HvJ EU 30 april 2026, C-133/24, ECLI:EU:C:2026:361

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

30 april 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Mededinging – Professioneel voetbal – Niet-wervingsovereenkomst tussen een nationale sportbond en een aantal clubs naar aanleiding van de opschorting van het sportseizoen 2019/2020 wegens de COVID‑19-pandemie – Artikel 101, lid 1, VWEU – Mededingingsbeperking naar strekking of naar gevolg – Arbeidstijd – Werving van spelers door de clubs – Eenzijdige verbreking van de arbeidsovereenkomst door de spelers – Verstrijken van de arbeidsovereenkomst – Inhoud van de overeenkomst – Economische en juridische context van deze overeenkomst – Objectieve doelstellingen die met deze overeenkomst worden nagestreefd ten aanzien van de mededinging – Rechtvaardiging – Voorwaarden – Nastreven van legitieme doelstellingen van algemeen belang – Noodzakelijkheid – Evenredigheid”

In zaak C‑133/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão (rechter voor mededinging, regulering en toezicht, Portugal) bij beslissing van 18 december 2023, ingekomen bij het Hof op 16 februari 2024, in de procedure

Liga Portuguesa de Futebol Profissional (LPFP),

CD Tondela – Futebol, SAD,

Clube Desportivo Feirense – Futebol, SAD,

Académico de Viseu Futebol Clube – Futebol, SAD,

Os Belenenses – Sociedade Desportiva de Futebol, SAD,

Boavista Futebol Clube – Futebol, SAD,

Sporting Clube de Braga – Futebol, SAD,

Sporting Clube da Covilhã – Futebol, SDUQ, Lda.,

Estoril Praia – Futebol, SAD,

Gil Vicente Futebol Clube – Futebol, SDUQ, Lda.,

Leixões Sport Clube – Futebol, SAD,

Clube Desportivo de Mafra – Futebol, SDUQ, Lda.,

União Desportiva Oliveirense – Futebol, SAD,

Futebol Clube de Paços de Ferreira, SDUQ, Lda.,

Futebol Clube de Penafiel, SAD,

Portimonense Futebol, SAD,

Rio Ave Futebol Clube – Futebol, SDUQ, Lda.,

Santa Clara Açores – Futebol, SAD,

Varzim Sport Club – Futebol, SDUQ, Lda.,

União Desportiva Vilafranquense – Futebol, SAD,

Futebol Clube de Famalicão – Futebol, SAD,

Associação Académica de Coimbra – Organismo Autónomo de Futebol, SDUQ, Lda.,

Moreirense Futebol Clube – Futebol, SAD,

Marítimo da Madeira, Futebol, SAD,

Vitória Sport Clube – Futebol, SAD,

Futebol Clube do Porto – Futebol, SAD,

Sporting Clube de Portugal – Futebol, SAD,

Sport Lisboa e Benfica – Futebol, SAD,

tegen

Autoridade da Concorrência,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer (rapporteur), E. Regan, D. Gratsias en B. Smulders, rechters,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 februari 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– Liga Portuguesa de Futebol Profissional (LPFP), CD Tondela – Futebol, SAD, Clube Desportivo Feirense – Futebol, SAD, Académico de Viseu Futebol Clube – Futebol, SAD, Os Belenenses – Sociedade Desportiva de Futebol, SAD, Boavista Futebol Clube – Futebol, SAD, Sporting Clube de Braga – Futebol, SAD, Sporting Clube da Covilhã – Futebol, SDUQ, Lda., Estoril Praia – Futebol, SAD, Gil Vicente Futebol Clube – Futebol, SDUQ, Lda., Leixões Sport Clube – Futebol, SAD, Clube Desportivo de Mafra – Futebol, SDUQ, Lda., União Desportiva Oliveirense – Futebol, SAD, Futebol Clube de Paços de Ferreira, SDUQ, Lda., Futebol Clube de Penafiel, SAD, Portimonense Futebol, SAD, Rio Ave Futebol Clube – Futebol, SDUQ, Lda., Santa Clara Açores – Futebol, SAD, Varzim Sport Club – Futebol, SDUQ, Lda., União Desportiva Vilafranquense – Futebol, SAD, Futebol Clube de Famalicão – Futebol, SAD, Associação Académica de Coimbra – Organismo Autónomo de Futebol, SDUQ, Lda., vertegenwoordigd door A. Cantanhede Gonçalves, M. J. Faria en L. M. Soares Romão, advogados,

– Moreirense Futebol Clube – Futebol, SAD, vertegenwoordigd door G. Ribeiro Dias, advogado,

– Marítimo da Madeira, Futebol, SAD, vertegenwoordigd door J. A. Martins en J. Pinto de Almeida, advogados,

– Vitória Sport Clube – Futebol, SAD, vertegenwoordigd door G. Gama Lobo en J. Pinto de Almeida, advogados,

– Futebol Clube de Porto, Futebol, SAD, vertegenwoordigd door A. Domingues, advogado,

– Sporting Clube de Portugal – Futebol, SAD, vertegenwoordigd door G. Banha Coelho, C. Homem Ferreira Morais, L. D. Silva Morais en L. Tomé Feteira, advogados,

– Sport Lisboa e Benfica, Futebol, SAD, vertegenwoordigd door R. Bordalo Junqueiro, R. Pacheco Bettencourt en M. Stock da Cunha, advogados,

– Autoridade da Concorrência, vertegenwoordigd door D. Cardoso, A. Cruz Nogueira, en A. C. Salgueiro, advogadas,

– de Portugese regering, vertegenwoordigd door C. Alves en P. Barros da Costa als gemachtigden,

– de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Boskovits als gemachtigde,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en D. Lutostańska als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Baches Opi, P. Caro de Sousa en F. van Schaik als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 mei 2025,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 101 VWEU.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Liga Portuguesa de Futebol Profissional (LPFP) [nationale profvoetbalbond, Portugal (LPFP)] en een aantal in Portugal gevestigde profvoetbalclubs, enerzijds, en de Autoridade da Concorrência (Mededingingsautoriteit, Portugal), anderzijds, over de rechtmatigheid van een besluit waarbij deze laatste in essentie heeft besloten dat de LPFP en nagenoeg alle profvoetbalclubs van de Portugese eerste en tweede divisie artikel 101 VWUE en het nationale mededingingsrecht hadden geschonden door in de context van de COVID‑19-pandemie een overeenkomst tot niet-werving van spelers te sluiten en door het sportseizoen 2019/2020 sine die op te schorten.

Toepasselijke bepalingen

3 Artikel 101 VWEU bepaalt: „1. Onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in: a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan‑ of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden; b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen; c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen; d) het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging; e) het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten. 2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig. 3. De bepalingen van lid 1 van dit artikel kunnen echter buiten toepassing worden verklaard – voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen, – voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen, en – voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling der producten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen a) beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn, b) de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken producten de mededinging uit te schakelen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

4 De LPFP is een Portugese privaatrechtelijke vereniging die volgens haar statuten tot doel heeft de activiteiten van het profvoetbal in Portugal te reglementeren en te organiseren. Meer in het bijzonder reglementeert en organiseert de LPFP krachtens een bevoegdheidsdelegatie vanwege de Federação Portuguesa de Futebol (Portugese voetbalbond), profvoetbalcompetities, waaronder de Primeira Liga (eerste divisie) en de Segunda Liga (tweede divisie).

5 In de loop van het seizoen 2019/2020, dat aanvankelijk zou lopen van 1 juli 2019 tot 30 juni 2020, zouden 18 in Portugal gevestigde profvoetvalclubs tegen elkaar uitkomen in de eerste divisie. In de tweede divisie zouden 13 andere, eveneens in Portugal gevestigde clubs, tegen elkaar uitkomen.

6 Op 11 maart 2020 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de uitbraak van COVID‑19 tot een pandemie uitgeroepen.

7 Op 12 maart 2020 hebben de Portugese autoriteiten een reeks maatregelen aangekondigd om het risico op uitbreiding van de COVID‑19-pandemie te beperken, waaronder de lockdown en de sluiting van de openbare inrichtingen. Dezelfde dag heeft de LPFP de opschorting sine die gelast van het sportseizoen 2019/2020 en alle in het kader daarvan georganiseerde competities, waaronder de eerste en de tweede divisie. Op dat moment moesten er in beide divisies nog tien wedstrijden worden gespeeld.

8 Op 18 maart 2020 hebben de Portugese autoriteiten de noodtoestand uitgeroepen omdat de situatie snel verslechterde. Als gevolg daarvan werd aan aantal rechten gedeeltelijk opgeschort, waaronder het recht om zich binnen het land te verplaatsen, het recht om het land te verlaten, alsook de rechten van werknemers. Daarnaast werden verschillende reeksen buitengewone maatregelen genomen, met name om werkgevers en werknemers die door de sociale, economische en financiële gevolgen van de pandemie getroffen waren, te ondersteunen.

9 Vanaf 21 maart 2020 hebben de LPFP en de Sindicato de Jogadores Profissionais de Futebol (vakbond van beroepsvoetballers, Portugal; hierna: „SJPF”) onderhandelingen opgestart om gezamenlijk te zoeken naar mogelijke oplossingen voor de sportieve, sociale, economische en financiële moeilijkheden waaraan de pandemie de Portugese profvoetbalsector blootstelde. Die onderhandelingen gingen in het bijzonder over de voorwaarden voor de afronding van het sportseizoen 2019/2020.

