HvJ EU 10 juli 2019, C-19/18, ECLI:EU:C:2019:578

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

10 juli 2019 ( *1 )

„Hogere voorziening – Beroep tot schadevergoeding tegen de Europese Commissie – Besluit van de Commissie om een einde te maken aan een samenwerkingsverband in het kader van het netwerk Team Europe – Vergoeding van schade – Door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid – Geschil voortkomend uit overeenkomst of uit onrechtmatige daad”

In zaak C‑19/18 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 5 januari 2018,

VG, rechtsopvolgster van MS, vertegenwoordigd door L. Levi, avocate,

rekwirante,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Martínez del Peral, C. Ehrbar en B. Mongin als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, C. Toader (rapporteur), A. Rosas, L. Bay Larsen en M. Safjan, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 april 2019,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt VG, rechtsopvolgster van MS, om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 31 mei 2017, MS/Commissie (T‑17/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:379; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht het door MS ingestelde beroep tot veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de schade die is geleden ten gevolge van haar besluit om een einde te maken aan de medewerking van MS aan het netwerk Team Europe heeft verworpen.

Toepasselijke bepalingen

2 Artikel 268 VWEU bepaalt: „Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van de in artikel 340, tweede en derde alinea, bedoelde schade.”

3 Artikel 340 van dit Verdrag is als volgt verwoord: „De contractuele aansprakelijkheid van de Unie wordt beheerst door de wet welke op het betrokken contract van toepassing is. Inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid moet de Unie overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt. [...]”

Voorgeschiedenis van het geding

4 Team Europe is een lokaal communicatienetwerk dat als voornaamste taak heeft om de vertegenwoordigingen van de Europese Commissie te ondersteunen bij hun communicatie op lokaal niveau over het Europees beleid en waarvan de leden optreden als sprekers, gespreksleiders, presentatoren van evenementen en communicatiedeskundigen.

5 Deze sprekers zijn verbonden aan de Commissie middels een „instemmingsbrief inzake toetreding tot Team Europe”. Die brief voorziet voor beide partijen in de mogelijkheid om die instemming te allen tijde schriftelijk, en zonder aan verdere voorwaarden te hoeven voldoen, in te trekken. De leden van Team Europe ontvangen geen bezoldiging van de Commissie. Wel stelt de Commissie hun, afhankelijk van het beschikbare budget, gratis ondersteunende diensten ter beschikking, bestaande uit coördinatiebijeenkomsten, cursussen, een platform voor online communicatie, en communicatiemiddelen, om hen in hun taken als sprekers bij te staan. De instemmingsbrief inzake toetreding tot Team Europe preciseert bovendien dat de leden van Team Europe op vrijwillige basis handelen en dat zij een onkostenvergoeding of redelijke compensatie mogen aanvaarden van de organisatoren van de evenementen waaraan zij deelnemen.

6 MS is van 20 juli 2011 tot 10 april 2013 lid geweest van Team Europe krachtens de tussen de procespartijen opgestelde instemmingsbrief inzake toetreding tot Team Europe, die op 8 juli 2011 is ondertekend te Parijs (Frankrijk) (hierna: „instemmingsbrief”) door het hoofd van de vertegenwoordiging van de Commissie in Frankrijk en op 20 juli 2011 te Montpellier (Frankrijk) door MS. Volgens deze brief zou de deelname van MS aan Team Europe eindigen op 30 juni 2014. Op 10 april 2013 heeft het hoofd van de vertegenwoordiging van de Commissie in Frankrijk de betrokkene er telefonisch van op de hoogte gesteld dat hij een einde maakte aan zijn deelname aan dat netwerk. Dit besluit werd vervolgens per post bevestigd, waarbij als reden werd gegeven dat MS zich in het kader van zijn activiteiten ongepast zou hebben gedragen jegens deelnemers.

7 De door het hoofd van de vertegenwoordiging van de Commissie in Frankrijk aangevoerde reden was dat hij een klacht over het gedrag van MS had ontvangen, afkomstig van vrouwen die hadden deelgenomen aan een bijeenkomst of workshop van Team Europe.

Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking

8 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 januari 2016, heeft MS verzocht om voor rechtsbijstand in aanmerking te komen teneinde beroep tot vaststelling van aansprakelijkheid in te stellen.

9 Bij beschikking van 3 mei 2016, MS/Commissie (T‑17/16 AJ, niet gepubliceerd, EU:T:2016:446), heeft de president van het Gerecht dit verzoek toegewezen.

10 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 juli 2016, heeft MS bij het Gerecht beroep tot vaststelling van aansprakelijkheid ingesteld.

11 MS heeft het Gerecht verzocht: – de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie vast te stellen; – de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade die hij ten gevolge van de onrechtmatige gedraging van die instelling heeft geleden, geraamd op 20000 EUR; – de Commissie te gelasten een brief te publiceren waarin zij zich jegens hem verontschuldigt, en verzoeker opnieuw op te nemen in het netwerk Team Europe; – overlegging te eisen van de door de Commissie vertrouwelijk verklaarde stukken, waarop zij haar besluit om een einde te maken aan zijn deelname aan het netwerk Team Europe heeft gebaseerd, en – de Commissie te veroordelen in de kosten.

12 Bij afzonderlijke akte, neergelegd op 6 oktober 2016, heeft de Commissie krachtens artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en verzocht om verwijzing van MS in de kosten.

13 In zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 november 2016, heeft MS het Gerecht verzocht deze exceptie te verwerpen.

14 Bij de bestreden beschikking, gegeven op grond van artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft het Gerecht de exceptie van niet-ontvankelijkheid aanvaard. Het Gerecht heeft geoordeeld dat het beroep in werkelijkheid een verzoek tot schadevergoeding van contractuele aard betrof. Aangezien de instemmingsbrief geen compromissoir beding bevat, heeft die rechter zich onbevoegd verklaard.

Procedure voor het Hof en conclusies van partijen

15 Bij beschikking van 30 november 2017 heeft het Hof het door rekwirant ingediende verzoek om rechtsbijstand toegewezen.

16 Met zijn hogere voorziening verzoekt rekwirant het Hof: – de bestreden beschikking te vernietigen; – de zaak bijgevolg terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak ten gronde op het beroep in eerste aanleg of, indien het Hof van oordeel is dat de zaak in staat van wijzen is, de door rekwirant in eerste aanleg geformuleerde vorderingen toe te wijzen; – derhalve op grond van artikel 268 en artikel 340, tweede alinea, VWEU de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie vast te stellen; – overlegging te gelasten van de door de Commissie vertrouwelijk verklaarde stukken, die de noodzakelijke onderbouwing vormen voor het besluit om een einde te maken aan zijn deelname aan Team Europe; – vergoeding te gelasten van de immateriële schade als gevolg van de onrechtmatige gedraging van de Commissie, welke schade ex aequo et bono op een bedrag van 20000 EUR is geraamd; – de Commissie te gelasten een verontschuldigingsbrief te publiceren en rekwirant opnieuw tewerk te stellen in Team Europe, en – verweerster te verwijzen in alle kosten van de beide procedures.

17 Bij brief van 21 februari 2018 is het Hof op de hoogte gesteld van het overlijden van MS op 16 februari 2018 en van het besluit van VG om de procedure voort te zetten.

18 In haar memorie van repliek van 28 mei 2018 heeft VG de vordering betreffende het opnieuw tewerkstellen in Team Europe ingetrokken.

Hogere voorziening

19 Tot staving van haar hogere voorziening voert VG twee middelen aan, gebaseerd op, ten eerste, een onjuiste rechtsopvatting bij de juridische kwalificatie van de vordering tot schadevergoeding en schending van de motiveringsplicht en, ten tweede, een onjuiste rechtsopvatting bij de juridische kwalificatie van de instemmingsbrief, schending van de motiveringsplicht en een onjuiste opvatting van de feiten.

