Gerecht EU 19 november 2025, T-94/23, ECLI:EU:T:2025:1036
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)
19 november 2025 (*)
„ Gewasbeschermingsmiddelen – Werkzame stof boscalid – Verlengingsaanvraag voor een werkzame stof – Verlenging van de goedkeuringsperiode – Vertraging in de verlengingsprocedure – Redenen buiten de wil van de aanvrager – Verzoek tot interne herziening – Artikel 10, lid 1, van verordening (EG) nr. 1367/2006 – Besluit tot afwijzing van het verzoek – Artikel 17 van verordening (EG) nr. 1107/2009 ”
In zaak T‑94/23,
Pollinis France, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Bailleux, advocaat,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Becker, G. Gattinara en M. ter Haar als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Europees Parlement, vertegenwoordigd door W. Kuzmienko en O. Denkov als gemachtigden,
door
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door P. Pecheux, A. Maceroni en A. Nowak-Salles als gemachtigden,
door
BASF SE, gevestigd te Ludwigshafen (Duitsland), vertegenwoordigd door J.‑P. Montfort, N. Kyriazopoulou en P. Chopova-Leprêtre, advocaten,
en door
CropLife Europe, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door D. Waelbroeck en I. Antypas, advocaten,
interveniënten,
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),
ten tijde van de beraadslaging samengesteld als volgt: R. da Silva Passos, president, N. Półtorak, I. Reine, T. Pynnä (rapporteur) en H. Cassagnabère, rechters,
griffier: P. Cullen, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 13 februari 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Pollinis France, nietigverklaring van besluit Ares(2022)8437051 van de Commissie van 6 december 2022 tot afwijzing van haar verzoek tot interne herziening van uitvoeringsverordening (EU) 2022/708 van de Commissie van 5 mei 2022 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de goedkeuring voor de werkzame stoffen 2,5‑dichloorbenzoëzuurmethylester, azijnzuur, aclonifen, aluminiumammoniumsulfaat, aluminiumfosfide, aluminiumsilicaat, beflubutamide, benthiavalicarb, boscalid, calciumcarbide, captan, cymoxanil, dimethomorf, dodemorf, ethefon, ethyleen, extract van theeboom, vetdestillatieresiduen, vetzuren C7 tot en met C20, fluoxastrobin, flurochloridone, folpet, formetanaat, gibberellinezuur, gibberellinen, gehydrolyseerde eiwitten, ijzersulfaat, magnesiumfosfide, metam, metamitron, metazachloor, metribuzin, milbemectine, fenmedifam, pirimifos-methyl, plantaardige oliën/kruidnagelolie, plantaardige oliën/raapzaadolie, plantaardige oliën/groenemuntolie, propamocarb, proquinazid, prothioconazool, pyrethrinen, kwartszand, visolie, op geur gebaseerde afweermiddelen van dierlijke of van plantaardige oorsprong/schapenvet, S-metolachloor, onvertakte vlinderferomonen, sulcotrione, tebuconazool en ureum (PB 2022, L 133, blz. 1), voor zover daarbij de goedkeuringsperiode voor boscalid wordt verlengd (hierna: „bestreden besluit”).
Voorgeschiedenis van het geding en feiten die zich na de instelling van het beroep hebben voorgedaan
2 Verzoekster is een te Parijs (Frankrijk) gevestigde vereniging zonder winstoogmerk die onder meer tot doel heeft de bescherming van het milieu in de context van het milieurecht te bevorderen.
3 Boscalid is een werkzame stof die wordt gebruikt in gewasbeschermingsmiddelen van de familie van de SDHI’s (succinaat-dehydrogenase-inhibitoren).
4 Boscalid is in de Europese Unie voor het eerst goedgekeurd bij richtlijn 2008/44/EG van de Commissie van 4 april 2008 tot wijziging van richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde benthiavalicarb, boscalid, carvon, fluoxastrobin, Paecilomyces lilacinus en prothioconazool op te nemen als werkzame stoffen (PB 2008, L 94, blz. 13). Overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn is de goedkeuring op 1 augustus 2008 in werking getreden en zou zij op 31 juli 2018 aflopen.
5 In juni 2015 is een aanvraag tot verlenging van de goedkeuring van boscalid ingediend.
6 Op 27 juni 2018 is de goedkeuringsperiode voor boscalid bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/917 van de Commissie van 27 juni 2018 tot wijziging van uitvoeringsverordening nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen alfa-cypermethrin, beflubutamide, benalaxyl, benthiavalicarb, bifenazaat, boscalid, bromoxynil, captan, carvon, chloorprofam, cyazofamide, desmedifam, dimethoaat, dimethomorf, diquat, ethefon, ethoprofos, etoxazool, famoxadone, fenamidone, fenamifos, fenmedifam, flumioxazine, fluoxastrobin, folpet, foramsulfuron, formetanaat, fosmet, Gliocladium catenulatum stam J1446, isoxaflutool, metalaxyl-M, methiocarb, methoxyfenozide, metribuzin, milbemectin, oxasulfuron, Paecilomyces lilacinus stam 251, pirimifos-methyl, propamocarb, prothioconazool, pymetrozine en S-metolachloor (PB 2018, L 163, blz. 13) tot 31 juli 2019 verlengd krachtens artikel 17 van verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 79/117/EEG en 91/414 van de Raad (PB 2009, L 309, blz. 1). In overweging 8 van die uitvoeringsverordening wordt uiteengezet dat, „[a]angezien de beoordeling van de stoffen is uitgesteld om redenen waarvoor de aanvragers niet verantwoordelijk zijn, [...] de goedkeuring van die werkzame stoffen waarschijnlijk [zal] vervallen voordat een besluit over de verlenging ervan is genomen” en dat „[...] de geldigheidsduur voor die stoffen [daarom moet] worden verlengd”.
7 In november 2018 hebben de lidstaat-rapporteur (Slowakije) en de lidstaat-corapporteur (Frankrijk) een ontwerpbeoordelingsverslag over de verlenging van boscalid gepubliceerd.
8 Van 25 januari tot en met 27 maart 2019 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) een openbare raadpleging over boscalid georganiseerd.
9 Op 7 mei 2019 is de goedkeuringsperiode van boscalid bij uitvoeringsverordening (EU) 2019/707 van de Commissie tot wijziging van uitvoeringsverordening nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperiode voor de werkzame stoffen alfa-cypermethrin, beflubutamide, benalaxyl, benthiavalicarb, bifenazaat, boscalid, bromoxynil, captan, cyazofamide, desmedifam, dimethoaat, dimethomorf, diuron, ethefon, etoxazool, famoxadone, fenamifos, fenmedifam, flumioxazine, fluoxastrobin, folpet, foramsulfuron, formetanaat, fosmet, metalaxyl-M, methiocarb, metribuzin, milbemectin, Paecilomyces lilacinus stam 251, pirimifos‐methyl, propamocarb, prothioconazool, S‐metolachloor en tebuconazool (PB 2019, L 120, blz. 16) een tweede keer verlengd, tot en met 31 juli 2020. In overweging 7 van die verordening wordt dezelfde toelichting herhaald als in overweging 8 van uitvoeringsverordening 2018/917.
10 In augustus 2019 heeft EFSA de aanvrager van de verlenging om aanvullende informatie verzocht met betrekking tot 122 punten.
11 Op 16 september 2019 heeft de aanvrager van de verlenging een antwoord gestuurd aan EFSA.
12 Op 24 juni 2020 is de goedkeuringsperiode van boscalid bij uitvoeringsverordening (EU) 2020/869 van de Commissie tot wijziging van uitvoeringsverordening nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperiode voor de werkzame stoffen beflubutamide, benalaxyl, benthiavalicarb, bifenazaat, boscalid, bromoxynil, captan, cyazofamide, dimethomorf, ethefon, etoxazool, famoxadone, fenamifos, flumioxazine, fluoxastrobin, folpet, formetanaat, metribuzin, milbemectin, Paecilomyces lilacinus stam 251, fenmedifam, fosmet, pirimifos-methyl, propamocarb, prothioconazool en S‐metolachloor (PB 2020, L 201, blz. 7) een derde keer verlengd, tot en met 31 juli 2021. In overweging 4 van die verordening wordt uiteengezet dat, „[a]angezien de beoordeling van al die stoffen om redenen buiten de wil van de aanvragers is uitgesteld, [...] de goedkeuring van die werkzame stoffen waarschijnlijk [zal] vervallen voordat een besluit over de verlenging ervan is genomen” en dat „de goedkeuringsperiode van die stoffen [daarom moet] worden verlengd”. Overweging 5 voegt daaraan toe dat „de goedkeuringsperiode van [boscalid moet] worden verlengd om de nodige tijd te bieden om een beoordeling van hormoonontregelende eigenschappen uit te voeren overeenkomstig de in de artikelen 13 en 14 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 uiteengezette procedure”.