10 Op 7 april 2020 brachten de LPFP en de SJPF elk een persbericht uit over de stand van hun onderhandelingen. De LPFP gaf in zijn persbericht allereerst aan dat de SJPF had ingestemd met een pakket juridische aanpassingen die zouden worden doorgevoerd in de collectieve arbeidsovereenkomst voor profvoetballers, waaronder de verlenging van de arbeidsovereenkomsten en uitleen‑ of transferovereenkomsten van spelers die op de datum van dat persbericht lopende waren, tot het einde van het seizoen 2019/2020, zijnde de datum waarop de laatste officiële wedstrijd van de in dat seizoen georganiseerde competities uiteindelijk zou worden gespeeld. Vervolgens gaf de LPFP aan dat daarentegen geen overeenkomst met de SJPF was bereikt over de besproken financiële kwesties, waaronder de mogelijkheid voor de spelers en de clubs, zo niet voor de sociale partners, om salarisverlagingen overeen te komen. Ook de SJPF vermeldde in zijn persbericht van dezelfde dag dat hierover geen overeenkomst was bereikt. Ten slotte wees de LPFP erop dat gezien het ontbreken van een dergelijke overeenkomst, het de clubs vrij stond om bijvoorbeeld te kiezen voor vereenvoudigde tijdelijke werkloosheid, of om individuele onderhandelingen aan te gaan met hun spelers, en het persbericht werd afgesloten met de volgende bewoordingen: „De [LPFP] hoopt nog steeds de maatregelen ter aanvulling van de collectieve arbeidsovereenkomst die reeds met de [SJPF] zijn overeengekomen, samen met deze laatste schriftelijk te kunnen vaststellen […].”

11 Diezelfde dag hebben de LPFP en de clubs van de eerste divisie, die voor het merendeel werden vertegenwoordigd door hun respectieve voorzitters, deelgenomen aan een videoconferentie tijdens welke zij een overeenkomst hebben gesloten over de aanwerving van spelers die hun arbeidsovereenkomst eenzijdig zouden beëindigen wegens de COVID‑19-pandemie. Na afloop van deze videoconferentie heeft de LPFP een persbericht uitgebracht met de titel „Voorzitters van clubs [eerste divisie] stellen regel vast voor eenzijdige opzeggingen”, dat was geformuleerd als volgt: „De voorzitters van de clubs van [de eerste divisie], die vandaag per videoconferentie met [de] voorzitter van de [LPFP] hebben vergaderd, hebben de huidige situatie geanalyseerd, en hebben na beraad besloten publiekelijk aan te kondigen dat geen enkele club een speler zal aanwerven die zijn arbeidsovereenkomst eenzijdig zou beëindigen vanwege de moeilijkheden die zijn veroorzaakt door de COVID‑19-pandemie of enig buitengewoon besluit dat daaruit voortvloeit, inzonderheid de verlenging van het sportseizoen.”

12 Op 8 april 2020 hebben de LPFP en een deel van de clubs van de tweede divisie, voor het merendeel vertegenwoordigd door hun respectieve voorzitters, deelgenomen aan een videoconferentie, waarna de LPFP een persbericht heeft uitgebracht met de titel „Voorzitters van clubs [tweede divisie] stemmen in met regel voor eenzijdige opzeggingen”. Dit persbericht bevat een eerste alinea die in dezelfde bewoordingen is opgesteld als het in het vorige punt genoemde persbericht, gevolgd door twee andere alinea’s die luiden als volgt: „Deze maatregel is gisteren genomen en aangekondigd door de voorzitters van de clubs van [de eerste divisie]; de verantwoordelijken van de [clubs van de tweede divisie] sluiten zich daar nu bij aan. Door deze moeilijkheden eendrachtig te doorstaan en met één stem te spreken, zullen de voorzitters van de clubs van de tweede divisie, steeds in overleg met de [LPFP], deze voor de hele sector zo moeilijk periode te boven kunnen komen. De verantwoordelijken zijn meer dan ooit van mening dat zij voor problemen en uitdagingen staan die gemeenschappelijk zijn en dat zij daar ook gezamenlijk op moeten reageren.”

13 De Fédération internationale de football association (FIFA) heeft op 7 april 2020 haar omzendbrief nr. 1714 gepubliceerd. Daarin is een document getiteld „COVID‑19: regelgevingsvraagstukken betreffende het voetbal” opgenomen dat is opgesteld door een werkgroep die bestond uit haar eigen vertegenwoordigers alsook die van de bij haar aangesloten nationale voetbalbonden, die van de confederaties, die van de European Club Association, die van de Fédération internationale des joueurs professionnels (FIFPRO) en die van het World Leagues Forum. In dit document gaf de FIFA met name aan dat de nationale voetbalbonden de bevoegdheid konden krijgen om de data van hun respectieve sportseizoenen en van de inschrijvingsperioden voor spelers te wijzigen. De FIFA stelde ook voor dat clubs en spelers zouden worden aangemoedigd om samen te werken teneinde tot overeenkomsten te komen over salarisverlagingen, of anders dat de overeenkomsten tussen clubs en spelers zouden worden opgeschort zolang het sportseizoen was opgeschort.

14 Op 23 april 2020 hebben de Portugese autoriteiten een wetsbesluit bekend gemaakt tot invoering van een reeks buitengewone, tijdelijke maatregelen in de sport, waaronder de toestemming die aan de Portugese sportbonden werd verleend om hun reglementen tijdens en voor de duur van het seizoen 2019/2020 te wijzigen om het hoofd te bieden aan de moeilijkheden als gevolg van de COVID‑19-pandemie.

15 Op 30 april 2020 hebben die autoriteiten een besluit vastgesteld met daarin een strategie voor het opheffen van de beperkende maatregelen, die onder meer voorzag in de mogelijkheid tot hervatting van het sportseizoen 2019/2020 om de competitie van de eerste divisie af te ronden.

16 Op 4 mei 2020 hebben de LPFP, de SJPF en de Associação Nacional de Treinadores de Futebol (nationale bond van voetbaltrainers, Portugal) een memorandum van overeenstemming ondertekend. De toelichting die aan dit memorandum van overeenstemming voorafgaat, maakt eerst melding van de ongewone en uitzonderlijke noodsituatie op gezondheidsgebied en de verstoring van de maatschappij als gevolg van de pandemie, vermeldt dan de mogelijkheid tot hervatting van de competities van de eerste divisie waarin de in het vorige punt van het onderhavige arrest vermelde besluit voorziet, en verwijst vervolgens naar „[d]e instandhouding van [deze competities] met inachtneming van in het bijzonder de beginselen van integriteit […] en sportieve verdienste”. Het memorandum zelf bepaalt met name dat „[h]et seizoen 2019/2020 zal eindigen op de dag volgend op de dag van de laatste officiële wedstrijd van dit seizoen”, en dat „[t]ussen clubs […] en spelers […] gesloten sportovereenkomsten die tijdens het lopende seizoen […] aflopen, worden geacht automatisch te worden verlengd tot het einde van het seizoen”.

17 Op 26 mei 2020 heeft de mededingingsautoriteit gelast dat de in de persberichten van de LPFP van 7 en 8 april 2020 genoemde maatregelen, die in de punten 10 tot en met 12 van het onderhavige arrest zijn vermeld, gedurende 90 dagen zouden worden opgeschort. Op 2 juni 2020 hebben de LPFP en de betrokken clubs aan dit bevel gevolg gegeven.

18 Op 8 juni 2020 hebben de partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst tussen de LPFP en de SJPF deze overeenkomst gewijzigd en daarin een artikel 7 bis, met het opschrift „Gevolgen van wijzigingen aan het tijdschema van de wedstrijden als gevolg van COVID‑19 op de arbeidsverhouding van sportbeoefenaars”, opgenomen, dat als volgt is geformuleerd: „1. De partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst sluiten deze overeenkomst overeenkomstig het memorandum dat met de [LPFP] […] is opgesteld, hetwelk bepaalt dat het seizoen 2019/2020 eindigt op de dag volgend op de dag van de laatste officiële wedstrijd van de competities van dit seizoen. 2. Behoudens een andersluidende overeenkomst tussen de partijen worden sportovereenkomsten [t]ussen clubs die uitkomen in de [eerste divisie] en spelers […] die aflopen tijdens het lopende seizoen, zoals gedefinieerd in het reglement, geacht automatisch te worden verlengd tot het einde van het seizoen, zoals gedefinieerd in het vorige punt. […] 4. De verlenging van de overeenkomst als gedefinieerd in punt 1 houdt in dat alle rechten en verplichtingen van de partijen worden gehandhaafd, met inbegrip van de verplichting van de werkgever om het voor het lopende sportseizoen vastgestelde maandelijkse loon van de speler te betalen, of een bedrag dat evenredig is aan dat loon, indien het sportseizoen eindigt voordat het volledig verschuldigd is, […] […]”

19 Op 18 juni 2020 heeft de Portugese voetbalbond 2 augustus 2020 vastgelegd als de nieuwe einddatum van het sportseizoen 2019/2020.