Eerste middel, in zijn geheel, en eerste en tweede onderdeel van het tweede middel, gezamenlijk bezien: onjuiste rechtsopvatting bij de kwalificatie van het beroep en schending van de motiveringsplicht

Argumenten van partijen

20 Wat in de eerste plaats de vermeende schending van de motiveringsplicht betreft, voert rekwirante aan dat het Gerecht om te beginnen niet heeft uitgelegd waarom het verzoek om schadevergoeding noodzakelijkerwijs verband houdt met de uitlegging van de instemmingsbrief, terwijl de in dat verzoek verweten gedraging geen schending van de vermeende overeenkomst betreft, maar schending van de grondrechten van MS bij het behandelen van de tegen hem ingediende klacht, zodat de uitlegging van die brief noch noodzakelijk, noch onontbeerlijk is voor de behandeling van voornoemd verzoek, in de zin van punt 80 van het arrest van 18 april 2013, Commissie/Systran en Systran Luxembourg (C‑103/11 P, EU:C:2013:245).

21 Vervolgens zet de bestreden beschikking niet uiteen waarom het Gerecht heeft geoordeeld dat de behandeling door de Commissie van de tegen MS ingediende klacht noodzakelijkerwijs verband houdt met de uitlegging van de instemmingsbrief. Deze brief bevat geen bepalingen over de behandeling van eventuele klachten, noch over de verplichting van de Commissie om het beëindigen van de samenwerking met een spreker binnen Team Europe te motiveren. De rechtsregels, waaronder de grondrechten, waarvan schending wordt aangevoerd, zijn onafhankelijk van de bepalingen van de instemmingsbrief van toepassing.

22 Ten slotte zijn er elementen van het verzoekschrift voor het Gerecht zonder antwoord van het Gerecht gebleven, dat niet op objectieve en algemene wijze – gelet op de verschillende gegevens in het dossier – is nagegaan of sprake was van een werkelijke contractuele context, wat het zou moeten doen volgens het arrest van 18 april 2013, Commissie/Systran en Systran Luxembourg (C‑103/11 P, EU:C:2013:245).

23 VG voert ook aan dat het Gerecht zijn motiveringsplicht heeft geschonden wat de kwalificatie van de instemmingsbrief betreft.

24 In de tweede plaats, aangaande de vermeende onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de kwalificatie van het beroep als van „contractuele aard”, voert VG in essentie aan dat het Gerecht de instemmingsbrief ten onrechte heeft aangemerkt als „overeenkomst”, terwijl het veeleer gaat om niet-bindende richtsnoeren die eenzijdig door de Commissie zijn vastgesteld en de werking van het netwerk Team Europe regelen. De Commissie heeft nooit gesteld dat de verhouding van contractuele aard was, zoals blijkt uit punt 21 van haar opmerkingen voor de Europese Ombudsman en uit punt 15 van de beschikking van 3 mei 2016, MS/Commissie (T‑17/16 AJ, niet gepubliceerd, EU:T:2016:446), waarbij het Gerecht uitspraak heeft gedaan op het verzoek om rechtsbijstand van MS. De instemmingsbrief blijft beperkt tot een samenvatting van de binnen Team Europe geldende rechten en plichten, en betreft niet die welke de bijzondere betrekkingen tussen de Commissie en MS beheersen. Deze brief voorziet niet in sancties in geval van schending van de bepalingen ervan, en bepaalt niet welk recht van toepassing is of welke gerechten bevoegd zijn, zodat de instemmingsbrief eerder eenvoudige gedragsvoorschriften vaststelt dan daadwerkelijke juridische banden tussen personen. De Commissie heeft te laat haar standpunt gewijzigd en de contractuele aard van de instemmingsbrief ingeroepen. De gemeenschappelijke wil van partijen is nooit geweest om wederzijdse verbintenissen aan te gaan op basis van een overeenkomst. De bedoeling van partijen is echter een beslissende factor bij de kwalificatie van een handeling als handeling van contractuele aard. Aldus heeft het Gerecht met name de instemmingsbrief onjuist gekwalificeerd als „overeenkomst” en zijn motiveringsplicht geschonden.

