvat, maar alleen de inlandvervoerdiensten die als onderdeel van multimodaal vervoer op de routes tussen Noord-Europa en het Verre Oosten worden aangeboden.
143 Voorts is de invloed op de mededinging niet alleen merkbaar wanneer de markt beperkt is tot enkel inlandvervoerdiensten door bij de FEFC aangesloten scheepvaartondernemingen, maar ook wanneer tot die markt de diensten van onafhankelijke scheepvaartondernemingen worden gerekend. Zoals immers uit punt 33 van de bestreden beschikking blijkt en niet door verzoeksters wordt weersproken, zouden de bij de FEFC aangesloten ondernemingen in het eerste geval 70 % van de markt in handen hebben, terwijl dat in het tweede geval 38,5 % zou zijn.
144 De vierde grief van verzoeksters ten slotte, schending van de rechten van de verdediging doordat de Commissie de merkbare invloed van de betrokken overeenkomst op de mededinging eerst in de bestreden beschikking heeft onderzocht, zal afzonderlijk worden behandeld in het kader van het vierde middel, dat klaagt over procedurele gebreken, waar deze grief door verzoeksters in een breder kader wordt gepresenteerd.
De ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten
145 Volgens vaste rechtspraak moet een overeenkomst tussen ondernemingen om de handel tussen lidstaten ongunstig te kunnen beïnvloeden, op grond van een geheel van objectieve bestanddelen, feitelijk en rechtens, met een voldoende mate van waarschijnlijkheid doen verwachten, dat zij al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel op de handelsstromen tussen lidstaten een zodanige invloed kunnen uitoefenen dat de verwezenlijking van de doelstellingen van een gemeenschappelijke markt tussen de lidstaten wordt geschaad (arrest Hof van 31 maart 1993, Ahlström Osakeytihö e.a./Commissie, houtslijp", C-89/85, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-117/85 en C-125/85-C-129/85, Jurispr. blz. I-1307, punt 143). Zo is het in het bijzonder niet nodig dat de gelaakte gedraging de handel tussen lidstaten daadwerkelijk in aanzienlijke mate ongunstig heeft beïnvloed; voldoende is dat vaststaat dat die gedraging een dergelijk effect kan hebben (zie, in verband met toepassing van artikel 85 van het Verdrag, arrest SPO e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 235).
146 Vastgesteld moet vervolgens worden dat de betrokken overeenkomst een overeenkomst is tussen scheepvaartondernemingen waarvan meerdere in verschillende lidstaten zijn gevestigd, en betrekking heeft op de verkoopvoorwaarden voor inlandvervoerdiensten aan eveneens in verschillende lidstaten gevestigde verladers. Een dergelijke overeenkomst kan uiteraard de handel tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden als bedoeld in artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Waar voorts de voorwaarde dat de handel tussen lidstaten ongunstig moet zijn beïnvloed, tot doel heeft het gebied van het gemeenschapsrecht af te bakenen van dat van het recht van de lidstaten (arrest Hof van 13 juli 1966, Consten en Gründig/Commissie, 56/64 en 58/64, Jurispr. blz. 429; arrest SPO e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 227), valt niet te ontkennen dat de betrokken overeenkomst, die aan een groot deel van de verladers van de Gemeenschap verkoopvoorwaarden oplegt voor inlandvervoerdiensten, onder het communautaire mededingingsrecht valt. In dit verband moet er in het bijzonder op worden gewezen dat de vastlegging van de verkoopprijzen voor inlandvervoerdiensten onder meer van invloed kan zijn op het besluit van de verladers om de verzendingen over land van hun containers aan leden van de FEFC of aan een landvervoeronderneming toe te vertrouwen, waarmee de bestaande mededinging op de markt voor inlandvervoerdiensten tussen bij de FEFC aangesloten scheepvaartondernemingen en de in de verschillende lidstaten aanwezige landvervoerders wordt vervalst.