20 Op 28 april 2022 heeft de mededingingsautoriteit een besluit vastgesteld waarin zij zich op het standpunt heeft gesteld dat de in de persberichten van de LPFP van 7 en 8 april 2020 genoemde maatregelen, die in de punten 10 tot en met 12 van het onderhavige arrest zijn vermeld, moesten worden aangemerkt als een overeenkomst die strekte tot beperking van de mededinging die de daaraan deelnemende profvoetbalclubs zonder een dergelijke overeenkomst met elkaar hadden kunnen aangaan op de markt voor rekrutering van spelers die geschikt zijn voor deelname aan de competities van de eerste en de tweede divisie.

21 De LPFP en een aantal profvoetbalclubs van de eerste en de tweede divisie hebben tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão (rechter voor mededinging, regulering en toezicht, Portugal), de verwijzende rechter.

22 Deze rechter geeft in de verwijzingsbeslissing een uiteenzetting van de toepasselijke regels inzake de werving en de inschrijving van spelers die geschikt zijn voor deelname aan de competities van de eerste en de tweede divisie, alsook van de gevolgen van de COVID‑19-pandemie voor de sportieve, economische en financiële situatie van de Portugese profvoetbalclubs, en vervolgens voor de beroepssituatie van de spelers, en geeft in essentie aan dat hij twijfels heeft over de wijze waarop de mededingingsautoriteit artikel 101, lid 1, VWEU heeft uitgelegd en toegepast in haar besluit van 28 april 2022.

23 Wat dit betreft is de verwijzende rechter om te beginnen van oordeel dat, in het algemeen en in abstracto, een gedraging waarbij ondernemingen met elkaar overeenkomen om geen werknemers van elkaar aan te trekken of aan te werven, en dus om de vooruitzichten op beroepsmobiliteit van deze werknemers en hun onderhandelingsmacht ten opzichte van hun respectieve werkgevers te beperken of teniet te doen, in het licht van artikel 101, lid 1, VWEU moet worden aangemerkt als een overeenkomst waarbij marktdeelnemers die als „kopers” handelen op de „markt” voor rekrutering, de „middelen” aan arbeidskrachten onder elkaar verdelen. Deze rechter is bovendien van oordeel dat een dergelijke overeenkomst inhoudelijk kan worden gelijkgesteld met de in artikel 101, lid 1, onder c), VWEU bedoelde overeenkomsten, en gelet op de mate van schadelijkheid ervan dan ook kan worden aangemerkt als een overeenkomst die „strekt” tot beperking van de mededinging die de deelnemende ondernemingen zonder deze overeenkomst met elkaar zouden kunnen aangaan op de rekruteringsmarkt, en die in bepaalde sectoren waar, zoals in die van de beroepssport, de kwalificaties van de werknemers essentieel zijn, een centrale rol kan spelen.

24 Vervolgens legt de verwijzende rechter uit dat hij in het onderhavige geval betwijfelt of bij een juiste uitlegging van artikel 101, lid 1, VWEU kan worden geoordeeld dat een overeenkomst als die in het hoofdgeding schadelijk genoeg is voor de mededinging om als mededingingsbeperkend naar „strekking” te kunnen worden aangemerkt.

25 Met name is deze rechter om te beginnen van oordeel dat de economische en juridische context waarin de overeenkomst in het hoofdgeding tot stand is gekomen, voor zover deze in aanmerking kan worden genomen, wordt gekenmerkt door een geheel van factoren die eigen zijn aan de profvoetbalsector, en bovendien door de situatie die is veroorzaakt door de COVID‑19-pandemie en de sociale, economische en financiële gevolgen daarvan voor die sector, de profvoetbalclubs en de spelers. Dienaangaande wijst hij er in essentie op dat de COVID‑19-pandemie en de daardoor veroorzaakte verstoringen de bevoegde sportbond ertoe hebben gebracht de opschorting van het sportseizoen 2019/2020 te gelasten en dat de overeenkomst in het hoofdgeding deel uitmaakt van een reeks maatregelen waarover de verschillende belanghebbende partijen, zoals de sportbonden, de sociale partners, de clubs en overheidsinstanties, na die opschorting hebben onderhandeld en waartoe zij hebben besloten teneinde dit sportseizoen in de mate van het mogelijke te kunnen hervatten en, meer in het algemeen, de sector te herstellen.

26 Voorts is de verwijzende rechter van oordeel dat in deze context de objectieve doelstellingen die met de overeenkomst in het hoofdgeding worden nagestreefd ten aanzien van de mededinging, een ambivalent karakter vertonen. Hoewel deze overeenkomst de mededinging heeft beperkt die de deelnemende clubs zonder die overeenkomst op de markt voor rekrutering van spelers met elkaar hadden kunnen aangaan, had zij namelijk ook tot doel om, door op deze manier te trachten de stabiliteit van de spelersbestanden te behouden tijdens de opschorting sine die van het sportseizoen 2019/2020, te zijner tijd de hervatting van de competities tussen deze clubs mogelijk te maken en dus de mededinging „in de stadions” te herstellen onder voorwaarden die geschikt zijn om de integriteit van de competities van de eerste en de tweede divisie te waarborgen.

27 Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af of, los van de vraag of de overeenkomst in het hoofdgeding schadelijk genoeg is voor de mededinging om te kunnen worden aangemerkt als een overeenkomst die ertoe „strekt” de mededinging te beperken, een dergelijke overeenkomst kan worden gelijkgesteld met gedragingen waarvan het Hof met name in de arresten van 19 februari 2002, Wouters e.a. (C‑309/99, EU:C:2002:98), en 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie (C‑519/04 P, EU:C:2006:492), heeft geoordeeld dat zij onder bepaalde voorwaarden niet onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU vallen.

28 In die omstandigheden heeft de Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Vormt een overeenkomst die op 7 april 2020 langs elektronische weg via de platforms Zoom of Microsoft Teams is gesloten door alle profvoetbalclubs in de hoogste divisie van een lidstaat, waarbij de meeste profvoetbalclubs in de tweede divisie van die lidstaat zich de volgende dag langs diezelfde weg hebben aangesloten – in beide gevallen met medeweten van de bond die in die lidstaat tot doel heeft de activiteit van het beroepsvoetbal te waarborgen en te reglementeren – en waarbij zij zich ertoe hebben verbonden om in de in het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing beschreven omstandigheden geen contracten te sluiten met beroepsvoetballers uit die divisies die hun arbeidsovereenkomst eenzijdig hebben opgezegd op grond van uit de COVID‑19-pandemie voortvloeiende kwesties of van naar aanleiding daarvan genomen buitengewone besluiten, inzonderheid de verlenging van het sportseizoen, een regel die de sport betreft als bedoeld in het arrest van 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie (C‑519/04 P, EU:C:2006:492)? 2) Kan een regel die voortvloeit uit een overeenkomst die op 7 april 2020 langs elektronische weg via de platforms Zoom of Microsoft Teams is gesloten door alle profvoetbalclubs in de hoogste divisie van een lidstaat, waarbij de meeste profvoetbalclubs in de tweede divisie van die lidstaat zich de volgende dag langs diezelfde weg hebben aangesloten – in beide gevallen met medeweten van de bond die in die lidstaat tot doel heeft de activiteit van het beroepsvoetbal te waarborgen en te reglementeren – en waarbij zij zich ertoe hebben verbonden om in de in het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing beschreven omstandigheden geen contracten te sluiten met beroepsvoetballers uit die divisies die hun arbeidsovereenkomst eenzijdig hebben opgezegd op grond van uit de COVID‑19-pandemie voortvloeiende kwesties of van naar aanleiding daarvan genomen buitengewone besluiten, inzonderheid de verlenging van het sportseizoen, met de in het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing beschreven kenmerken, doelstellingen en omstandigheden, voor de toepassing van de in de arresten van 19 februari 2002, Wouters e.a. (C‑309/99, EU:C:2002:98, punt 97), en 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie (C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punt 42) ontwikkelde rechtspraak, worden aangemerkt als evenredig en passend, en bijgevolg, krachtens het bepaalde in artikel 165 VWEU, verenigbaar met artikel 101, lid 1, VWEU? 3) Verzet artikel 101, lid 1, VWEU zich tegen een uitlegging volgens welke een overeenkomst met de in het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing beschreven kenmerken, doelstellingen en omstandigheden die op 7 april 2020 langs elektronische weg via de platforms Zoom of Microsoft Teams is gesloten door alle profvoetbalclubs in de hoogste divisie van een lidstaat, waarbij de meeste profvoetbalclubs in de tweede divisie van die lidstaat zich de volgende dag langs diezelfde weg hebben aangesloten – in beide gevallen met medeweten van de bond die in die lidstaat tot doel heeft de activiteit van het beroepsvoetbal te waarborgen en te reglementeren – en waarbij zij zich ertoe hebben verbonden om in de in het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing beschreven omstandigheden geen contracten te sluiten met beroepsvoetballers uit die divisies die hun arbeidsovereenkomst eenzijdig hebben opgezegd op grond van uit de COVID‑19-pandemie voortvloeiende kwesties of van naar aanleiding daarvan genomen buitengewone besluiten, inzonderheid de verlenging van het sportseizoen, kan worden aangemerkt als een mededingingsbeperking naar strekking daar deze in voldoende mate schadelijk is voor de mededinging?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Opmerkingen vooraf

29 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat voor zover sportbeoefening een economische activiteit is, deze onder de Unierechtelijke bepalingen valt die op een dergelijke activiteit van toepassing zijn (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 75).