25 De Commissie stelt voor het eerste middel en het eerste en tweede onderdeel van het tweede middel af te wijzen.

Beoordeling door het Hof

26 In de eerste plaats dient in herinnering te worden gebracht dat het VWEU met betrekking tot rechtsvorderingen tegen de Unie waarbij zij aansprakelijk wordt gesteld voor schade voorziet in een bevoegdheidsverdeling tussen de Unierechter en de nationale rechterlijke instanties.

27 Aangaande de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie volgt uit artikel 340, tweede alinea, VWEU juncto artikel 268 VWEU dat geschillen over dergelijke aansprakelijkheid onder de bevoegdheid van de Unierechter vallen.

28 Om te bepalen welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een bepaalde schadevordering tegen de Unie, moet worden onderzocht of deze vordering betrekking heeft op de contractuele dan wel op de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie (arrest van 18 april 2013, Commissie/Systran en Systran Luxembourg, C‑103/11 P, EU:C:2013:245, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Daarvoor kan de Unierechter zich niet enkel baseren op de door partijen aangevoerde normen. Het louter inroepen van rechtsregels die niet voortvloeien uit een in casu relevante overeenkomst, maar nochtans verbindend zouden zijn voor de partijen, kan dus niet tot gevolg hebben dat de contractuele aard van het geschil wordt gewijzigd en dat het aldus wordt onttrokken aan de rechtsmacht van de bevoegde rechter. Anders zou de aard van het geschil en dus de bevoegde rechter naargelang van de door de partijen ingeroepen regels aan wijziging onderhevig zijn, wat in strijd zou zijn met de regels inzake de materiële bevoegdheid van de verschillende rechterlijke instanties (zie in die zin arrest van 18 april 2013, Commissie/Systran en Systran Luxembourg, C‑103/11 P, EU:C:2013:245, punten 64 en 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 In die context dient de Unierechter na te gaan of het bij hem ingestelde beroep tot schadevergoeding betrekking heeft op een schadevordering die objectief en algemeen op rechten en verplichtingen van contractuele dan wel van niet-contractuele oorsprong berust. Daartoe moet deze rechter aan de hand van een analyse van de verschillende bestanddelen van het dossier, zoals onder meer de beweerdelijk geschonden rechtsregel, de aard van de aangevoerde schade, de verweten handelwijze en de tussen de betrokken partijen bestaande rechtsverhoudingen, nagaan of er tussen hen sprake is van een werkelijke contractuele context, verband houdend met het voorwerp van het geding, waarvan diepgaand onderzoek noodzakelijk blijkt om dat geding te kunnen beslechten (arrest van 18 april 2013, Commissie/Systran en Systran Luxembourg, C‑103/11 P, EU:C:2013:245, punt 66).