13 Op 6 mei 2021 is de goedkeuringsperiode van boscalid bij uitvoeringsverordening (EU) 2021/745 van de Commissie tot wijziging van uitvoeringsverordening nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperioden voor de werkzame stoffen aluminiumammoniumsulfaat, aluminiumsilicaat, beflubutamide, benthiavalicarb, bifenazaat, boscalid, calciumcarbonaat, captan, kooldioxide, cymoxanil, dimethomorf, ethefon, extract van theeboom, famoxadone, vetdestillatieresiduen, vetzuren C7 tot en met C20, flumioxazine, fluoxastrobin, flurochloridone, folpet, formetanaat, gibberellinezuur, gibberellinen, heptamaloxyloglucan, gehydrolyseerde eiwitten, ijzersulfaat, metazachloor, metribuzin, milbemectin, Paecilomyces lilacinus stam 251, fenmedifam, fosmet, pirimifos-methyl, plantaardige oliën/raapzaadolie, kaliumwaterstofcarbonaat, propamocarb, prothioconazool, kwartszand, visolie, op geur gebaseerde afweermiddelen van dierlijke of van plantaardige oorsprong/schapenvet, S-metolachloor, onvertakte vlinderferomonen, tebuconazool en ureum (PB 2021, L 160, blz. 89) een vierde keer verlengd, tot en met 31 juli 2022. In overweging 5 van die verordening wordt dezelfde toelichting herhaald als in overweging 4 van uitvoeringsverordening 2020/869.
14 Op 5 mei 2022 is de goedkeuringsperiode van boscalid bij uitvoeringsverordening 2022/708 een vijfde keer verlengd, tot en met 31 juli 2023. In overweging 5 van die verordening wordt uiteengezet dat, „[a]angezien de beoordeling van die werkzame stoffen om redenen buiten de wil van de aanvragers is uitgesteld, [...] de goedkeuring van die werkzame stoffen waarschijnlijk [zal] vervallen voordat een besluit over de verlenging ervan is genomen” en dat „de geldigheidsduur van de goedkeuring [daarom moet] worden verlengd om de nodige tijd te bieden om de beoordeling af te ronden”.
15 Verzoekster heeft een verzoek tot interne herziening ingediend van uitvoeringsverordening 2022/708 op grond van artikel 10 van verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13). Dit verzoek is op 4 juli 2022 ingeschreven.
16 Bij het bestreden besluit heeft de Europese Commissie verzoeksters verzoek tot interne herziening afgewezen.
17 Na de instelling van het onderhavige beroep heeft de Commissie bij uitvoeringsverordening (EU) 2023/918 van 4 mei 2023 tot wijziging van uitvoeringsverordening nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de goedkeuring voor de werkzame stoffen aclonifen, ametoctradin, beflubutamide, benthiavalicarb, boscalid, captan, clethodim, cycloxydim, cyflumetofen, dazomet, diclofop, dimethomorf, ethefon, fenazaquin, fluopicolide, fluoxastrobin, flurochloridone, folpet, formetanaat, Helicoverpa armigera kernpolyedervirus, hymexazol, indolylboterzuur, mandipropamid, metalaxyl, metaldehyde, metam, metazachloor, metribuzin, milbemectin, paclobutrazool, penoxsulam, fenmedifam, pirimifos-methyl, propamocarb, proquinazid, prothioconazool, S-metolachloor, Spodoptera littoralis kernpolyedervirus, Trichoderma asperellum (stam T34) en Trichoderma atroviride stam I-1237 (PB 2023, L 119, blz. 160), de goedkeuringsperiode van boscalid een zesde keer verlengd, tot en met 15 april 2026. In overweging 15 van die verordening wordt uiteengezet dat „[voor boscalid] heeft [EFSA] overeenkomstig artikel 13 van uitvoeringsverordening [nr. 844/2012] extra tijd nodig om een conclusie vast te stellen en zo nodig een raadpleging van deskundigen te organiseren” en dat „er [bovendien] extra tijd nodig [is] voor het daaruit voortvloeiende risicobeheersbesluit overeenkomstig artikel 14 van uitvoeringsverordening [nr. 844/2012]”. In overweging 20 wordt hieraan toegevoegd dat „[a]angezien er waarschijnlijk geen besluit over de verlenging van de goedkeuring van deze werkzame stoffen [kan worden genomen] vóór het verstrijken van hun respectieve goedkeuringen, en de vertragingen te wijten zijn aan redenen buiten de invloed van de aanvragers, moet de geldigheidsduur van de goedkeuringen van de werkzame stoffen worden verlengd zodat de vereiste beoordelingen kunnen worden afgerond en de procedures voor de wettelijke besluitvormingsprocedure voor de respectieve aanvragen tot verlenging van de goedkeuring kunnen worden voltooid”.
18 Op 16 juni 2023 heeft verzoekster op grond van artikel 10 van verordening 2023/918 een verzoek tot interne herziening van uitvoeringsverordening nr. 1367/2006 ingediend.
19 Bij besluit van 1 december 2023 heeft de Commissie verzoeksters verzoek tot interne herziening afgewezen.
20 Op 9 februari 2024 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het in punt 19 hierboven vermelde besluit, dat is ingeschreven onder nummer T‑75/24.
Conclusies van partijen
21 Verzoekster verzoekt het Gerecht:
– het bestreden besluit nietig te verklaren;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
22 De Commissie, ondersteund door het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie, BASF SE en CropLife Europe, verzoekt het Gerecht:
– het beroep te verwerpen;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
23 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan die in wezen zijn ontleend aan, ten eerste, een onjuiste uitlegging van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009, ten tweede, subsidiair, een exceptie van onwettigheid van dat artikel, ten derde, het feit dat de Commissie ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de voorwaarden van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 was voldaan en, ten vierde, een onjuiste toepassing van het recht door de Commissie toen zij in het bestreden besluit heeft geoordeeld dat uitvoeringsverordening 2022/708 toereikend was gemotiveerd en voorts een ontoereikende motivering van het bestreden besluit.
Voortbestaan van het procesbelang
24 BASF verzoekt het Gerecht te onderzoeken of verzoekster nog steeds een procesbelang heeft na de vaststelling van uitvoeringsverordening 2023/918, waarbij de goedkeuringsperiode voor boscalid tot en met 15 april 2026 is verlengd.
25 Het Gerecht herinnert eraan dat het procesbelang van een verzoekende partij een verkregen en daadwerkelijk belang moet zijn. Dit belang moet, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid bestaan in het stadium van de instelling van het beroep, en dient op straffe van afdoening zonder beslissing te blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing (zie arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punten 56 en 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Zoals BASF betoogt, heeft de Commissie in casu een nieuwe uitvoeringsverordening vastgesteld om de goedkeuringsperiode voor boscalid na afloop van de in uitvoeringsverordening 2022/708 vastgestelde verlengingstermijn opnieuw te verlengen.
27 In de eerste plaats is het bestreden besluit door de Commissie evenwel niet ingetrokken, zodat het geding zijn voorwerp heeft behouden (zie in die zin arrest van 4 september 2018, ClientEarth/Commissie, C‑57/16 P, EU:C:2018:660, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 In de tweede plaats volgt uit de rechtspraak dat een verzoekende partij een belang behoudt bij de nietigverklaring van een handeling van een instelling van de Unie teneinde te voorkomen dat de onwettigheid die aan die handeling zou kleven, zich in de toekomst weer voordoet. Dat procesbelang vloeit voort uit artikel 266, eerste alinea, VWEU, op grond waarvan de instelling waarvan de handeling nietig is verklaard, gehouden is de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof. Dit procesbelang kan echter alleen bestaan indien de gestelde onwettigheid zich in de toekomst kan herhalen, los van de omstandigheden van de zaak die hebben geleid tot het door de verzoekende partij ingestelde beroep (arresten van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punten 50‑52, en 27 september 2018, Mellifera/Commissie, T‑12/17, EU:T:2018:616, punt 28).
