Gerecht EU 11 maart 1999, T-141/94, ECLI:EU:T:1999:48

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Trefwoorden

1 EGKS - Mededingingsregelingen - Administratieve procedure - Beginsel van ambtshalve onderzoek - Instructieplicht van Commissie - Grenzen

(EGKS-Verdrag, art. 65)

2 EGKS - Mededingingsregelingen - Administratieve procedure - Eerbiediging van rechten van verdediging - Verplichting, belanghebbenden opnieuw te horen ten vervolge op intern onderzoek na hoorzitting - Geen

(EGKS-Verdrag, art. 36, eerste alinea, en 65)

3 EGKS - Mededingingsregelingen - Administratieve procedure - Overeenstemmende formulering van punten van bezwaar en beschikking waarbij inbreuk wordt vastgesteld - Eerbiediging van rechten van verdediging

(EGKS-Verdrag, art. 15)

4 Handelingen van de instellingen - Totstandkomingsprocedure - Beschikking van Commissie - Verplichting van college - Overeenstemming van goedgekeurde met betekende beschikking

5 Handelingen van de instellingen - Reglement van orde van Commissie - Authentisatie van vastgestelde handelingen - Bij notulen "gevoegde" stukken - Begrip

(Reglement van orde van de Commissie van 1993, art. 16, eerste alinea)

6 EGKS - Mededingingsregelingen - Verbod - Inbreuk - Bewijs

(EGKS-Verdrag, art. 65)

7 EGKS - Mededingingsregelingen - Overeenkomsten tussen ondernemingen - Begrip - Wilsovereenstemming ten aanzien van toekomstig marktgedrag

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 1; EG-Verdrag, art. 85, lid 1)

8 EGKS - Mededingingsregelingen - Onderling afgestemde feitelijke gedragingen - Begrip - Coördinatie en samenwerking in strijd met verplichting van elke onderneming om marktgedrag zelfstandig te bepalen - Systeem van informatie-uitwisseling

(EGKS-Verdrag, art. 4, sub d, en 65, lid 1; EG-Verdrag, art. 85, lid 1)

9 EGKS - Mededingingsregelingen - Aantasting van mededinging - Mededingingsverstorend doel - Vaststelling voldoende

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 1; EG-Verdrag, art. 85, lid 1)

10 EGKS - Artikel 65 van Verdrag - Uitlegging - Bescherming van overblijvende mededinging

(EGKS-Verdrag, art. 65)

11 EGKS - Prijzen - Prijslijsten - Publicatieplicht - Doel - Verenigbaarheid met verbod van mededingingsregelingen

(EGKS-Verdrag, art. 60 en 65, lid 1)

12 EGKS - Mededingingsregelingen - Verbod - Systeem van informatie-uitwisseling - Merkbare invloed op gedrag van deelnemende ondernemingen - Mededingingsverstorend karakter

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 1)

13 EGKS - Mededingingsregelingen - Prijsovereenkomsten - Ondersteuning daarvan door Commissie - Misverstand over draagwijdte van die ondersteuning - Gevolgen

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 1)

14 EGKS - Mededingingsregelingen - Verbod - Rechtvaardiging - Tolerante of lakse houding van Commissie - Ontoelaatbaarheid

(EGKS-Verdrag, art. 65, leden 1 en 4)

15 Beroep tot nietigverklaring - Middelen - Misbruik van bevoegdheid - Begrip - Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd wegens inbreuk op mededingingsregels - Geen misbruik, behoudens buitengewone omstandigheden

(EGKS-Verdrag, art. 3, 4, 33 en 65, leden 1 en 5)

16 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd wegens inbreuk op mededingingsregels - Wenselijkheid, wijze van berekening van geldboete mee te delen

(EGKS-Verdrag, art. 15 en 65, lid 1)

17 EGKS - Mededingingsregelingen - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Verzwarende omstandigheden - Recidive - Begrip

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5)

18 EGKS - Mededingingsregelingen - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Moeilijke economische situatie van betrokken onderneming - Inaanmerkingneming - Verplichting - Geen

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5)

19 EGKS - Mededingingsregelingen - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Inaanmerkingneming van mededingingsverstorende gevolgen van inbreuk - Grenzen

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5)

20 EGKS - Mededingingsregelingen - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Mogelijkheid, niveau van geldboeten te verhogen

(EGKS-Verdrag, art. 65, lid 5)

21 EGKS - Mededingingsregelingen - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Bepaling van geldboete door gemeenschapsrechter - Volledige rechtsmacht