31 In de tweede plaats dient eraan te worden herinnerd dat de ingevolge artikel 36 en artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie op het Gerecht rustende verplichting om zijn arresten te motiveren, niet inhoudt dat het Gerecht bij zijn redenering alle door de partijen bij het geding uiteengezette argumenten één voor één uitputtend dient te behandelen. Wanneer de motivering duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komt in de redenering van het Gerecht, kan de motivering dus impliciet zijn, mits belanghebbenden in staat zijn om de redenen voor het nemen van de betrokken maatregelen te kennen en het Hof over voldoende gegevens beschikt om zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen (zie in die zin arrest van 30 mei 2018, L’Oréal/EUIPO, C‑519/17 P en C‑522/17 P–C‑525/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:348, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 In het onderhavige geval moet worden opgemerkt dat het Gerecht om te beginnen in punt 34 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld dat de instemmingsbrief de respectievelijke verplichtingen van partijen, de duur van de samenwerking en de wijze om daar een einde aan te maken vaststelt. In het bijzonder heeft het opgemerkt dat punt 5 van die brief verwijst naar de voorwaarden voor „ontbinding”. Vervolgens heeft het Gerecht in punt 35 van die beschikking geoordeeld dat het verzoek om schadevergoeding verband hield met de uitlegging van de instemmingsbrief, aangezien rekwirante geen andere handelingen van de Commissie heeft aangevoerd. Voorts heeft het Gerecht in punt 36 van voornoemde beschikking overwogen dat de verweten gedraging rechtstreeks verband hield met een bestaande contractuele verhouding, wat het Gerecht tot de slotsom bracht, in punt 37 van de bestreden beschikking, dat rekwirantes verzoek om schadevergoeding verband hield met de uitlegging van de instemmingsbrief en, in punt 38 van die beschikking, dat het geschil vanwege die brief van contractuele aard was. Tot slot heeft het Gerecht er in punt 40 van de bestreden beschikking op gewezen dat de instemmingsbrief geen compromissoir beding bevatte, zodat het geschil buiten de bevoegdheid van de Unierechter valt.

33 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het Gerecht rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd dat het voorwerp van het geschil van contractuele aard was en dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor bevoegdheid van de Unierechter.

34 Bovendien dient te worden overwogen dat geen van de door VG aangevoerde argumenten kan aantonen dat die overwegingen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.

35 In het bijzonder kan de analyse van het Gerecht niet worden weerlegd door de omstandigheid dat rekwirante zich heeft gebaseerd op een citaat uit de eerdere opmerkingen van de Commissie voor de Ombudsman, overgenomen in punt 23 van de bestreden beschikking, volgens welke de Commissie had verklaard dat „de leden [van] Team Europe geen contractuele betrekking met [haar] hadden”.

36 Het eerder door de Commissie voor de Ombudsman ingenomen standpunt is immers niet noodzakelijkerwijs in tegenspraak met het standpunt dat voortvloeit uit de exceptie van niet-ontvankelijkheid die deze instelling heeft opgeworpen voor het Gerecht.

37 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat dit citaat onvolledig is, aangezien de zin, in zijn geheel, preciseert dat „[de] leden van Team Europe geen contractuele betrekking hebben met de Commissie en van haar geen vergoeding of subsidie ontvangen”.

38 Zelfs gesteld dat voornoemd citaat aldus kan worden opgevat dat daarbij het bestaan van een arbeidsovereenkomst wordt uitgesloten omdat de instemmingsbrief elke beloning uitsloot en niet voorzag in een juridische verhouding van ondergeschiktheid, sluit het ontbreken van een dergelijke overeenkomst tussen de Commissie en de leden van Team Europe niet uit dat er andere verplichtingen tussen hen zijn overeengekomen, zodat er tussen hen een verhouding bestond die desalniettemin als „contractueel” kan worden gekwalificeerd (zie naar analogie arrest van 14 juli 2016, Granarolo, C‑196/15, EU:C:2016:559, punt 25).

39 Voorts blijkt uit de overwegingen in het besluit van 19 november 2015 van de Ombudsman dat „indien de Commissie besluit haar contractuele verhouding met een expert of een lid van haar netwerken niet voort te zetten, zij, alvorens haar definitieve standpunt in te nemen, de betrokkene in de gelegenheid moet stellen zijn standpunt ten aanzien van de voorgenomen maatregel kenbaar te maken”.

40 Hieruit volgt dat het voorwerp van het geschil tussen de partijen wel degelijk strekt tot betwisting van de omstandigheden rond de beëindiging en meer in het bijzonder de omstandigheden waarin het besluit van de Commissie om een einde te maken aan de deelname van MS aan Team Europe is genomen.

41 Het feit dat rekwirante zich heeft beroepen op schending van grondrechten, kan evenmin de aard van het geschil tussen partijen wijzigen.