30 Enkel bepaalde specifieke regels die uitsluitend zijn vastgesteld om niet-economische redenen en die betrekking hebben op kwesties waarbij het uitsluitend om de sport als zodanig gaat, kunnen worden beschouwd als regels die niets te maken hebben met een economische activiteit. Dat is met name het geval bij regels op grond waarvan buitenlandse spelers worden uitgesloten van deelname aan competities tussen teams die elk hun land vertegenwoordigen of waarbij criteria worden vastgesteld voor de selectie van atleten die individueel aan competities deelnemen (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 76).

31 Met uitzondering van die specifieke regels vallen de door sportfederaties vastgestelde regels en, meer algemeen, de handelwijze van die federaties onder de VWEU-bepalingen betreffende het mededingingsrecht wanneer de voorwaarden voor toepassing van die bepalingen zijn vervuld (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 78). Hetzelfde geldt voor de regels en gedragingen die zoals in het hoofdgeding worden afgesproken door profvoetbalclubs, in voorkomend geval in overleg met de bevoegde nationale sportbond.

32 In casu behoren maatregelen als die welke worden genoemd in de persberichten van de LPFP van 7 en 8 april 2020, die in de punten 10 tot en met 12 van het onderhavige arrest zijn vermeld, niet tot de maatregelen waarop de in punt 30 van dit arrest bedoelde uitzondering – waarvan het Hof herhaaldelijk in herinnering heeft gebracht dat zij beperkt moet blijven tot het voorwerp van de sport zelf en dat zij niet kan worden aangewend om elke sportactiviteit van de werkingssfeer van de VWEU-bepalingen betreffende het economische recht van de Unie uit te sluiten (zie naar analogie arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 79) – zou kunnen worden toegepast.

33 Integendeel, aangezien de samenstelling van de ploegen een van de essentiële parameters vormt van de competities waarin de profvoetbalclubs het tegen elkaar opnemen en deze competities aanleiding geven tot een economische activiteit, moeten maatregelen zoals in het hoofdgeding, die betrekking hebben op de aanwerving, de eventuele transfert en de verwachtingen qua mogelijke beroepsmobiliteit van de spelers, worden geacht een directe uitwerking te hebben op die economische activiteit en op de concurrentie tussen de profvoetbalclubs die deze activiteit uitoefenen (zie in die zin en naar analogie arrest van 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 81).

34 Derhalve kunnen dergelijk maatregelen binnen de werkingssfeer van artikel 101 VWEU vallen.

Derde vraag

35 Met zijn derde vraag, die als eerste moet worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een overeenkomst waarbij de clubs die deelnemen aan de profvoetbalcompetities van een lidstaat zich in overleg met de betrokken nationale sportbond ertoe hebben verbonden om geen spelers van elkaar aan te werven indien die spelers hun arbeidsovereenkomst eenzijdig zouden hebben opgezegd vanwege de moeilijkheden die zijn veroorzaakt door de COVID‑19-pandemie of naar aanleiding daarvan genomen buitengewone besluiten, inzonderheid de verlenging van het sportseizoen, moet worden aangemerkt als een overeenkomst die ertoe strekt de mededinging te beperken.

36 Wat dit betreft volgt uit vaste rechtspraak dat om te kunnen vaststellen dat een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU vallen, dient volgens de bewoordingen van die bepaling te worden aangetoond, ofwel dat een dergelijk gedrag ertoe strekt dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst, ofwel dat dit gedrag zulks ten gevolge heeft (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 158 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 124).

37 Daartoe dient in een eerste fase de strekking van het betrokken gedrag te worden onderzocht. Indien een dergelijk onderzoek uitwijst dat dit gedrag een mededingingsbeperkend doel heeft, hoeven de gevolgen ervan voor de mededinging niet te worden onderzocht. Het is dus enkel ingeval het betrokken gedrag niet kan worden geacht een dergelijk mededingingsbeperkend doel te hebben noodzakelijk om in een tweede fase die gevolgen te onderzoeken (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 159 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 125).

38 Hoewel het begrip mededingingsbeperkende „strekking” geen uitzondering vormt ten opzichte van het begrip mededingingsbeperkend „gevolg”, moet het toch strikt worden uitgelegd (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 161 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 126).

39 Bijgevolg moet dat begrip aldus worden opgevat dat het uitsluitend verwijst naar bepaalde soorten coördinatie tussen ondernemingen, die in een zodanige mate schadelijk blijken te zijn voor de mededinging dat hun gevolgen niet hoeven te worden onderzocht. Bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen kunnen namelijk naar hun aard reeds worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 162 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 127).

40 Tot de soorten gedrag die als zodanig moeten worden beschouwd behoren in de eerste plaats bepaalde kartelafspraken die bijzonder schadelijk zijn voor de mededinging, zoals horizontale kartels die leiden tot prijsbepaling, verdeling van markten, beperking van de productiecapaciteit of verdeling van de klanten. Dergelijke soorten gedrag kunnen er namelijk in resulteren dat de prijzen stijgen of dat de productie, en daarmee het aanbod, wordt verlaagd, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, wat in het nadeel speelt van zowel de ondernemingen die er gebruik van maken als de consument (zie in die zin arrest van 21 december 2023, European Superleague Company,C‑333/21, EU:C:2023:1011, point 163 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Andere soorten gedrag zijn niet noodzakelijkerwijs even schadelijk voor de mededinging, maar kunnen in bepaalde gevallen eveneens worden geacht een mededingingsbeperkend doel te hebben. Dat is onder meer het geval bij bepaalde soorten horizontale overeenkomsten die geen kartels zijn, zoals die welke ertoe leiden dat concurrerende ondernemingen van de markt worden uitgesloten, of bepaalde soorten besluiten van ondernemersverenigingen (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 164 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 128). Opdat dergelijke gedragingen als zodanig kunnen worden aangemerkt moet echter, zoals de advocaat-generaal in punt 28 van zijn conclusie heeft uiteengezet, worden aangetoond dat zij in een zodanige mate schadelijk zijn voor de mededinging dat zij duidelijk een mededingingsverstorende rationaliteit hebben.

42 Zoals volgt uit artikel 101, lid 1, onder a) en c), VWEU, waarin met name wordt verwezen naar het bepalen van de „aan‑ of verkoopprijzen” en het verdelen van „markten of voorzieningsbronnen”, kunnen dergelijke kartels, horizontale overeenkomsten of besluiten van ondernemersverenigingen betrekking hebben op niet alleen de door de betrokken ondernemingen op de markt gebrachte goederen of diensten, en dus op het aanbod, maar ook alle soorten hulpbronnen die deze ondernemingen nodig hebben om die goederen of diensten te vervaardigen, en dus op de vraag. Zo kunnen de heimelijke afspraken van die ondernemingen bijvoorbeeld bestaan in het onderling verdelen van leveranciers, het collectief uitoefenen van hun marktmacht om de prijs te bepalen waartegen zij hun productiemiddelen zullen aankopen of ook het beperken of controleren van wat in bepaalde sectoren of op bepaalde markten het essentiële mededingingsaspect vormt, namelijk het contracteren van talentvolle werknemers, zoals reeds opgeleide spelers in de sector van het profvoetbal (arrest van 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 129 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Om in een bepaald geval uit te maken of een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen vormen van coördinatie zijn die naar hun aard moeten worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging, moet worden gekeken naar, ten eerste, de bewoordingen van de overeenkomst, het besluit of de gedragingen in kwestie, ten tweede, de economische en juridische context waarvan zij deel uitmaken en, ten derde, de doelstellingen ervan (zie in die zin arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 165 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 juli 2024, Banco BPN/BIC Português e.a., C‑298/22, EU:C:2024:638, punt 44).

44 In dit verband moeten voor het onderzoek van de bewoordingen van de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedraging die in een bepaald geval aan de orde is, om te beginnen worden nagegaan of de afstemming die eruit voortvloeit, rekening houdend met de verschillende aspecten ervan, zodanige kenmerken vertoont dat zij een vorm van coördinatie tussen ondernemingen oplevert die naar zijn aard moet worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging, hetgeen met name het geval is wanneer coördinatie met dergelijke kenmerken juist wegens die kenmerken kan leiden tot mededingingsvoorwaarden die niet met de normale voorwaarden in de betrokken sector of op de betrokken markt overeenkomen (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Banco BPN/BIC Português e.a., C‑298/22, EU:C:2024:638, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 Wat vervolgens de economische en juridische context betreft waarin het betrokken gedrag plaatsvindt, moet rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken sector(en) of markt(en) Het is daarentegen geenszins noodzakelijk om te onderzoeken, laat staan om aan te tonen, welke gevolgen dat gedrag teweegbrengt voor de mededinging, ongeacht of die gevolgen reëel of potentieel en negatief of positief zijn (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 166 en aldaar aangehaalde rechtspraak, 27 juni 2024, Commissie/Servier e.a., C‑176/19 P, EU:C:2024:549, punten 288 en 453, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 131).

46 Gelet op de uiteenzettingen van de verwijzende rechter dienaangaande moet worden gepreciseerd dat, hoewel de economische en juridische context waarin een bepaalde gedraging wordt gesteld hoe dan ook moet worden onderzocht, zoals blijkt uit de in punt 43 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, de mate waarin met deze context rekening moet worden gehouden niettemin kan afhangen van het soort gedraging in kwestie, zoals de advocaat-generaal in de punten 42, 43 en 66 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt.