(EGKS-Verdrag, art. 36, tweede alinea)

22 EGKS - Mededingingsregelingen - Geldboeten - Rente verschuldigd bij uitstel van betaling - Invloed van rechtsvordering - Geen

(EGKS-Verdrag, art. 39)

Samenvatting

1 Wanneer in een procedure krachtens artikel 65 EGKS-Verdrag ten overstaan van de Commissie beweringen worden geuit met een onmiskenbaar belang voor de verdediging van de betrokken ondernemingen - te weten dat een van haar diensten de ondernemingen heeft aangemoedigd tot de hun ten laste gelegde praktijken -, en de Commissie derhalve, waar het immers gedragingen van haar eigen diensten betreft, beter dan deze ondernemingen in staat is om de (on)juistheid van een en ander na te gaan, dan brengt het beginsel van ambtshalve onderzoek op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur of equality of arms de verplichting mee voor de Commissie, dit aspect van de zaak serieus te onderzoeken teneinde te bepalen, in hoeverre die beweringen al dan niet terecht waren. Niettemin is het aan de Commissie en niet aan verzoeksters om te beslissen, op welke wijze dit onderzoek wordt uitgevoerd.

2 In het kader van een procedure krachtens artikel 65 EGKS-Verdrag vereist de in artikel 36, eerste alinea, van het Verdrag gewaarborgde eerbiediging van de rechten van de verdediging niet, dat de Commissie op alle middelen van de belanghebbende antwoordt dan wel een nader onderzoek instelt of de door de belanghebbende genoemde getuigen hoort, wanneer zij de feitelijke omstandigheden voldoende opgehelderd acht.

Hebben de betrokken ondernemingen de gelegenheid gehad, hun standpunt tijdens de hoorzitting uitgebreid toe te lichten, dan kan het enkele feit dat zij na de hoorzitting bepaalde stukken hebben overgelegd en dat de Commissie na deze hoorzitting heeft besloten een intern onderzoek in te stellen, op zich geen verplichting scheppen voor de Commissie om de hoorzitting na afloop van dit onderzoek te hervatten.

In een dergelijk geval worden de rechten van de verdediging van de betrokken ondernemingen voldoende in acht genomen, wanneer de Commissie hun de resultaten van dit onderzoek meedeelt en duidelijk maakt, dat de verstrekte stukken het organiseren van een tweede hoorzitting niet rechtvaardigen; de procedurele rechten van de betrokken ondernemingen worden voldoende gewaarborgd door de voor hen openstaande mogelijkheid, beroep in te stellen bij het Gerecht.

3 De letterlijke herhaling in een beschikking waarbij een inbreuk op de mededingingsregels wordt vastgesteld, van sommige passages van de mededeling van de punten van bezwaar betekent op zich enkel, dat de Commissie haar standpunt heeft gehandhaafd. Bij gebreke van andere relevante aanwijzingen levert een dergelijke overeenstemmende formulering geen bewijs op, dat de Commissie de door de belanghebbende te zijner verdediging aangevoerde argumenten niet zou hebben betrokken bij haar beoordeling van de zaak.

4 Het dispositief en de motivering van een beschikking zoals zij aan de adressaat of adressaten is betekend, moeten overeenstemmen met de door het college van commissarissen goedgekeurde beschikking, afgezien van zuiver grammaticale en spellingcorrecties die nog in de tekst van een handeling mogen worden aangebracht, nadat deze door het college definitief is goedgekeurd.

Het feit dat een beschikking is goedgekeurd in de vorm van twee documenten, waarbij in het tweede diverse deels handgeschreven wijzigingen in het eerste zijn aangebracht, is niet van belang, wanneer niet blijkt van een materieel verschil tussen de door het college aanvaarde en de aan de adressaten betekende versie van de beschikking. Ook het feit dat de twee documenten in sommige taalversies niet doorlopend zijn gepagineerd of typografische verschillen vertonen, is niet van belang, aangezien het intellectuele en het formele element van deze documenten in hun onderling verband gelezen, overeenkomen met de aan de adressaten betekende versie van de beschikking.

5 Artikel 16, eerste alinea, van het reglement van orde van de Commissie van 1993, bepalende dat "de ter vergadering of langs de weg van de schriftelijke procedure genomen besluiten, in de taal of talen waarin zij authentiek zijn, als bijlage worden gevoegd bij de notulen van de vergadering van de Commissie waarop zij zijn aangenomen of waarop van de aanneming ervan akte is genomen", heeft ten doel, te waarborgen dat de Commissie de aan de adressaat betekende handeling behoorlijk heeft vastgesteld.

In dit artikel is niets bepaald over de wijze waarop de tijdens de vergadering genomen besluiten bij de notulen moeten worden gevoegd; volgens een latere versie ervan moeten de besluiten "onlosmakelijk met de notulen verbonden" worden. Bijgevolg moet worden aangenomen dat de stukken waaruit de vastgestelde handeling bestaat, aldus bij de notulen waren "gevoegd", dat zij bij de notulen werden bewaard, zonder fysiek ermee te zijn verbonden, wanneer de notulen met deze stukken tezamen in dezelfde legger en zo zoals de gemachtigden van de Commissie deze van het secretariaat-generaal hebben ontvangen, aan het Gerecht zijn overgelegd.

Onder deze omstandigheden en gelet op het geldigheidsvermoeden voor gemeenschapshandelingen moeten deze stukken derhalve door de op de eerste bladzijde van de notulen geplaatste handtekeningen van de voorzitter en van de secretaris-generaal als gewaarmerkt worden beschouwd.

6 De deelneming van een onderneming aan vergaderingen waarop mededingingsbeperkende activiteiten zijn beraamd, volstaat voor het bewijs van haar deelneming aan die activiteiten, voor zover aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken.

7 De door ondernemingen tot uitdrukking gebrachte gezamenlijke wil om zich op de markt wat de prijzen betreft op een bepaalde manier te gedragen, vormt een overeenkomst in de zin van artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag. Er is geen enkele reden om het begrip overeenkomst in de zin van artikel 65, lid 1, van het Verdrag anders uit te leggen dan het begrip overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, EG-Verdrag.

8 Het begrip "onderling samenhangende gedragingen" moet worden uitgelegd met inachtneming van de doelstelling van artikel 65, lid 1, en van het juridische kader van het EGKS-Verdrag. Hoewel de staalmarkt een oligopolistische markt is die wordt gekenmerkt door het systeem van artikel 60 van het Verdrag, dat door middel van verplichte openbaarmaking van prijslijsten en transporttarieven de doorzichtigheid van de door de verschillende ondernemingen toegepaste prijzen waarborgt, is de daaruit voortvloeiende starheid of parallellie van de prijzen op zich niet in strijd met het Verdrag, zolang dit niet het resultaat is van een, desnoods stilzwijgende, afspraak tussen partijen, maar van het krachtenspel op de markt en van de strategie van de onafhankelijke en concurrerende economische eenheden. Bijgevolg ligt aan het EGKS-Verdrag en met name aan de artikelen 4, sub d, en 65, lid 1, de gedachte ten grondslag, dat elke onderneming het beleid dat zij op de markt wil voeren, zelfstandig dient te bepalen zonder afspraken met haar concurrenten.

Het verbod van "onderling samenhangende gedragingen" in artikel 65, lid 1, van het Verdrag is in beginsel op hetzelfde doel gericht als het parallelle verbod van "onderling afgestemde feitelijke gedragingen" in artikel 85, lid 1, EG-Verdrag. Het beoogt meer in het bijzonder het nuttig effect van het verbod van artikel 4, sub d, van het Verdrag veilig te stellen door mede een vorm van coördinatie tussen ondernemingen te verbieden die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico's van de door het Verdrag beoogde normale mededinging welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking.

Wanneer een onderneming aan haar concurrenten in een vergadering waarbij de meesten van hen aanwezig zijn en die plaatsvindt in het kader van een regelmatig overleg haar concurrenten aanwezig bekendmaakt, wat in de toekomst haar gedragslijn op het gebied van de prijzen zal zijn, daarbij erop aandringend deze gedragslijn over te nemen, en dus vanuit de uitdrukkelijke bedoeling opereert, hun toekomstige concurrentiegedrag te beïnvloeden, en kan die onderneming redelijkerwijs verwachten dat zij er rekening mee houden bij de bepaling van hun eigen commercieel beleid, dan vervangen de betrokken ondernemingen de risico's van de door het Verdrag beoogde normale mededinging door een feitelijke samenwerking die als "onderling samenhangende gedraging" in de zin van artikel 65, lid 1, moet worden gekwalificeerd.