42 Zoals in herinnering is gebracht in punt 29 van het onderhavige arrest, en zoals het Hof ook heeft geoordeeld in punt 43 van het arrest van 20 mei 2009, Guigard/Commissie (C‑214/08 P, niet gepubliceerd, EU:C:2009:330), kan het loutere beroep op rechtsregels die niet voortvloeien uit de overeenkomst maar nochtans verbindend zouden zijn voor de partijen, niet tot gevolg hebben dat de contractuele aard van het geschil wordt gewijzigd en dat het aldus wordt onttrokken aan de rechtsmacht van de bevoegde rechter. Anders zou de aard van het geschil en dus de bevoegde rechter naargelang van de door de partijen ingeroepen regels aan wijziging onderhevig zijn, wat in strijd zou zijn met de regels inzake de materiële bevoegdheid van de verschillende rechterlijke instanties.

43 Het Gerecht heeft derhalve terecht geoordeeld dat de Unierechter niet bevoegd was en rechtens genoegzaam gemotiveerd waarom hij tot de slotsom was gekomen dat sprake was van een werkelijke contractuele context die verband hield met het voorwerp van het geschil.

44 In deze omstandigheden moeten het eerste middel in zijn geheel, en het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel, gezamenlijk bezien, ongegrond worden verklaard.

Derde onderdeel van het tweede middel: onjuiste opvatting van de feiten

Argumenten van partijen

45 Met het derde onderdeel van het tweede middel voert rekwirante aan dat het Gerecht de instemmingsbrief onjuist heeft opgevat door te oordelen dat deze een contract vormde zonder het op die brief toepasselijke recht te definiëren.

46 Volgens de Commissie is het derde middel niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond.

Beoordeling door het Hof

47 Volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt uit artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen, en dat daarom het Gerecht als enige bevoegd is om de relevante feiten en het bewijs vast te stellen en te beoordelen. De beoordeling van de feiten en van het bewijs levert, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst. Een dergelijke onjuiste opvatting moet evenwel duidelijk blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (arrest van 15 mei 2019, CJ/ECDC, C‑170/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:410, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 Wanneer een rekwirant stelt dat het Gerecht bewijzen onjuist heeft opgevat, moet hij op basis van artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, precies aangeven welke elementen volgens hem onjuist zijn opgevat, en aantonen welke fouten in de analyse tot die onjuiste opvatting in de beoordeling van het Gerecht hebben geleid (arrest van 6 september 2018, Klein/Commissie, C‑346/17 P, EU:C:2018:679, punt 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 In casu beperkt rekwirante zich tot een korte bekritisering van de redenering van het Gerecht, zonder evenwel aan te tonen dat deze berust op een onjuiste opvatting van de aan het Gerecht voorgelegde feiten die duidelijk blijkt uit de stukken van het dossier.

50 Bovendien beroept rekwirante zich voor het eerst voor het Hof op het argument dat het toepasselijke recht niet was bepaald.

51 Dit argument moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard. Volgens artikel 170, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering mag immers in hogere voorziening het voorwerp van het geschil voor het Gerecht niet worden gewijzigd. In hogere voorziening is het Hof namelijk enkel bevoegd om te oordelen over de rechtsbeslissing die is gegeven op de middelen die voor de rechter in eerste aanleg zijn aangevoerd. Een partij kan een middel dat zij voor het Gerecht niet heeft aangevoerd, dus niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren, aangezien zij anders bij het Hof, waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig zou mogen maken met een ruimere strekking dan het geschil dat aan het Gerecht was voorgelegd [beschikking van de vicepresident van het Hof van 10 januari 2018, Commissie/RW, C‑442/17 P(R), niet gepubliceerd, EU:C:2018:6, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

52 Bijgevolg kan het derde onderdeel van het tweede middel niet slagen.

53 Gelet op een en ander dient de hogere voorziening in haar geheel te worden afgewezen.

Kosten

54 Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat wanneer de hogere voorziening ongegrond is, het Hof over de kosten beslist. Volgens artikel 138, lid 1, van datzelfde Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien VG in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) VG wordt verwezen in de kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in