29 Dat is het geval in de onderhavige zaak aangezien de door verzoekster gestelde onwettigheid is gebaseerd op een uitlegging van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 die de Commissie bij een nieuw verzoek tot interne herziening betreffende de verlenging van de goedkeuringsperiode van boscalid of een andere stof dreigt te herhalen. Uit het dossier van de onderhavige zaak blijkt namelijk dat de Commissie uitvoeringsverordening 2023/918, waarbij zij de goedkeuringsperiode voor boscalid en verschillende andere stoffen verlengt, heeft vastgesteld op basis van de criteria van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009, en dat zij vervolgens verzoeksters verzoek tot interne herziening met betrekking tot die verlenging heeft afgewezen.
30 Hieruit volgt dat verzoekster, ondanks de vaststelling van uitvoeringsverordening 2023/918, in casu nog steeds een procesbelang heeft.
Eerste en derde middel: onjuiste uitlegging van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009
31 Met het eerste en het derde middel, die wegens het complementaire karakter ervan samen moeten worden onderzocht, voert verzoekster aan dat de Commissie artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 onjuist heeft uitgelegd, met name door zich op het standpunt te stellen dat aan de toepassingsvoorwaarden van dit artikel was voldaan.
Ontvankelijkheid van het eerste middel
32 BASF is van mening dat verzoeksters eerste middel, ontleend aan een onjuiste uitlegging van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009, niet-ontvankelijk is. Verzoekster komt niet op tegen de beoordeling in het antwoord op haar verzoek tot interne herziening, maar richt haar argumenten tegen de verlenging van de goedkeuringsperiode voor boscalid bij uitvoeringsverordening 2022/708, die het voorwerp vormde van het verzoek tot interne herziening. Wanneer een verzoekende partij krachtens artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1367/2006 een beroep tot nietigverklaring instelt tegen het antwoord op een verzoek tot interne herziening, kan zij enkel de rechtmatigheid van dat antwoord betwisten.
33 Het Gerecht herinnert eraan dat artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1367/2006 bepaalt dat „elke niet-gouvernementele organisatie of andere leden van het publiek die voldoen aan de criteria van artikel 11 [...] gerechtigd [zijn] een verzoek tot interne herziening in te dienen bij de instelling of het orgaan van de Unie die of dat een administratieve handeling heeft gesteld of, in het geval van een vermeende administratieve nalatigheid, zo’n handeling had moeten stellen, op grond van het feit dat een dergelijk handelen of nalaten strijdig is met het milieurecht”. Artikel 12, lid 1, van deze verordening bepaalt dat „[e]en niet-gouvernementele organisatie die in overeenstemming met artikel 10 een verzoek tot interne herziening heeft ingediend [...] een procedure voor het Hof van Justitie [kan] beginnen”.
34 Het verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling beoogt dus te doen vaststellen dat de betrokken handeling onrechtmatig of ongegrond is. Verzoeker kan vervolgens bij de Unierechter beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of van bepalingen ter uitvoering daarvan of misbruik van bevoegdheid instellen tegen het besluit waarbij het verzoek tot interne herziening ongegrond is verklaard (arrest van 12 september 2019, TestBioTech e.a./Commissie, C‑82/17 P, EU:C:2019:719, punt 38). Hieruit volgt dat de verzoekende partij in het kader van dat beroep geen recht heeft argumenten aan te voeren die rechtstreeks de wettigheid of de gegrondheid van de handeling waarop het verzoek om interne herziening betrekking heeft te betwisten (zie arrest van 27 september 2018, Mellifera/Commissie, T‑12/17, EU:T:2018:616, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het in de Verdragen neergelegde systeem van rechterlijke toetsing biedt het Gerecht namelijk niet de mogelijkheid besluiten nietig te verklaren waartegen niet rechtstreeks een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU is ingesteld (arrest van 4 april 2019, ClientEarth/Commissie, T‑108/17, EU:T:2019:215, punt 28).
35 In casu blijkt om te beginnen duidelijk uit het verzoekschrift dat het bestreden besluit het voorwerp uitmaakt van het beroep tot nietigverklaring.
36 Vervolgens blijkt rechtstreeks uit het opschrift van het eerste middel en uit de verschillende onderdelen ervan dat het bestreden besluit volgens verzoekster is gebaseerd op een onjuiste lezing van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009.
37 Ten slotte blijkt uit lezing van het eerste middel in zijn geheel dat verzoekster met haar betoog doelt op de uitlegging die de Commissie in het bestreden besluit aan artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 heeft gegeven. Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat er wegens het voorwerp zelf van de procedure van interne herziening en de logica van de artikelen 10 en 12 van verordening nr. 1367/2006 een zekere overlapping kan bestaan tussen de argumenten die zijn aangevoerd in het kader van het verzoek tot interne herziening en de argumenten die worden aangevoerd ter ondersteuning van een beroep tot nietigverklaring van het besluit waarbij dat verzoek ongegrond is verklaard.
38 Het betoog van BASF dat het eerste middel niet-ontvankelijk is omdat het geen betrekking heeft op het bestreden besluit moet bijgevolg worden afgewezen.
Derde onderdeel van het eerste middel en tweede onderdeel van het derde middel
39 Met het derde onderdeel van het eerste middel stelt verzoekster in de eerste plaats dat de Commissie het recht onjuist heeft toegepast door zich op het standpunt te stellen dat zij de goedkeuringsperiode van een werkzame stof zoals boscalid zonder enige beperking in de tijd opnieuw kon verlengen. Verlengingen zijn namelijk overgangsmaatregelen die naar hun aard in de tijd beperkt moeten blijven en uitzonderlijk moeten zijn. Hoe dan ook kan een verlenging met vijf jaar in casu niet rechtmatig worden geacht. In de tweede plaats voert verzoekster aan dat bij de vaststelling van het besluit over de verlenging rekening moet worden gehouden met de risico’s voor de gezondheid van mensen en voor het milieu.
40 Met het tweede onderdeel van het derde middel betoogt verzoekster dat de totale duur van de verlenging van de goedkeuringsperiode van boscalid niet voldoet aan de vereisten van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009. De Commissie heeft het recht onjuist toegepast door zich op het standpunt te stellen dat de derde alinea van dit artikel slechts van toepassing is op de situaties die onder de tweede alinea van dit artikel vallen. Bovendien is de periode van verlenging van de goedkeuringsperiode van boscalid niet passend en is de totale duur van de verlenging buitensporig.
41 Om te beginnen herinnert het Gerecht eraan dat artikel 191, lid 2, VWEU bepaalt dat het milieubeleid onder meer berust op het voorzorgsbeginsel, welk beginsel ook dient te worden toegepast in andere beleidsdomeinen van de Unie, inzonderheid dat van de bescherming van de volksgezondheid, alsook wanneer de instellingen van de Unie in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of het internemarktbeleid maatregelen nemen ter bescherming van de menselijke gezondheid (zie arrest van 1 oktober 2019, Blaise e.a., C‑616/17, EU:C:2019:800, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Wanneer de Uniewetgever regels vaststelt voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, zoals de regels van verordening nr. 1107/2009, dient hij dus het voorzorgsbeginsel na te leven, met name ter verzekering van een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid overeenkomstig artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 9 VWEU en artikel 168, lid 1, VWEU (zie arrest van 1 oktober 2019, Blaise e.a., C‑616/17, EU:C:2019:800, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Volgens het voorzorgsbeginsel kunnen bij onzekerheid over het bestaan of de omvang van risico’s voor de gezondheid van de mens, beschermende maatregelen worden genomen zonder dat hoeft te worden gewacht totdat de realiteit en de ernst van deze risico’s volledig zijn aangetoond (zie arrest van 1 oktober 2019, Blaise e.a., C‑616/17, EU:C:2019:800, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Het voorzorgsbeginsel, een algemeen beginsel van het recht van de Unie, verplicht de betrokken autoriteiten in het welbepaalde kader van de uitoefening van de hun bij de betrokken regeling toegekende bevoegdheden passende maatregelen te nemen om een aantal potentiële gevaren voor de volksgezondheid, de veiligheid en het milieu te voorkomen, waarbij aan de vereisten in verband met de bescherming van deze belangen voorrang moet worden verleend boven economische belangen [zie arresten van 21 oktober 2003, Solvay Pharmaceuticals/Raad, T‑392/02, EU:T:2003:277, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 april 2013, Du Pont de Nemours (France) e.a./Commissie, T‑31/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:167, punt 134 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Het voorzorgsbeginsel ligt ten grondslag aan alle bepalingen van verordening nr. 1107/2009.
45 Volgens overweging 8 van verordening nr. 1107/2009 dient het voorzorgsbeginsel te worden toegepast en dient deze verordening te waarborgen dat de industrie aantoont dat de stoffen of producten die worden geproduceerd of op de markt worden gebracht geen enkel schadelijk effect op de gezondheid van mens of dier hebben, noch enig onaanvaardbaar effect voor het milieu. In dit verband dient erop te worden gewezen dat de voorafgaande toelatings- en goedkeuringsprocedures die bij die verordening zijn ingesteld voor gewasbeschermingsmiddelen en hun werkzame stoffen zijn ingegeven door het voorzorgsbeginsel (zie arrest van 17 maart 2021, FMC/Commissie, T‑719/17, EU:T:2021:143, punten 60 en 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Hieruit volgt dat de Commissie bij de uitoefening van haar bevoegdheden in het kader van verordening nr. 1107/2009 rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel. Wat meer bepaald werkzame stoffen betreft, blijkt uit de rechtspraak dat de Commissie maatregelen kan nemen die het gebruik van een stof beperken en aldus het belang van de consumentenveiligheid zwaarder kan laten wegen, zonder de uitkomst van de procedure voor de verlenging van de goedkeuring van deze stof af te wachten (zie in die zin arrest van 19 september 2019, Arysta LifeScience Netherlands/Commissie, T‑476/17, EU:T:2019:618, punt 97).
47 Om de argumenten van verzoekster te beantwoorden, moet artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 derhalve worden uitgelegd in het licht van het voorzorgsbeginsel, rekening houdend met de duur en de frequentie van de verlenging van de goedkeuringsperiode van boscalid.
48 In dit verband dient volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van een Unierechtelijke bepaling kan relevante informatie voor de uitlegging ervan verschaffen (zie arresten van 2 september 2021, CRCAM, C‑337/20, EU:C:2021:671, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 25 januari 2017, Rusal Armenal/Raad, T‑512/09 RENV, EU:T:2017:26, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 In de eerste plaats blijkt uit de bewoordingen van artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009 dat „[w]anneer om redenen buiten de wil van de aanvrager blijkt dat de goedkeuring waarschijnlijk zal vervallen alvorens over de verlenging een beslissing is genomen, [...] overeenkomstig de in artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure een besluit [wordt] vastgesteld waarbij het verstrijken van de termijn voor de goedkeuring lang genoeg wordt uitgesteld om de aanvraag te onderzoeken”. Artikel 17, derde alinea, van deze verordening bepaalt welke elementen in aanmerking moeten worden genomen wanneer de verlengingsperiode wordt vastgesteld, te weten „a) de tijd die nodig is om de gevraagde informatie te verstrekken; b) de tijd die nodig is om de procedure te voltooien; c) indien van toepassing, de noodzaak om zoals bepaald in artikel 18 een coherent werkprogramma op te stellen”.
50 Zo blijkt uit deze bepaling dat wanneer om redenen buiten de wil van de aanvrager blijkt dat de goedkeuring waarschijnlijk zal vervallen alvorens over de verlenging een beslissing is genomen, „een besluit [...] waarbij het verstrijken van de termijn voor de goedkeuring [...] wordt uitgesteld” wordt vastgesteld en dit „lang genoeg [...] om de aanvraag te onderzoeken”. Hoewel de formulering van deze bepaling niet uitsluit dat aan het einde van deze periode een nieuw besluit tot verlenging van de goedkeuringsperiode wordt vastgesteld, kan deze verlenging, die alleen bedoeld is om de verlengingsprocedure te kunnen afronden, slechts voorlopig zijn, zoals de Raad in zijn memorie in interventie uitlegt.
51 De duur van de verlengingsperiode moet derhalve worden aangepast aan de concrete omstandigheden van het geval en kan bijgevolg niet automatisch of zelfs systematisch worden toegepast.
52 Bovendien heeft artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 volgens de rechtspraak tot gevolg dat de procedure voor de verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof kan worden verlengd op grond van omstandigheden die zich in de loop van die procedure voordoen en die niet eerder bekend waren (arrest van 19 september 2019, Arysta LifeScience Netherlands/Commissie, T‑476/17, EU:T:2019:618, punt 104).
53 In de tweede plaats moet rekening worden gehouden met de context van de regel van artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009.
54 Deze regel maakt deel uit van de afdeling van verordening nr. 1107/2009 die betrekking heeft op de goedkeuring van werkzame stoffen. Deze goedkeuringen en de verlenging ervan zijn geregeld in verschillende bepalingen die het verloop van de toepasselijke procedure regelen.
55 Ten eerste kan een goedkeuring slechts worden verleend voor een periode van ten hoogste tien jaar (artikel 5 van verordening nr. 1107/2009), een beperking die overeenkomt met die van richtlijn 91/414 van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB 1991, L 230, blz. 1), die van kracht was toen boscalid werd goedgekeurd. Zoals in overweging 15 van verordening nr. 1107/2009 is uiteengezet, is de goedkeuringsperiode voor werkzame stoffen met het oog op de veiligheid beperkt in de tijd en moet die periode in verhouding staan tot de mogelijke risico’s die aan het gebruik van dergelijke stoffen verbonden zijn. Een verlenging geldt voor een periode van ten hoogste vijftien jaar (artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1107/2009).
56 Hieruit volgt dat de wetgever heeft voorzien in beperkte goedkeurings- en verlengingsperioden om te voorkomen dat werkzame stoffen die onaanvaardbare risico’s in de zin van artikel 4 van verordening nr. 1107/2009 zouden opleveren, op de markt blijven. De verwezenlijking van dat doel, in het licht van het voorzorgsbeginsel, vereist dat de stoffen periodiek opnieuw worden beoordeeld, zoals de Commissie terecht benadrukt wanneer zij de periodieke aanpak van verordening nr. 1107/2009 uitlegt.
57 Ten tweede moet de verlengingsaanvraag uiterlijk drie jaar voor het verstrijken van de termijn voor de goedkeuring, worden ingediend (artikel 15 van verordening nr. 1107/2009). Deze termijn wordt dus geacht te volstaan om deze procedure te voltooien en een besluit over de verlenging van de aangevraagde goedkeuring vast te stellen, en tegelijkertijd de doeltreffendheid van de in punt 56 hierboven in herinnering gebrachte periodieke aanpak te waarborgen.
58 Daartoe heeft artikel 19 van verordening nr. 1107/2009 de Commissie de bevoegdheid verleend om bij uitvoeringsverordening de nodige bepalingen vast te stellen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure.
59 Aldus is uitvoeringsverordening nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in verordening nr. 1107/2009 (PB 2012, L 252, blz. 26) vastgesteld, die met name voorziet in termijnen voor de verschillende stappen van de verlengingsprocedure om ervoor te zorgen dat zij naar behoren functioneert (overweging 3). Deze verordening heeft tot doel uitvoering te geven aan de reeds in verordening nr. 1107/2009 opgenomen regels en tegelijkertijd uniforme toepassingsvoorwaarden in de Unie te waarborgen.
60 In het bijzonder bevatten de artikelen 1 tot en met 8 van uitvoeringsverordening nr. 844/2012 regels betreffende de ontvankelijkheid van de door een producent van de werkzame stof bij een lidstaat ingediende aanvraag en voorzien zij in bepaalde termijnen voor deze eerste fase van de procedure. Overeenkomstig artikel 3 van deze verordening wordt deze aanvraag eerst geverifieerd door de lidstaat-rapporteur, die zich ervan vergewist dat zij uiterlijk op de in artikel 1, lid 1, eerste alinea, vastgestelde datum is ingediend en alle in artikel 2 van die verordening bedoelde elementen bevat. Meer in het bijzonder moet de verlengingsaanvraag volgens artikel 2, lid 2, van die verordening een lijst bevatten van de nieuwe informatie die de aanvrager voornemens is in te dienen en welke noodzakelijk is overeenkomstig artikel 15, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009. Vervolgens dient de aanvrager overeenkomstig artikel 6 van deze verordening, na ontvangst van het bevestigende antwoord van de lidstaat-rapporteur op deze verificatie, de aanvullende dossiers in bij de lidstaat-rapporteur, de lidstaat-corapporteur, de Commissie en EFSA. Wanneer de aanvullende dossiers tijdig zijn ingediend en alle noodzakelijke elementen bevatten, stelt de lidstaat-rapporteur tot slot overeenkomstig artikel 8 van die uitvoeringsverordening de aanvrager, de lidstaat-corapporteur, de Commissie en EFSA in kennis van de datum van ontvangst van de aanvullende dossiers en van de ontvankelijkheid van de aanvraag.
61 Evenzo beschrijven de artikelen 11 tot en met 14 van uitvoeringsverordening nr. 844/2012 de procedure voor de beoordeling van de aanvraag tot verlenging van de goedkeuring van een werkzame stof en voorzien zij in specifieke termijnen waarbinnen de verschillende bij de procedure betrokken actoren hun verslag of conclusies moeten opstellen en indienen. Om te beginnen stelt de lidstaat-rapporteur, na raadpleging van de lidstaat-corapporteur, een verslag op en dient dit met kopie aan EFSA in bij de Commissie. In dit verslag wordt beoordeeld of de werkzame stof naar verwachting zal voldoen aan de goedkeuringscriteria, vastgesteld in artikel 4 van verordening nr. 1107/2009 (artikel 11 van uitvoeringsverordening nr. 844/2012). Nadat EFSA het ontwerpevaluatieverslag van de lidstaat-rapporteur heeft ontvangen, zendt zij dat verslag door naar de aanvrager en de andere lidstaten (artikel 12 van uitvoeringsverordening nr. 844/2012). Nadat de termijn voor het indienen van de schriftelijke opmerkingen is verstreken, stelt EFSA in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van de richtsnoeren die op de datum van indiening van de aanvullende dossiers van toepassing zijn een conclusie vast over de vraag of de werkzame stof naar verwachting aan de goedkeuringscriteria van artikel 4 van verordening nr. 1107/2009 zal voldoen. EFSA voert zo nodig overleg met deskundigen, onder wie deskundigen van de lidstaat-rapporteur en de lidstaat-corapporteur. Zij deelt haar conclusie mee aan de aanvrager, de lidstaten en de Commissie, en maakt die toegankelijk voor het publiek (artikel 13 van uitvoeringsverordening nr. 844/2012). Ten slotte legt de Commissie, na ontvangst van de conclusie van EFSA en rekening houdend met het door de lidstaat-rapporteur opgestelde ontwerpbeoordelingsverslag, de opmerkingen van de aanvrager en de andere lidstaten en de conclusie van EFSA, een zogeheten „verlengingsverslag” en een ontwerpverordening voor aan het permanent comité. De aanvrager krijgt de mogelijkheid om opmerkingen over het verlengingsverslag in te dienen (artikel 14, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 844/2012). Op grond van het verlengingsverslag en rekening houdend met de door de aanvrager ingediende opmerkingen, stelt de Commissie een verordening vast overeenkomstig artikel 20, lid 1, van verordening nr. 1107/2009 (artikel 14, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 844/2012).
62 Alleen voor de laatste fase van de procedure van artikel 14, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 844/2012, die betrekking heeft op de vaststelling van de verordening tot verlenging van de goedkeuring overeenkomstig artikel 20, lid 1, van verordening nr. 1107/2009, is geen termijn gesteld.
63 Hieruit volgt dat bij de uitvoering van de verlengingsprocedure precieze termijnen gelden (zie in die zin arrest van 19 september 2019, Arysta LifeScience Netherlands/Commissie, T‑476/17, EU:T:2019:618, punt 103). Dat deze termijnen worden opgelegd en moeten worden nageleefd is overigens in overeenstemming met het vereiste dat de gehele procedure niet langer dan drie jaar mag duren, zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 844/2012 (arrest van 9 december 2021, Agrochem-Maks/Commissie, C‑374/20 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:990, punt 82).
64 De inachtneming van deze termijnen en van het vereiste van een snelle procedure is des te belangrijker daar een op grond van artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009 vastgestelde uitvoeringsverordening, waarbij de goedkeuring van de betrokken werkzame stof voor een bepaalde periode wordt verlengd, dezelfde gevolgen heeft als een uitvoeringsverordening die de initiële goedkeuring verleent voor een dergelijke stof uit hoofde van artikel 13, lid 2, van die verordening of als een verordening tot verlenging van de goedkeuring uit hoofde van artikel 20 van die verordening (zie in die zin arrest van 27 september 2018, Mellifera/Commissie, T‑12/17, EU:T:2018:616, punten 57 en 58).
65 Derhalve moet worden geoordeeld dat artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 voorziet in een mechanisme dat bij wijze van uitzondering moet worden toegepast wanneer aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan. Een systematische toepassing van dit mechanisme in procedures voor de verlenging van de goedkeuring van een werkzame stof is dus niet verenigbaar met de vereisten van verordening nr. 1107/2009 en, meer in het algemeen, met de geest van deze verordening.
66 Integendeel, telkens wanneer de Commissie een goedkeuringsperiode verlengt, moet zij het concrete geval beoordelen en rekening houden met de relevante elementen om te bepalen of deze verlenging „lang genoeg” is om de lopende beoordeling te voltooien.
67 Voorts laat artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 de Commissie een beoordelingsbevoegdheid om te bepalen of een verlenging „lang genoeg” is. Deze beoordelingsbevoegdheid is niet absoluut, maar wordt afgebakend door de derde alinea van dat artikel, waarin is bepaald welke elementen in aanmerking moeten worden genomen wanneer de verlengingsperiode wordt vastgesteld.
68 Bovendien kan artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009 niet afzonderlijk worden gelezen en toegepast, maar moet het worden gelezen en toegepast in samenhang met de bepalingen van de derde alinea, die een aanvulling daarop vormt.
69 In dit verband moet het argument van de Commissie worden afgewezen dat de derde alinea van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 enkel van toepassing is op de in de tweede alinea van dat artikel bedoelde situaties.
70 Deze uitlegging vindt geen steun in de bewoordingen van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009. In de eerste twee alinea’s van dit artikel is namelijk telkens sprake van een verlengingsperiode die „lang genoeg” is en er is geen reden om tussen beide alinea’s onderscheid te maken. Bovendien is de tweede alinea van dit artikel een overgangsbepaling, aangezien die alinea van toepassing is op stoffen waarvan de opname in bijlage I bij richtlijn 91/414 vóór 14 juni 2014 is verstreken. Dit geldt niet voor de derde alinea, waarin ook wordt verwezen naar andere bepalingen van verordening nr. 1107/2009, namelijk artikel 18, die geen overgangsbepalingen zijn. De draagwijdte van de derde alinea van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 is dus niet beperkt tot de tweede alinea van dat artikel.
71 Voorts maakten in de oorspronkelijke tekst van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad COM(2006) 388 definitief van de Commissie van 12 juli 2006 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, de eerste en de tweede alinea van hetgeen thans artikel 17 van verordening nr. 1107/009 is, deel uit van dezelfde alinea, die onmiddellijk werd gevolgd door de alinea betreffende de duur van de verlenging. Daaruit blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was dat de elementen waarmee bij de vaststelling van de duur van de verlenging rekening moet worden gehouden, worden toegepast op de gevallen die nu onder artikel 17, eerste en tweede alinea, van die verordening vallen.
72 Hieruit volgt dat artikel 17, derde alinea, van verordening nr. 1107/2009 van toepassing is bij de vaststelling van de verlengingsperiode die „lang genoeg” is.
73 Ten derde ligt, zoals in de punten 41 tot en met 46 hierboven in herinnering is gebracht, het voorzorgsbeginsel ten grondslag aan alle bepalingen van verordening nr. 1107/2009.
74 In deze context moet de uitdrukking „lang genoeg” in artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009 aldus worden opgevat dat zij vereist dat een periode wordt vastgesteld die niet korter of langer is dan nodig om de verlengingsprocedure voor elk individueel geval af te ronden.
75 In de derde plaats moet rekening worden gehouden met de doelstellingen van verordening nr. 1107/2009.
76 Verordening nr. 1107/2009 heeft volgens artikel 1, lid 3, ervan tot doel een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu te waarborgen en de werking van de interne markt te verbeteren door de regels voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen te harmoniseren en tegelijkertijd de landbouwproductie te verbeteren. De Commissie stelt dan ook terecht dat verordening nr. 1107/2009 meerdere doelstellingen heeft. Wanneer toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen worden verleend, moet de bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu evenwel voorrang hebben op de verbetering van de teelt van planten, zoals blijkt uit overweging 24 van verordening nr. 1107/2009.
77 Door de handhaving van een hoog niveau van bescherming van het milieu verplicht te stellen, geeft verordening nr. 1107/2009 uitvoering aan artikel 11 VWEU, dat bepaalt dat de eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling, en aan artikel 114, lid 3, VWEU, dat deze verplichting invult. Dit artikel bepaalt inderdaad dat de Commissie in haar voorstellen op het gebied van milieubescherming, gedaan uit hoofde van de onderlinge aanpassing van wettelijke bepalingen die de instelling en de werking van de interne markt betreffen, uitgaat van een hoog beschermingsniveau, daarbij in het bijzonder rekening houdend met alle nieuwe ontwikkelingen die op wetenschappelijke gegevens zijn gebaseerd en dat ook het Parlement en de Raad binnen hun respectieve bevoegdheden zullen trachten deze doelstelling te verwezenlijken. Aan deze bescherming moet voorrang worden verleend boven economische overwegingen, zodat zij, zelfs aanzienlijke, negatieve economische gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers kan rechtvaardigen (zie arrest van 17 maart 2021, FMC/Commissie, T‑719/17, EU:T:2021:143, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78 Hieruit volgt dat de Commissie, onder de verschillende doelstellingen van verordening nr. 1107/2009, bijzonder belang moet hechten aan de doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu te waarborgen wanneer zij een procedure voor de verlenging van de goedkeuring van een werkzame stof beheert, a fortiori wanneer deze procedure het tijdskader voor het verloop ervan overschrijdt en zij krachtens artikel 17 van die verordening een verlenging van de goedkeuringsperiode toekent.
79 Uit het voorgaande kunnen de volgende beginselen worden afgeleid. Ten eerste is de verlenging van de goedkeuringsperiode voorlopig en uitzonderlijk van aard, en wordt deze toegestaan op grond van omstandigheden die zich tijdens de procedure zelf hebben voorgedaan en niet eerder bekend waren. Zij moet worden vastgesteld in het licht van de concrete omstandigheden van het geval en kan bijgevolg niet automatisch of systematisch worden toegepast. Ten tweede moet de duur van de verlenging voldoende lang zijn om de verlengingsaanvraag te kunnen onderzoeken. Bij de vaststelling van deze duur moet de Commissie rekening houden met de in artikel 17, derde alinea, van verordening nr. 1107/2009 bedoelde elementen en per geval beoordelen. Ten derde mag deze periode niet korter of langer zijn dan nodig is om de verlengingsprocedure af te ronden.
80 Ten vierde moet de Commissie, wanneer zij artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 wil toepassen, meer in het algemeen rekening houden met de totale duur van de verlengingsprocedure, teneinde zich ervan te vergewissen dat deze binnen redelijke grenzen blijft, gelet op het in punt 64 hierboven in herinnering gebrachte vereiste van een snelle procedure. In het bijzonder kan, gelet op de beperkte duur van een goedkeuring en de door de wetgever gekozen periodieke aanpak, die berust op een regelmatige herbeoordeling van de risico’s van werkzame stoffen, niet worden aanvaard dat de verlenging van de goedkeuringsperiode, die een voorlopig en uitzonderlijk karakter heeft, het mogelijk maakt een werkzame stof op de markt te houden gedurende een periode die aanzienlijk langer is dan die van de oorspronkelijke goedkeuring, omdat anders het bij die verordening ingevoerde verlengingsstelsel elk nuttig effect zou verliezen.
81 Aldus uitgelegd geeft artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 uitdrukking aan een afweging van de verschillende betrokken belangen die verenigbaar is met de doelstellingen van deze verordening en met het voorzorgsbeginsel. Enerzijds wordt rekening gehouden met de belangen die ervoor pleiten dat een stof die overeenkomstig de Unieregels is goedgekeurd, niet op onvoorzienbare wijze wordt verboden wegens vertragingen in het tijdschema van de verlengingsprocedure die buiten de wil van de aanvrager vallen.
82 Anderzijds is de toegestane verlenging slechts voorlopig, kan zij worden onderbroken door een besluit tot niet-verlenging of kunnen beperkingen worden gesteld aan het gebruik van de stoffen en mag zij vooral niet verder gaan dan wat nodig is, gelet op de omstandigheden van elk individueel geval.
83 In casu is de Commissie in het bestreden besluit ten eerste van mening dat de derde alinea van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 enkel van toepassing is op situaties die binnen de werkingssfeer van de tweede alinea van dat artikel vallen en dus niet van toepassing is op de verlenging van de goedkeuringsperiode van boscalid. Ten tweede rechtvaardigt de Commissie de verlenging in kwestie met het feit dat zij wachtte op het verslag van EFSA. Zij is van mening dat een kortere verlenging, die zo nodig kan worden verlengd, de voorkeur verdient boven één verlenging met een langere duur. Ten derde is het argument dat de goedkeuringsperiode van boscalid reeds meerdere malen was verlengd, irrelevant. Volgens de Commissie is er geen beperking met betrekking tot hoe vaak artikel 17 van deze verordening kan worden toegepast. De Commissie wijst er ook op dat in casu was voldaan aan de voorwaarden van dit artikel en dat de wetgever het verlengingsmechanisme in het belang van de rechtszekerheid heeft vastgesteld.
84 Bovendien betwist de Commissie in het bestreden besluit dat zij onbeperkte verlengingen heeft toegestaan. Zij geeft toe dat er problemen zijn bij de naleving van de termijnen op het niveau van de lidstaten, maar is van mening dat deze systemische problemen niet van dien aard zijn dat zij een besluit tot verlenging onwettig maken.
85 Wat voorts het voorzorgsbeginsel betreft, legt de Commissie in het bestreden besluit uit dat de toepassing van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 geen materiële analyse of keuze vereist, aangezien aan het einde van de verlengingsprocedure een beslissing ten gronde wordt genomen. Haar beoordelingsmarge is beperkt tot de keuze van de duur van de verlengingsperiode en alleen bij deze keuze wordt het voorzorgsbeginsel toegepast. De toepassing van dit beginsel betekent voor de Commissie dat de verlenging zo kort mogelijk moet zijn om overeenkomstig verordening nr. 1107/2009 de nodige wetenschappelijke resultaten te verkrijgen, en dat voor de vaststelling van een besluit tot verlenging of niet-verlenging niet hoeft te worden gewacht tot het einde van de verlengingsperiode.
86 Aldus heeft de Commissie ten eerste in het bestreden besluit uitdrukkelijk geweigerd de in artikel 17, derde alinea, van verordening nr. 1107/2009 genoemde elementen toe te passen (zie de punten 69 en 83 hierboven). Ten tweede is zij van mening dat was voldaan aan de criteria van dat artikel, zonder evenwel de verschillende elementen van het concrete geval te onderzoeken om zich ervan te vergewissen dat zij een voldoende lange verlenging toepaste om de aanvraag tot verlenging van de goedkeuring van boscalid te kunnen onderzoeken.
87 In dit verband blijkt dat uitvoeringsverordening 2022/708 dezelfde verlengingsperiode, namelijk een jaar, toepast op 50 verschillende stoffen. Hoewel het juist is, zoals de Commissie in haar schriftelijke stukken betoogt, dat zij niet verplicht is om 50 verschillende uitvoeringsverordeningen vast te stellen die elk betrekking hebben op een andere stof, valt een identieke verlengingsperiode voor 50 stoffen, zonder toelichting bij de keuze van die duur, moeilijk te rijmen met het vereiste van een analyse per geval. De argumenten van de Commissie dat zij niet verplicht was een inhoudelijke analyse te verrichten en niet had mogen toelaten dat de goedkeuring van deze stoffen verstreek wegens de verzoeken om aanvullende informatie, hebben geen invloed op haar verplichting om in concreto een analyse te verrichten van wat een periode is die „lang genoeg” is in het geval van de verlenging van de goedkeuringsperiode van elke stof, waaronder boscalid.
88 Ten derde is de benadering van de Commissie in het bestreden besluit – volgens welke zij heeft gekozen voor verlengingen voor een beperkte periode, die indien nodig opnieuw kon worden verlengd, in plaats van voor één langere periode – in strijd met artikel 17 van verordening nr. 1107/2009, dat, zoals in punt 79 hierboven is uiteengezet, vereist dat de verlengingsperiode in concreto wordt berekend op basis van de nog te doorlopen fasen van de procedure en niet verder gaat dan nodig is om de verlengingsprocedure af te ronden.
89 Ten vierde past de Commissie het recht onjuist toe door in het bestreden besluit te verklaren dat de opeenvolgende verlengingen van de goedkeuringsperiode van boscalid niet in aanmerking mogen worden genomen en dat er geen beperking bestaat met betrekking tot hoe vaak artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 wordt gebruikt. Een dergelijke benadering is in strijd met het in punt 80 hierboven genoemde beginsel.
90 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de argumenten van de Commissie waarmee zij stelt dat de verlengingsperioden niet bij elkaar kunnen worden opgeteld en dat het begrip opgebouwde duur, gedurende welke de goedkeuringsperiode van een stof op grond van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 wordt verlengd, niet voorkomt in die verordening.
91 Het is juist dat uitvoeringsverordening 2022/708 voorziet in een verlenging van de goedkeuringsperiode van boscalid met een jaar, en dat alleen deze verordening het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot interne herziening. Ook staat vast dat de Commissie alleen voor die verordening de rechtmatigheid opnieuw kon onderzoeken.
92 Gelet op het voorlopige karakter van de verlenging van de goedkeuringsperiode voor werkzame stoffen en het feit dat het gaat om een maatregel die wordt genomen in de loop van een verlengingsprocedure waarvan zij een mogelijke stap vormt, kan deze verlenging echter niet los worden gezien van de gehele procedure waarvan zij deel uitmaakt.
93 In casu voorziet uitvoeringsverordening 2022/708 in een vijfde verlenging van de goedkeuringsperiode van boscalid, waardoor de onderzoeksperiode van de aanvraag tot verlenging van de goedkeuring van die stof wordt verlengd tot acht jaar en de goedkeuring met vijf jaar wordt verlengd.
94 Indien deze context buiten beschouwing wordt gelaten, zou het resultaat van het onderzoek van de rechtmatigheid van de opeenvolgende verlengingen telkens vergelijkbaar zijn met dat van een eerste verlenging. Een dergelijk resultaat zou in strijd zijn met de in de punten 79 en 80 hierboven uiteengezette beginselen.
95 Een afzonderlijke analyse van elke verlengingsperiode zou bovendien bijdragen tot de verergering van hetgeen de Commissie in het bestreden besluit omschrijft als „systemische” problemen in verband met de naleving van de termijnen van de verlengingsprocedure.
96 Bijgevolg moeten deze argumenten van de Commissie worden afgewezen.
97 Derhalve moeten het derde onderdeel van het eerste middel en het tweede onderdeel van het derde middel worden aanvaard, zonder dat de andere onderdelen van het eerste middel hoeven te worden onderzocht.
Eerste onderdeel van het derde middel
98 Met het eerste onderdeel van het derde middel betoogt verzoekster dat de Commissie het recht onjuist heeft toegepast door zich op het standpunt te stellen dat de vertraging in de verlengingsprocedure te wijten was aan redenen buiten de wil van de aanvrager.
99 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de verschillende taalversies van artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009 uiteenlopen. Hoewel in sommige versies, waaronder de Franse, de uitdrukking „redenen buiten de wil van de aanvrager” wordt gebruikt, komt het begrip „wil” immers niet voor in andere taalversies. In sommige andere taalversies, waaronder het Engels, wordt immers het begrip „controle” gebruikt. Andere taalversies, zoals de Duitse, gebruiken het begrip „verantwoordelijkheid”, of het begrip beïnvloeding. In andere versies worden slechts redenen genoemd die „onafhankelijk zijn van de aanvrager”.
100 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen of voorrang hebben boven de overige taalversies. Unierechtelijke bepalingen moeten immers uniform worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Unie. Wanneer er verschillen zijn tussen de taalversies van een Unierechtelijke bepaling, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de context en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie arrest van 12 september 2019, A e.a., C‑347/17, EU:C:2019:720, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak),
101 Bij de uitlegging van artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009 en meer bepaald van de uitdrukking „redenen buiten de wil van de aanvrager” moet dus rekening worden gehouden met zowel het doel van deze bepaling als de context ervan.
102 Wat de context van deze regel betreft, moet ten eerste worden verwezen naar de overwegingen in de punten 54 en volgende hierboven. Ten tweede moet de rol van de aanvrager van de verlenging in het kader van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 worden onderzocht.
103 Zowel de goedkeuringsprocedure als de verlengingsprocedure wordt immers ingeleid op initiatief van de producent van de werkzame stof, die vervolgens in voorkomend geval de aanvrager van de verlenging is, zoals blijkt uit respectievelijk artikel 7 van verordening nr. 1107/2009 en artikel 1 van uitvoeringsverordening nr. 844/2012. De producent van de werkzame stof, die vervolgens in voorkomend geval de aanvrager van de verlenging is, speelt een centrale rol tijdens de gehele goedkeurings- en verlengingsprocedure en is een belangrijke gesprekspartner voor de instanties die bij deze procedures betrokken zijn.
104 Wat meer bepaald de verlengingsprocedure betreft, is de aanvrager van de verlenging verantwoordelijk voor de inhoud van de aanvraag (artikel 3 van uitvoeringsverordening nr. 844/2012), voor de indiening van de aanvullende dossiers (artikelen 6 en 7 van uitvoeringsverordening nr. 844/2012), voor het verstrekken van nadere informatie aan de lidstaat-rapporteur of EFSA (artikel 11, lid 5, en artikel 13, lid 3, van uitvoeringsverordening nr. 844/2012) en kan hij bij EFSA opmerkingen indienen over het ontwerpbeoordelingsverslag van de lidstaat-rapporteur of het verlengingsverslag (artikel 12, lid 3, en artikel 14, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 844/2012). Voor al deze interacties met de aanvrager van de verlenging gelden specifieke termijnen.
105 Hieruit volgt dat de aanvrager van de verlenging een rol speelt in alle fasen van de procedure door gegevens te verstrekken of opmerkingen in te dienen, waardoor hij het verloop van de procedure kan beïnvloeden. De wetgever heeft daarom besloten de verlenging van de goedkeuringsperiode afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de eventuele vertraging „buiten de wil van de aanvrager” van de verlenging valt.
106 Wat daarentegen de verlenging van de goedkeuringsperiode betreft, hoeft de aanvrager van de verlenging geen aanvraag in te dienen en wordt hij niet geraadpleegd. De procedure wordt ambtshalve ingeleid en de Commissie moet nagaan of de vertraging in het verloop van de verlengingsprocedure niet te wijten is aan redenen „buiten de wil van de aanvrager”.
107 Het gedrag van de aanvrager moet dus worden beoordeeld in het licht van de verschillende fasen van de verlengingsprocedure die voorafgaan aan een eventuele verlenging van de goedkeuringsperiode, waarin hij een participerende rol heeft gespeeld.
108 In dit verband geeft artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 uitdrukking aan een afweging van de verschillende betrokken belangen die verenigbaar is met de doelstellingen van deze verordening en met het voorzorgsbeginsel.
109 Wat de doelstellingen van artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009 betreft, moet worden verwezen naar de punten 75 tot en met 78 hierboven en met name naar het feit dat de Commissie bij het beheer van een procedure voor de verlenging van een werkzame stof bijzonder belang moet hechten aan de doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu te waarborgen.
110 Bij het onderzoek van de rol van de aanvrager van de verlenging bij vertragingen in een verlengingsprocedure moet de Commissie zich er niet alleen van vergewissen dat deze aanvrager binnen de gestelde termijnen heeft gehandeld, maar ook dat de vertraging in het verloop van de verlengingsprocedure losstaat van zijn handelwijze, dat wil zeggen dat hij niet op zodanige wijze heeft gehandeld dat hij vertragingen heeft veroorzaakt of tot vertragingen heeft bijgedragen.
111 Hieruit volgt dat een benadering die een opzettelijk element van de verzoeker zou vereisen met betrekking tot vertragingen in het verloop van de procedure, te beperkend is en het door de wetgever gevonden evenwicht dreigt te verstoren ten gunste van de belangen van de aanvrager van de verlenging. Een dergelijke restrictieve benadering ten gunste van de aanvrager van de verlenging zou ook in strijd zijn met de rechtspraak, die vereist dat aan het hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en van het milieu voorrang moet worden verleend boven economische overwegingen (zie in die zin arrest van 17 maart 2021, FMC/Commissie, T‑719/17, EU:T:2021:143, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsook met de context van de regel van artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009, die bestaat in een regelgevend kader waarin de deelname aan de procedure van de aanvrager van de verlenging in detail is omschreven.
112 Om de door de wetgever gemaakte afweging in acht te nemen, moet artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009 dan ook aldus worden uitgelegd dat het een objectieve en concrete analyse van de redenen voor de vertraging vereist om vast te stellen dat deze vertraging buiten de wil valt van de aanvrager, die alle op de aanvraag en de verlengingsprocedure toepasselijke regels zorgvuldig moet hebben nageleefd. In dit verband kan het feit dat de vertraging, althans gedeeltelijk, te wijten is aan de te late indiening van een verslag of conclusies door een of meer bij de verlengingsprocedure betrokken autoriteiten, niet volstaan om elke rol van de aanvrager uit te sluiten, aangezien hij zelf de oorzaak van een dergelijke vertraging kan zijn geweest, ook al heeft hij de hem door verordening nr. 1107/2009 opgelegde termijnen in acht genomen.
113 In casu is de Commissie in het bestreden besluit van mening dat de vertraging buiten de wil van de aanvrager van de verlenging valt wanneer deze vertraging kan worden toegeschreven aan andere actoren in de verlengingsprocedure, bijvoorbeeld aan de lidstaat-rapporteur, aan EFSA of aan haarzelf, of aan gevallen van overmacht. De Commissie verklaart dat zij alleen hoeft vast te stellen dat de vertraging niet te wijten is aan de aanvrager van de verlenging, maar niet hoeft te onderzoeken waarom de vertraging is opgetreden, of wie als „schuldig” kan worden beschouwd, of toezicht te houden op de andere actoren die bij de verlengingsprocedure betrokken zijn. Ten eerste zet de Commissie uiteen dat de in casu aan de orde zijnde vertraging te wijten was aan de te late indiening van het herziene ontwerpverslag door de lidstaat-rapporteur, hetgeen duidelijk voldoet aan de voorwaarde van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 dat de vertraging niet mag worden toegeschreven aan de aanvrager van de verlenging. Ten tweede benadrukt de Commissie dat verzoeksters beweringen dat de in het ontwerpverslag over de verlenging vastgestelde leemten in de gegevens en het feit dat EFSA om aanvullende informatie had verzocht, tot de vertraging kunnen hebben bijgedragen, als speculatief moeten worden afgewezen. Ten derde zijn deze beweringen hoe dan ook gebaseerd op verwarring tussen de volledigheid van de aanvullende dossiers en de conclusies die uit de beoordeling van de ingediende dossiers kunnen worden getrokken. De aanvrager van de verlenging moet ter ondersteuning van zijn verlengingsaanvraag aanvullende dossiers indienen die voldoen aan de gegevensvereisten van het toepasselijke regelgevingskader. Bijgevolg kan een aanvrager van een verlenging volgens de Commissie niet aansprakelijk zijn in de zin van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 voor leemten in de gegevens of verzoeken om aanvullende informatie die daaruit voortvloeien op grond van uitvoeringsverordening nr. 844/2012.
114 In dit verband blijkt uit het bestreden besluit dat de Commissie het niet nodig heeft geacht om concreet, of zelfs maar summier, na te gaan welke rol de aanvrager van de verlenging heeft gespeeld bij de vertraging van de verlengingsprocedure.
115 In haar schriftelijke stukken betoogt de Commissie voorts dat een vertraging die althans gedeeltelijk is veroorzaakt door een andere actor dan de aanvrager van de verlenging, in casu de lidstaat-rapporteur, niet kan worden geacht onder de verantwoordelijkheid of de wil van de aanvrager te vallen. De Commissie is van mening dat zij het gewicht van de bijdrage van de aanvrager van de verlenging in een vertraging niet hoeft te onderzoeken.
116 De Commissie heeft bij de uitlegging van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 het recht echter onjuist toegepast en de door de wetgever gemaakte afweging niet in acht genomen door geen concrete analyse van de rol van de aanvrager van de verlenging te verrichten en door bij eventuele vertragingen in de verlengingsprocedure een restrictieve benadering van de rol van de aanvrager van de verlenging toe te passen, en door geen rekening te houden met zijn eventuele rol wanneer een andere actor, zelfs gedeeltelijk, aan de vertraging zou hebben bijgedragen (zie de punten 111en 112 hierboven).
117 Hieruit volgt dat ook het eerste onderdeel van het derde middel moet worden aanvaard.
118 Bijgevolg moet het bestreden besluit nietig worden verklaard voor zover het boscalid betreft, zonder dat het tweede en het vierde middel hoeven te worden onderzocht.
Kosten
119 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van verzoekster te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van verzoekster.
120 Overeenkomstig artikel 138, leden 1 en 3, van het Reglement voor de procesvoering dragen het Parlement, de Raad, BASF en CropLife Europe hun eigen kosten.
HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),
rechtdoende, verklaart:
1) Besluit Ares(2022)8437051 van de Commissie van 6 december 2022 tot afwijzing van het verzoek van Pollinis France tot interne herziening van uitvoeringsverordening (EU) 2022/708 van de Commissie van 5 mei 2022 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de goedkeuring voor de werkzame stoffen 2,5-dichloorbenzoëzuurmethylester, azijnzuur, aclonifen, aluminiumammoniumsulfaat, aluminiumfosfide, aluminiumsilicaat, beflubutamide, benthiavalicarb, boscalid, calciumcarbide, captan, cymoxanil, dimethomorf, dodemorf, ethefon, ethyleen, extract van theeboom, vetdestillatieresiduen, vetzuren C7 tot en met C20, fluoxastrobin, flurochloridone, folpet, formetanaat, gibberellinezuur, gibberellinen, gehydrolyseerde eiwitten, ijzersulfaat, magnesiumfosfide, metam, metamitron, metazachloor, metribuzin, milbemectine, fenmedifam, pirimifos-methyl, plantaardige oliën/kruidnagelolie, plantaardige oliën/raapzaadolie, plantaardige oliën/groenemuntolie, propamocarb, proquinazid, prothioconazool, pyrethrinen, kwartszand, visolie, op geur gebaseerde afweermiddelen van dierlijke of van plantaardige oorsprong/schapenvet, S-metolachloor, onvertakte vlinderferomonen, sulcotrione, tebuconazool en ureum wordt nietig verklaard voor zover daarbij de goedkeuringsperiode voor boscalid wordt verlengd.
2) De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in de kosten van Pollinis France.
3) Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, BASF SE en CropLife Europe dragen hun eigen kosten.
da Silva Passos Półtorak Reine
Pynnä Cassagnabère
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 november 2025.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 2 september 2021, C-337/20, ECLI:EU:C:2021:671
- Gerecht EU 17 maart 2021, T-719/17, ECLI:EU:T:2021:143
- HvJ EU 1 oktober 2019, C-616/17, ECLI:EU:C:2019:800
- Gerecht EU 19 september 2019, T-476/17, ECLI:EU:T:2019:618
- HvJ EU 12 september 2019, C-82/17, ECLI:EU:C:2019:719
- HvJ EU 12 september 2019, C-347/17, ECLI:EU:C:2019:720
- Gerecht EU 4 april 2019, T-108/17, ECLI:EU:T:2019:215
- Gerecht EU 27 september 2018, T-12/17, ECLI:EU:T:2018:616
- HvJ EU 4 september 2018, C-57/16, ECLI:EU:C:2018:660
- HvJ EU 17 september 2015, C-33/14, ECLI:EU:C:2015:609
- HvJ EU 7 juni 2007, C-362/05, ECLI:EU:C:2007:322
- Gerecht EU 21 oktober 2003, T-392/02, ECLI:EU:T:2003:277