Ondernemingen maken zich overigens schuldig aan een onderling samenhangende gedraging in de zin van deze bepaling, wanneer zij daadwerkelijk deelnemen aan een mechanisme dat de onzekerheid over hun toekomstige marktgedrag beoogt weg te nemen en onvermijdelijk meebrengt, dat ieder van hen rekening houdt met de van de concurrenten verkregen informatie. Er behoeft dus niet te worden bewezen, dat de betrokken informatie-uitwisseling tot een specifiek resultaat heeft geleid dan wel vorm heeft gekregen op de betrokken markt.

9 In zoverre artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag spreekt van afspraken die "zouden kunnen leiden" tot vervalsing van de normale werking van de mededinging, omvat deze uitdrukking mede de in artikel 85, lid 1, EG-Verdrag voorkomende formulering "ertoe strekken". Voor het bewijs van een inbreuk op artikel 65, lid 1, van het Verdrag behoeft dan ook geen nadelig gevolg voor de mededinging te worden aangetoond.

10 Als gevolg van het oligopolistische karakter van de door het EGKS-Verdrag bestreken markten kan de werking van de mededinging weliswaar tot op zekere hoogte worden afgezwakt, doch dit is nog geen rechtvaardiging om artikel 65 zo uit te leggen, dat gedragingen van ondernemingen waardoor de mededinging nog verder wordt beperkt, met name door middel van activiteiten gericht op de vaststelling van prijzen, geoorloofd zouden zijn. Gezien de consequenties die de oligopolistische structuur van de markt kan hebben, is het des te noodzakelijker de overblijvende mededinging te beschermen.

11 De in artikel 60, lid 2, EGKS-Verdrag verplicht gestelde publicatie van de prijzen is bedoeld om ten eerste verboden praktijken zo veel mogelijk te voorkomen, ten tweede de kopers in staat te stellen zich nauwkeurig van de prijzen op de hoogte te stellen en ook aan het tegengaan van discriminatie deel te nemen, en ten derde de ondernemingen in staat te stellen precies te weten welke prijzen hun concurrenten berekenen, zodat zij zich daarnaar kunnen richten.

Het feit dat de bepalingen van artikel 60 tenderen naar een beperking van de mededinging, vormt geen beletsel voor de toepassing van het kartelverbod van artikel 65, lid 1, van het Verdrag. De in de prijslijsten genoemde prijzen moeten door elke onderneming zelfstandig worden vastgesteld zonder enige, desnoods stilzwijgende, afspraak met anderen.

12 Artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag berust op de gedachte, dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen, welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt wil voeren.

Een systeem van uitwisseling van informatie - uitgesplitst naar ondernemingen en lidstaten - over orders en leveringen van de deelnemers aan dit systeem op de belangrijkste markten van de Gemeenschap kan, in aanmerking genomen de actualiteit van deze informatie die uitsluitend voor de deelnemende producenten was bestemd met uitsluiting van de verbruikers en de overige concurrenten, de homogeniteit van de betrokken producten en de concentratiegraad van de markt, het gedrag van de deelnemende ondernemingen merkbaar beïnvloeden en vervangt de normale risico's van concurrentie door een onderlinge praktische samenwerking.

13 Geen bepaling van het EGKS-Verdrag laat prijsovereenkomsten toe die de mededinging verstoren, en noch de Raad noch de Commissie of de ondernemingen zijn gerechtigd, de regels van artikel 65, lid 1, van het Verdrag te negeren of zich te onttrekken aan hun verplichting tot naleving ervan.

Hieruit volgt, dat ook al zouden de in de Eurofer/Scandinavië-groep gesloten prijsovereenkomsten tot stand zijn gekomen in het kader van akkoorden tot beperking van de handelsstromen tussen de Gemeenschap en Zweden, Noorwegen en Finland en zouden zij door de Commissie en/of de autoriteiten van deze landen zijn gesteund - of althans indirect - getolereerd, zij niettemin in strijd waren met artikel 65, lid 1, van het Verdrag voor zover daarbij de prijzen op de Deense markt werden vastgesteld.

14 Artikel 65, lid 4, EGKS-Verdrag, volgens hetwelk de in het eerste lid van dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten "van rechtswege nietig zijn", heeft een objectieve inhoud en is zowel voor de ondernemingen bindend als voor de Commissie, die de ondernemingen ter zake niet kan vrijstellen. Onder deze omstandigheden kan een tolerante of lakse houding van het bestuur geen gevolgen hebben voor de onrechtmatigheid van een inbreuk op artikel 65, lid 1, van het Verdrag.

Dit is in het bijzonder het geval, wanneer die tolerante houding - gesteld dat deze bewezen zou zijn - uitgaat van het directoraat-generaal van de Commissie belast met industriële vraagstukken, en niet van het directoraat-generaal dat verantwoordelijk is voor de mededinging. Indien de ondernemingen de minste twijfel over de rechtmatigheid van hun gedragingen hebben, dan moeten zij voor het verkrijgen van duidelijkheid contact opnemen met de bevoegde diensten op mededingingsgebied.

15 Ter zake van een handeling kan slechts van misbruik van bevoegdheid worden gesproken, wanneer er objectieve, ter zake dienende onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat zij uitsluitend althans hoofdzakelijk is vastgesteld ter bereiking van andere dan de aangegeven doeleinden, dan wel om een voor de concrete situatie in het Verdrag speciaal voorziene procedure te ontgaan.

Het vervolgen en bestraffen van overtredingen op mededingingsgebied is een legitiem doel van het optreden van de Commissie, dat beantwoordt aan de fundamentele bepalingen van de artikelen 3 en 4 EGKS-Verdrag. Wanneer het bewijs van dergelijke overtredingen daadwerkelijk is geleverd en vaststaat, dat de geldboeten op objectieve en evenredige wijze zijn berekend, dan kan de beschikking waarbij krachtens artikel 65, lid 5, van het Verdrag dergelijke boeten zijn opgelegd, slechts onder buitengewone omstandigheden misbruik van bevoegdheid opleveren.

Noch het feit dat gelijktijdig onderhandelingen plaatsvonden tussen de Commissie en de industrie over de herstructurering van de Europese staalondernemingen, noch het "samenvallen" van de mislukking van deze onderhandelingen en de vaststelling van een beschikking waarbij overtredingen van de mededingingsregels door de belangrijkste ondernemingen van de sector zijn vastgesteld, levert op zich een aanwijzing voor misbruik van bevoegdheid op.

16 De door artikel 15 EGKS-Verdrag vereiste motivering dient ertoe, de betrokkene in staat te stellen te achterhalen, waarom de maatregel is genomen, zodat hij in voorkomend geval zijn rechten kan verdedigen en kan nagaan, of de beschikking al dan niet gegrond is, en bovendien de gemeenschapsrechter in staat te stellen om zijn controle uit te oefenen. Ingeval het een beschikking betreft, waarbij aan verschillende ondernemingen een geldboete wordt opgelegd wegens overtreding van de communautaire mededingingsregels, moet bij de bepaling van de omvang van de motiveringsplicht in het bijzonder in aanmerking worden genomen, dat de zwaarte van de inbreuken afhangt van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboetes, zonder dat er een dwingende of uitputtende lijst van criteria bestaat, die in ieder geval in aanmerking zouden moeten worden genomen. Bovendien beschikt de Commissie bij het bepalen van de hoogte van de afzonderlijke boetes over een beoordelingsbevoegdheid en is zij niet verplicht, daarbij een precieze wiskundige formule toe te passen.

Het is wenselijk, dat de ondernemingen - teneinde met volledige kennis van zaken hun standpunt te kunnen bepalen - op een door de Commissie opportuun geachte wijze gedetailleerd kennis kunnen nemen van de wijze van berekening van de geldboete die hun is opgelegd, zonder daarvoor de beschikking in rechte te hoeven aanvechten.

Dit geldt te meer, wanneer de Commissie precieze wiskundige formules heeft gebruikt ter berekening van de geldboeten. In een dergelijk geval is het wenselijk, dat de betrokken ondernemingen en in voorkomend geval het Gerecht kunnen nagaan, of de door de Commissie toegepaste methode en de daaraan gegeven uitwerking geen onjuistheden bevat en verenigbaar is met de regels en beginselen die voor geldboeten gelden, in het bijzonder met het discriminatieverbod.

Cijfergegevens over de berekening van de geldboeten, die door de Commissie op verzoek van het Gerecht worden overgelegd, vormen evenwel geen aanvulling achteraf van de motivering van de beschikking, maar de getalsmatige vertaling van de in de beschikking genoemde criteria, voor zover deze zelf kwantificeerbaar zijn.

17 Het begrip recidive wordt in verschillende nationale rechtsstelsels aldus begrepen, dat een persoon nieuwe overtredingen pleegt nadat hij voor soortgelijke overtredingen is gestraft.

Is aan de betrokken onderneming in een eerdere beschikking een geldboete opgelegd wegens soortgelijke overtredingen, dan mogen overtredingen gepleegd vóór de vaststelling van laatstgenoemde beschikking niet als verzwarende omstandigheid ter verhoging van een geldboete in aanmerking worden genomen.

18 Bij de bepaling van het bedrag van geldboeten die wegens inbreuk op de mededingingsregels aan staalbedrijven worden opgelegd, is de Commissie in beginsel bevoegd, de moeilijke economische situatie van die bedrijven in aanmerking te nemen en tegelijk de geldboeten op een haars inziens passend peil te handhaven. Aanvaarding van een verplichting voor de Commissie, de deficitaire financiële situatie van een onderneming bij de vaststelling van de boete in aanmerking te nemen, zou echter erop neerkomen dat aan de ondernemingen die het minst zijn aangepast aan de eisen van de markt, een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel wordt verschaft.

19 Aangezien voor het vaststellen van een inbreuk op artikel 65, lid 1, EGKS-Verdrag niet behoeft te worden bewezen, dat de betrokken gedraging een mededingingsverstorend gevolg heeft gehad, is het mogelijke gevolg van een overeenkomst of een onderling samenhangende gedraging voor de normale werking van de mededinging geen doorslaggevende maatstaf om te beoordelen, of het bedrag van de geldboete passend is. Factoren die met de intentie en dus met het doel van een gedraging verband houden, kunnen een grotere betekenis hebben dan de gevolgen van die gedraging, in het bijzonder wanneer het gaat om naar hun aard zware inbreuken als de vaststelling van prijzen en de verdeling van markten.

De beoordeling van de gevolgen van een inbreuk kan echter van belang zijn voor de geldboete, wanneer de Commissie zich uitdrukkelijk op een bepaald gevolg heeft beroepen en niet erin slaagt, dit gevolg te bewijzen of goede redenen te noemen, waarom er rekening mee moet worden gehouden.

Indien de ondernemingen op instigatie van de Commissie van gedachten hebben gewisseld over de economische situatie op de markt en over de toekomstige tendensen, vooral op prijsgebied, dan kunnen de gevolgen van de inbreuken niet worden bepaald door eenvoudig de situatie die als gevolg van de mededingingsbeperkende overeenkomsten is ontstaan, te vergelijken met de situatie zoals die zonder enig contact tussen de ondernemingen zou zijn geweest, maar met de door de Commissie gewilde en geaccepteerde situatie.

20 Het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, hoeft haar niet te verhinderen, dit niveau binnen de in artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag getrokken grenzen te verhogen, indien dat noodzakelijk is om de doeltreffendheid van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren.

21 De bepaling van de hoogte van een geldboete door het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht is naar zijn aard geen nauwkeurige wiskundige operatie. Overigens is het Gerecht niet gebonden aan de berekeningen van de Commissie, maar dient het met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval een eigen oordeel te vormen.

22 Beroep op het Gerecht heeft geen opschortende werking, aldus artikel 39 EGKS-Verdrag. Bijgevolg hoeft de Commissie een onderneming die - ongeacht of zij beroep heeft ingesteld - de geldboete op de normale vervaldag betaalt en daarbij eventueel gebruikmaakt van een door de Commissie aangeboden mogelijkheid van gespreide betaling tegen een gunstig rentepercentage, niet op dezelfde wijze te behandelen als een onderneming die de betaling wil uitstellen tot aan de uitspraak van een definitief arrest. Behoudens buitengewone omstandigheden is de toepassing van vertragingsrente tegen een normaal tarief in het laatste geval als gerechtvaardigd te beschouwen.

Partijen

In zaak T-141/94, Thyssen Stahl AG, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Duisburg (Duitsland), tijdens de schriftelijke behandeling vertegenwoordigd door J. Sedemund en F. Montag, en tijdens de mondelinge behandeling door F. Montag en B. Baltze, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, Grand-rue 32, verzoekster, tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Currall en N. Lorenz, leden van haar juridische dienst, en G. S. de Bergues, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, later door J.-L. Dewost, directeur-generaal van de juridische dienst, J. Currall en G. Charrier, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Freund, advocaat te Frankfurt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg, verweerster, betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/215/EGKS van de Commissie van 16 februari 1994 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag betreffende overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen van Europese balkenproducenten (PB L 116, blz. 1), wijst HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer - uitgebreid), samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, waarnemend voor de president, A. Potocki en J. Pirrung, rechters, griffier: J. Palacio González, administrateur gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 23, 24, 25, 26 en 27 maart 1998, het navolgende Arrest

Overwegingen van het arrest

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaald in