HvJ EU 25 november 2020, C-823/18, ECLI:EU:C:2020:955

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

25 november 2020 ( *1 )

„Hogere voorziening – Mededingingsregelingen – Europese markten van hittestabilisatoren op basis van tin, geëpoxideerde sojaoliën en esters – Vaststelling van de prijzen, verdeling van de markten en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie – Toepassing van het maximum van 10 % van de omzet op een van de entiteiten waaruit de onderneming bestaat – Nietigverklaring van het besluit tot wijziging van de boete die is opgelegd in de aanvankelijke beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld – Geldboeten – Begrip ‚onderneming’ – Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de geldboete – Gelijkheidsbeginsel – Datum van opeisbaarheid van de geldboete in geval van wijziging”

In zaak C‑823/18 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 27 december 2018,

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Christoforou, P. Rossi en V. Bottka, vervolgens door P. Rossi en V. Bottka als gemachtigden,

rekwirante,

andere partij in de procedure:

GEA Group AG, gevestigd te Düsseldorf (Duitsland), vertegenwoordigd door C. Wagner en I. du Mont, Rechtsanwälte,

verzoekster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, A. Kumin, T. von Danwitz en P. G. Xuereb, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: M. Longar, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 februari 2020,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 juni 2020,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Europese Commissie om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 18 oktober 2018, GEA Group/Commissie (T‑640/16, EU:T:2018:700; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht besluit C(2016) 3920 final van de Commissie van 29 juni 2016 tot wijziging van beschikking C(2009) 8682 definitief van de Commissie van 11 november 2009 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38589 – Hittestabilisatoren; hierna: „litigieus besluit”) nietig heeft verklaard.

I. Toepasselijke bepalingen

2 Artikel 23, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) bepaalt: „2. De Commissie kan bij beschikking geldboeten opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid: a) inbreuk maken op artikel 81 [EG] of artikel 82 [EG]; of b) in strijd handelen met een beschikking waarbij uit hoofde van artikel 8 voorlopige maatregelen gelast worden; of c) een toezegging waaraan overeenkomstig artikel 9 bij beschikking een verbindend karakter is verleend, niet nakomen. Voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en ondernemersvereniging is de geldboete niet groter dan 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald. Wanneer de inbreuk van een vereniging betrekking heeft op de activiteiten van haar leden zal de geldboete niet hoger zijn dan 10 % van de som van de totale omzet van elk lid dat actief is op de markt die door de inbreuk van de vereniging geraakt wordt. 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt zowel met de ernst, als met de duur van de inbreuk rekening gehouden.”

3 Artikel 25, lid 5, van deze verordening luidt als volgt: „Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Deze termijn wordt verlengd met de periode gedurende welke de verjaring in overeenstemming met lid 6 wordt geschorst.”

II. Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit

4 De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 23 van het bestreden arrest uiteengezet en kan als volgt worden samengevat.

5 GEA Group AG (hierna: „GEA”) is in 2005 ontstaan uit de fusie van Metallgesellschaft AG (hierna: „MG”) en een andere vennootschap. MG was de uiteindelijke moedermaatschappij die vóór 2000 – rechtstreeks of via dochterondernemingen – Chemson Gesellschaft für Polymer-Additive mbH (hierna: „OCG”) en Polymer-Additive Produktions- und Vertriebs GmbH (hierna: „OCA”) in handen had.

6 Op 17 mei 2000 is MG overgegaan tot de verkoop van OCG, waarvan de naam is gewijzigd in Aachener Chemische Werke Gesellschaft für glastechnische Produkte und Verfahren mbH (hierna: „ACW”).

7 Na de ontbinding van OCA zijn de activiteiten van deze vennootschap in mei 2000 overgenomen door een vennootschap die met ingang van 30 augustus 2000 Chemson Polymer-Additive AG (hierna: „CPA”) heet en die op de dag van uitspraak van het bestreden arrest geen deel meer uitmaakte van de groep waarvan GEA de uiteindelijke moedermaatschappij was.

A. Beschikking van 2009

8 Bij beschikking C(2009) 8682 definitief van 11 november 2009 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38589 – Hittestabilisatoren; hierna: „beschikking van 2009”) heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat een aantal ondernemingen inbreuk had gemaakt op artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-overeenkomst”) door deel te nemen aan twee samenstellen van mededingingsverstorende overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte in de sector van hittestabilisatoren op basis van tin en in de sector van hittestabilisatoren op basis van geëpoxideerde sojaoliën en esters (hierna: „sector ESBO/esters”).

9 In artikel 1, lid 2, onder k), van de beschikking van 2009 heeft de Commissie GEA aansprakelijk gesteld voor inbreuken waaraan zij zich tussen 11 september 1991 en 17 mei 2000 schuldig had gemaakt op de markt voor ESBO/esters.

10 GEA is als rechtsopvolger van MG voor de gehele inbreukperiode aansprakelijk gesteld voor de tussen 11 september 1991 en 17 mei 2000 door OCG gepleegde inbreuken, alsook voor de tussen 13 maart 1997 en 17 mei 2000 door OCA gepleegde inbreuken.

11 Bovendien is ACW als rechtsopvolger van OCG zowel bestraft voor de inbreuk die OCG heeft gepleegd gedurende de gehele inbreukperiode – dat wil zeggen van 11 september 1991 tot 17 mei 2000 – als voor de inbreuk die OCA heeft gepleegd van 30 september 1999 tot 17 mei 2000, toen de aandelen van OCA voor 100 % in handen waren van OCG.

12 Als rechtsopvolger van OCA is CPA bestraft voor zowel de inbreuk van OCA tussen 13 maart 1997 en 17 mei 2000 als de inbreuk van OCG tussen 30 september 1995 en 30 september 1999, toen de aandelen van OCG voor 100 % in handen waren van OCA.

13 In artikel 2 van de beschikking van 2009 staat te lezen: „[...] Wegens de inbreuk in de [sector ESBO/esters] worden de volgende geldboeten opgelegd: [...] 31) [GEA], [ACW] en [CPA] [zijn hoofdelijk] aansprakelijk ten belope van: 1913971 EUR; 32) [GEA] en [ACW] [zijn hoofdelijk] aansprakelijk ten belope van: 1432229 EUR; De boeten in euro [moeten] worden betaald binnen drie maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking [...].”

14 Bij op 28 januari 2010 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft GEA beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen de beschikking van 2009.

15 Bij arrest van 15 juli 2015, GEA Group/Commissie (T‑45/10, niet gepubliceerd, EU:T:2015:507), heeft het Gerecht dit beroep verworpen. Tegen dat arrest is geen hogere voorziening ingesteld.

B. Besluit van 2010

16 Op 15 december 2009 heeft ACW de aandacht van de Commissie gevestigd op het feit dat de haar bij de beschikking van 2009 opgelegde geldboete hoger was dan het krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 toegestane maximum van 10 % van haar omzet.

17 In deze omstandigheden heeft de Commissie op 8 februari 2010 besluit C(2010) 727 definitief tot wijziging van de beschikking van 2009 (hierna: „besluit van 2010”) vastgesteld.

18 In het besluit van 2010 heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat de geldboete waartoe ACW hoofdelijk met GEA en CPA enerzijds en met GEA anderzijds was veroordeeld, het maximum van 10 % van haar omzet overschreed, zodat de beschikking van 2009 moest worden gewijzigd.

19 De Commissie heeft in het besluit van 2010 tevens gepreciseerd dat het bedrag van de aan GEA en CPA opgelegde geldboete ongewijzigd bleef, maar dat het bedrag van de aan ACW opgelegde geldboete moest worden verlaagd en dat het besluit van 2010 geen enkel gevolg had voor de andere adressaten van de beschikking van 2009.

20 Bij artikel 1 van het besluit van 2010 is artikel 2, tweede alinea, van de beschikking van 2009 als volgt gewijzigd: „Artikel 2, [tweede alinea, punt] 31, wordt vervangen door: ‚31.a) [GEA], [ACW] en [CPA] [zijn hoofdelijk] aansprakelijk ten belope van: 1086129 EUR; 31.b) [GEA] en [CPA] [zijn hoofdelijk] aansprakelijk ten belope van: 827842 EUR.’ Artikel 2, [tweede alinea, punt] 32, wordt vervangen door: ‚32) [GEA] [is aansprakelijk] ten belope van 1432229 EUR.’”

21 Bij op 20 april 2010 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, heeft GEA beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen het besluit van 2010 en het Gerecht subsidiair verzocht om het bedrag van de haar opgelegde geldboete te herzien.

22 Bij arrest van 15 juli 2015, GEA Group/Commissie (T‑189/10, EU:T:2015:504), heeft het Gerecht het besluit van 2010 nietig verklaard voor zover het betrekking had op GEA. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie de rechten van verdediging van deze vennootschap had geschonden door het besluit van 2010 vast te stellen zonder haar vooraf te hebben gehoord. Tegen dat arrest is geen hogere voorziening ingesteld.

C. Litigieus besluit

23 Op 29 juni 2016 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld.

24 In artikel 1 van dit besluit zijn de in punt 20 van het onderhavige arrest weergegeven bewoordingen van artikel 1 van het besluit van 2010 – waarbij artikel 2, tweede alinea, van de beschikking van 2009 is gewijzigd – letterlijk overgenomen.

25 In artikel 2 van het litigieuze besluit is de datum van opeisbaarheid van de geldboeten vastgesteld op 10 mei 2010.

III. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

26 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 8 september 2016, heeft GEA beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.

27 Ter ondersteuning van dit beroep heeft GEA vijf middelen aangevoerd: 1) schending van de verjaringsregels; 2) schending van artikel 266 VWEU en van de rechten van de verdediging; 3) schending van artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003; 4) schending van het gelijkheidsbeginsel, en 5) een middel dat uit twee onderdelen bestaat: bevoegdheidsoverschrijding en een ontoereikende motivering.

28 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het vierde middel en het eerste onderdeel van het vijfde middel aanvaard en het litigieuze besluit nietig verklaard, waarbij het heeft geoordeeld dat de andere middelen van het beroep niet hoefden te worden onderzocht.

IV. Conclusies van partijen

29 De Commissie verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen en – GEA te verwijzen in de kosten van zowel de procedure voor het Gerecht als de procedure voor het Hof.

30 GEA verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en – de Commissie te verwijzen in de kosten.

V. Hogere voorziening

31 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Commissie twee middelen aan: 1) onjuiste toepassing van het gelijkheidsbeginsel, van het begrip „onderneming” en van de regels inzake hoofdelijke aansprakelijkheid, alsook schending van de motiveringsplicht, en 2) schending van de regels inzake de vaststelling van de datum van opeisbaarheid van de geldboeten op het gebied van het mededingingsrecht en schending van de motiveringsplicht.

A. Ontvankelijkheid

1. Argumenten van partijen

32 GEA is van mening dat de hogere voorziening van de Commissie niet-ontvankelijk is.

33 In dit verband betoogt GEA in de eerste plaats dat de Commissie geen enkel belang heeft bij het instellen van een hogere voorziening omdat de beschikking van 2009 geen rechtsgrondslag meer vormt om betaling van de geldboete te vorderen.

34 In de tweede plaats is GEA van mening dat de Commissie geen enkel belang heeft bij het instellen van de hogere voorziening omdat het litigieuze besluit niet geldig is. De verjaringstermijn voor de vaststelling van een geldboete is immers verstreken vóór de vaststelling van dat besluit, aangezien er meer dan tien jaar is verstreken in de zin van artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003, ongeacht of die termijn al dan niet is gestuit.

35 De Commissie repliceert dat zij een belang heeft bij het instellen van de hogere voorziening tegen het bestreden arrest, aangezien, ten eerste, zij door het Gerecht in het ongelijk is gesteld en, ten tweede, GEA de geldigheid van het litigieuze besluit betwist door te betogen dat de Commissie geen enkel belang heeft om deze hogere voorziening in te stellen omdat de verjaringstermijn voor de oplegging van een geldboete zou zijn overschreden. Volgens de Commissie was een dergelijk middel echter noch voor het Gerecht aangevoerd, noch door het Gerecht onderzocht. Hieruit volgt dat dit argument niet hoeft te worden onderzocht.

2. Beoordeling door het Hof

36 De lidstaten en de instellingen van de Unie kunnen op grond van artikel 56, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met uitzondering van zaken betreffende geschillen tussen de Europese Unie en haar personeelsleden, hogere voorziening instellen, ook al zijn zij niet in het geding voor het Gerecht tussengekomen. Of zij nu in het geding in eerste aanleg partij waren of niet, de instellingen van de Unie hoeven dus geen enkel belang aan te tonen om hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht te kunnen instellen (arrest van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, EU:C:1999:356, punt 171).

37 De Commissie is immers vrij om te bepalen of hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht zinvol is en het staat niet aan het Hof om haar keuzes in dit opzicht te controleren (zie in die zin arrest van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, EU:C:1999:356, punt 172).

38 Derhalve volstaat de vaststelling dat de bezwaren van GEA dat de Commissie geen belang zou hebben volledig ongegrond zijn, zodat de hogere voorziening ontvankelijk moet worden geacht.

B. Ten gronde

1. Eerste middel

39 Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel van dit middel verwijt de Commissie het Gerecht het gelijkheidsbeginsel, het begrip „onderneming” en de regels inzake hoofdelijke aansprakelijkheid onjuist te hebben toegepast door te oordelen dat de Commissie het gedeelte van de geldboete tot betaling waarvan GEA en ACW hoofdelijk gehouden bleven, anders had kunnen vaststellen. Het tweede onderdeel van dit middel, dat als eerste moet worden onderzocht, betreft schending van de motiveringsplicht.

a) Tweede onderdeel van het eerste middel

1) Argumenten van partijen

40 Met het tweede onderdeel van haar eerste middel betoogt de Commissie dat de vaststelling in punt 111 van het bestreden arrest dat zij het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, berust op een tegenstrijdige motivering in de punten 108 tot en met 110 van dat arrest en met name op de vage overweging in punt 108 van dat arrest dat „de Commissie het gedeelte van de geldboete tot betaling waarvan ACW en [GEA] hoofdelijk gehouden bleven, stellig anders had kunnen vaststellen”.

41 GEA betwist dit betoog.

2) Beoordeling door het Hof

42 Volgens vaste rechtspraak van het Hof houdt de ingevolge artikel 36 en artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie op het Gerecht rustende verplichting om zijn arresten te motiveren, niet in dat het Gerecht bij zijn redenering alle door de partijen bij het geding uiteengezette argumenten één voor één uitputtend dient te behandelen. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarop het Gerecht zich baseert en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht in het kader van een hogere voorziening uit te oefenen (arrest van 14 september 2016, Trafilerie Meridionali/Commissie, C‑519/15 P, EU:C:2016:682, punt 41).

43 In casu kan worden volstaan met de vaststelling dat de redenering van het Gerecht in de punten 106 tot en met 111 van het bestreden arrest zowel de Commissie in staat stelt de redenen te kennen waarom het Gerecht het vierde middel van GEA in eerste aanleg heeft aanvaard, als het Hof in staat stelt over voldoende elementen te beschikken om zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen.

44 Uit deze punten blijkt immers ondubbelzinnig dat het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie eerst de verhouding had moeten vaststellen tussen het deel van de geldboete waarvoor ACW samen met CPA en GEA hoofdelijk aansprakelijk was en het deel waarvoor zij alleen met GEA hoofdelijk aansprakelijk was, en daarna de verlaging van de geldboete van ACW in dezelfde verhouding tussen de twee gevallen van hoofdelijkheid had moeten verdelen.

45 Gelet op een en ander is het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond, zodat het moet worden afgewezen.

b) Eerste onderdeel van het eerste middel

1) Argumenten van partijen

46 Met het eerste onderdeel van haar eerste middel stelt de Commissie dat het Gerecht in punt 108 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat zij het gedeelte van de geldboete tot betaling waarvan GEA en ACW hoofdelijk gehouden bleven, anders had kunnen vaststellen teneinde het gedeelte van de geldboete tot de betaling waarvan GEA als enige kon worden gehouden te beperken. Volgens de Commissie heeft het Gerecht in de punten 106 tot en met 111 van het bestreden arrest het gelijkheidsbeginsel onjuist toegepast door voorbij te gaan aan de rechtspraak van het Hof over het begrip „onderneming”, over hoofdelijke aansprakelijkheid en over de gevolgen van de verlaging van de geldboete die is toegekend aan een dochteronderneming binnen één economische onderneming.

47 Volgens de Commissie wordt met de hoofdelijke aansprakelijkheid slechts uitdrukking gegeven aan het begrip „onderneming” en kan zij er niet los van worden gezien.

48 In dit verband voert deze instelling aan dat, anders dan het Gerecht in punt 55 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, GEA, ACW en CPA voor de hele duur van de betrokken inbreuk een en dezelfde onderneming vormden waaraan zij één geldboete heeft opgelegd, en dat in die context artikel 2, tweede alinea, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009, enerzijds, en artikel 2, tweede alinea, punten 31.a, 31.b, en 32, van de beschikking van 2009, zoals gewijzigd door het litigieuze besluit, anderzijds, de maximale bedragen van de geldboete weergeven waarvoor elke juridische entiteit waaruit deze onderneming bestaat gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk kon worden geacht.

49 De Commissie merkt op dat aangezien GEA, ACW en CPA een en dezelfde onderneming vormden, de gelijke behandeling van deze drie vennootschappen niet hoefde te worden beoordeeld.

50 De Commissie is van mening dat het Gerecht, ondanks het feit dat de betrokken vennootschappen deel uitmaakten van dezelfde onderneming, in de punten 106 tot en met 111 van het bestreden arrest een kunstmatig onderscheid heeft gemaakt tussen twee groepen hoofdelijk aansprakelijke entiteiten, zodat het Gerecht een theorie heeft toegepast die analoog is aan de theorie van de interne verdeling van de hoofdelijke aansprakelijkheid; volgens de Commissie is deze benadering overeenkomstig het arrest van 10 april 2014, Commissie e.a./Siemens Österreich e.a. (C‑231/11 P–C‑233/11 P, EU:C:2014:256), niet toegestaan.

51 In die omstandigheden is de Commissie van mening dat niets rechtvaardigt dat een van de vennootschappen die tot een en dezelfde onderneming behoren, wordt uitgesloten van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van enig deel van de hun opgelegde geldboete, en dat deze vennootschappen normaliter gemeenschappelijke delen van een opgelegde geldboete delen, ten belope van de individuele limieten van elk van hen.

52 De Commissie betoogt dat het maximale bedrag van de geldboete tot betaling waarvan iedere vennootschap die behoort tot de onderneming in de zin van artikel 81 EG hoofdelijk gehouden was, niet gekoppeld is aan een specifieke periode van deelname aan de inbreuk in kwestie.

53 Wat tot slot het feit betreft dat de aan ACW opgelegde geldboete is teruggebracht tot het voor deze vennootschap geldende maximum van 10 % van haar omzet, volgt uit het arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie (C‑50/12 P, EU:C:2013:771), dat de aansprakelijkheid van GEA geen gevolgen mag ondervinden van de aan haar voormalige dochteronderneming ACW toegekende verlaging, aangezien laatstgenoemde vennootschap en GEA op de datum van vaststelling van de beschikking van 2009 niet langer een en dezelfde onderneming vormden.

54 GEA brengt hier om te beginnen tegen in dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de Commissie zonder enige objectieve rechtvaardiging het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Anders dan de Commissie stelt, is dit beginsel niet uitsluitend op verschillende ondernemingen van toepassing, maar ook op de betrekkingen tussen vennootschappen die deel uitmaken van dezelfde onderneming.

55 Vervolgens is GEA van mening dat de Commissie niet één, maar twee afzonderlijke geldboeten heeft vastgesteld voor twee verschillende groepen entiteiten die gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn binnen elke groep en voor twee verschillende inbreukperioden. Ten eerste heeft artikel 2, tweede alinea, punt 31, van de beschikking van 2009 betrekking op de periode van 30 september 1995 tot 17 mei 2000 en ten tweede verwijst artikel 2, tweede alinea, punt 32, van deze beschikking naar de periode van 11 september 1991 tot 29 september 1995. Deze verdeling is het gevolg van het feit dat CPA in deze laatste periode niet aan de betrokken inbreuk heeft deelgenomen.

56 Daarenboven is GEA van mening dat het Gerecht, anders dan de Commissie stelt, de theorie van de interne verdeling van de hoofdelijke aansprakelijkheid niet naar analogie heeft toegepast. Het bestreden arrest heeft geen betrekking op de interne aansprakelijkheid, maar op de mate waarin de vennootschappen van de „GEA-groep”„extern” aansprakelijk zijn jegens de Commissie.

57 Wat tot slot de gevolgen van de toepassing van het maximum van 10 % van de omzet ten gunste van ACW betreft, voert GEA aan dat, anders dan de Commissie stelt, het arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie (C‑50/12 P, EU:C:2013:771), niet aldus kan worden uitgelegd dat een voormalige moedermaatschappij geen gevolgen mag ondervinden van het feit dat ten aanzien van haar voormalige dochteronderneming het maximum van 10 % van haar omzet wordt toegepast.

2) Beoordeling door het Hof

58 Om te beginnen dient in herinnering te worden gebracht dat het gelijkheidsbeginsel een algemeen beginsel van Unierecht is dat in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is neergelegd. Dit beginsel vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arrest van 24 september 2020, Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi/Commissie, C‑601/18 P, EU:C:2020:751, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De Commissie moet dit beginsel in acht nemen bij de uitoefening van de bevoegdheid waarover zij krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 beschikt om een geldboete op te leggen aan ondernemingen die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie hebben gepleegd en het bedrag ervan bepaalt (zie in die zin arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie, C‑50/12 P, EU:C:2013:771, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 Daarbij zij aangetekend dat de Commissie krachtens deze bepaling bevoegd is om meerdere rechtspersonen hoofdelijk een geldboete op te leggen wanneer zij persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor hun deelname aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie wegens het feit dat zij deel uitmaken van een en dezelfde onderneming waaraan deze inbreuk kan worden verweten (arrest van 10 april 2014, Areva e.a./Commissie, C‑247/11 P en C‑253/11 P, EU:C:2014:257, punt 120).

60 Wanneer de Commissie besluit om deze sanctiebevoegdheid uit te oefenen, kan zij evenwel niet vrij de externe hoofdelijkheid bepalen en meer bepaald niet vrij het boetebedrag vaststellen dat zij volledig van elk van de hoofdelijke medeschuldenaars kan eisen (arrest van 10 april 2014, Areva e.a./Commissie, C‑247/11 P en C‑253/11 P, EU:C:2014:257, punt 121).

61 Wanneer de Commissie het bedrag van de geldboete vaststelt dat zij volledig van elk van de hoofdelijke medeschuldenaars kan eisen, past zij immers het begrip onderneming in een specifiek geval toe, aangezien met het Unierechtelijke begrip „hoofdelijke verplichting tot betaling van de geldboete” slechts uitdrukking wordt gegeven aan een gevolg dat van rechtswege voortvloeit uit dit begrip onderneming (arrest van 10 april 2014, Areva e.a./Commissie, C‑247/11 P en C‑253/11 P, EU:C:2014:257, punt 122).

62 Dienaangaande hebben de opstellers van de Verdragen ervoor geopteerd om ter aanduiding van de pleger van een inbreuk op de mededingingsregels die op grond van de artikelen 81 en 82 EG kan worden bestraft, het begrip onderneming te gebruiken en geen andere begrippen, zoals het begrip vennootschap of rechtspersoon (arrest van 10 april 2014, Areva e.a./Commissie, C‑247/11 P en C‑253/11 P, EU:C:2014:257, punt 123).

63 De wetgever van de Unie heeft overigens in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 hetzelfde begrip onderneming gebruikt om de entiteit te omschrijven waaraan de Commissie een geldboete kan opleggen om een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie te bestraffen (arrest van 10 april 2014, Areva e.a./Commissie, C‑247/11 P en C‑253/11 P, EU:C:2014:257, punt 124).

64 Volgens vaste rechtspraak omvat het begrip onderneming in het kader van het mededingingsrecht van de Unie elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van deze entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Onder dit begrip moet een economische eenheid worden verstaan, ook al wordt deze eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke of rechtspersonen gevormd (arresten van 10 april 2014, Areva e.a./Commissie, C‑247/11 P en C‑253/11 P, EU:C:2014:257, punt 125, en 27 april 2017, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑516/15 P, EU:C:2017:314, punten 47 en 48).

65 Wanneer de Commissie krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 de mogelijkheid heeft om verschillende rechtspersonen die deel uitmaken van een en dezelfde onderneming die aansprakelijk is voor de inbreuk, hoofdelijk een geldboete op te leggen, is zij bij de vaststelling van het bedrag van deze geldboete aan bepaalde beperkingen onderworpen, voor zover zij hierbij het begrip onderneming, dat een Unierechtelijk begrip is, in een specifiek geval toepast. Zij moet namelijk naar behoren rekening houden met de kenmerken van de betrokken onderneming, zoals deze was samengesteld tijdens de periode waarin de inbreuk is gepleegd (arrest van 10 april 2014, Commissie e.a./Siemens Österreich e.a., C‑231/11 P–C‑233/11 P, EU:C:2014:256, punt 51).

66 Zoals de advocaat-generaal in punt 49 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, kan de samenstelling van de betrokken onderneming gedurende de deelname van die onderneming aan een inbreuk veranderen. Deze wijzigingen kunnen zich met name voordoen wanneer de inbreuk langere tijd voortduurt, zoals in de onderhavige zaak het geval is.

67 Aangezien dergelijke wijzigingen niet wegnemen dat er sprake is van één onderneming waaraan de inbreuk kan worden toegerekend, doen zij niet af aan de in punt 59 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte bevoegdheid van de Commissie om een geldboete hoofdelijk op te leggen aan verschillende rechtspersonen die deel uitmaken van een en dezelfde onderneming.

68 In casu was blijkens de punten 1 tot en met 3 en 6 tot en met 8 van het bestreden arrest de structuur van de GEA-groep in casu gedurende de periode waarin de inbreuk werd gepleegd, de volgende. Tussen 1991 en 17 mei 2000 was OCG, die na laatstgenoemde datum ACW is genoemd, een volle dochteronderneming van MG, die op haar beurt vanaf 2005 GEA is geworden. In diezelfde periode was OCA, die sinds 30 augustus 2000 CPA heet, volledig in handen van MG en was zij gedurende verschillende perioden hetzij de dochteronderneming, hetzij de rechtstreekse moedermaatschappij van OCG. OCA was van 30 september 1995 tot 30 september 1999 de moedermaatschappij van OCG met een rechtstreekse zeggenschap van 100 %. Van 30 september 1999 tot 17 mei 2000 was OCG de moedervennootschap met een rechtstreekse zeggenschap van 100 % van OCA en oefende zij rechtstreekse controle uit over deze laatste vennootschap.

69 Gelet op de lering die kan worden getrokken uit het arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C‑97/08 P, EU:C:2009:536), had de Commissie in de beschikking van 2009 het recht om vast te stellen dat – gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen de betrokken vennootschappen – MG, thans GEA, door een beslissende invloed uit te oefenen op haar dochterondernemingen, samen met OCG en OCA, die respectievelijk ACW en CPA zijn geworden, deel uitmaakte van één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht van de Unie.

70 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie op goede gronden kon oordelen dat GEA, ACW en CPA een en dezelfde onderneming vormden die, in haar verschillende achtereenvolgende samenstellingen, de betrokken inbreuk heeft gepleegd.

71 Derhalve moet worden vastgesteld dat het Gerecht – door in punt 55 van het bestreden arrest te oordelen dat er enerzijds van 30 september 1995 tot 17 mei 2000 sprake was van een onderneming in de zin van het mededingingsrecht van de Unie, die bestond uit GEA, ACW en CPA, en er anderzijds van 11 september 1991 tot 29 september 1995 sprake was van een onderneming in de zin van datzelfde recht, die bestond uit GEA en ACW – het bestaan heeft vastgesteld van twee ondernemingen in de zin van het mededingingsrecht van de Unie en dus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het begrip „onderneming” in de zin van artikel 81 EG onjuist uit te leggen.

72 Aangezien met de hoofdelijke aansprakelijkheid slechts uitdrukking wordt gegeven aan een gevolg dat van rechtswege voortvloeit uit het begrip „onderneming” en er in casu sprake was van een en dezelfde onderneming, was de Commissie gerechtigd om – aanvankelijk in artikel 2, tweede alinea, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009 en vervolgens in artikel 2, tweede alinea, punten 31.a, 31.b, en 32, van de beschikking van 2009, zoals gewijzigd bij het litigieuze besluit – de maximumbedragen vast te stellen waarvoor GEA, ACW en CPA konden worden geacht gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk te zijn in het kader van de betaling van één geldboete als entiteiten die deel uitmaken van een en dezelfde onderneming aan wie de inbreuk kan worden toegerekend. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, weerspiegelt de vaststelling van dergelijke maximumbedragen in een situatie als het onderhavige geval immers niet de specifieke periodes waarin de entiteiten van de enkele onderneming aan de inbreuk in kwestie hebben deelgenomen.

73 In die omstandigheden heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 106 en 109 van het bestreden arrest vast te stellen dat er in het onderhavige geval sprake was van twee gevallen van hoofdelijkheid tussen GEA, ACW en CPA, terwijl zij deel uitmaakten van een en dezelfde onderneming, en van twee geldboeten, die opgelegd waren voor twee specifieke periodes waarin deze drie vennootschappen deelnamen aan de inbreuk in kwestie. Het Gerecht heeft derhalve de uit artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 voortvloeiende regels voor de vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid geschonden.

74 De omstandigheid dat GEA op grond van het litigieuze besluit als enige aansprakelijk blijft voor het bedrag van 1432229 EUR, is, zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, een louter automatisch gevolg van de verlaging die op de aan ACW opgelegde geldboete is toegepast.

75 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat wanneer twee afzonderlijke rechtspersonen, zoals een moedermaatschappij en haar dochteronderneming, niet langer een onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen op de datum van vaststelling van een besluit waarbij hun een geldboete wordt opgelegd, zij recht hebben op individuele toepassing van het maximum van 10 % van de omzet (zie in die zin arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie, C‑50/12 P, EU:C:2013:771, punt 57).

76 Zoals blijkt uit de punten 2 en 3 van het bestreden arrest, staat in de onderhavige zaak vast dat GEA op de datum van vaststelling van de beschikking van 2009 niet langer met ACW en CPA een economische eenheid vormde in de zin van artikel 81 EG.

77 Deze bijzonderheid was voor de Commissie aanleiding om bedoeld maximum afzonderlijk te berekenen op basis van de omzet in het boekjaar voorafgaand aan de vaststelling van het litigieuze besluit (zie naar analogie arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie, C‑50/12 P, EU:C:2013:771, punt 67).

78 Bovendien was blijkens punt 8 van het bestreden arrest het bedrag dat de Commissie aanvankelijk passend achtte voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van ACW wegens haar deelname aan de mededingingsregeling 3346200 EUR, dat wil zeggen precies hetzelfde bedrag als het bedrag dat in aanmerking werd genomen voor GEA.

79 Er dient evenwel te worden vastgesteld dat het feit dat de Commissie in het litigieuze besluit enerzijds GEA hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de betaling van het totale bedrag van de geldboete, dat 3346200 EUR bedraagt, en anderzijds ACW hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de betaling van een bedrag van 1086129 EUR, voortvloeit uit de toepassing op ACW van het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bepaalde maximum van 10 % van de omzet.

80 Het feit dat GEA als enige aansprakelijk blijft voor het bedrag van 1432229 EUR, vloeit dus voort uit de specifieke omstandigheid dat deze vennootschap op de datum van vaststelling van de beschikking van 2009 niet langer met ACW en CPA één enkele onderneming vormde in de zin van artikel 81 EG.

81 In deze context kan GEA niet staande houden dat het gelijkheidsbeginsel in haar nadeel is geschonden. In dit verband hoeft slechts te worden opgemerkt dat er geen schending van dit beginsel kan worden vastgesteld in een situatie als het onderhavige geval, waarin een dochteronderneming die op de datum van vaststelling van een besluit waarbij een geldboete wordt opgelegd aan de enkele onderneming waartoe zij behoorde niet langer deel uitmaakt van deze enkele onderneming, recht heeft op individuele toepassing van het maximum van 10 % van de omzet. Op grond van deze specifieke omstandigheid kan niet worden aangenomen dat de betrokken vennootschappen zich in vergelijkbare situaties bevonden (zie in die zin arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie, C‑50/12 P, EU:C:2013:771, punt 68).

82 Hoe dan ook kan niet met succes worden aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, aangezien er in casu, zoals blijkt uit punt 73 van het onderhavige arrest, geen sprake is van twee gevallen van hoofdelijkheid die corresponderen met specifieke periodes, zodat de hoofdelijke aansprakelijkheid niet kan worden verdeeld.

83 Bijgevolg is in artikel 2, tweede alinea, punt 32, van de beschikking van 2009, zoals gewijzigd bij het litigieuze besluit, waarbij een geldboete van 1432229 EUR aan GEA is opgelegd, geen sprake van CPA, niet omdat dit punt betrekking heeft op een specifieke inbreukperiode waarin zij niet heeft deelgenomen aan de enkele inbreuk die door de Commissie is vastgesteld, hetgeen niet het geval is, maar louter omdat het bedrag van de geldboete die CPA verschuldigd is wegens haar individuele deelname aan deze inbreuk doordat zij onderdeel is van de onderneming die deze inbreuk heeft gepleegd, volledig wordt gedekt door de in de punten 31.a) en 31.b) van artikel 2, tweede alinea, vermelde boetebedragen.

84 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 111 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie de krachtens het gelijkheidsbeginsel op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

85 Gelet op een en ander moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden aanvaard.

2. Tweede middel

86 Het tweede middel bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel van dit middel verwijt de Commissie het Gerecht in wezen blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de datum van opeisbaarheid van de geldboete in kwestie niet kon worden vastgesteld op een datum die voorafging aan die waarop de kennisgeving van het litigieuze besluit werd ontvangen. Het tweede onderdeel van dit middel, dat als eerste moet worden onderzocht, betreft schending van de motiveringsplicht.

a) Tweede onderdeel van het tweede middel

1) Argumenten van partijen

87 Met het tweede onderdeel van haar tweede middel verwijt de Commissie het Gerecht dat het zijn vaststelling in punt 126 van het bestreden arrest dat de verplichting tot betaling van de geldboeten uitsluitend voortvloeit uit artikel 1 van het litigieuze besluit en dat de datum van opeisbaarheid van die geldboeten niet kon worden vastgesteld op een datum die voorafging aan die waarop de kennisgeving van dat besluit werd ontvangen, ontoereikend heeft gemotiveerd.

88 GEA voert hiertegen aan dat het bestreden arrest toereikend is gemotiveerd.

2) Beoordeling door het Hof

89 Zoals in punt 42 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, verplicht de op het Gerecht rustende motiveringsplicht het Gerecht om duidelijk en ondubbelzinnig aan te geven welke redenering het heeft gevolgd, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen.

90 In casu kan worden volstaan met de vaststelling dat de redenering van het Gerecht in de punten 122 tot en met 125 van het bestreden arrest zowel de Commissie in staat stelt de redenen te kennen waarom het Gerecht het eerste onderdeel van het vijfde middel van GEA in eerste aanleg heeft aanvaard, als het Hof in staat stelt over voldoende elementen te beschikken om zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen.

91 Uit deze punten blijkt immers in wezen dat het Gerecht – omdat de aanvankelijke bewoordingen van artikel 2, tweede alinea, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009 zijn vervangen door die van artikel 1 van het litigieuze besluit – in punt 126 van het bestreden arrest tot de vaststelling is gekomen dat de verplichting tot betaling van de geldboeten uitsluitend voortvloeit uit artikel 1 van het litigieuze besluit en dat de datum van opeisbaarheid van die geldboeten niet kon worden vastgesteld op een datum die voorafging aan die waarop de kennisgeving van dat besluit werd ontvangen.

92 Derhalve is het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond en moet het dus worden afgewezen.

b) Eerste onderdeel van het tweede middel

1) Argumenten van partijen

93 Met het eerste onderdeel van haar tweede middel verwijt de Commissie het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 126 van het bestreden arrest te oordelen dat de datum van opeisbaarheid van de geldboete in casu niet kon worden vastgesteld op een datum die voorafging aan die waarop de kennisgeving van het litigieuze besluit werd ontvangen.

94 De Commissie merkt op dat de nietigverklaring van het besluit van 2010 tot gevolg heeft gehad dat niet alleen artikel 2, tweede alinea, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009 opnieuw in werking trad, maar ook de aanvankelijke datum van opeisbaarheid, die in artikel 2, laatste alinea, van die beschikking was vastgesteld.

95 In deze context betoogt de Commissie dat zij het recht had om het bedrag van de opgelegde geldboete en de hoofdelijke aansprakelijkheid te wijzigen zonder noodzakelijkerwijs een nieuwe datum van opeisbaarheid van deze geldboete te moeten vaststellen. De Commissie is dan ook van mening dat, ook al heeft zij bij het litigieuze besluit de onderdelen van het dispositief van de beschikking van 2009 gewijzigd waarin het bedrag van de geldboete en de hoofdelijke aansprakelijkheid werden bepaald, zij niet verplicht was om een datum van opeisbaarheid van de opgelegde geldboete vast te stellen die na de datum van kennisgeving van het litigieuze besluit ligt.

96 Indien het Hof zou bevestigen dat de Commissie een datum van opeisbaarheid van de geldboeten moet vaststellen die na de datum van kennisgeving van een wijzigingsbesluit zoals het litigieuze besluit ligt, zou dat volgens deze instelling leiden tot het verlies van de opgelopen rente op het sinds de aanvankelijk vastgestelde datum van opeisbaarheid resterende deel van de geldboete, hetgeen haar beoordelingsmarge zou beperken en de doeltreffendheid van de door haar opgelegde geldboeten zou verminderen.

97 In deze omstandigheden is de Commissie van mening dat zij, om GEA niet in een nadeligere positie te plaatsen dan ACW en CPA, het recht had om de datum van opeisbaarheid van de geldboeten vast te stellen op 10 mei 2010.

98 GEA voert hiertegen aan dat de Commissie weliswaar bevoegd is om de datum te bepalen waarop de geldboeten opeisbaar zijn en om te bepalen vanaf welke datum de vertragingsrente begint te lopen, maar dat die bevoegdheid niet inhoudt dat een datum van opeisbaarheid van de vertragingsrente kan worden vastgesteld die vóór de datum ligt waarop de geldboeten zijn vastgesteld. Er kan geen beroep worden gedaan op de doeltreffendheid van het Unierecht om te rechtvaardigen dat een datum van opeisbaarheid van een geldboete wordt vastgesteld die vóór de kennisgeving valt van het besluit dat de grondslag voor die geldboete vormt.

99 Aangezien de datum van opeisbaarheid van de geldboete niet kan worden vastgesteld op een datum die vóór de datum van kennisgeving van het litigieuze besluit ligt, kan de rente over de betaling van de geldboete volgens GEA dus pas beginnen te lopen op de datum van kennisgeving van dat besluit, overeenkomstig het beginsel dat de bijzaak de hoofdzaak volgt.

2) Beoordeling door het Hof

100 In besluiten van de Commissie waarbij zij geldboeten wegens inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie oplegt, worden onder meer het bedrag van de geldboeten in kwestie, de vertragingsrente en de gegevens van de bankrekening van de Commissie waarop de betrokken ondernemingen deze geldboeten moeten betalen, bepaald. In deze besluiten wordt ook de betalingstermijn voor de opgelegde geldboeten vastgesteld. Om gedwongen invordering te voorkomen, moet de betaling vóór het verstrijken van deze termijn plaatsvinden.

101 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 299 VWEU de besluiten van de Commissie welke voor personen, met uitzondering van de lidstaten, een geldelijke verplichting inhouden, executoriale titel vormen.

102 Tevens moet worden opgemerkt dat volgens artikel 278 VWEU een bij het Hof van Justitie van de Europese Unie ingesteld beroep tegen dergelijke besluiten geen schorsende werking heeft.

103 Hieruit volgt dat de besluiten van de Commissie uitvoerbaar zijn onder de in artikel 299 VWEU gestelde voorwaarden en dat de daarin vervatte geldboeten in beginsel opeisbaar zijn bij het verstrijken van de in die besluiten gestelde termijn.

104 In die omstandigheden en gelet op de doelstelling om de daadwerkelijke handhaving van de mededingingsregels van de Unie te waarborgen, moet ervan worden uitgegaan dat de schuldenaar de door hem verschuldigde betaling in beginsel vóór de door de Commissie in haar besluit vastgestelde datum van opeisbaarheid van deze betaling moet voldoen.

105 In casu heeft de Commissie in artikel 2, laatste alinea, van de beschikking van 2009 aanvankelijk bepaald dat de opgelegde geldboeten opeisbaar werden op de dag waarop een termijn van drie maanden is verstreken, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van deze beschikking, en dit voor alle ondernemingen tot wie die beschikking is gericht.

106 Zoals blijkt uit punt 124 van het bestreden arrest, is het besluit van 2010, waarbij de Commissie heeft besloten dat de beschikking van 2009 moest worden gewijzigd omdat, ten eerste, de aan ACW opgelegde geldboete het maximum van 10 % van de omzet overschreed en, ten tweede, het bedrag van de geldboete waarvoor ACW samen met GEA en CPA hoofdelijk aansprakelijk was moest worden verlaagd, door het Gerecht nietig is verklaard in zijn arrest van 15 juli 2015, GEA Group/Commissie (T‑189/10, EU:T:2015:504), voor zover het betrekking had op GEA. Zoals het Gerecht in punt 125 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, had deze nietigverklaring tot gevolg dat de aanvankelijke bewoordingen van artikel 2 van de beschikking van 2009 opnieuw in werking traden.

107 Die bewoordingen zijn echter opnieuw vervangen, namelijk door die van het litigieuze besluit. In artikel 2 van dit besluit is een nieuwe datum van opeisbaarheid van de geldboeten vastgesteld, te weten 10 mei 2010.

108 Deze datum ligt enerzijds vóór de datum waarop de kennisgeving van het litigieuze besluit werd ontvangen en anderzijds na de in de beschikking van 2009 vastgestelde datum van opeisbaarheid van de geldboeten. Deze datum komt overeen met de datum van opeisbaarheid die is aangegeven in een brief van de Commissie van 9 februari 2010 bij het besluit van 2010.

109 In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie over een bevoegdheid beschikt die de mogelijkheid omvat om de datum van opeisbaarheid van de door haar opgelegde geldboete en de begindatum van de vertragingsrente te bepalen, alsook om de rentevoet vast te stellen en de wijze van tenuitvoerlegging van haar besluit te bepalen door in voorkomend geval een bankgarantie te eisen ten belope van het hoofdbedrag van de opgelegde geldboete en de daarover verschuldigde rente. Zonder een dergelijke bevoegdheid zou het voordeel dat ondernemingen eventueel kunnen halen uit het met vertraging betalen van geldboeten leiden tot een afzwakking van de straffen die de Commissie oplegt in het kader van de taak die haar is opgedragen om toe te zien op de toepassing van de mededingingsregels van de Unie.

110 In het onderhavige geval, zoals de advocaat-generaal in punt 62 van zijn conclusie heeft opgemerkt, had de wijziging in artikel 2, tweede alinea, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009, eerst bij het besluit van 2010, dat inmiddels nietig is verklaard, en vervolgens bij het litigieuze besluit, uitsluitend betrekking op het bedrag van de aan ACW opgelegde geldboete en op de nieuwe vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid, maar niet op de oplegging van de geldboete als zodanig noch op het totale bedrag daarvan. Bijgevolg dient te worden opgemerkt dat, anders dan het Gerecht in punt 126 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, artikel 2 van de beschikking van 2009 de rechtsgrondslag vormt voor de verplichting van GEA, ACW en CPA om de geldboete te betalen, en niet artikel 1 van het litigieuze besluit.

111 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 126 van het bestreden arrest te oordelen dat de datum van opeisbaarheid van de geldboeten niet kon worden vastgesteld op een datum die voorafging aan die waarop de kennisgeving van het litigieuze besluit werd ontvangen.

112 Gelet op een en ander moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden aanvaard.

113 Het bestreden arrest moet bijgevolg worden vernietigd.

Terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht

114 Overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht indien het verzoek om hogere voorziening gegrond is. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel deze voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.

115 In dit verband moet worden vastgesteld dat het Hof in het onderhavige geval niet beschikt over de gegevens die nodig zijn om definitief uitspraak te doen over alle in eerste aanleg aangevoerde middelen.

116 De met die middelen opgeworpen aspecten van het geding houden in dat feitelijke vragen moeten worden onderzocht op basis van elementen, ten eerste, die in het bestreden arrest niet zijn beoordeeld door het Gerecht, aangezien het in punt 128 van dat arrest heeft geoordeeld dat een dergelijk onderzoek overbodig was omdat het het vierde middel en het eerste onderdeel van het vijfde middel van GEA had aanvaard, en, ten tweede, waarover geen discussie heeft plaatsgevonden voor het Hof. Derhalve is de zaak op dit punt niet in staat van wijzen.

117 Bijgevolg dient de zaak naar het Gerecht te worden terugverwezen en moet de beslissing over de kosten worden aangehouden.

Kosten

118 Daar de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten te worden aangehouden.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart:

1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 18 oktober 2018, GEA Group/Commissie (T‑640/16, EU:T:2018:700), wordt vernietigd.

2) Zaak T‑640/16 wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.

3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in