147 Evenzo heeft de Commissie in de punten 50 en 51 van de beschikking terecht vastgesteld dat vastlegging van de prijzen voor inlandvervoer ook invloed kan hebben op de mededinging tussen de havens in de verschillende lidstaten. Binnen een systeem van gelijkschakeling van havens immers, heeft de bepaling van het tarief aan de hand van een fictief traject tussen een punt in het binnenland en de dichtstbijzijnde haven die door een van de leden van de FEFC wordt aangedaan, juist tot doel het economisch voordeel te neutraliseren dat een kortere afstand ten opzichte van een gegeven haven kan opleveren. Verzoeksters hebben niet bestreden dat er door de toepassing van het gemeenschappelijke tarief voor het landvervoer soms vracht wordt omgeleid, maar hebben slechts getracht het belang ervan te relativeren. Dat de scheepvaartondernemingen ook bij ontbreken van een prijsvaststellingsovereenkomst voor inlandvervoerdiensten tussen de leden van de FEFC de extra kosten van verzending naar een verdergelegen haven op zich zouden nemen, wat overigens niet is aangetoond, laat het feit onverlet dat de praktijk van gelijkschakeling van havens" tot doel of in ieder geval tot effect heeft, dat goederen worden toegetrokken naar havens die anders geen plaats van bestemming zouden zijn geweest en dat deze verlegging van de goederenstroom een consequentie is van de prijsvaststellingsovereenkomst voor inlandvervoer. De verlegging van het handelsverkeer als gevolg van de gezamenlijke tariefbepaling verloopt bovendien volgens een ander patroon dan wanneer iedere onderneming individueel zou hebben besloten tot gelijkschakeling van havens volgens eigen criteria.
148 Meer indirect kan van de betrokken overeenkomst in ieder geval potentieel een invloed uitgaan op de goederenhandel tussen lidstaten, aangezien de prijzen van inlandvervoerdiensten zoals vastgesteld door de FEFC een deel vormen van de uiteindelijke verkoopprijs van de vervoerde goederen (zie in deze zin arrest Hof van 3 december 1987, BNIC, 136/86, Jurispr. blz. 4789, punt 18). Het is dus terecht dat de Commissie in punt 54 van de beschikking heeft vastgesteld dat de betrokken overeenkomst door haar weerslag op de kostprijs van de uitvoer naar andere landen, de producenten van de Gemeenschap aanzet, te zoeken naar andere markten waarvoor de vervoerskosten voor hun goederen lager zijn, in het bijzonder de nationale markt van de producent zelf of de markten van andere lidstaten.
149 Een en ander betekent dat de grieven van verzoeksters over afwezigheid van merkbare invloed op de intracommunautaire handel moeten worden verworpen.
Conclusie omtrent het eerste middel van verzoeksters
150 Gelet op het voorgaande moet het eerste middel, waarin verzoeksters klagen over schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, ongegrond worden verklaard.
III - Het tweede middel: schending van artikel 3 van verordening nr. 4056/86
A - Argumenten van partijen
(151 tot en met 155)
De bestreden beschikking houdt geen rekening met het feit dat de verordeningen nrs. 1017/68 en 4056/86 waren bedoeld om regels vast te stellen voor bijzondere sectoren van de economie
(156 tot en met 159)
De bestreden beschikking houdt geen rekening met de juiste definitie van de relevante markten waarop de overeenkomsten effect sorteren
(160 tot en met 161)
De bestreden beschikking is onverenigbaar met hetgeen in verordening nr. 4056/86 omtrent de werkingssfeer daarvan is bepaald
(162 tot en met 209)
De bestreden beschikking is onverenigbaar met de algemene beginselen van gemeenschapsrecht die gelden voor de vaststelling van de draagwijdte van de communautaire wetgeving
(210 tot en met 215)
De bestreden beschikking is onverenigbaar met de uitlegging die wordt gegeven aan identieke uitdrukkingen in andere sectoriële verordeningen op het gebied van vervoer
(216 tot en met 221)
De bestreden beschikking brengt rechtsonzekerheid en verlies van procedurele samenhang teweeg
(222 tot en met 224)
De bestreden beschikking is niet te rijmen met het door de Raad in verordening nr. 4056/86 gevolgde beleid ten aanzien van generieke vrijstelling voor lijnvaartconferences
(225)
De bestreden beschikking miskent de onderscheidende kenmerken van de vervoersector
(226)
Het door de Commissie aangehaalde arrest van het Hof van 5 oktober 1995, Centro Servizi Spediporto (C-96/94, Jurispr. blz. I-2883) is in casu niet relevant
(227 tot en met 229)
B - Beoordeling door het Gerecht
230 Verzoeksters stellen in wezen dat de betrokken overeenkomst onder de generieke vrijstelling van artikel 3 van verordening nr. 4056/86 valt en dat de Commissie haar ten onrechte heeft onderzocht in het licht van verordening nr. 1017/68.