47 Zo heeft het Hof geoordeeld dat wanneer er sprake is van samenspanning die een voor de mededinging bijzonder schadelijke vorm van coördinatie kan behelzen, zoals horizontale kartels die leiden tot verdeling van markten of de uitsluiting van potentieel concurrerende ondernemingen van die markten, het onderzoek van de economische en juridische context van die praktijk kan worden beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om te kunnen besluiten dat er sprake is van een mededingingsbeperkende strekking (zie in die zin arresten van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punten 28 en 29, en 26 oktober 2023, EDP – Energias de Portugal e.a., C‑331/21, EU:C:2023:812, punten 100‑102).

48 Wanneer daarentegen sprake is van andere soorten gedragingen die, zonder noodzakelijkerwijs even schadelijk te zijn voor de mededinging, mogelijk toch schadelijk genoeg zijn om te kunnen worden geacht een mededingingsbeperkend doel te hebben, moeten alle in punt 45 van het onderhavige arrest genoemde elementen grondiger worden onderzocht, waarbij indien nodig rekening moet worden gehouden met het relevante regelgevende en institutionele kader.

49 In beide gevallen moet het onderzoek van de werkelijke economische en juridische context waarin het betrokken gedrag plaatsvindt het mogelijk maken na te gaan of is voldaan aan de voorwaarden om te kunnen oordelen dat dit gedrag schadelijk genoeg is voor de mededinging om als mededingingsbeperkend naar „strekking” te kunnen worden aangemerkt. Het kan immers zo zijn dat een gedraging slechts als zodanig kan worden aangemerkt onder bepaalde omstandigheden, welke met name verband houden met de aard van de betrokken goederen of diensten, en de wijze waarop de betrokken markt daadwerkelijk functioneert en is gestructureerd. Omgekeerd kan de inaanmerkingneming van die context leiden tot de vaststelling dat bijzondere omstandigheden rond die gedraging aantonen dat zij niet schadelijk genoeg is om als mededingingsbeperkend te worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Banco BPN/BIC Português e.a., C‑298/22, EU:C:2024:638, punt 48).

50 Wat ten slotte de doelstellingen van het betrokken gedrag betreft, moeten de objectieve doelstellingen worden bepaald die met dat gedrag worden nagestreefd ten aanzien van de mededinging. De omstandigheid dat de betrokken ondernemingen hebben gehandeld zonder het subjectieve oogmerk om de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen en het feit dat zij bepaalde legitieme doelstellingen hebben nagestreefd, zijn niet doorslaggevend voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU (zie in die zin arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 167 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 132).

51 Bovendien moeten bij het onderzoek van alle vereiste aspecten hoe dan ook de precieze redenen worden uiteengezet waarom de aan de orde zijnde gedraging zodanig schadelijk is voor de mededinging dat deze kan worden geacht ertoe te strekken de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 168 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 133).

52 Wat in casu in de eerste plaats de inhoud van de overeenkomst in het hoofdgeding betreft, volgt uit de bewoordingen zelf van de derde vraag van de verwijzende rechter en uit de in de punten 11 en 12 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte uiteenzetting van deze rechter dat het gaat om een overeenkomst waarbij een groep clubs die deelnemen aan de nationale profvoetbalcompetities van een lidstaat zich in overleg met de betrokken nationale sportbond ertoe hebben verbonden om geen spelers van elkaar aan te werven indien die spelers hun arbeidsovereenkomst eenzijdig zouden hebben opgezegd vanwege de moeilijkheden die zijn veroorzaakt door COVID‑19-pandemie of naar aanleiding daarvan genomen buitengewone besluiten, inzonderheid de verlenging van het sportseizoen.

53 Door een dergelijke overeenkomst te sluiten, coördineren de profvoetbalclubs die daaraan deelnemen, in de mate van en volgens de modaliteiten die gezamenlijk zijn vastgesteld, in casu voor twee competities op hoog niveau die plaatsvinden op het niveau van een lidstaat hun gedrag op een markt die vanuit economisch oogpunt een „upstreammarkt” is, namelijk die voor rekrutering van opgeleide spelers en spelers in opleiding. Door hun gedragingen aldus onderling af te stemmen, zien al deze clubs af van de mogelijkheid – of ontzeggen zij zich deze – om zelfstandig te beslissen om een speler aan te werven die zijn arbeidsovereenkomst met een andere club eenzijdig zou hebben beëindigd om redenen die verband houden met de COVID‑19-pandemie. Een dergelijke overeenkomst, die neerkomt op een niet-wervingsovereenkomst, vormt een kennelijke beperking van een mededingingsparameter die op het gebied van beroepssport op hoog niveau een essentiële rol speelt, namelijk de mogelijkheid om spelers aan te trekken die reeds bij een bepaalde club in dienst zijn, aangezien de afwezigheid van die beperking die clubs juist de mogelijkheid kan bieden om op die markt met elkaar te concurreren (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punten 138, 145 en 146).

54 Niet-wervingsovereenkomsten kunnen worden gelijkgesteld met horizontale overeenkomsten tot verdeling van de „voorzieningsbronnen”, als bedoeld in artikel 101, lid 1, onder c), VWEU, die, zoals blijkt uit punt 42 van het onderhavige arrest, schadelijk zijn voor de mededinging doordat zij ertoe strekken de verdeling van de „hulpbronnen”, waaronder de werknemers, onder de deelnemende ondernemingen kunstmatig vast te leggen (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, FIFA,C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 146), waardoor die hulpbronnen mogelijk inefficiënt worden ingezet op de markt.

55 Bovendien beperken die overeenkomsten voor deze werknemers de mogelijkheden om hun diensten aan andere ondernemingen aan te bieden, en beperken zij bijgevolg hun onderhandelingsmacht op de markt, ook ten aanzien van de onderneming die hen tewerkstelt. Bijgevolg kunnen dergelijke niet-wervingsovereenkomsten, hoewel de inhoud ervan verschilt van die van de overeenkomsten waarbij dergelijke ondernemingen rechtstreeks zouden overeenkomen om de lonen van hun spelers, dus de „inkoopprijzen” van hun respectieve personele middelen, vast te leggen, waardoor de mededinging dienaangaande wordt uitgeschakeld of beperkt, toch indirect en potentieel van invloed zijn op die prijzen.

56 Zoals blijkt uit de in de punten 43 en 49 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vaste rechtspraak, kan het onderzoek van de inhoud van een bepaalde overeenkomst – ook al houdt deze verband met een bepaalde soort gedraging die in het algemeen als mededingingsbeperkend naar strekking kan worden beschouwd – op zichzelf niet volstaan om een dergelijke kwalificatie te rechtvaardigen.

57 Wat in de tweede plaats de economische en juridische context betreft waarin het betrokken gedrag plaatsvindt, zij er ten eerste aan herinnerd dat het concrete onderzoek van de werkelijke context waarin de economische activiteiten in verband met de beoefening van een sport plaatsvinden, kan vereisen dat rekening wordt gehouden met onder meer de aard, de organisatie of de werking van de betrokken sport, de wijze waarop zij wordt uitgeoefend, de wisselwerking tussen de verschillende actoren die eraan deelnemen en de rol van de verantwoordelijke structuren of organismen op alle niveaus waarmee de Unie overeenkomstig artikel 165, lid 3, VWEU de samenwerking bevordert (zie in die zin arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punten 104 en 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

58 Zoals vermeld in punt 52 van het onderhavige arrest is de overeenkomst in het hoofdgeding in casu een overeenkomst tot niet-werving van spelers die hun arbeidsovereenkomst eenzijdig zouden hebben beëindigd om redenen die verband houden met de COVID‑19-pandemie, die door een groep clubs die deelnemen aan de nationale profvoetbalcompetities van een lidstaat is gesloten in overleg met de betrokken nationale sportbond. Zoals in punt 53 van dit arrest is opgemerkt, betreft het dus een mededingingsparameter die op het gebied van profvoetbal op hoog niveau een essentiële rol speelt.

59 De mededinging die tussen ondernemingen als de profvoetbalclubs kan bestaan, vertoont bepaalde specifieke kenmerken. Hoewel deze ondernemingen met elkaar kunnen concurreren op verschillende markten, zoals die van de verkoop van wedstrijdtickets aan toeschouwers, de zoektocht naar en de werving van sponsors of de exploitatie van bepaalde juridische of economische rechten in verband met de competities waaraan zij deelnemen en de spelers die zij in dienst hebben, hangt de positie die zij op die markten ten opzichte van elkaar innemen in zekere mate af van hun eerste en belangrijkste activiteit, namelijk deelname aan sportcompetities.

60 Die sportcompetities worden er onder meer door gekenmerkt dat, hoewel deelname aan die competities voorbehouden is aan ploegen die bepaalde sportresultaten hebben behaald, waarbij die competities zo verlopen dat de ploegen in verschillende fasen tegen elkaar aantreden en elkaar uitschakelen, en dus berusten op de sportieve verdienste, de goede werking, de duurzaamheid en het welslagen ervan afhangen van de handhaving van een sportief en financieel evenwicht en van het behoud van een zekere gelijkheid van kansen tussen de profvoetbalclubs die eraan deelnemen, gelet op de onderlinge afhankelijkheid die hen verbindt (zie in die zin arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punten 143 en 235 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61 In zoverre veronderstelt het voortbestaan van de mededinging die profvoetbalclubs met elkaar kunnen aangaan dat er op elk moment voldoende clubs zijn die deelnemen aan de verschillende competities die op nationaal en internationaal niveau worden georganiseerd, ook al kunnen deze clubs naargelang het sportseizoen geleidelijk uit een bepaalde sportcompetitie worden uitgeschakeld, en promoveren sommige clubs terwijl andere integendeel degraderen naar een andere divisie.

62 Ten tweede heeft het Hof er herhaaldelijk op gewezen dat de nationale en internationale sportbonden die verantwoordelijk zijn voor een bepaalde sportdiscipline, gelet op deze verschillende specifieke kenmerken, in het kader van hun juridische autonomie gerechtigd zijn om gemeenschappelijke regels vast te stellen met het oog op onder meer de organisatie van de competities in die discipline, het goede verloop daarvan en de deelname van de sportbeoefenaren eraan (zie in die zin arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punten 75 en 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63 Dergelijke gemeenschappelijke regels, die tot doel hebben de homogeniteit en de coördinatie van deze competities binnen een algemene kalender te waarborgen en, meer in het algemeen, de organisatie van sportcompetities op basis van gelijkheid van kansen en verdienste adequaat en daadwerkelijk te bevorderen, mogen onder meer tot doel hebben de voorwaarden vast te stellen waaronder de profvoetbalclubs de ploegen kunnen samenstellen die aan dergelijke competities deelnemen alsook waaronder de spelers zelf daaraan kunnen deelnemen (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 143 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

64 In het bijzonder kan een sportbond – aangezien deze clubvoetbalcompetities in de Unie elk jaar of seizoen zo verlopen dat de ploegen in verschillende fasen tegen elkaar aantreden en elkaar uitschakelen, zoals in punt 60 van het onderhavige arrest is vermeld, en bijgevolg in hoofdzaak berusten op de sportieve verdienste, die slechts kan worden gewaarborgd indien alle ploegen tegen elkaar aantreden onder homogene reglementaire en technische voorwaarden, waardoor een zekere gelijkheid van kansen wordt gewaarborgd – alle reden hebben om te willen zorgen voor een zekere stabiliteit in de samenstelling van de spelersbestanden die als „visvijver” fungeren voor de ploegen die door deze clubs in de loop van een bepaald seizoen worden opgesteld, bijvoorbeeld door het instellen van een verbod op eenzijdige verbreking van contracten in de loop van een bepaald seizoen of zelfs jaar (arrest van 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 144 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65 Wanneer een sportbond dergelijke regels vaststelt, moeten deze evenwel in overeenstemming zijn met het Unierecht. In het bijzonder mag de vaststelling van deze regels niet tot gevolg hebben dat de naleving ervan door leden van deze bond die ondernemingen zijn, leidt tot schending van de artikelen 101 en 102 VWEU. Bovendien mag de toepassing van die regels de uitoefening van de rechten en vrijheden die het Unierecht aan particulieren verleent, niet beperken (zie in die zin arrest van 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66 In casu legt de overeenkomst in het hoofdgeding, die gezamenlijk door de LPFP en een aantal voetbalclubs is gesloten, de concurrentieverhoudingen van deze clubs als marktdeelnemers gedeeltelijk vast.

67 Ten derde vraagt de verwijzende rechter zich af, zoals blijkt uit de punten 24 en 25 van het onderhavige arrest, of hij op grond van bepaalde andere factoren die kenmerkend zijn voor de economische en juridische context van de overeenkomst in het hoofdgeding, zou kunnen oordelen dat deze overeenkomst niet schadelijk genoeg is voor de mededinging om te kunnen worden beschouwd als een overeenkomst die ertoe strekt de mededinging te beperken, en of het bijgevolg gerechtvaardigd is de daadwerkelijke of potentiële gevolgen ervan voor de mededinging niet te onderzoeken.

68 Zoals blijkt uit de punten 7 tot en met 11, 14 tot en met 16, en 18 van het onderhavige arrest, verwijst deze rechter in het bijzonder naar de COVID‑19-pandemie, naar de algemene gevolgen van die pandemie, die met name verband houden met de lockdown en de sluiting van de openbare inrichtingen, alsook naar de specifieke gevolgen daarvan voor de profvoetbalsector, zoals de opschorting van het sportseizoen 2019/2020 en de talrijke praktische, sportieve, sociale, economische en financiële moeilijkheden waarmee de voetbalclubs door die pandemie zijn geconfronteerd.

69 In dit verband moet worden opgemerkt dat hoewel het uiteindelijk aan de verwijzende rechter staat om de overeenkomst in het hoofdgeding te kwalificeren in het licht van artikel 101, lid 1, VWEU, het Hof in zijn prejudiciële beslissing op basis van de gegevens van het dossier waarover het beschikt, niettemin preciseringen kan geven teneinde deze rechter bij zijn uitlegging te leiden en om hem in staat te stellen het hoofdgeding te beslechten (zie in die zin arresten van 13 juli 2006, Manfredi e.a., C‑295/04–C‑298/04, EU:C:2006:461, punt 48, en 25 januari 2024, Em akaunt BG, C‑438/22, EU:C:2024:71, punt 27).

70 In casu verschilt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gedraging om te beginnen van de regels die de nationale of internationale sportbonden die verantwoordelijk zijn voor een bepaalde sportdiscipline uitvaardigen op grond van hun statuten en de taken die hun door de overheid zijn opgedragen of toegekend. Uit de persberichten van de LPFP van 7 en 8 april 2020, die in de punten 10 tot en met 12 van het onderhavige arrest zijn vermeld, lijkt immers naar voren te komen dat deze gedraging oorspronkelijk niet uitging van een dergelijke sportbond, maar van profvoetbalclubs, die ondernemingen zijn.

71 Aangezien artikel 101, lid 1, VWEU beoogt iedere vorm van coördinatie te verbieden die welbewust een feitelijke samenwerking tussen ondernemers in de plaats stelt van de risico’s van de concurrentie, en, meer in het algemeen, de mededingingsvoorschriften van het VWEU op de premisse berusten dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de markt zal voeren (zie in die zin arresten van 14 juli 1981, Züchner, 172/80, EU:C:1981:178, punt 13, en 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punt 34), kan een dergelijke gedraging bovendien niet met dergelijke regels worden gelijkgesteld.

72 Desalniettemin blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gedraging, hoewel zij oorspronkelijk niet uitgaat van de bevoegde nationale sportbond, is afgesproken in aanwezigheid van de voorzitter van deze bond en kan worden geacht door deze bond te zijn gesteund of zelfs goedgekeurd, hetgeen evenwel aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.

73 Voorts heeft dit gedrag, zoals in de verwijzingsbeslissing is gepreciseerd, plaatsgevonden in de zeer specifieke context van de COVID‑19-pandemie, die niet alleen de betrokken sector in tal van opzichten heeft getroffen, maar ook en vooral een wezenlijke invloed heeft gehad op de concurrentiële werking zelf van die sector. Met name bleef de hervatting van de wedstrijden die in het kader van de eerste en de tweede divisie nog moesten worden gespeeld als gevolg van deze pandemie en de daaruit voortvloeiende opschorting van het sportseizoen 2019/2020 onzeker op het moment waarop de overeenkomst in het hoofdgeding tot stand is gekomen. Deze onzekerheid had zowel een weerslag op de einddatum van dat sportseizoen, in geval van hervatting, als op het verstrijken van de arbeidsovereenkomst van bepaalde spelers. Zonder passende maatregelen zouden de spelers die hun arbeidsovereenkomst eenzijdig hadden beëindigd wegens die pandemie of wier arbeidsovereenkomst was verstreken op de datum waarop dat sportseizoen aanvankelijk zou eindigen, namelijk op 30 juni 2020, immers daarna vrijelijk bij een andere club in dienst zijn kunnen treden, hetgeen onvermijdelijk de samenstelling van de verschillende ploegen aanzienlijk zou hebben gewijzigd en dus de integriteit van de competitie zou hebben aangetast. Zoals de advocaat-generaal in de punten 57 en 58 van zijn conclusie in essentie opmerkt, had een dergelijke situatie bovendien kunnen worden verergerd indien de clubs die door een dergelijk vertrek van spelers waren getroffen door hun economische en financiële moeilijkheden niet over voldoende liquide middelen beschikten om nieuwe spelers in dienst te nemen.

74 Het is juist dat een gebeurtenis als de COVID‑19-pandemie als zodanig geen uitzondering op de dwingende bepaling van artikel 101, lid 1, VWEU kan rechtvaardigen (zie in die zin en naar analogie arresten van 26 september 2013, ÖBB-Personenverkehr, C‑509/11, EU:C:2013:613, punten 49 en 50, en 8 juni 2023, UFC – Que choisir en CLCV, C‑407/21, EU:C:2023:449, punt 57).

75 In zoverre de verwijzende rechter verwijst naar artikel 165 VWEU, moet hieraan worden toegevoegd dat dit niet anders is in het geval van een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sport. Deze bepaling is immers geen bijzondere regel die de sport zou onttrekken aan alle of een deel van de andere bepalingen van het primaire Unierecht die erop kunnen worden toegepast, of die de verplichting zou opleggen om de sport bij die toepassing een speciale behandeling toe te kennen (arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 101).

76 Dit neemt echter niet weg dat de verwijzende rechter met omstandigheden als die welke in punt 73 van het onderhavige arrest zijn vermeld rekening moet houden om uit te maken of uit de context van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gedraging, in samenhang met de strekking en de objectieve doelstellingen ervan, al dan niet kan worden geconcludeerd dat die gedraging ertoe strekt de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen.

77 Ten slotte moeten bij het onderzoek van de economische en juridische context van het betrokken gedrag in een bepaald geval, en meer in het bijzonder van de reële omstandigheden die kenmerkend zijn voor de werking van de sector(en) waarin of de markten waarop dat gedrag heeft plaatsgevonden, in elk geval de precieze redenen worden uiteengezet waarom dat gedrag, gelet op de specifieke kenmerken van die context, niet zodanig schadelijk is voor de mededinging dat deze kan worden geacht ertoe te strekken de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, net zoals dit moet gebeuren – zoals blijkt uit punt 51 van het onderhavige arrest – wanneer de bevoegde autoriteit of rechterlijke instantie tot de tegenovergestelde conclusie komt.

78 Ongeacht de conclusie waartoe de verwijzende rechter na zijn onderzoek van de andere door hem genoemde aspecten van de economische en juridische context zal komen aangaande het al dan niet bestaan van een mededingingsbeperking „naar strekking”, zal die beoordeling dus moeten berusten op een mededingingsanalyse waarbij de precieze redenen voor die conclusie worden uiteengezet in het licht van alle relevante feitelijke en juridische gegevens.

79 Wat in de derde en laatste plaats de objectieve doelstellingen van de overeenkomst in het hoofdgeding ten aanzien van de mededinging betreft, nopen de door de verwijzende rechter uiteengezette gegevens dienaangaande tot de volgende opmerkingen.

80 Ten eerste zet deze rechter in essentie uiteen dat de overeenkomst in het hoofdgeding, gelet op de duidelijke en nauwkeurige inhoud ervan, moet worden geacht te strekken tot beperking van de mededinging die de profvoetbalclubs die de overeenkomst hebben gesloten, zonder deze laatste op de markt voor rekrutering van spelers met elkaar hadden kunnen aangaan.

81 Deze uiteenzetting, waarin het doel in kwestie wordt afgeleid uit de inhoud zelf van die overeenkomst, bevestigt dat deze overeenkomst intrinsiek een van de verschillende vormen van mededinging kon aantasten, namelijk die op het vlak van de rekrutering van spelers, die de clubs van de nationale eerste divisie – waarvan de competitie toen sine die was opgeschort, maar niettemin zou kunnen worden hervat indien de ontwikkeling van de situatie als gevolg van de COVID‑19-pandemie het mogelijk maakte – met elkaar hadden kunnen aangaan.

82 Ten tweede zet de verwijzende rechter in essentie uiteen dat de overeenkomst in het hoofdgeding in omstandigheden als vermeld in punt 73 van het onderhavige arrest niettemin ook beoogde gedurende de gehele periode van de opschorting sine die van het sportseizoen 2019/2020 de stabiliteit te behouden van de spelersbestanden van waaruit de clubs hun respectieve ploegen konden samenstellen, zodat de competities te zijner tijd konden worden hervat onder voorwaarden die de integriteit ervan waarborgden. In dit verband herinnert de verwijzende rechter er in het bijzonder aan dat aanvankelijk was voorzien dat dit sportseizoen op 30 juni 2020 zou aflopen, dat tal van arbeidsovereenkomsten tussen de clubs en hun spelers op die datum afliepen en dat de clubs zonder de overeenkomst in het hoofdgeding het recht zouden hebben gehad om in de loop van de competitie spelers van hun concurrenten aan te trekken, ook tussen de aanvankelijk geplande einddatum van dat sportseizoen en de datum van hervatting daarvan, wat clubs met meer financiële middelen in staat zou hebben gesteld hun ploegen te versterken en daarmee tegelijk die van hun concurrenten te verzwakken, waardoor de competitie en uiteindelijk de mededinging „in de stadions” onherstelbaar zouden zijn vervalst.

83 Deze uiteenzetting, op grond waarvan de verwijzende rechter van oordeel is dat deze overeenkomst in zoverre objectief een mededingingsbevorderend doel had, lijkt relevant in het licht van de specifieke kenmerken van de normale mededinging in de profvoetbalsector, die in de punten 60 tot en met 64 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, en de feitelijke context waarin die overeenkomst tot stand is gekomen.

84 Zoals blijkt uit de in die punten aangehaalde rechtspraak, berusten de clubvoetbalcompetities immers onder meer op het beginsel van sportieve verdienste, dat veronderstelt dat de resultaten die alle betrokken clubs in de verschillende fasen van een bepaalde competitie hebben behaald, naar behoren kunnen worden vergeleken.

85 Zoals de advocaat-generaal in de punten 57 tot en met 59 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, veronderstelt deze vorm van mededinging die de clubs met elkaar kunnen aangaan noodzakelijkerwijs dat de integriteit van de competitie en de stabiliteit van de spelersbestanden waaruit de clubs de ploegen kunnen samenstellen die zij tijdens een bepaalde competitie of een bepaald seizoen opstellen, worden gewaarborgd, hetgeen in de praktijk inhoudt dat te late transfers, die de competitiewaarde van een team in de loop van een competitie aanzienlijk kunnen beïnvloeden, worden voorkomen en dat eenzijdige verbreking van contracten in de loop van het seizoen wordt verboden (zie in die zin arresten van 13 april 2000, Lehtonen en Castors Braine, C‑176/96, EU:C:2000:201, punten 53 en 54, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punten 100 en 144), tenzij er daarvoor geldige redenen zijn, zoals niet-betaling van het salaris van een speler door de club of een tuchtrechtelijk fout die een dergelijke verbreking rechtvaardigt.

86 De verwijzende rechter kan dus op goede gronden oordelen dat de overeenkomst in het hoofdgeding tegelijkertijd een objectief mededingingsbeperkend doel nastreefde, namelijk de beperking van de mededinging op de markt voor rekrutering van spelers, en een objectief mededingingsbevorderend doel, namelijk het behoud van de stabiliteit van het spelersbestand van de eerste en de tweede divisie door middel van een beperking op het aantrekken, door clubs van die divisies, van spelers wier arbeidsovereenkomst ten einde liep of door de betrokkene eenzijdig was beëindigd om redenen die verband hielden met de COVID‑19-pandemie, ook in de periode tussen de datum waarop het sportseizoen 2019/2020 zonder de opschorting zou zijn geëindigd en de uiteindelijk gekozen einddatum in geval van hervatting.

87 Gelet op de opmerkingen van de verwerende partij in het hoofdgeding en de Commissie dienaangaande, moet hieraan worden toegevoegd dat een dergelijke situatie fundamenteel verschilt van die waarin een gedraging met een objectief mededingingsbeperkend doel tegelijkertijd andere doelstellingen nastreeft die mogelijk legitiem zijn maar neutraal ten aanzien van de mededinging (zie in die zin arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 167 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

88 Bijgevolg blijkt uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechter en uit het dossier waarover het Hof beschikt dat hoewel het onderzoek van de inhoud van de overeenkomst in het hoofdgeding aan het licht brengt dat deze kennelijk van dien aard was dat zij de mededinging die tussen de deelnemende voetbalclubs op de markt voor rekrutering van spelers kon bestaan, kon beperken, het onderzoek van de werkelijke economische en juridische context waarin deze overeenkomst tot stand is gekomen uitwijst dat deze is gesloten in een sector waar de mededinging tal van specifieke kenmerken vertoont, en bovendien in een zeer specifieke context. Voorts blijkt daaruit dat deze overeenkomst niet alleen een objectief mededingingsbeperkend doel heeft, namelijk de mededinging op de markt voor rekrutering van spelers beperken, maar ook een objectief mededingingsbevorderend doel, namelijk de stabiliteit waarborgen van het spelersbestand van de eerste en de tweede divisie. Het staat dus uitsluitend aan de verwijzende rechter om nauwkeurig en op gemotiveerde wijze na te gaan of deze overeenkomst, gelet op alle relevante feitelijke en juridische gegevens, schadelijk genoeg is om te kunnen worden geacht een mededingingsbeperkend doel te hebben.

89 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een overeenkomst waarbij de clubs die deelnemen aan de profvoetbalcompetities van een lidstaat zich in overleg met de betrokken nationale sportbond ertoe hebben verbonden om geen spelers van elkaar aan te werven indien die spelers hun arbeidsovereenkomst eenzijdig zouden hebben opgezegd vanwege de moeilijkheden die zijn veroorzaakt door de COVID‑19-pandemie of naar aanleiding daarvan genomen buitengewone besluiten, inzonderheid de verlenging van het sportseizoen, moet worden aangemerkt als een overeenkomst die ertoe strekt de mededinging te beperken, tenzij uit het concrete onderzoek van de inhoud van deze overeenkomst, de objectieve doelstellingen ervan ten aanzien van de mededinging en de specifieke economische en juridische context waarin deze tot stand is gekomen, de precieze redenen blijken waarom de bevoegde autoriteit of rechterlijke instantie van oordeel is dat de overeenkomst niet als zodanig kan worden aangemerkt.

Eerste en tweede vraag

90 Met zijn eerste en zijn tweede vraag, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het daarin neergelegde verbod niet van toepassing is op een overeenkomst waarbij de clubs die deelnemen aan de profvoetbalcompetities van een lidstaat zich in overleg met de betrokken nationale sportbond ertoe hebben verbonden om geen spelers van elkaar aan te werven indien deze spelers hun arbeidsovereenkomst eenzijdig zouden hebben beëindigd vanwege de moeilijkheden die zijn veroorzaakt door de COVID‑19-pandemie of naar aanleiding daarvan genomen buitengewone besluiten, inzonderheid de verlenging van het sportseizoen.

91 Dienaangaande volgt uit de rechtspraak van het Hof dat niet elke overeenkomst tussen ondernemingen die, of elk besluit van een ondernemersvereniging dat, de handelingsvrijheid beperkt van de ondernemingen die partij zijn bij die overeenkomst of die dat besluit moeten naleven, automatisch onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU valt. Uit het onderzoek van de economische en juridische context waarin bepaalde van die overeenkomsten en besluiten moeten worden geplaatst, kan namelijk naar voren komen, ten eerste, dat deze worden gerechtvaardigd door het nastreven van een of meer legitieme doelstellingen van algemeen belang die als zodanig niet mededingingsbeperkend zijn, ten tweede, dat de concrete middelen waarmee die doelstellingen worden nagestreefd, daar werkelijk toe noodzakelijk zijn en, ten derde, dat ook als die middelen er onvermijdelijk toe leiden dat de mededinging althans potentieel wordt beperkt of vervalst, dit onvermijdelijk gevolg niet verder gaat dan noodzakelijk is, wat met name wél het geval zou zijn wanneer de mededinging volledig zou worden uitgeschakeld (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 183 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 149).

92 Deze rechtspraak kan evenwel niet worden toegepast op gedragingen die niet gewoon tot onvermijdelijk „gevolg” hebben dat de mededinging althans potentieel wordt beperkt doordat zij de handelingsvrijheid van bepaalde ondernemingen beknotten, maar voor de mededinging zodanig schadelijk zijn dat het gerechtvaardigd is om ze aan te merken als gedragingen die er juist „toe strekken” deze te verhinderen, te beperken of te vervalsen (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 186, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 150). De mate waarin deze gedragingen schadelijk zijn voor de mededinging, dat wil zeggen de schade die daardoor kan worden toegebracht aan de gebruikers en de tussenconsumenten of eindconsumenten in de verschillende betrokken sectoren of markten, is immers te groot om die gedragingen te kunnen aanmerken als gerechtvaardigd en evenredig (arrest van 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 150).

93 Gedragingen die ertoe strekken de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, kunnen dus alleen op grond van artikel 101, lid 3, VWEU en voor zover aan alle voorwaarden van die bepaling is voldaan, worden vrijgesteld van het verbod dat door artikel 101, lid 1, VWEU wordt opgelegd (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 187, en 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punt 151).

94 In casu dient de verwijzende rechter dus enkel indien hij na zijn onderzoek van de overeenkomst in het hoofdgeding tot de conclusie komt dat deze er niet toe strekt de mededinging te beperken, en kan aantonen dat deze overeenkomst niettemin een dergelijk gevolg heeft, na te gaan of deze overeenkomst op grond van de in punt 91 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak kan worden geacht niet onder artikel 101, lid 1, VWEU te vallen, met dien verstande dat de partij die zich op die rechtspraak beroept, met afdoende argumenten en bewijzen moet aantonen dat alle voorwaarden daartoe zijn vervuld (zie naar analogie arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punten 130, 191 en 205 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

95 Gelet op de uiteenzetting in de verwijzingsbeslissing en de opmerkingen dienaangaande van de partijen in het hoofdgeding en de andere belanghebbenden die aan de onderhavige procedure hebben deelgenomen, moet niettemin in de eerste plaats worden opgemerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gedraging, hoewel zij de vorm aanneemt van een overeenkomst die is gesloten tussen profvoetvalclubs in overleg met de betrokken nationale sportbond, dus door ondernemingen in overleg met een ondernemersvereniging (zie in die zin arrest van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 90), onder de in punt 91 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak kan vallen. Zoals uit de bewoordingen van deze rechtspraak blijkt, is deze namelijk, anders dan de verwerende partij in het hoofdgeding en de Commissie stellen, van toepassing op alle gedragingen waarbij een ondernemersvereniging en de bij haar aangesloten ondernemingen hun optreden coördineren, ongeacht de vorm van die coördinatie, en niet alleen op gedragingen die de vorm aannemen van regels die als besluit van een ondernemersvereniging kunnen worden aangemerkt.

96 Wat in de tweede plaats het bestaan van een legitiem doel van algemeen belang betreft, heeft het er Hof reeds herhaaldelijk op gewezen dat de doelstelling om het regelmatige verloop van sportcompetities te waarborgen een legitiem doel van algemeen belang is die in het geval van voetbal van bijzonder belang is en die met name, in beginsel en zonder vooruit te lopen op de inhoud ervan, de vaststelling kan rechtvaardigen van regels betreffende de termijnen voor transfers van spelers in de loop van een competitie en van regels die strekken tot het behoud van een zekere mate van stabiliteit in het spelersbestand waaruit de clubs de ploegen kunnen samenstellen die zij tijdens een bepaalde competitie opstellen (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, FIFA, C‑650/22, EU:C:2024:824, punten 100‑102 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

97 In die omstandigheden kan de nastreving van een dergelijk doel, in beginsel en zonder vooruit te lopen op de inhoud ervan, de regels rechtvaardigen die worden toegepast bij een overeenkomst als die in het hoofdgeding.

98 Wat in de derde en laatste plaats de noodzakelijkheid en de evenredigheid in strikte zin van deze overeenkomst betreft, moet worden opgemerkt dat het onderzoek ervan veronderstelt dat, zoals blijkt uit de in punt 91 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak, allereerst wordt gekeken of de concrete middelen die in een bepaald geval worden gebruikt om een legitiem doel van algemeen belang na te streven, geschikt zijn om dat doel te verwezenlijken, vervolgens wordt beoordeeld of het gebruik van deze middelen noodzakelijk is om dat doel te bereiken, hetgeen betekent dat er geen andere maatregelen bestaan die daartoe even doeltreffend zijn en de mededinging minder beperken, en ten slotte wordt nagegaan of de beperkende gevolgen van de vastgestelde maatregelen niet onevenredig zijn aan dat doel, in het bijzonder doordat alle mededinging op de betrokken markt wordt uitgeschakeld.

99 Het staat dus aan de verwijzende rechter, die in zijn verwijzingsbeslissing melding heeft gemaakt van twijfels over de noodzakelijkheid en de evenredigheid van de overeenkomst in het hoofdgeding, om deze drie voorwaarden, namelijk de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenredigheid in strikte zin van de overeenkomst, grondig te onderzoeken in het licht van de door de partijen aangevoerde argumenten en bewijzen en van alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden.

100 Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het daarin neergelegde verbod niet van toepassing is op een overeenkomst waarbij de clubs die deelnemen aan de profvoetbalcompetities van een lidstaat zich in overleg met de betrokken nationale sportbond ertoe hebben verbonden om geen spelers van elkaar aan te werven indien deze spelers hun arbeidsovereenkomst eenzijdig zouden hebben beëindigd vanwege de moeilijkheden die zijn veroorzaakt door de COVID‑19-pandemie of naar aanleiding daarvan genomen buitengewone besluiten, inzonderheid de verlenging van het sportseizoen, indien deze overeenkomst niet kan worden aangemerkt als een overeenkomst die ertoe strekt de mededinging te beperken, en bovendien is aangetoond dat die overeenkomst wordt gerechtvaardigd door de nastreving van een legitiem doel van algemeen belang in het licht waarvan zij passend, noodzakelijk en evenredig in strikte zin lijkt te zijn.

Kosten

101 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een overeenkomst waarbij de clubs die deelnemen aan de profvoetbalcompetities van een lidstaat zich in overleg met de betrokken nationale sportbond ertoe hebben verbonden om geen spelers van elkaar aan te werven indien die spelers hun arbeidsovereenkomst eenzijdig zouden hebben opgezegd vanwege de moeilijkheden die zijn veroorzaakt door de COVID‑19-pandemie of naar aanleiding daarvan genomen buitengewone besluiten, inzonderheid de verlenging van het sportseizoen, moet worden aangemerkt als een overeenkomst die ertoe strekt de mededinging te beperken, tenzij uit het concrete onderzoek van de inhoud van deze overeenkomst, de objectieve doelstellingen ervan ten aanzien van de mededinging en de specifieke economische en juridische context waarin deze tot stand is gekomen, de precieze redenen blijken waarom de bevoegde autoriteit of rechterlijke instantie van oordeel is dat de overeenkomst niet als zodanig kan worden aangemerkt.

2) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het daarin neergelegde verbod niet van toepassing is op een overeenkomst waarbij de clubs die deelnemen aan de profvoetbalcompetities van een lidstaat zich in overleg met de betrokken nationale sportbond ertoe hebben verbonden om geen spelers van elkaar aan te werven indien deze spelers hun arbeidsovereenkomst eenzijdig zouden hebben beëindigd vanwege de moeilijkheden die zijn veroorzaakt door de COVID‑19-pandemie of naar aanleiding daarvan genomen buitengewone besluiten, inzonderheid de verlenging van het sportseizoen, indien deze overeenkomst niet kan worden aangemerkt als een overeenkomst die ertoe strekt de mededinging te beperken, en bovendien is aangetoond dat die overeenkomst wordt gerechtvaardigd door de nastreving van een legitiem doel van algemeen belang in het licht waarvan zij passend, noodzakelijk en evenredig in strikte zin lijkt te zijn.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Portugees.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken