HvJ EU 12 september 2019, C-82/17, ECLI:EU:C:2019:719

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

12 september 2019 ( *1 )

„Hogere voorziening – Milieu – Genetisch gemodificeerde producten – Besluit van de Commissie tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die gedeeltelijk bestaan uit de genetisch gemodificeerde soja MON 87701 x MON 89788 – Verordening (EG) nr. 1367/2006 – Artikel 10, lid 1 – Verzoek tot interne herziening van het besluit, ingediend overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot inspraak van het publiek bij besluitvorming inzake milieuaangelegenheden – Afwijzing van het verzoek”

In zaak C‑82/17 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 14 februari 2017,

TestBioTech eV, gevestigd te München (Duitsland),

European Network of Scientists for Social and Environmental Responsibility eV, gevestigd te Braunschweig (Duitsland),

Sambucus eV, gevestigd te Vahlde (Duitsland),

vertegenwoordigd door K. Smith, QC, en J. Stevenson, barrister,

rekwirantes,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Flynn, G. Gattinara en C. Valero als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg

Monsanto Europe, gevestigd te Antwerpen (België),

Monsanto Company, gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten),

aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Pittie, avocat, en vervolgens door P. Honoré en A. Helfer, avocats,

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA),

interveniënten in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, J. Malenovský, L. Bay Larsen (rapporteur), M. Safjan en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 juni 2018,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 oktober 2018,

het navolgende

Arrest

1 Met hun hogere voorziening verzoeken TestBioTech eV, European Network of Scientists for Social and Environmental Responsibility eV en Sambucus eV om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 15 december 2016, TestBioTech e.a./Commissie (T‑177/13, EU:T:2016:736, niet gepubliceerd; hierna: „bestreden arrest”), waarbij hun beroep is afgewezen dat strekte tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 8 januari 2013 betreffende de interne herziening van uitvoeringsbesluit 2012/347/EU van de Commissie van 28 juni 2012 tot verlening van een vergunning voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met de genetisch gemodificeerde soja MON 87701 x MON 89788 (MON-877Ø1‑2 x MON-89788‑1) overeenkomstig verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (hierna: „litigieus besluit”).

Toepasselijke bepalingen

Verordening (EG) nr. 1829/2003

2 In overweging 6 van verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB 2003, L 268, blz. 1) staat het volgende te lezen: „Hoewel wezenlijke gelijkwaardigheid een belangrijk element van de veiligheidsbeoordeling van genetisch gemodificeerde levensmiddelen is, volstaat dit niet als veiligheidsbeoordeling op zich”.

3 Artikel 5, lid 8, en artikel 17, lid 8, van verordening nr. 1829/2003 bepalen dat de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) vóór de datum waarop deze verordening van toepassing wordt, uitvoerige richtsnoeren publiceert teneinde de aanvrager bij te staan bij het opstellen en indienen van de aanvraag van een vergunning voor het in de handel brengen van een ggo voor respectievelijk levensmiddelen en diervoeders.

4 Krachtens artikel 5, lid 3, onder f), van die verordening moet een aanvraag van een vergunning voor het in de handel brengen van een ggo „een met passende informatie en gegevens onderbouwde analyse omvatten waaruit blijkt dat de kenmerken van het levensmiddel niet van die van hun conventionele tegenhanger verschillen, gelet op de algemeen aanvaarde grenswaarden inzake natuurlijke variaties voor de betrokken kenmerken, alsmede op de in artikel 13, lid 2, onder a), genoemde criteria, dan wel een voorstel voor etikettering van het levensmiddel overeenkomstig artikel 13, lid 2, onder a), en lid 3”.

5 Artikel 16, lid 1, onder a), van deze verordening is als volgt verwoord: „Diervoeders zoals bedoeld in artikel 15, lid 1: a) mogen geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu hebben”.

Verordening (EG) nr. 1367/2006

6 De overwegingen 11, 18, 19 en 21 van verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13), luiden als volgt: „(11) Administratieve handelingen van individuele strekking die juridisch bindende en externe werking hebben, moeten aan een interne herziening kunnen worden onderworpen. [...] [...] (18) Artikel 9, lid 3, van het Verdrag van Aarhus voorziet in toegang tot rechterlijke of andere herzieningsprocedures om handelingen en nalatigheden van particulieren en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van het milieurecht. Er moeten bepalingen inzake toegang tot de rechter worden ingevoerd op een wijze die verenigbaar is met het Verdrag. In dit verband is het passend dat in deze verordening alleen handelingen en nalatigheden van overheidsinstanties aan de orde zijn. (19) Om adequate en effectieve rechtsmiddelen te verzekeren, met inbegrip van die voor het Hof van Justitie [van de Europese Unie] uit hoofde van de desbetreffende bepalingen van het Verdrag, is het passend dat de [...] instelling of het [...] orgaan [van de Unie] aan de bron van de aan te vechten handeling of die/dat, in geval van een vermeende administratieve nalatigheid, nagelaten heeft te handelen, de gelegenheid krijgt haar/zijn vroegere beslissing te herroepen, dan wel te handelen, in geval van een nalatigheid. [...] (21) Wanneer het voorafgaand verzoek tot interne herziening geen resultaat oplevert, mogen de betrokken niet-gouvernementele organisaties een procedure voor het Hof van Justitie inleiden overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Verdrag.”

7 Volgens artikel 2, lid 1, onder g), van verordening nr. 1367/2006 wordt voor de toepassing van deze verordening onder „administratieve handeling” verstaan: elke onder het milieurecht vallende en door een instelling of orgaan van de Unie genomen maatregel van een individuele strekking die juridisch bindende en externe werking heeft.

8 Artikel 10 van deze verordening heeft als opschrift „Verzoek tot interne herziening van administratieve handelingen” en bepaalt: „1. Elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de criteria van artikel 11 is gerechtigd een verzoek tot interne herziening in te dienen bij de [...] instelling [van de Unie] die of het [...] orgaan [van de Unie] dat een administratieve handeling met betrekking tot het milieurecht heeft gesteld of in het geval van een beweerde administratieve nalatigheid, zo’n handeling had moeten stellen. Een dergelijk verzoek moet schriftelijk worden ingediend binnen een termijn van ten hoogste zes weken nadat de administratieve handeling werd gesteld, bekendgemaakt of er kennis van is gegeven, afhankelijk van wat het meest recentelijk is gebeurd, of, in het geval van beweerde nalatigheid, binnen zes weken te rekenen vanaf de dag waarop de administratieve handeling had moeten zijn gesteld. In het verzoek moeten de redenen voor herziening worden gespecificeerd. 2. De in lid 1 bedoelde [...] instelling of het [...] orgaan [van de Unie] neemt het verzoek in overweging, tenzij het duidelijk ongegrond is. De [...] instelling of het [...] orgaan [van de Unie] geeft zo snel mogelijk, en niet later dan twaalf weken na ontvangst van het verzoek, schriftelijk de redenen van haar of zijn reactie aan. 3. Wanneer de [...] instelling of het [...] orgaan [van de Unie] ondanks al haar of zijn inspanningen er niet in slaagt te handelen in overeenstemming met lid 2, stelt de instelling of het orgaan de niet-gouvernementele organisatie die het verzoek heeft ingediend zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen de in lid 2 genoemde termijn in kennis van de redenen van het niet-handelen en deelt mee wanneer de instelling of het orgaan voornemens is wel te handelen. De [...] instelling of het [...] orgaan [van de Unie] handelt in elk geval binnen de achttien weken na de ontvangst van het verzoek.”

9 Artikel 12 van deze verordening draagt het opschrift „Procedure voor het Hof van Justitie” en luidt als volgt: „1. Een niet-gouvernementele organisatie die in overeenstemming met artikel 10 een verzoek tot interne herziening heeft ingediend, kan overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Verdrag een procedure voor het Hof van Justitie beginnen. 2. Indien de [...] instelling of het [...] orgaan [van de Unie] niet in overeenstemming met artikel 10, lid 2 of 3, handelt, kan de niet-gouvernementele organisatie een procedure bij het Hof van Justitie beginnen overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Verdrag.”

Voorgeschiedenis van het geding

10 De eerste rekwirante, TestBioTech, is een Duitse vereniging zonder winstoogmerk met als statutair doel het onafhankelijk onderzoek en het publieke debat over de gevolgen van biotechnologie te bevorderen. De tweede rekwirante, European Network of Scientists for Social and Environmental Responsibility, is een Duitse vereniging zonder winstoogmerk die tot doel heeft de wetenschap en het onderzoek ter bescherming van het milieu, de biodiversiteit en de volksgezondheid tegen de schadelijke gevolgen van nieuwe technologieën en de producten daarvan te bevorderen. De derde rekwirante, Sambucus, is een Duitse milieuvereniging zonder winstoogmerk waarvan het statutair doel verband houdt met culturele activiteiten.

11 Op 14 augustus 2009 heeft Monsanto Europe op grond van verordening nr. 1829/2003 bij de bevoegde instantie van Nederland een aanvraag ingediend voor het in de handel brengen van levensmiddelen, levensmiddeleningrediënten en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met soja MON 87701 x MON 89788 (hierna: „gemodificeerde soja”). De aanvraag had eveneens betrekking op het in de handel brengen van andere producten dan levensmiddelen en diervoeders, die geheel of gedeeltelijk bestaan uit gemodificeerde soja voor dezelfde gebruiksdoeleinden als andere soja, met uitzondering van de teelt.

12 Gemodificeerde soja is een hybride product. Het wordt gemaakt op basis van traditionele teelttechnieken, die worden gebruikt om het genetisch materiaal van twee ouderplanten te combineren: soja MON 87701 en soja MON 89799 (hierna: „ouders”). De ouders zelf zijn genetisch gemodificeerd. Aangezien gemodificeerde soja de gewijzigde genen van beide ouders combineert, wordt het een „stapeling van events” genoemd.

13 Op 15 februari 2012 heeft EFSA krachtens verordening nr. 1829/2003 een algemeen advies uitgebracht waarin zij tot de slotsom kwam dat de gemodificeerde soja voldeed aan de voorwaarden van deze verordening om in de handel te worden gebracht.

14 Bij uitvoeringsbesluit 2012/347/EU van de Commissie van 28 juni 2012 (PB 2012, L 171, blz. 13; hierna: „vergunningsbesluit”), waaraan in punt 1 van dit arrest wordt herinnerd, heeft de Europese Commissie een voorwaardelijke vergunning verleend voor: – levensmiddelen en levensmiddeleningrediënten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met gemodificeerde soja; – diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met gemodificeerde soja; – andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die geheel of „gedeeltelijk” bestaan uit gemodificeerde soja voor dezelfde gebruiksdoeleinden als andere soja, met uitzondering van de teelt.

15 Bij brief van 6 augustus 2012 heeft elke rekwirante de Commissie op grond van artikel 10 van verordening nr. 1367/2006 verzocht om het vergunningsbesluit aan een interne herziening te onderwerpen. Rekwirantes namen daarin onder meer het standpunt in dat de beoordeling dat de gemodificeerde soja in wezen gelijkwaardig is aan zijn tegenhanger, onjuist was, dat geen rekening was gehouden met de synergetische of combinatorische effecten, dat de immunologische risico’s niet naar behoren waren ingeschat en dat er geen monitoring van de gevolgen voor de gezondheid was opgelegd.

16 Bij het litigieuze besluit heeft de Commissie de eerste rekwirante meegedeeld dat zij geen van de juridische en wetenschappelijke bezwaren aanvaardde die waren aangevoerd ter onderbouwing van het verzoek tot interne herziening van het vergunningsbesluit. De Commissie was dus van mening dat het vergunningsbesluit in overeenstemming was met verordening nr. 1829/2003.

17 Op dezelfde dag heeft de Commissie aan de tweede en de derde rekwirante besluiten meegedeeld die in wezen identiek waren aan het besluit dat tot de eerste rekwirante was gericht.

Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest

18 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 maart 2013, hebben rekwirantes een beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.

19 De Commissie, EFSA, Monsanto Europe en Monsanto Company (hierna: „Monsanto”) hebben betoogd dat dit beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels ongegrond was. Het Verenigd Koninkrijk heeft aangevoerd dat dit beroep in zijn geheel moest worden verworpen.

20 Ter onderbouwing van hun beroep hebben rekwirantes vier middelen aangevoerd: ten eerste, geen wezenlijke gelijkwaardigheid tussen de gemodificeerde soja en de conventionele tegenhanger ervan; ten tweede, geen beoordeling van de synergetische en combinatorische effecten en de toxiciteit; ten derde, geen exhaustieve immunologische beoordeling; en ten vierde, geen monitoring van de consumptie van producten die gedeeltelijk bestaan uit gemodificeerde soja na het verlenen van de vergunning voor het in de handel brengen.

21 Het Gerecht heeft bepaalde door de eerste rekwirante in haar beroep tot nietigverklaring geformuleerde grieven of argumenten niet-ontvankelijk verklaard, met name omdat zij niet waren opgenomen in het door haar ingediende verzoek tot interne herziening of omdat zij niet coherent en begrijpelijk waren.

22 Om te beginnen heeft het Gerecht in punt 66 van het bestreden arrest benadrukt dat een verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling in de zin van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1367/2006 uitdrukkelijk moet vermelden om welke handeling het gaat en de redenen voor de herziening aangeven. Om deze redenen op de vereiste wijze te specificeren, moet een aanvrager alle feitelijke elementen of juridische argumenten vermelden die aannemelijke twijfel doen rijzen over de beoordeling door de instelling of het orgaan van de Unie in de betrokken handeling. Een derde die opkomt tegen een vergunning voor het in de handel brengen, moet dus substantiële bewijselementen aandragen die ernstige twijfels kunnen doen rijzen over de rechtmatigheid van de verlening van deze vergunning.

23 Wat de juridische waarde van de door EFSA gepubliceerde richtsnoeren betreft, heeft het Gerecht in punt 118 van het bestreden arrest geoordeeld dat „de Commissie bij haar onderzoek of herziening niet gebonden is aan de richtsnoeren van EFSA, maar dat zij zeker ervoor kan kiezen deze als beoordelingskader toe te passen in zaken die bij haar worden ingediend”.

24 Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 229 en 231 van het bestreden arrest overwogen dat, gelet op de beoordeling door EFSA van de toxiciteit van het betrokken product, op basis van het argument van eerste rekwirante volgens hetwelk de Commissie zich niet kan beroepen op de vaststelling van wezenlijke gelijkwaardigheid van de samenstellingen om geen „passende toxicologische beoordeling” te verrichten, niet kan worden besloten dat de Commissie blijk heeft gegeven van een kennelijke beoordelingsfout in het litigieuze besluit.

25 Ten slotte, wat betreft het vermeende ontbreken van een passende toxicologische beoordeling van gemodificeerde soja in het licht van verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB 2005, L 70, blz. 1), heeft het Gerecht in punt 233 van het bestreden arrest geoordeeld dat „proeven en aanpassingen tot vaststelling van een maximumresidugehalte voor gemodificeerde soja op grond van verordening nr. 396/2005 teneinde rekening te houden met soja die bestand is tegen glyfosaat en onkruidbestrijdingsmiddelen, zouden moeten worden uitgevoerd in het kader van een onderzoek op grond van deze verordening, en niet in het kader van verordening nr. 1829/2003”.

26 Het Gerecht heeft het beroep, voor zover het betrekking had op het litigieuze besluit, deels irrelevant, deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard. Voor zover het ingestelde beroep ook moest worden geacht betrekking te hebben op de twee besluiten die respectievelijk tot European Network of Scientists for Social and Environmental Responsibility en Sambucus zijn gericht, heeft het Gerecht geoordeeld dat – aangezien deze besluiten identiek zijn aan het litigieuze besluit – de aangevoerde middelen hoe dan ook op dezelfde gronden moesten worden verworpen als die waarop het beroep, voor zover het betrekking had op het litigieuze besluit, is verworpen.

Conclusies van partijen in hogere voorziening

27 Rekwirantes verzoeken het Hof: – punten 1 en 2 van het dictum van het bestreden arrest te vernietigen; – een arrest te wijzen waarbij de besluiten van de Commissie nietig worden verklaard zoals is verzocht voor het Gerecht of, subsidiair, de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen voor een nieuw volledig onderzoek van de zaak; – de Commissie te verwijzen in de kosten, en – alle andere maatregelen te gelasten die passend worden geacht.

28 De Commissie verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en – rekwirantes te verwijzen in de kosten van beide instanties.

29 Monsanto verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen en – rekwirantes te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

30 Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwirantes vijf middelen aan die inhouden dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door het beroep tot nietigverklaring deels niet-ontvankelijk, irrelevant of ongegrond te hebben verklaard, door hun ten onrechte een onmogelijke bewijslast te hebben opgelegd, door niet te hebben erkend dat de door EFSA overeenkomstig haar wettelijke verplichtingen gepubliceerde richtsnoeren het gewettigd vertrouwen hadden gewekt dat zij in acht zouden worden genomen, door te hebben vastgesteld dat de door verordening nr. 1829/2003 vereiste veiligheidsbeoordeling in twee fasen niet hoefde te worden verricht, en ten slotte door zich op verordening nr. 396/2005 te hebben gebaseerd om bepaalde elementen van de grief van rekwirantes af te wijzen waarmee werd aangevoerd dat de Commissie ten onrechte geen volledig onderzoek van de potentiële toxiciteit van de litigieuze soja heeft verlangd en de effecten van de litigieuze soja na de verlening van de vergunning voor het in de handel brengen ervan niet heeft gemonitord.

Eerste middel

Argumenten van partijen

31 Met hun eerste middel betogen rekwirantes dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat bepaalde van hun argumenten, bewijzen of stukken niet-ontvankelijk waren, aangezien zij niet waren opgenomen in de verzoeken tot herziening of niet samen met deze verzoeken waren overgelegd.

32 Rekwirantes stellen dat een verzoek tot herziening krachtens artikel 10 van verordening nr. 1367/2006 tot doel heeft de bevoegde instelling van de Unie, in casu de Commissie en EFSA, in staat te stellen het eerder door haar genomen besluit te herzien en vast te stellen of het besluitvormingsproces dat tot dat besluit heeft geleid in overeenstemming is met het milieurecht.

33 Hoewel niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) die een verzoek tot herziening indienen volgens deze bepaling de redenen voor herziening moeten specificeren, stellen rekwirantes dat deze ngo’s niet in de plaats van de betrokken instelling moeten treden om in detail het resultaat uiteen te zetten van een herziening die de instelling had moeten verrichten. Wanneer ngo’s bij de rechter beroep instellen tegen een beslissing over een verzoek tot herziening, moeten zij het recht hebben om de redenen die zij in hun verzoek tot herziening hebben ingeroepen, nader uit te werken of om nadere gegevens en bewijzen ter ondersteuning van deze redenen toe te voegen, teneinde aan te tonen wat de bevoegde instelling zou hebben vastgesteld of waarmee zij rekening had moeten houden indien zij dat verzoek tot herziening had ingewilligd. Een te restrictieve uitlegging van het vereiste dat verzoeker de redenen moet opgeven op grond waarvan hij om herziening verzoekt, zou in strijd zijn met het voorwerp en het doel van verordening nr. 1367/2006, namelijk toegang tot de rechter verschaffen inzake milieuaangelegenheden.

34 Rekwirantes zijn van mening dat, aangezien het Gerecht artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1367/2006 onjuist heeft uitgelegd en toegepast, moet worden vastgesteld dat de niet-ontvankelijkheidsbeoordelingen van het Gerecht in de punten 65 tot en met 70, 125, 126, 136, 137, 199, 262 tot en met 264, 266 en 267 van het bestreden arrest onjuist zijn.

35 Voorts voeren rekwirantes subsidiair vijf grieven aan. Zij betogen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door 1) in de punten 140 tot en met 142 en 201 van het bestreden arrest te weigeren rekening te houden met de tabellen in de bijlage bij hun verzoekschrift, die lijsten met bewijsmiddelen bevatten tot staving van duidelijk uiteengezette juridische kwesties; 2) door in de punten 143 tot en met 147 van dat arrest te oordelen dat de aan de Commissie verweten inbreuk niet op coherente en begrijpelijke wijze uit dat verzoekschrift bleek; 3) door in punt 234 van dat arrest te oordelen dat rekwirantes met hun drie klachten, waarin zij aanvoerden dat de toxiciteit van de litigieuze soja ontoereikend was beoordeeld, de inbreuken van EFSA – en niet de besluiten van de Commissie – hebben aangevochten; 4) door de beoordelingen in de punten 278 tot en met 280 van dat arrest met betrekking tot het derde onderdeel van het derde middel niet duidelijk te motiveren, in het bijzonder door argumenten ongegrond te verklaren omdat de tot staving van deze argumenten aangevoerde elementen geen betrekking hadden op het deel van het litigieuze besluit dat in het kader van dat onderdeel werd aangevochten, en omdat zij in het verzoekschrift in eerste aanleg en in het verzoek tot herziening niet op dezelfde wijze waren genummerd of ingedeeld, en 5) door in de punten 292 en 293 van het bestreden arrest de argumenten van eerste rekwirante als onvoldoende nauwkeurig te beschouwen in het licht van de complexiteit van de zaak.

36 De Commissie en Monsanto zijn van mening dat het eerste middel moet worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

37 Er zij aan herinnerd dat krachtens artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1367/2006 elke ngo die aan de criteria van artikel 11 van deze verordening voldoet, gerechtigd is om een met redenen omkleed verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling in te dienen bij de instelling van de Unie die of het orgaan van de Unie dat de handeling met betrekking tot het milieurecht heeft gesteld. Indien zoals in casu de betrokken administratieve handeling betrekking heeft op een vergunning voor het in de handel brengen van producten die gedeeltelijk bestaan uit genetisch gemodificeerde soja zoals gespecificeerd in punt 14 van dit arrest, heeft het verzoek tot herziening overeenkomstig deze bepaling betrekking op de herbeoordeling van deze vergunning.

38 Het verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling beoogt dus vast te doen stellen dat de betrokken handeling onrechtmatig of ongegrond is. Verzoeker kan vervolgens overeenkomstig artikel 12 van verordening nr. 1367/2006, gelezen in samenhang met artikel 10 van deze verordening, bij de Unierechter beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of van bepalingen ter uitvoering daarvan of misbruik van bevoegdheid instellen tegen het besluit waarbij het verzoek tot interne herziening ongegrond is verklaard.

39 Dit beroep kan niet worden gebaseerd op nieuwe gronden of bewijzen die niet in het verzoek tot herziening waren opgenomen, aangezien anders het in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1367/2006 neergelegde vereiste dat dit verzoek met redenen moet worden omkleed, zijn nuttig effect zou verliezen en het voorwerp van de bij dit verzoek ingeleide procedure zou worden gewijzigd.

40 Hieruit volgt dat het Gerecht in punt 69 van het bestreden arrest geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat eerste rekwirante zich in haar beroep in eerste aanleg had kunnen beroepen op onbevoegdheid van de Commissie om het litigieuze besluit vast te stellen, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of van bepalingen ter uitvoering daarvan of misbruik van bevoegdheid bij de vaststelling van deze handeling, en door te oordelen dat de Commissie niet verplicht was andere gronden te onderzoeken dan die welke rekwirante had aangevoerd bij de indiening van haar verzoek tot interne herziening van het vergunningsbesluit, teneinde vast te stellen of dit verzoek ernstige twijfels deed rijzen over de rechtmatigheid van de verlening van deze vergunning.

41 Wat de onjuiste rechtsopvattingen betreft waarvan de punten 125, 126, 136, 137, 199, 262 tot en met 264, 266 en 267 van het bestreden arrest blijk zouden geven omdat het Gerecht heeft geweigerd uitspraak te doen over de gronden of bewijzen die niet in het verzoek tot interne herziening waren aangevoerd, moet, gelet op de punten 39 en 40 van dit arrest, het middel dienaangaande worden afgewezen.

42 Met betrekking tot de vijf subsidiaire middelen die in punt 35 van dit arrest zijn samengevat en waarmee rekwirantes aanvoeren dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door bepaalde argumenten irrelevant, niet-ontvankelijk of ongegrond te verklaren, zij eraan herinnerd dat uit artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening nauwkeurig moet aangeven tegen welke onderdelen van de beslissing waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven. Een middel waarvan het betoog niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is om het Hof in staat te stellen zijn rechtmatigheidstoetsing uit te voeren, voldoet dan ook niet aan die vereisten en moet niet-ontvankelijk worden verklaard, met name omdat uit de tekst van het verzoekschrift in hogere voorziening, die ter zake onduidelijk en dubbelzinnig is geformuleerd, niet op voldoende samenhangende en begrijpelijke wijze blijkt welke de wezenlijke onderdelen zijn waarop het middel berust (zie met name beschikking van 3 december 2015, Verband der Kölnisch-Wasser Hersteller/BHIM, C‑29/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2015:799, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak)

43 De eerste subsidiaire grief betreft de punten 140 tot en met 142 en 201 van het bestreden arrest, die luiden als volgt: „140 Ten eerste, voor zover eerste [rekwirante] in dit verband verwijst naar de in bijlage I bij het verzoekschrift vermelde literatuur, met als opschrift ‚Tabel betreffende het effect van de besproeiing van genetisch gemodificeerde planten met een onkruidbestrijdingsmiddel op basis van glyfosaat’, moet eraan worden herinnerd dat eerste [rekwirante] zich in casu beperkt tot een algemene bewering dat er verschillen zijn vastgesteld tussen de gemodificeerde soja, de tegenhanger ervan en de referentiestoffen, en dat de genoemde wetenschappelijke literatuur van het allergrootste belang is, aangezien eruit kan worden afgeleid dat een passende studie van het besproeiingseffect kan leiden tot de vaststelling dat er nog andere, significante verschillen zijn. 141 Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Deze uiteenzetting dient zo duidelijk en precies te zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen over het beroep, in voorkomend geval zonder aanvullende informatie. Voor de ontvankelijkheid van een beroep wordt verlangd dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. De tekst daarvan mag weliswaar op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar bepaalde passages uit bijgevoegde stukken, maar een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd, kan het ontbreken van de wezenlijke elementen van het juridische betoog, die volgens bovengenoemde bepalingen in het verzoekschrift moeten worden vermeld, niet goedmaken. De bijlagen kunnen slechts in aanmerking worden genomen voor zover zij middelen of argumenten staven of aanvullen die de verzoekende partijen in hun geschriften uitdrukkelijk hebben aangevoerd, en voor zover precies kan worden vastgesteld welke elementen van deze bijlagen deze middelen of argumenten staven of aanvullen. Bovendien is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te vinden die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, aangezien de bijlagen louter als bewijsmiddel dienen. Deze uitlegging van artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering [van het Gerecht] van 2 mei 1991 geldt ook voor de memorie van repliek (zie arrest van 14 maart 2013, Fresh Del Monte Produce/Commissie, T‑587/08, EU:T:2013:129, punten 268‑271 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 142 Overeenkomstig deze rechtspraak moet worden opgemerkt dat de bewoordingen van de onderhavige grief het Gerecht niet in staat kan stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen, en de bijlagen kunnen geen gedetailleerd bewijs vormen van een stelling in het verzoekschrift die onvoldoende duidelijk en nauwkeurig is geformuleerd, aangezien zij louter als bewijsstukken dienen. Bijgevolg moet het argument dat naar bijlage I bij het verzoekschrift verwijst en volgens hetwelk geen rekening is gehouden met een grote hoeveelheid wetenschappelijke literatuur waarin wordt gesteld dat het sproeien van bepaalde onkruidbestrijdingsmiddelen op genetisch gemodificeerde planten van invloed is op de samenstelling ervan, niet-ontvankelijk worden verklaard. [...] 201 Bovendien moet worden vastgesteld dat eerste [rekwirante] in het kader van deze grief weliswaar verwijst naar de in bijlage II bij het verzoekschrift vermelde literatuur, met als opschrift ,Tabel B: Samenvatting van de wetenschappelijke literatuur die de talrijke plantaardige bestanddelen en chemische stoffen opsomt die synergetische of combinatorische effecten met Cry/toxine Bt-eiwitten kunnen produceren’, maar dat zij zich beperkt tot een algemene bewering dat deze literatuur door de Commissie is genegeerd. Overeenkomstig de in punt 141 genoemde rechtspraak kan een dergelijke formulering van de onderhavige grief het Gerecht niet in staat stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen, en de bijlagen kunnen geen gedetailleerd bewijs vormen van een stelling in het verzoekschrift die onvoldoende duidelijk en nauwkeurig is geformuleerd, aangezien zij louter als bewijsstukken dienen. Bijgevolg moet het argument volgens hetwelk de Commissie de in bijlage II bij het verzoekschrift vermelde literatuur heeft genegeerd, niet-ontvankelijk worden verklaard.”

44 In dit verband verwijten rekwirantes het Gerecht enkel dat het, in strijd met de in punt 42 van dit arrest in herinnering gebrachte vereisten, geen rekening heeft gehouden met de bewijzen ter staving van hun grieven die duidelijk in hun verzoekschrift in eerste aanleg waren uiteengezet, zonder aan te geven van welke onjuiste rechtsopvatting(en) het Gerecht blijk zou hebben gegeven, met name bij de uitlegging en toepassing van artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, en zonder zich te beroepen op een onjuiste opvatting van de feiten door het Gerecht.

45 In deze omstandigheden is de eerste subsidiaire grief niet-ontvankelijk.

46 De tweede subsidiaire grief betreft de punten 143 tot en met 147 van het bestreden arrest, die luiden als volgt: „143 Wat in de tweede plaats het argument betreft dat de Commissie zich heeft gebaseerd op ‚een’ kennelijke schending van de methode van de vergelijkende analyse van EFSA ter rechtvaardiging van het ontbreken van een nader onderzoek van de verschillen die het bestaan van ongewenste neveneffecten van de betrokken combinatie van eiwitten aan het licht kunnen brengen, moet worden opgemerkt dat eerste [rekwirante] niet uiteenzet naar welke specifieke ‚schending’ door de Commissie in het [litigieuze] besluit zij precies verwijst. In het onderhavige onderdeel geeft zij immers niet aan waarom zij van mening is dat het argument van de Commissie dat de vastgestelde verschillen tussen de daïdzeïne- en genisteïnegehalten in de gemodificeerde soja en die in de conventionele tegenhanger ervan binnen de marges van de referentiestoffen blijven, een kennelijke beoordelingsfout bevat. 144 Bovendien blijkt uit de argumenten van eerste [rekwirante] tegen het [litigieuze] besluit niet duidelijk welke statistisch significante verschillen de Commissie specifiek in aanmerking had moeten nemen of volgens eerste [rekwirante] relevant zijn ter ondersteuning van haar stelling dat er sprake is van ‚een’ kennelijke schending van de methode van de vergelijkende analyse. 145 Er zij evenwel aan herinnerd dat artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering [van het Gerecht] van 2 mei 1991 bepaalt dat het verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Volgens vaste rechtspraak moeten deze gegevens zo duidelijk en precies zijn dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht op het beroep kan beslissen, in voorkomend geval zonder verdere informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is voor de ontvankelijkheid van een beroep derhalve vereist, dat de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep – althans summier, maar coherent en begrijpelijk – uit het verzoekschrift zelf blijken (zie in die zin beschikking van 11 januari 2013, Charron Inox en Almet/Commissie en Raad, T‑445/11 en T‑88/12, niet gepubliceerd, EU:T:2013:4, punt 57). 146 Bovendien voldoet het gebruik van algemene en onnauwkeurige verwijzingen naar andere delen van het verzoekschrift of andere documenten niet aan de vereisten van de in punt 145 genoemde rechtspraak, gelet op het feit dat de in de onderhavige zaak aangevoerde argumenten betrekking hebben op zeer technische feiten, en gelet op de complexiteit van de betrokken materie. Ofschoon niet kan worden uitgesloten dat, in het geval van een algemene verwijzing naar de in andere middelen uiteengezette elementen, de wezenlijke feitelijke en juridische gronden waarop verzoekster zich baseert, in het verzoekschrift te vinden zijn, is het niettemin van belang dat verzoekster deze coherent en begrijpelijk voordraagt. Het staat immers niet aan het Gerecht om uit te zoeken of de tot staving van een eerste middel aangevoerde elementen ook elementen omvatten die een tweede middel kunnen staven, en welke elementen in casu kunnen worden gebruikt (zie in die zin arrest van 27 september 2006, Roquette Frères/Commissie, T‑322/01, EU:T:2006:267, punt 209). 147 Aangezien uit het verzoekschrift niet op coherente en begrijpelijke wijze blijkt welke ‚schending’ eerste [rekwirante] de Commissie verwijt, moet haar argument dienaangaande niet-ontvankelijk worden verklaard.”

47 Rekwirantes betogen dat de overwegingen in de punten 143 tot en met 147 van het bestreden arrest onjuist zijn, aangezien de feitelijke en juridische aspecten duidelijk in het verzoekschrift in eerste aanleg zijn uiteengezet. Indien de in dit verband aangevoerde onjuiste rechtsopvatting bestaat in de bewering dat het Gerecht zich niet heeft uitgesproken over argumenten die in andere onderdelen van het eerste middel van het beroep tot nietigverklaring zijn aangevoerd, moet echter worden vastgesteld dat rekwirantes geen enkele nadere uitleg geven over de relevantie van deze argumenten in het licht van de overwegingen van het Gerecht in de punten 143 tot en met 147 van dat arrest.

48 Bijgevolg is de tweede subsidiaire grief niet-ontvankelijk.

49 De derde subsidiaire grief betreft punt 234 van het bestreden arrest, volgens hetwelk „voor zover eerste [rekwirante] van mening is dat EFSA krachtens een uit verordening nr. 1829/2003 voortvloeiende verplichting het risico van wisselwerkingen en synergieën met betrekking tot de gemodificeerde soja had moeten onderzoeken, moet worden opgemerkt dat zij geen enkel argument aanvoert waaruit blijkt dat het [litigieuze] besluit onrechtmatig is, maar dat zij zich beperkt tot de vaststelling dat EFSA een inbreuk heeft begaan. Daarom moet worden geoordeeld dat dit argument geen hout snijdt”.

50 Hoewel rekwirantes betogen dat het Gerecht hun argumenten betreffende andere grieven van het derde onderdeel van het tweede middel van het beroep tot nietigverklaring niet in aanmerking heeft genomen en bijgevolg ten onrechte heeft geoordeeld dat zij een inbreuk door EFSA en niet de onrechtmatigheid van het litigieuze besluit hebben betwist, moet worden vastgesteld dat rekwirantes de relevantie van deze argumenten niet nader hebben toegelicht in het licht van de overwegingen van het Gerecht in punt 234 van het bestreden arrest.

51 Bijgevolg is de derde subsidiaire grief niet-ontvankelijk.

52 De vierde subsidiaire grief betreft de punten 278 tot en met 280 van het bestreden arrest, die luiden als volgt: „278 Opgemerkt zij dat de in het kader van het derde onderdeel van het derde middel aangevoerde argumenten geen betrekking hebben op het [litigieuze] besluit, voor zover het betrekking heeft op het argument ‚C1’ van het verzoek tot interne herziening van eerste [rekwirante]. Met betrekking tot aanvullend onderzoek, met name inzake de allergene werking, verwijst de Commissie in het [litigieuze] besluit niet naar de op de bewijskracht steunende benadering (weight-of-evidence approach) of naar door [rekwirantes] genoemde wetenschappelijke publicaties. 279 Het is echter van belang erop te wijzen dat de door eerste [rekwirante] in het kader van dit onderdeel aangevoerde argumenten in feite betrekking hebben op het deel van het [litigieuze] besluit betreffende het argument ‚C4’ dat door eerste [rekwirante] in haar verzoek tot interne herziening is aangevoerd met betrekking tot het ontbreken van een nadere immunologische beoordeling. 280 Aangezien de argumenten van eerste [rekwirante] betrekking hebben op het antwoord van de Commissie op de argumenten betreffende het ontbreken van een nadere immunologische beoordeling en niet op het antwoord op de argumenten betreffende aanvullend onderzoek inzake de allergene werking, moet het derde onderdeel van het derde middel ongegrond worden verklaard, daar eerste [rekwirante] niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de betrokken redenering van de Commissie kennelijk onjuist is.”

53 Volgens rekwirantes heeft het Gerecht deze punten van het bestreden arrest ontoereikend gemotiveerd en in ieder geval blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door argumenten ongegrond te hebben verklaard omdat dat zij in het verzoek tot herziening en in het verzoekschrift in eerste aanleg anders waren geformuleerd of genummerd.

54 Wat de gestelde ontoereikende motivering betreft, moet worden opgemerkt dat de vierde subsidiaire grief op dit punt niet-ontvankelijk is, aangezien rekwirantes op geen enkele wijze hebben aangegeven in welk opzicht de motivering niet duidelijk was.

55 Wat de vermeende onjuiste rechtsopvatting betreft die het Gerecht wordt verweten, dient te worden benadrukt dat deze grief voortvloeit uit een onjuiste lezing van het bestreden arrest. In de punten 278 tot en met 280 van dit arrest heeft het Gerecht immers geen argumenten afgewezen op grond van het feit dat zij in het verzoek tot herziening en in het verzoek in eerste aanleg anders waren genummerd of ingedeeld. Het Gerecht heeft het derde onderdeel van het derde middel daarentegen ongegrond verklaard omdat eerste rekwirante niets had aangevoerd waaruit bleek dat de betrokken redenering van de Commissie kennelijk onjuist was. Derhalve is de vierde subsidiaire grief op dit punt ongegrond.

56 Bijgevolg is de vierde subsidiaire grief deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.

57 De vijfde subsidiaire grief betreft de punten 292 en 293 van het bestreden arrest, die luiden als volgt: „292 Eerste [rekwirante] legt dienaangaande niet uit wat de ‚statistisch significante verschillen zijn die zijn vastgesteld tussen de gemodificeerde soja en de conventionele tegenhanger ervan’ waarvoor een plan voor de controle op de consumptie van de gemodificeerde soja door mens en dier had moeten worden opgesteld, welke argumenten in het kader van de eerste drie middelen van het onderhavige beroep volgens haar tot gevolg hebben dat de vergunning is gehandhaafd en dat ‚geen passende beoordeling is verricht van de noodzaak om de menselijke consumptie te monitoren na het in de handel brengen van de gemodificeerde soja’ en onder welke voorwaarden een monitoringplan volgens haar ,passend’ zou zijn geweest. Opgemerkt zij dat een dergelijk onnauwkeurig verzoek, gelet op de complexiteit van de betrokken materie, niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, dat vereist dat de essentiële elementen feitelijk en rechtens waarop het beroep berust coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. 293 Het vierde middel moet dus in zijn geheel worden afgewezen voor zover het betrekking heeft op het [litigieuze] besluit.”

58 Rekwirantes betwisten de beoordeling van het Gerecht door zich te beroepen op de argumenten die zij in de punten 227 tot en met 230 van het verzoekschrift in eerste aanleg hebben aangevoerd en die verwijzen naar de reeds in de punten 80 en 97 tot en met 119 van dat verzoekschrift aangevoerde argumenten, waaruit volgens hen blijkt dat, gezien de statistisch significante verschillen die zijn vastgesteld tussen de gemodificeerde soja en de conventionele tegenhanger ervan, een plan voor de controle op de consumptie van deze soja door mens en dier had moeten worden opgesteld.

59 Vastgesteld moet echter worden dat de punten 227 tot en met 230 van het verzoekschrift in eerste aanleg niet verwijzen naar de punten 80 en 97 tot en met 119 van dat verzoekschrift. Bijgevolg heeft het Gerecht de feiten niet onjuist opgevat en geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het verzoekschrift in eerste aanleg op dit punt als onduidelijk te hebben gekwalificeerd en het op dit punt niet-ontvankelijk te hebben verklaard.

60 Bijgevolg is de vijfde subsidiaire grief ongegrond.

61 Uit een en ander volgt dat het eerste middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond is, zodat het moet worden afgewezen.

Tweede middel

Argumenten van partijen

62 Met hun tweede middel stellen rekwirantes in de eerste plaats dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een onmogelijke bewijslast te leggen op ngo’s die een beroep instellen op grond van de artikelen 10 en 12 van verordening nr. 1367/2006. Zo heeft het Gerecht in de punten 67, 83 en 88 van het bestreden arrest van de aanvrager van een interne herziening van een administratieve handeling verlangd dat hij substantiële bewijzen aandraagt die ernstige twijfels kunnen doen rijzen over de rechtmatigheid van de betrokken handeling, en heeft aldus op dit gebied een regel inzake de bewijslastverdeling toegepast die in een andere juridische context wordt gebruikt. Terwijl het in het onderhavige geval immers gaat om beroepen op grond van artikel 12 van verordening nr. 1367/2006 tegen besluiten die zijn vastgesteld naar aanleiding van verzoeken tot herziening, is de regel inzake de bewijslastverdeling die het Gerecht in het bestreden arrest heeft toegepast, immers de regel die het Hof toepast in geschillen inzake de betwisting door derden van vergunningen voor het in de handel brengen, volgens welke regel derden substantiële bewijzen moeten overleggen die ernstige twijfels kunnen doen rijzen over de rechtmatigheid van de verlening van deze vergunning. Uiteindelijk strekken de verzoeken tot herziening ertoe vast te doen stellen dat de door de aanvragers opgeworpen bezwaren gegrond zijn.

63 In de tweede plaats verwijten rekwirantes het Gerecht dat het deze bewijslastregel heeft toegepast op een wijze die in strijd is met zijn beoordeling dat ngo’s niet verplicht zijn te bewijzen dat ggo’s niet veilig zijn. Zo heeft het Gerecht in de punten 134, 135, 148 tot en met 150, 157, 163 tot en met 168, 170, 205 tot en met 209, 217 tot en met 224, 230, 231, 238 tot en met 243, 246, 247, 256, 282, 287 en 289 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat uit de door rekwirantes overgelegde bewijzen niet bleek dat de gemodificeerde soja niet veilig was.

64 De Commissie en Monsanto zijn van mening dat het tweede middel moet worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

65 Het eerste onderdeel van het tweede middel betreft de punten 67, 83 en 88 van het bestreden arrest, die luiden als volgt: „67 Teneinde de redenen voor een herziening op de vereiste wijze vast te stellen, is een aanvrager van een interne herziening van een onder het milieurecht vallende administratieve handeling verplicht alle feitelijke elementen of juridische argumenten aan te geven die aannemelijke twijfel doen rijzen over de door de instelling of het orgaan van de Unie in de betrokken handeling gemaakte beoordeling. Zoals de Commissie in de dupliek en ter terechtzitting heeft erkend, moet een derde die de vergunning voor het in de handel brengen aanvecht, immers substantiële bewijzen aandragen die ernstige twijfels kunnen doen rijzen over de rechtmatigheid van de verlening van deze vergunning (zie in die zin en naar analogie, arrest van 21 mei 2015, Schräder/CPVO, C‑546/12 P, EU:C:2015:332, punt 57). [...] 83 Zoals in punt 67 hierboven is vastgesteld, is een aanvrager van een interne herziening van een onder het milieurecht vallende administratieve handeling verplicht, teneinde de redenen voor een herziening op de vereiste wijze vast te stellen, alle feitelijke elementen of juridische argumenten aan te geven die aannemelijke twijfel doen rijzen over de door de instelling of het orgaan van de Unie in de betrokken handeling gemaakte beoordeling. Een derde die de vergunning voor het in de handel brengen aanvecht, moet immers substantieel bewijs- en feitenmateriaal aandragen dat ernstige twijfels kan doen rijzen over de rechtmatigheid van de verlening van deze vergunning. [...] 88 Bijgevolg is eerste [rekwirante], anders dan de Commissie in het [litigieuze] besluit stelt, niet verplicht ‚te bewijzen dat het [vergunningsbesluit] in strijd is met verordening (EG) nr. 1829/2003’, maar moet zij een reeks elementen aanvoeren die ernstige twijfel doet rijzen over de rechtmatigheid van de betrokken handeling.”

66 In dit verband zij erop gewezen dat, zoals blijkt uit overweging 11, artikel 2, lid 1, onder g), en artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1367/2006, elke ngo die aan de criteria van artikel 11 van deze verordening voldoet, gerechtigd is een verzoek tot interne herziening in te dienen van administratieve handelingen van individuele strekking die juridisch bindende en externe werking hebben, waarbij in het verzoek de redenen voor herziening moeten worden vermeld.

67 Bijgevolg voldoen bedenkingen die een aanvrager van een herziening formuleert over de rechtmatigheid van de verlening van een vergunningsbesluit die niet op feitelijke of juridische gronden berusten, niet aan het in het vorige punt van dit arrest gestelde vereiste dat de redenen voor herziening in het verzoek moeten worden vermeld.

68 Zoals de advocaat-generaal in punt 68 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, is het inherent aan de herzieningsregeling dat de aanvrager van een herziening concrete en precieze redenen aanvoert die de beoordeling waarop het vergunningsbesluit is gebaseerd, op losse schroeven kunnen zetten.

69 Bijgevolg heeft het Gerecht in de punten 67, 83 en 88 van het bestreden arrest terecht in wezen geoordeeld dat een aanvrager van een interne herziening van een onder het milieurecht vallende administratieve handeling verplicht is, teneinde de redenen voor herziening op de vereiste wijze aan te geven, de substantiële gegevens, feitelijk of rechtens, te vermelden die aannemelijke – dit wil zeggen ernstige – twijfel kunnen doen rijzen over de beoordeling van de instelling of het orgaan van de Unie in de betrokken handeling.

70 Bijgevolg is het eerste onderdeel van dit middel ongegrond.

71 Wat de grieven met betrekking tot de punten 134, 135, 148 tot en met 150, 157, 163 tot en met 168, 170, 205 tot en met 209, 217 tot en met 224, 230, 231, 238 tot en met 243, 246, 247, 256, 282, 287 en 289 van het bestreden arrest betreft, moet in ieder geval worden vastgesteld dat het Gerecht in deze punten van het bestreden arrest niet heeft geoordeeld dat uit de door rekwirantes overgelegde bewijzen niet bleek dat de gemodificeerde soja niet veilig was.

72 Aangezien deze grieven ongegrond zijn, moet het tweede onderdeel van dit middel worden afgewezen.

73 Uit een en ander volgt dat het tweede middel ongegrond is, zodat het moet worden afgewezen.

Derde middel

Argumenten van partijen

74 Met hun derde middel betogen rekwirantes dat het Gerecht in de punten 116 tot en met 118, 268 tot en met 270 en 281 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de door EFSA gepubliceerde richtsnoeren geen gewettigd vertrouwen hadden gewekt dat zij zouden worden nageleefd aangezien zij de Commissie niet binden, geen nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezegging bevatten en niet afkomstig zijn van de Commissie, die de eindbeslissing moest vaststellen op grond van haar beoordelingsbevoegdheid.

75 De Commissie kan volgens hen niet eenvoudigweg voorbijgaan aan de door EFSA gepubliceerde richtsnoeren, die uitdrukkelijk tot doel hebben de naleving van de met name door verordening nr. 1829/2003 opgelegde juridische verplichtingen te verzekeren. Het Gerecht heeft de Commissie toegestaan zich op deze richtsnoeren te baseren door deze als „schild tegen betwistingen” aan te wenden, maar was van oordeel dat de Commissie geen rechtvaardiging moest geven indien zij zich niet aan deze richtsnoeren houdt.

76 De Commissie en Monsanto zijn van mening dat het derde middel moet worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

77 De door rekwirantes betwiste punten van het bestreden arrest luiden als volgt: „116 Opgemerkt zij evenwel dat de betrokken richtsnoeren geen nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling samenhangende toezegging bevatten ten aanzien van eerste [rekwirante] waarop zij zich kan beroepen bij een verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling op grond van artikel 10 van verordening nr. 1367/2006. 117 In de derde plaats beroept eerste [rekwirante] zich op de rechtspraak volgens welke de door de instellingen verstrekte richtsnoeren aan dit criterium kunnen voldoen en bijgevolg een gewettigd vertrouwen kunnen wekken (arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, EU:C:2005:408, punten 209‑211). In dit verband zij erop gewezen dat de betrokken richtsnoeren niet zijn vastgesteld door de Commissie, die verantwoordelijk is voor de vaststelling van het vergunningsbesluit en het besluit over het op grond van artikel 10 van verordening nr. 1367/2006 ingediende verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling. Voorts moet worden opgemerkt dat deze rechtspraak betrekking heeft op gevallen waarin een instelling, door dergelijke richtsnoeren vast te stellen, de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid beperkt en niet van deze regels kan afwijken zonder dat hieraan een sanctie wordt verbonden. De betrokken richtsnoeren beperken echter geenszins de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie, maar zijn gericht tot de aanvragers van een vergunning aan wie zij geen enkele verplichting kunnen opleggen. 118 Om deze redenen moet dus worden vastgesteld dat de richtsnoeren van EFSA de Commissie niet kunnen binden bij haar onderzoek of herziening, hoewel het zeer wel mogelijk is dat zij ervoor kiest om deze als beoordelingskader toe te passen in zaken die haar worden voorgelegd. [...] 268 Wat in de tweede plaats de relevantie in casu van het wetenschappelijk advies over de allergene werking betreft, zij erop gewezen dat in de preambule van dit advies wordt gesteld dat het verwijst naar bepaalde aspecten van voedselallergieën en -allergenen en dat het de methoden voor de beoordeling van het allergene potentieel van nieuw tot expressie gebrachte eiwitten en genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders in hun geheel herziet. 269 In het wetenschappelijk advies over de allergene werking wordt erkend dat rekening moet worden gehouden met het specifieke risico van de allergene werking van genetisch gemodificeerde levensmiddelen bij jonge kinderen en dus met verschillen in de spijsverteringsfysiologie van deze subpopulaties. Primaire sensibilisatie in de darmen van jonge kinderen zou volgens het advies immers kunnen worden bevorderd door de immaturiteit van het lokale immuunsysteem, alsook door de onvolledige beschermingsfunctie van het darmslijmvlies en de onvolledige eiwitafbraak door pepsine in de maag als gevolg van een pH-waarde in de maag die hoger is dan bij volwassenen. 270 Reeds de bewoordingen van het wetenschappelijk advies over de allergene werking wijzen erop dat het advies geen richtsnoeren bevat die door EFSA zullen worden toegepast bij het onderzoek van elk dossier. Bovendien kan een wetenschappelijk advies van EFSA, zoals in de punten 110 tot en met 118 hierboven is uiteengezet, de Commissie niet binden bij haar onderzoek van een vergunningaanvraag of een verzoek tot interne herziening. Voor zover eerste [rekwirante] betoogt dat de Commissie bij haar onderzoek van de verzoeken tot interne herziening gebonden was aan het wetenschappelijk advies over allergene werking, moet dit argument derhalve ongegrond worden verklaard. [...] 281 In elk geval moet ook het argument van eerste [rekwirante] dat bij haar het gewettigd vertrouwen was gewekt dat EFSA zich aan haar eigen richtsnoeren zou houden, worden afgewezen om de in de punten 110 tot en met 118 uiteengezette redenen.”

78 In dit verband moet worden benadrukt dat het Gerecht in punt 113 van het bestreden arrest in de eerste plaats heeft geoordeeld dat in artikel 5, lid 8, en artikel 17, lid 8, van verordening nr. 1829/2003 is bepaald dat EFSA uitvoerige richtsnoeren publiceert teneinde de aanvrager bij te staan bij het opstellen en de indiening van zijn vergunningsaanvraag, en dat de richtsnoeren van EFSA dus beogen de gegevens te structureren die van een aanvrager worden verlangd bij de indiening van zijn aanvraag en niet tot doel hebben derden, zoals TestBioTech, het recht te verlenen om bij die gelegenheid bepaalde gegevens te verstrekken. In punt 115 van het bestreden arrest wordt in de tweede plaats vermeld dat volgens de rechtspraak het vertrouwensbeginsel zich uitstrekt tot iedere particulier die zich in een situatie bevindt waarin de administratie van de Unie bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt door hem nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen te doen, die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn.

79 De punten 113 en 115 van het bestreden arrest zijn door rekwirantes niet betwist.

80 Door in punt 116 van dat arrest op te merken dat de betrokken richtsnoeren ten aanzien van eerste rekwirante geen enkele nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling samenhangende toezegging bevatten waarop zij zich kon beroepen bij haar krachtens artikel 10 van verordening nr. 1367/2006 ingediende verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling, heeft het Gerecht slechts de conclusies getrokken uit de niet-betwiste vaststellingen in de punten 113 en 115 van dat arrest.

81 In deze omstandigheden is er geen sprake van een onjuiste rechtsopvatting in punt 116 van het bestreden arrest.

82 Aangezien uit punt 116 blijkt dat rekwirantes zich niet op de richtsnoeren van EFSA kunnen beroepen wanneer zij krachtens artikel 10 van verordening nr. 1367/2006 een verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling indienen, zijn de grieven met betrekking tot de gestelde onjuiste rechtsopvattingen waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven in de punten 117 en 118 van het bestreden arrest, waarin het oordeelde dat deze richtsnoeren niet door de Commissie waren vastgesteld en voor haar niet bindend waren, niet ter zake dienend.

83 Hieruit volgt dat het derde middel, voor zover het is gebaseerd op onjuiste rechtsopvattingen in de punten 116 tot en met 118 van het bestreden arrest, deels ongegrond en deels niet ter zake dienend is.

84 Aangezien geen enkele autonome grief is aangevoerd tegen de punten 268 tot en met 270 en 281 van het bestreden arrest, die verwijzen naar de punten 110 tot en met 118 van dat arrest, moet het derde middel in dit verband worden afgewezen.

85 Uit een en ander volgt dat het derde middel in zijn geheel moet worden afgewezen.

Vierde middel

Argumenten van partijen

86 Met hun vierde middel betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 176 tot en met 192, 213, 214, 216, 217, 222 tot en met 224, 229 tot en met 231 en 271 tot en met 277 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie niet verplicht was de veiligheidsbeoordeling in twee fasen – die door verordening nr. 1829/2003 en door de door EFSA gepubliceerde richtsnoeren vereist is – te verrichten, en dat de eerste fase, namelijk de vergelijking tussen het genetisch gemodificeerde gewas en de tegenhangers ervan, op zich kon volstaan om de in deze verordening neergelegde verplichtingen na te leven.

87 Rekwirantes betogen dat de Commissie voor het Gerecht heeft aangevoerd dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk was geweest wegens de bevindingen over de wezenlijke gelijkwaardigheid van de litigieuze soja en de beoordelingen voor elk van de ouders. Het Gerecht heeft dit argument aanvaard in de punten 176 tot en met 192 van het bestreden arrest, waarin het oordeelde dat deze richtsnoeren geen beoordeling van de toxiciteit, de allergene werking en de effecten van de transformatie op het ggo voorschrijven indien er geen bewijs is dat er wisselwerkingen tussen de stapelingen zijn. Het Gerecht heeft geoordeeld dat deze richtsnoeren voorzien in een benadering per geval, volgens welke een beperkte beoordeling van de toxiciteit niet principieel was uitgesloten.

88 Volgens rekwirantes is een dergelijke motivering onjuist en in strijd met de verplichtingen van verordening nr. 1829/2003. Ten eerste wordt geen melding gemaakt van overweging 6 van verordening nr. 1829/2003, volgens welke wezenlijke gelijkwaardigheid weliswaar een belangrijk element van de veiligheidsbeoordeling van genetisch gemodificeerde levensmiddelen is, maar niet als veiligheidsbeoordeling op zich volstaat. Het Gerecht heeft niet gemotiveerd waarom zijn beoordeling in overeenstemming is met deze overweging en met de duidelijke indicatie ervan dat verordening nr. 1829/2003 beoogt een grondige veiligheidsbeoordeling van elk ggo op te leggen, die verder gaat dan de beoordeling van de wezenlijke gelijkwaardigheid. Ten tweede blijkt duidelijk uit de door EFSA gepubliceerde richtsnoeren dat een veiligheidsbeoordeling van elk ggo vereist is, ook al is die beperkt. Ten derde heeft het Gerecht in punt 191 van het bestreden arrest in wezen het argument aanvaard dat alleen een vergelijkende analyse vereist was. Het Gerecht heeft geoordeeld dat er geen veiligheidsbeoordeling in de tweede fase nodig is indien een beoordeling van de gegevens met betrekking tot de vergelijkende analyse is verricht. De vergissing van het Gerecht dienaangaande ligt ook aan de grondslag van de motivering in de punten 213, 214, 216, 217, 222 tot en met 224, 230 en 231 van het bestreden arrest, volgens welke de door EFSA aanvaarde vergelijkende proeven een onderzoek vormden in het kader van de veiligheidsbeoordeling in de tweede fase, en in de punten 271 tot en met 275 en 277 van dat arrest betreffende een ontoereikende beoordeling van de allergene werking.

89 De Commissie en Monsanto zijn van mening dat het vierde middel moet worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

90 Opgemerkt zij dat de punten 176 tot en met 185 van het bestreden arrest in wezen beschrijvend van aard zijn en dat rekwirantes met hun vierde middel geen onjuiste rechtsopvatting aanvoeren met betrekking tot deze punten. In de punten 186 en 187 van dat arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat het litigieuze besluit, anders dan TestBioTech betoogt, toereikend was gemotiveerd in het licht van artikel 296, tweede alinea, VWEU, zoals uitgelegd in vaste rechtspraak. Rekwirantes beroepen zich in dit verband echter niet op een onjuiste rechtsopvatting.

91 Gelet op de door rekwirantes in hun vierde middel aangevoerde grieven moet het middel bijgevolg worden geacht alleen betrekking te hebben op de punten 188 tot en met 192 van dat arrest.

92 Deze luiden als volgt: „188 Voor zover de Commissie zich volgens eerste [rekwirante] in beginsel niet kan beroepen op de vaststelling van wezenlijke gelijkwaardigheid van de samenstellingen om geen ‚passende toxicologische beoordeling’ te verrichten, moet om te beginnen worden opgemerkt dat in elk van de in de punten 177 tot en met 179 genoemde richtsnoeren is bepaald dat de omvang van de toxicologische beoordeling per geval moet worden bepaald en dat een beperkte toxicologische beoordeling mogelijk is en dus niet principieel is uitgesloten. 189 Bovendien beroept eerste [rekwirante] zich op geen enkele passage van de in de punten 177 tot en met 179 genoemde richtsnoeren die volgens haar in strijd is met enige bepaling van verordening nr. 1829/2003. 190 Vervolgens moet worden opgemerkt dat eerste [rekwirante] in haar schriftelijke stukken niet uitlegt wat volgens haar in casu een ‚passende’ toxicologische beoordeling is. 191 Ten slotte is, zoals de Commissie in haar verweerschrift stelt en uit de inhoud van het in de punten 180 tot en met 183 hierboven uiteengezette wetenschappelijke advies van 25 januari 2012 blijkt, in dit geval de beoordeling van de stapeling voorafgegaan door een beoordeling van beide genetisch gemodificeerde ouders van de gemodificeerde soja, met inbegrip van een vergelijkende benadering, aangevuld met een moleculaire karakterisering en een onderzoek van de toxiciteit, het voedingsrisico en de allergene werking. Deze risicobeoordeling van beide ouders werd aangevuld met een vergelijkende analyse van de stapeling en een moleculaire karakterisering van deze stapeling om de mogelijke synergetische of nadelige effecten tussen de twee genetisch gemodificeerde ouders te evalueren. Volgens de Commissie heeft EFSA op basis van alle verzamelde informatie over de genetisch gemodificeerde ouders en de stapeling beoordeeld of een aanvullende toxicologische analyse van de stapeling nodig was. De Commissie is daarom ook terecht van mening dat EFSA haar risicobeoordeling van de stapeling niet heeft beperkt tot een vergelijkende analyse, maar dat zij een mogelijke toename van de toxiciteit als gevolg van de stapeling van transformatiestappen heeft beoordeeld. 192 Hieruit volgt dat met het argument volgens hetwelk de Commissie zich in beginsel niet kan beroepen op de vaststelling van wezenlijke gelijkwaardigheid van de samenstellingen om geen ‚passende toxicologische beoordeling’ te verrichten, niet wordt aangetoond dat de Commissie blijk heeft gegeven van een kennelijke beoordelingsfout in het eerste [litigieuze] besluit. Derhalve dient het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond te worden verklaard.”

93 Uit punt 191 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht, anders dan rekwirantes stellen, niet heeft geoordeeld dat een vergelijkende analyse van de gemodificeerde soja en de tegenhanger ervan op zich volstond om geen toxicologische beoordeling te verrichten en om tot de slotsom te komen dat het ggo veilig was. Het Gerecht heeft er immers rekening mee gehouden dat een dergelijke vergelijkende analyse met name is aangevuld met een toxicologische analyse in het kader van een beoordeling van de mogelijke synergetische of schadelijke effecten tussen de twee genetisch gemodificeerde ouders van de gemodificeerde soja en dat de beoordeling van de risico’s met betrekking tot de stapeling niet beperkt bleef tot een vergelijkende analyse, maar gericht was op de mogelijke toename van de toxiciteit.

94 Voorts heeft het Gerecht in punt 188 van het bestreden arrest opgemerkt dat elk van de in de punten 177 tot en met 179 van dat arrest genoemde richtsnoeren bepaalt dat de draagwijdte van de beoordeling van de toxiciteit per geval moet worden vastgesteld en dat een beperkte beoordeling van de toxiciteit mogelijk is en dus niet principieel is uitgesloten.

95 In punt 177 van het bestreden arrest wordt er met name op gewezen dat de richtsnoeren voor de risicobeoordeling van genetisch gemodificeerde planten en daarvan afgeleide levensmiddelen en diervoeders [vraag EFSA-Q-2003‑005, The EFSA Journal (2006) 99, 1‑100] met betrekking tot de beoordeling van de toxiciteit bepaalt dat de noodzaak van toxicologische tests in het kader van de veiligheidsbeoordeling per geval moet worden bekeken en wordt bepaald door het resultaat van de beoordeling van de verschillen die worden vastgesteld tussen het genetisch gemodificeerde product en de conventionele tegenhanger ervan.

96 Deze benadering is hoe dan ook niet onverenigbaar met overweging 6 van verordening nr. 1829/2003, volgens welke wezenlijke gelijkwaardigheid weliswaar een belangrijk element van de veiligheidsbeoordeling van genetisch gemodificeerde levensmiddelen is, maar niet volstaat als veiligheidsbeoordeling op zich, aangezien in deze overweging de mogelijkheid niet wordt uitgesloten om de omvang van de toxiciteitsbeoordeling per geval te bepalen.

97 Bovendien is een dergelijke benadering niet in strijd met artikel 5, lid 3, onder f), van verordening nr. 1829/2003, waarnaar rekwirantes ter ondersteuning van hun middel verwijzen en waarin is bepaald dat elke aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen van een ggo „een met passende informatie en gegevens onderbouwde analyse [omvat], waaruit blijkt dat de kenmerken van het levensmiddel niet van die van hun conventionele tegenhanger verschillen, gelet op de algemeen aanvaarde grenswaarden inzake natuurlijke variaties voor de betrokken kenmerken, alsmede op de in artikel 13, lid 2, onder a), genoemde criteria, dan wel een voorstel voor etikettering van het levensmiddel overeenkomstig artikel 13, lid 2, onder a), en lid 3”.

98 Uit het voorgaande volgt dat rekwirantes niet hebben aangetoond dat het Gerecht in de punten 188 tot en met 192 van het bestreden arrest blijk heeft geven van een onjuiste rechtsopvatting.

99 Aangezien tegen de punten 213, 214, 216, 217, 222 tot en met 224, 229 tot en met 231 en 271 tot en met 277 van het bestreden arrest geen autonome grief is ingediend, moet – gelet op de vaststelling in het vorige punt van het onderhavige arrest – worden geoordeeld dat het vierde middel dienaangaande ongegrond is.

100 Uit een en ander volgt dat het vierde middel in zijn geheel moet worden afgewezen.

Vijfde middel

Argumenten van partijen

101 Met hun vijfde middel betogen rekwirantes dat het Gerecht in de punten 233 en 289 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich te baseren op verordening nr. 396/2005 om bepaalde elementen van hun grief te af te wijzen dat de Commissie ten onrechte niet heeft geëist dat de potentiële toxiciteit van de litigieuze soja voldoende grondig wordt onderzocht en dat de effecten ervan worden gemonitord na de verlening van de vergunning voor het in de handel brengen.

102 Volgens rekwirantes doet verordening nr. 396/2005 niet af aan de verplichtingen van met name de artikelen 14 en 16 van verordening nr. 1829/2003 en de verplichtingen inzake monitoring na het verlenen van de vergunning voor het in de handel brengen. Indien het besproeien van een bepaald ggo schadelijke effecten heeft op het milieu, de volksgezondheid of de gezondheid van dieren als gevolg van stapeling of genetische modificatie, moeten deze effecten worden onderzocht en vastgesteld door toepassing van verordening nr. 1829/2003.

103 De Commissie en Monsanto zijn van mening dat het vijfde middel moet worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

104 De punten 233 en 289 van bestreden arrest luiden als volgt: „233 Wat vervolgens het argument inzake de toepassing van verordening nr. 396/2005 in het onderhavige geval betreft, moeten – zoals de Commissie terecht stelt – proeven en aanpassingen om op grond van verordening nr. 396/2005 een maximumresidugehalte voor gemodificeerde soja vast te stellen teneinde rekening te houden met soja die bestand is tegen glyfosaat en onkruidbestrijdingsmiddelen, worden uitgevoerd in het kader van een onderzoek op grond van deze verordening, en niet in het kader van verordening nr. 1829/2003. [...] 289 Voor zover met het argument van eerste [rekwirante] wordt opgekomen tegen de gegrondheid van de overwegingen van de Commissie, moet in elk geval worden vastgesteld dat eerste [rekwirante], gelet op de in punt 287 hierboven uiteengezette overwegingen, niet aantoont dat er sprake is van een kennelijke beoordelingsfout in het [litigieuze] besluit. Zoals bovendien uitgelegd in punt 233 hierboven, moeten proeven en aanpassingen om op grond van verordening nr. 396/2005 een maximumresidugehalte voor gemodificeerde soja vast te stellen teneinde rekening te houden met soja die bestand is tegen glyfosaat en onkruidbestrijdingsmiddelen, worden uitgevoerd in het kader van een onderzoek op grond van deze verordening, en niet in het kader van verordening nr. 1829/2003.”

105 In dit verband is het van belang erop te wijzen, zoals de Commissie heeft opgemerkt, dat rekwirantes geen argumenten hebben aangevoerd die aantonen dat de vaststelling in de punten 233 en 289 van het bestreden arrest onjuist is.

106 Hoewel het door rekwirantes aangehaalde artikel 16 van verordening nr. 1829/2003 in lid 1, onder a), bepaalt dat genetisch gemodificeerde diervoeders geen negatieve effecten mogen hebben op de menselijke gezondheid, op de diergezondheid of op het milieu, verlangt noch deze bepaling, noch enige andere bepaling van deze verordening – met inbegrip van de gewijzigde versie – dat in het kader van de vergunningsprocedure voor een ggo de effecten van een eventueel gebruik van pesticiden worden onderzocht.

107 Bovendien kan daaraan worden toegevoegd dat verordening nr. 396/2005 niet verwijst naar verordening nr. 1829/2003 of naar de vergunningsprocedure voor ggo’s die onder deze verordening vallen.

108 In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de door rekwirantes aangevoerde onjuiste rechtsopvatting niet is aangetoond.

109 Bijgevolg moet het vijfde middel ongegrond worden verklaard.

110 Daar geen van de tot staving van de hogere voorziening aangevoerde middelen slaagt, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.

Kosten

111 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.

112 Overeenkomstig artikel 184, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof beslissen dat een partij die in eerste aanleg heeft geïntervenieerd, haar eigen kosten zal dragen.

113 Aangezien rekwirantes in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Commissie.

114 Monsanto, interveniërende partij in eerste aanleg, zal haar eigen kosten dragen.

Het Hof (Derde kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) TestBioTech eV, European Network of Scientists for Social and Environmental Responsibility eV en Sambucus eV worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Europese Commissie.

3) Monsanto Europe en Monsanto Company dragen hun eigen kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in