231 Omdat de generieke vrijstelling van artikel 3 van verordening nr. 4056/86 alleen kan gelden voor overeenkomsten in de zin van verordening nr. 4056/86, moet in de eerste plaats worden nagegaan, of de prijsvaststellingsovereenkomst tussen de leden van de FEFC voor inlandvervoerdiensten die worden verleend in combinatie met andere diensten als onderdeel van een multimodale vervoeroperatie, onder de werkingssfeer van deze verordening valt.
232 Artikel 1 van verordening nr. 4056/86, getiteld doel en werkingssfeer van de verordening", bepaalt in lid 1: Bij deze verordening worden de regels voor de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het zeevervoer vastgesteld." Onder verordening nr. 4056/86 vallen dus alleen kartelafspraken en misbruik van machtspositie met betrekking tot zeevervoer".
233 Bij de behandeling van het eerste middel werd reeds vastgesteld dat de hier aan de orde zijnde inlandvervoerdiensten een afzonderlijke dienst vormen ten opzichte van zeevervoerdiensten.
234 Vervolgens moet worden vastgesteld dat het woord zeevervoer" volgens algemeen spraakgebruik nu juist betrekking heeft op vervoer over zee. Anders dan verzoeksters aanvoeren is er geen enkele grond om het woord zeevervoer" zo uit te leggen dat het ook landvervoer omvat, bestaande uit het voor- of navervoer van containers, dat in combinatie met andere diensten in het kader van een multimodale vervoersovereenkomst wordt verricht.
235 De betekenis van het woord zeevervoer" is duidelijk en men moet aannemen dat wanneer de Raad ook andere diensten die tegelijk met het zeevervoer worden verzorgd, onder dat begrip had willen brengen, zoals voor- of navervoer over land van goederen, hij dit ook uitdrukkelijk zou hebben vermeld, zoals de Amerikaanse wetgever trouwens heeft gedaan.
236 Maar van een dergelijke uitbreiding van de werkingssfeer van verordening nr. 4056/86 tot het vervoer over land is geen sprake: zijn artikel 1, lid 2, heeft uitsluitend betrekking op internationale diensten voor het zeevervoer van of naar een of meer havens van de Gemeenschap met uitzondering van de wilde vaart".
237 Uit de bewoordingen zelf van dat artikel volgt dus dat het voor- en navervoer over land niet onder de werkingssfeer van verordening nr. 4056/86 valt, omdat die verordening slechts ziet op zeevervoerdiensten van haven naar haven.
238 De uitlegging van verzoeksters dat genoemd artikel geen ander doel heeft dan te preciseren dat verordening nr. 4056/86 van toepassing is op categorieën van zeevervoer die internationaal" zijn en dus worden verricht tussen lidstaten of tussen de Gemeenschap en een derde land, mist kennelijk grondslag omdat deze uitlegging voorbijgaat aan de bewoordingen van of naar een of meer havens". Bovendien verwijst de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 4056/86, waarop die uitlegging steunt, opnieuw uitdrukkelijk naar zeevervoer uit of naar havens van de Gemeenschap", zij het in het specifieke kader van de voorwaarde van ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten. Deze overweging bevestigt dus dat verordening nr. 4056/86 niet van toepassing is op inlandvervoerdiensten bestaande in voor- of navervoer van goederen.
239 Overigens heeft het Hof in zijn arrest van 5 oktober 1995, Centro Servizi Spediporto, reeds aangehaald, op de vraag of verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen, van toepassing is op de trajecten over land in het kader van een multimodale vervoersovereenkomst, geoordeeld dat de zeevervoerdienst ophoudt bij aankomst in de haven of de offshore-inrichting en zich dus niet uitstrekt tot het vervoer over de weg van de uit het schip geloste goederen.
240 Ten onrechte beweren verzoeksters dat de door het Hof in dat arrest gekozen oplossing zich niet laat overdragen op het onderhavige geval. Omdat verordening nr. 4055/86 tot dezelfde reeks maatregelen behoort en op dezelfde dag is vastgesteld als verordening nr. 4056/86, is het niet denkbaar dat de Raad aan elk van deze twee verordeningen een andere werkingssfeer heeft toegedacht. Zou de de Raad aan verordening nr. 4056/86 een veel ruimere werkingssfeer hebben willen geven dan aan verordening nr. 4055/86, dan zou hij dat op zijn minst uitdrukkelijk hebben vermeld en de werkingssfeer van beide genoemde verordeningen niet hebben gedefinieerd met gebruik van hetzelfde woord zeevervoer". Dat de twee verordeningen elk een ander onderwerp hebben, is niet relevant in het kader van de vraag naar de betekenis van het woord zeevervoer". Anders dan verzoeksters beweren, is verordening nr. 4055/86 bovendien geen maatregel die derde landen moet beletten toegang tot het internationale zeevervoer te weigeren, maar zij beoogt, zoals uit de titel zelf blijkt, het vrij verrichten van diensten te verzekeren op het gebied van het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen, zodat het argument dat de Raad zijn regeling wil doen gelden voor alle activiteiten van lijnvaartconferences, evenzeer geldt voor verordening nr. 4055/86 als voor verordening nr. 4056/86. Ten slotte is het argument van verzoeksters, dat de door het Hof aan verordening nr. 4055/86 gegeven uitlegging toe te schrijven is aan de specifieke omstandigheid dat artikel 1, lid 4, sub a, van die verordening zeevervoerdiensten definieert als vervoer over zee tussen een haven van een lidstaat en een haven of een offshore-installatie van een andere lidstaat", evenmin ter zake, omdat artikel 1, lid 2, van verordening nr. 4056/86 het zeevervoer eveneens in nagenoeg gelijkluidende bewoordingen definieert als zeevervoer van of naar een of meer havens van de Gemeenschap".
241 Aldus blijkt dat de werkingssfeer van verordening nr. 4056/86 beperkt is tot het eigenlijke zeevervoer, dat wil zeggen vervoer over zee, van haven naar haven, en niet de diensten van het voor- of navervoer over land van goederen bestrijkt dat in combinatie met de andere diensten als onderdeel van een multimodale vervoeroperatie wordt verricht.
242 In de tweede plaats blijkt duidelijk uit de elfde overweging van de considerans van verordening nr. 4056/86 dat de Raad de generieke vrijstelling van artikel 3 van die verordening niet heeft willen uitbreiden tot overeenkomsten met betrekking tot inlandvervoerdiensten, bestaande uit voor- of navervoer van goederen, verricht in combinatie met andere diensten als onderdeel van een multimodale vervoeroperatie. In de elfde overweging van de considerans staat immers dat de vervoergebruikers in dat verband te allen tijde kennis moeten kunnen nemen van de vervoertarieven en -voorwaarden die door de leden van de conferences worden toegepast, met dien verstande dat op het gebied van het vervoer over land dat door de zeevervoerders wordt georganiseerd, verordening (EEG) nr. 1017/68 blijft gelden".
243 Dat de Engelse versie van verordening nr. 4056/86 spreekt van shippers" (verladers) in plaats van shipping lines" (zeevervoerders) is niet, zoals verzoeksters beweren, van belang, want dit is klaarblijkelijk slechts aan een vertaalfout toe te schrijven. Alle andere taalversies spreken immers, evenals de Franse versie, van zeevervoerders" en bovendien heeft de zin zoals die in de Engelse versie te lezen is, nauwelijks betekenis en er is geen enkele reden waarom hij voorkomt in een verordening met betrekking tot zeevervoer.
244 Evenzo moet de subsidiaire stelling van verzoeksters worden verworpen, dat in het geval waarin de elfde overweging inderdaad ziet op zeevervoerders" en niet op de verladers", dit enkel zou betekenen dat overeenkomsten tussen scheepvaartondernemingen en landvervoerders onder de werking van verordening nr. 1017/68 vallen. De elfde overweging, zoals door verzoeksters uitgelegd, heeft geen enkele betekenis, enerzijds omdat het feit dat de scheepvaartondernemingen afspraken maken over de aankoopprijs van de inlandvervoerdiensten, geen enkel verband houdt met het vereiste dat de gebruikers op elk moment kennis kunnen nemen van de prijzen en voorwaarden voor het door de leden van de conference verrichte vervoer". Anderzijds, nu de vrijstelling van artikel 3 van verordening nr. 4056/86 voor de vaststelling van vervoerstarieven en -voorwaarden" slechts de vaststelling van verkoopprijzen voor zeevervoer kan betreffen en niet de onderhandelingen over een inkoopprijs voor een andere vorm van vervoer, was het onnodig te bepalen dat zeevervoerders geen afspraken mogen maken over de inkoopprijs van inlandvervoer.
245 In de derde plaats verwijst de definitie van lijnvaartconference in artikel 1, lid 3, sub b, van verordening nr. 4056/86 naar vervoerders die schepen exploiteren en die opereren op basis van eenvormige of gemeenschappelijke vervoerstarieven en enigerlei andere overeengekomen voorwaarden met betrekking tot het aanbieden van lijndiensten". Zo ook heeft de vrijstelling van artikel 3 van verordening nr. 4056/86 volgens het opschrift boven dat artikel betrekking op de regelingen tussen vervoerders betreffende de exploitatie van lijnvaartdiensten".
246 De inlandvervoerdiensten van containers die als onderdeel van een multimodale vervoeroperatie worden aangeboden, zijn geen lijndiensten" in de zin van de hierboven aangehaalde bepalingen. Zij zijn immers niet, zoals de zeevervoerdiensten, geregeld volgens een tevoren bepaalde en regelmatige route en tijdschema. Dat betekent dat een overeenkomst tot vaststelling van prijzen voor inlandvervoerdiensten niet profiteert van de generieke vrijstelling van artikel 3 van verordening nr. 4056/86.
247 In de vierde plaats worden in artikel 3 van verordening nr. 4056/86, dat de doelstellingen opsomt die met de generiek vrijgestelde overeenkomsten tussen lijnvaartconferences kunnen zijn beoogd, geen overeenkomsten genoemd inzake inlandvervoeractiviteiten, bestaande uit voor- of navervoer van goederen dat wordt verricht in combinatie met andere diensten als onderdeel van een multimodale vervoeroperatie; integendeel, daar worden slechts de specifiek maritieme activiteiten genoemd, zoals bijvoorbeeld de coördinatie van de dienstregelingen van de schepen of hun afvaart- of aanloopdata, het regelen van de frequentie van de reizen of de aanloop, de coördinatie of onderlinge verdeling van de reizen of de aanloop tussen leden van de conference. Ook het opschrift van artikel 3 heeft enkel betrekking op zeevervoerdiensten.
248 In de vijfde plaats hebben zowel het Parlement als het Economisch en Sociaal Comité in de ontwerpfase van verordening nr. 4056/86 een amendement ingediend om te bewerkstelligen dat de vrijstelling ook zou gelden voor inlandvervoerdiensten bestaande in voor- of navervoer van goederen, verricht in combinatie met andere diensten als onderdeel van een multimodale vervoeroperatie. Dat voorstel is door de Raad niet overgenomen. De redenering van verzoeksters, als zou de Raad het onnodig hebben gevonden om die voorstellen over te nemen omdat hij van mening was dat bij multimodaal vervoer het landtraject reeds in het zeevervoer was inbegrepen, kan niet worden gevolgd. Ten eerste zou dat betekenen dat aan het woord zeevervoer" een veel ruimere betekenis wordt toegeschreven dan dat woord naar algemeen spraakgebruik heeft. Dat zowel het Parlement als het Economisch en Sociaal Comité in hun advies over de ontwerpverordening een toevoeging hebben gewenst in die zin dat de vrijstelling ook zou gelden voor overeenkomsten met betrekking tot inlandvervoerdiensten bestaande in voor- of navervoer van goederen die in combinatie met andere diensten worden verricht als onderdeel van een multimodale vervoeroperatie, bewijst ontegenzeglijk dat trajecten over land niet tot het begrip zeevervoer" mogen worden gerekend. Gezien die voorstellen van het Parlement en het Economisch en Sociaal Comité had de Raad, zo hij de werking van de generieke vrijstelling had willen uitbreiden tot overeenkomsten met betrekking tot het landtraject van het multimodale vervoer, dat met het oog op de rechtszekerheid uitdrukkelijk moeten vermelden.
249 Dat de generieke vrijstelling van artikel 3 van verordening nr. 4056/86 niet geldt voor de betrokken overeenkomst, blijkt in de zesde plaats ook uit een door verzoeksters zelf aangehaalde verklaring van de Raad van 17 december 1991, waarin deze aankondigt te zullen onderzoeken of overeenkomsten omtrent prijzen en voorwaarden voor inlandvervoer als onderdeel van multimodaal vervoer ook een generieke vrijstelling moeten krijgen. Die verklaring, afgelegd vijf jaar na de vaststelling van verordening nr. 4056/86, bevestigt eveneens dat de Raad, ook al was hij zich bewust van de problematiek van het multimodale vervoer en zelfs geneigd om zonodig overeenkomsten met betrekking tot voor- of navervoer over land van goederen in combinatie met andere diensten als onderdeel van multimodaal vervoer onder een generieke vrijstelling te brengen, klaarblijkelijk van oordeel was dat zulke overeenkomsten niet door de generieke vrijstelling van artikel 3 van verordening nr. 4056/86 werden gedekt.
250 In de zevende plaats heeft de Commissie op blz. 5 van haar toelichting bij het voorstel voor een verordening van 1981 uitdrukkelijk aangegeven dat onder meer rekening was gehouden met het feit dat de betrokken verordening slechts voor één enkele wijze van vervoer mocht gelden.
251 In de achtste plaats volgt ook uit de algemene uitleggingsbeginselen dat de vrijstelling van artikel 3 van verordening nr. 4056/86 niet van toepassing is op de prijsvaststellingsovereenkomst voor inlandvervoerdiensten in het kader van multimodale vervoerdiensten.
252 Volgens vaste rechtspraak immers moeten afwijkende bepalingen in een vrijstellingsverordening, gelet op het in artikel 85, lid 1, van het Verdrag neergelegde algemene beginsel dat mededingingverstorende overeenkomsten verboden zijn, naar hun aard restrictief worden uitgelegd (arrest Gerecht van 22 april 1993, Peugeot/Commissie, T-9/92, Jurispr. 1993, blz. II-493, punt 37; conclusie van advocaat-generaal Van Gerven bij arrest Hof van 28 februari 1991, Delimitis, C-234/89, Jurispr. blz. I-935). Zulks geldt eveneens voor de bepalingen van verordening nr. 4056/86, die bepaalde overeenkomsten vrijstellen van het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag, waarbij artikel 3 van de verordening moet worden aangemerkt als een groepsvrijstelling in de zin van artikel 85, lid 3, van het Verdrag (arrest Gerecht van 8 oktober 1996, Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie, T-24/93-T-26/93 en T-28/93, Jurispr. blz. II-1201, punt 48).
253 Partijen kunnen zich er daarom niet op beroepen dat het doel zelf van een lijnvaartconference als gunstig is erkend, wat door de Commissie ook geenszins wordt bestreden. Dat feit kan weliswaar de bij verordening nr. 4056/86 verleende vrijstellingen rechtvaardigen, maar kan niet betekenen dat iedere aantasting van de mededinging door een lijnvaartconference aan het principiële verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag ontsnapt (arrest Compagnie maritime belge de transports e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 50).
254 Gelet op het zeer uitzonderlijke karakter van de generieke vrijstelling van artikel 3 van verordening nr. 4056/86, waarbij voor onbeperkte tijd vrijstelling wordt verleend voor horizontale prijsovereenkomsten voor het zeevervoer, is het bovendien des te minder aanvaardbaar, de werking van die generieke vrijstelling uit te breiden tot prijsovereenkomsten voor landvervoer tussen leden van een lijnvaartconference.
255 De grief van verzoeksters dat de uitlegging van de Commissie in tegenspraak is met de ratio van de generieke vrijstelling, omdat de meeste conferences een multimodaal tarief opstellen, moet dus worden verworpen. Deze uitlegging laat de bij artikel 3 van verordening nr. 4056/86 aan de lijnvaartconferences toegekende bevoegdheid om de zeevervoertarieven vast te stellen, overigens onverlet.
256 De grief dat de bestreden beschikking is voorbijgegaan aan de onderscheidende kenmerken van de vervoersector in het algemeen, moet dus eveneens worden verworpen. Verzoeksters benadrukken immers zelf dat de verschillende verordeningen op het gebied van vervoer door de Raad zijn vastgesteld naar gelang van de specifieke kenmerken van elke tak van vervoer, over zee, over land of door de lucht. Omdat de betrokken overeenkomst betrekking heeft op inlandvervoerdiensten bestaande in voor- of navervoer, verricht met andere diensten als onderdeel van een multimodale vervoeroperatie, en niet op zeevervoerdiensten, is er geen reden om die overeenkomst onder de werking te brengen van de uitzonderlijke afwijkingen die voor overeenkomsten met betrekking tot het zeevervoer zijn toegestaan.
257 Ook blijkt duidelijk uit zowel de bewoordingen van de bepalingen die de werkingssfeer van verordening nr. 4056/86 of de door de vrijstelling van artikel 3 van deze verordening bestreken overeenkomsten omschrijven, als uit de totstandkomingsgeschiedenis van de verordening en de verklaring van de Raad van december 1991 en de algemene uitleggingsbeginselen, dat de generieke vrijstelling van artikel 3 van die verordening ten gunste van sommige overeenkomsten tussen leden van lijnvaartconferences niet kan gelden voor een prijsvaststellingsovereenkomst tussen leden van een lijnvaartconference voor inlandvervoerdiensten bestaande in voor- of navervoer van goederen, verricht met andere diensten als onderdeel van een multimodale vervoeroperatie.
258 Voor het overige moet worden geconstateerd dat geen van de andere argumenten van verzoeksters de conclusie hierboven kan aantasten.
259 Ten eerste is de stelling van verzoeksters dat de betrokken overeenkomst onder verordening nr. 4056/86 valt omdat de leden van de FEFC ondernemingen in de zeevervoersector zijn, ongegrond.
260 Om uit te maken of een verordening van toepassing is op een gegeven overeenkomst, moet die overeenkomst worden onderzocht in het licht van de bepalingen waarin de werkingssfeer van de verschillende betrokken verordeningen wordt gepreciseerd, en mag men niet alleen afgaan op de sector waartoe de onderneming behoort die de dienst of het product levert waarover de overeenkomst handelt. In casu blijkt duidelijk uit artikel 1, lid 2, van verordening nr. 4056/86 dat de verordening niet ziet op alle overeenkomsten tussen scheepvaartondernemingen, maar uitsluitend op overeenkomsten met betrekking tot zeevervoer van of naar een of meer havens van de Gemeenschap". Een overeenkomst tot vaststelling van de prijzen voor inlandvervoerdiensten valt dus klaarblijkelijk niet onder de werkingssfeer van verordening nr. 4056/86, ook al wordt die overeenkomst gesloten en uitgevoerd door scheepvaartondernemingen als onderdeel van multimodale vervoerdiensten. In een arrest van 11 maart 1997, Commissie/UIC (C-264/95 P, Jurispr. blz. I-1287, punt 42) besliste het Hof, dat de toepassing van verordening nr. 1017/68 afhankelijk is van de kwalificatie van de betrokken overeenkomsten, en niet van de voorafgaande omschrijving van de markt waarop die overeenkomsten gevolgen teweegbrengen. De redenering van verzoeksters dat, op het gebied van vervoer, de verschillende verordeningen ter uitvoering van de mededingingsbepalingen van toepassing zijn op bijzondere sectoren van het bedrijfsleven, moet daarom worden verworpen, want de toepasselijkheid van een verordening moet worden bepaald aan de hand van de betrokken overeenkomst en niet aan de hand van de onderneming die het product of de dienst levert. Een zelfde overeenkomst kan immers niet onder een andere verordening ter uitvoering van de mededingingsbepalingen komen te vallen naar gelang van de onderneming die de overeenkomst aangaat.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex