Gerecht EU 10 september 2025, T-583/22, ECLI:EU:T:2025:863
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid)
10 september 2025 ( *1 )
„Milieu – Verdrag van Aarhus – Afwijzing van een verzoek tot interne herziening – Artikel 10 van verordening (EG) nr. 1367/2006 – Gedelegeerde verordening (EU) 2021/2139 – Elektriciteitsopwekking uit windenergie – Taxonomie – Vereisten voor technische screeningcriteria – Artikel 19 van verordening (EU) 2020/852 – Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering – Substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering – Geen ernstige afbreuk aan de andere milieudoelstellingen”
In zaak T‑583/22,
Fédération environnement durable, gevestigd te Parijs (Frankrijk),
Bundesinitiative Vernunftkraft eV, gevestigd te Berlijn (Duitsland),
Vent de Colère! - Fédération nationale, gevestigd te Peyraud (Frankrijk),
Vent de Raison - Wind met Redelijkheid (VdR-WmR), gevestigd te Petit-Rœulx (België),
vertegenwoordigd door M. Le Berre, advocaat,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. von Rintelen, G. Gattinara, C. Auvret en B. De Meester als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. J. Costeira, president, M. Kancheva, U. Öberg, P. Zilgalvis en E. Tichy-Fisslberger (rapporteur), rechters,
griffier: P. Cullen, administrateur,
gezien de stukken,
gezien de op 6 december 2023 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief van verzoeksters,
gezien de vraag van het Gerecht aan de partijen,
na de terechtzitting op 28 november 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met hun beroepen krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoeksters, Fédération environnement durable, Bundesinitiative Vernunftkraft eV, Vent de Colère! - Fédération nationale, en Vent de Raison - Wind met Redelijkheid (VdR-WmR), nietigverklaring van besluit Ares(2022) 4952619 van de Europese Commissie van 7 juli 2022 houdende afwijzing van het verzoek tot interne herziening van gedelegeerde verordening (EU) 2021/2139 van 4 juni 2021 tot aanvulling van verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, en om uit te maken of die economische activiteit niet ernstig afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen (PB 2021, L 442, blz. 1; hierna: „gedelegeerde verordening”) in verband met bepaalde aspecten inzake economische activiteiten op het gebied van „elektriciteitsopwekking uit windenergie” (hierna: „bestreden besluit”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 De gedelegeerde verordening is door de Commissie vastgesteld op grond van met name artikel 10, lid 3, en artikel 11, lid 3, van verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van verordening (EU) 2019/2088 (PB 2020, L 198, blz. 13), de zogeheten „taxonomieverordening”.
3 Die verordening is op 9 december 2021 in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.
4 Op 3 februari 2022 hebben verzoeksters bij de Commissie een verzoek ingediend tot interne herziening van de gedelegeerde verordening, op grond van artikel 10, lid 1, van verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2021/1767 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2021 (PB 2021, L 356, blz. 1). In essentie hebben zij aangevoerd dat die gedelegeerde verordening niet aantoont dat de economische activiteit van „elektriciteitsopwekking uit windenergie” een wezenlijke bijdrage levert aan de milieudoelstellingen van die gedelegeerde verordening.
5 Op 7 juli 2022 heeft de Commissie het bestreden besluit aan verzoeksters meegedeeld. Bij dat besluit heeft zij het verzoek tot interne herziening ongegrond verklaard omdat de gedelegeerde verordening volgens haar in overeenstemming is met het relevante Unierecht.
Conclusies van partijen
6 Verzoeksters verzoeken het Gerecht in essentie: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
7 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.
In rechte
8 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vijf middelen aan, die in essentie zijn opgebouwd rond een aantal thema’s. Het eerste middel betreft de uitwerking van de gedelegeerde verordening en bestaat uit drie onderdelen waarin verzoeksters stellen dat bepalingen van het Unierecht zijn geschonden. Het tweede middel heeft betrekking op de doelstelling van mitigatie van klimaatverandering, waarbij verzoeksters in het kader van vier onderdelen betogen dat bepalingen van het Unierecht zijn geschonden. Het derde middel betreft de doelstelling van adaptatie aan klimaatverandering. In het kader van de vier onderdelen van het vierde middel behandelen verzoeksters het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan andere milieudoelstellingen. Ten slotte stellen zij in het vijfde middel dat de Commissie niet heeft voldaan aan de op haar rustende motiveringsplicht.
9 In hun repliek voeren verzoeksters onder meer subsidiair aan dat de gedelegeerde verordening onwettig is in de zin van artikel 277 VWEU.
Inleidende opmerkingen over verordening 2020/852 en de gedelegeerde verordening
10 Artikel 1, lid 1, van verordening 2020/852 bepaalt dat in deze verordening de criteria worden vastgesteld om uit te maken of een economische activiteit als ecologisch duurzaam kan worden aangemerkt, met het oog op het bepalen van de mate waarin een belegging ecologisch duurzaam is. Volgens overweging 3 van deze verordening vormt deze verordening een essentiële stap om geldstromen naar duurzame activiteiten te leiden teneinde tegen 2050 een klimaatneutrale Unie tot stand te brengen.
11 Daartoe voorziet verordening 2020/852, zoals blijkt uit de overwegingen 6 en 12 ervan, in een uniform classificatiesysteem voor duurzame activiteiten („taxonomie”), teneinde de criteria op basis waarvan kan worden bepaald of een economische activiteit kan worden aangemerkt als een ecologisch duurzame economische activiteit op Unieniveau te harmoniseren, waardoor investeerders en andere marktdeelnemers een gemeenschappelijk begrip krijgen van de economische activiteiten die ecologisch duurzaam zijn.
12 Artikel 3 van verordening 2020/852 luidt: „Met het oog op het bepalen van de mate waarin een belegging ecologisch duurzaam is, wordt een economische activiteit aangemerkt als ecologisch duurzaam indien die economische activiteit: a) overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 16 substantieel bijdraagt aan een of meer van de in artikel 9 genoemde milieudoelstellingen; b) overeenkomstig artikel 17 geen ernstige afbreuk doet aan de in artikel 9 genoemde milieudoelstellingen; […] d) voldoet aan de technische screeningcriteria die door de Commissie zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 10, lid 3 [en] artikel 11, lid 3 […].”
13 De zes in artikel 9 van verordening 2020/852 opgesomde milieudoelstellingen zijn: „a) de mitigatie van klimaatverandering; b) de adaptatie aan klimaatverandering; c) het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen; d) de transitie naar een circulaire economie; e) de preventie en bestrijding van verontreiniging; f) de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen.”
14 Artikel 4 van verordening 2020/852 bepaalt dat de lidstaten en de Europese Unie de criteria van artikel 3 van die verordening hanteren om te bepalen of een economische activiteit als ecologisch duurzaam kan worden aangemerkt met het oog op maatregelen tot vaststelling van voorschriften voor financiëlemarktdeelnemers of uitgevende instellingen ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties die als ecologisch duurzaam beschikbaar worden gesteld.
15 Artikel 10, lid 1, van verordening 2020/852 bepaalt dat „[e]en economische activiteit wordt aangemerkt als een economische activiteit die substantieel aan de mitigatie van klimaatverandering bijdraagt indien die activiteit in overeenstemming met de langetermijntemperatuurdoelstelling van de [Overeenkomst van Parijs, goedgekeurd op 12 december 2015] substantieel bijdraagt aan de stabilisering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau waarop gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen, door het beletten of verminderen van broeikasgasemissies […], door middel van: a) opwekking […] van hernieuwbare energie overeenkomstig richtlijn (EU) 2018/2001 [van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (PB 2018, L 328, blz. 82)] […]”.
16 „Mitigatie van klimaatverandering” wordt in artikel 2, punt 5, van de verordening 2020/852 gedefinieerd als „het proces om de stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur te beperken tot beduidend minder dan 2 °C en de inspanningen voort te zetten om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, zoals vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs [inzake klimaatverandering, goedgekeurd op 12 december 2015]”.
17 Artikel 10, lid 3, van verordening 2020/852 bepaalt dat de Commissie overeenkomstig artikel 23 van die verordening een gedelegeerde handeling vaststelt met het oog op: „a) het aanvullen van de leden 1 en 2 van dit artikel door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering, en b) het aanvullen van artikel 17 door voor elke relevante milieudoelstelling technische screeningcriteria vast te stellen om uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan op grond van […] dit lid [,onder a)] technische screeningcriteria zijn vastgesteld, ernstig afbreuk doet aan een of meer van die doelstellingen”.
18 Artikel 11, lid 1, van verordening 2020/852 bepaalt dat een economische activiteit wordt aangemerkt als een economische activiteit die substantieel aan de adaptatie aan klimaatverandering bijdraagt indien die activiteit: „a) adaptatieoplossingen omvat die ofwel het risico op ongunstige effecten van het huidige klimaat en het verwachte toekomstige klimaat op die economische activiteit substantieel verminderen, ofwel die ongunstige effecten substantieel verminderen, zonder het risico op ongunstige effecten op de mens, de natuur of activa te vergroten, of b) adaptatieoplossingen biedt die, naast het feit dat ze aan de in artikel 16 gestelde voorwaarden tegemoetkomen, substantieel bijdragen aan het voorkomen of verminderen van het risico op ongunstige effecten van het huidige klimaat en het verwachte toekomstige klimaat op de mens, de natuur of activa, zonder het risico op ongunstige effecten op andere personen, de natuur of activa te vergroten”.
19 Artikel 11, lid 3, van verordening 2020/852 bepaalt dat de Commissie overeenkomstig artikel 23 van die verordening een gedelegeerde handeling vaststelt met het oog op: „a) het aanvullen van de leden 1 en 2 van dit artikel door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de adaptatie aan klimaatverandering; en b) het aanvullen van artikel 17 door voor elke relevante milieudoelstelling technische screeningcriteria vast te stellen om uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan op grond van […] dit lid [,onder a)] technische screeningcriteria zijn vastgesteld, ernstig afbreuk doet aan een of meer van die doelstellingen”.
20 Artikel 17, lid 1, van verordening 2020/852 luidt als volgt: „Voor de toepassing van artikel 3, [onder] b), wordt een economische activiteit, rekening houdend met de levenscyclus van de producten en diensten die zij oplevert, met inbegrip van bewijsmateriaal uit bestaande levenscyclusbeoordelingen, geacht ernstig afbreuk te doen aan: a) de mitigatie van klimaatverandering, indien die activiteit leidt tot aanzienlijke broeikasgasemissies; b) de adaptatie aan klimaatverandering, indien die activiteit leidt tot een toegenomen ongunstig effect van het huidige klimaat en het verwachte toekomstige klimaat op de activiteit zelf of op de mens, de natuur of activa; c) het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen, indien die activiteit schadelijk is: i) voor de goede toestand of het goed ecologisch potentieel van waterlichamen, met inbegrip van oppervlaktewater en grondwater, of ii) voor de goede milieutoestand van mariene wateren; d) de circulaire economie, met inbegrip van preventie en recycling van afval, indien: i) die activiteit leidt tot aanzienlijke inefficiënties bij het gebruik van materialen of bij het directe of indirecte gebruik van natuurlijke hulpbronnen zoals niet-hernieuwbare energiebronnen, grondstoffen, water en bodem in een of meer stadia van de levenscyclus van producten, onder meer in termen van duurzaamheid, repareerbaarheid, verbeterbaarheid, herbruikbaarheid of recyclebaarheid van producten; ii) die activiteit leidt tot een aanzienlijke toename van de productie, verbranding of verwijdering van afval, met uitzondering van de verbranding van niet-recyclebaar gevaarlijk afval, of iii) de verwijdering van afval op lange termijn kan leiden tot aanzienlijke en langdurige schade aan het milieu; e) de preventie en bestrijding van verontreiniging, indien die activiteit leidt tot een aanzienlijke toename van emissies van verontreinigende stoffen in lucht, water of bodem, vergeleken met de situatie voordat de activiteit van start ging, of f) de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen, indien die activiteit: i) in aanzienlijke mate schadelijk is voor de goede staat en de veerkracht van ecosystemen, of ii) schadelijk zal zijn voor de staat van instandhouding van habitats en soorten, met inbegrip van die welke van Uniebelang zijn.”
21 Artikel 19, lid 1, van verordening 2020/852 bepaalt dat de technische screeningcriteria die zijn vastgesteld op grond van met name artikel 10, lid 3, en artikel 11, lid 3, van die verordening: „a) […] de meest relevante potentiële bijdragen aan de specifieke milieudoelstelling [vermelden], waarbij het beginsel van technologische neutraliteit in acht wordt genomen, en waarbij naar de effecten van een specifieke economische activiteit op korte en lange termijn wordt gekeken; […] c) […] voor zover mogelijk kwantitatief [zijn] en […] drempels [bevatten], en […] in het andere geval kwalitatief [zijn]; […] f) […] gebaseerd [zijn] op sluitend wetenschappelijk bewijs en […] het in artikel 191 VWEU vastgelegde voorzorgsbeginsel [naleven]; […] j) […] alle relevante economische activiteiten binnen een bepaalde bedrijfstak [bestrijken] en […] ervoor [zorgen] dat die activiteiten gelijk worden behandeld indien zij in gelijke mate aan de milieudoelstellingen in artikel 9 van deze verordening bijdragen, teneinde verstoring van de mededinging op de markt te voorkomen, en k) […] gemakkelijk toepasbaar [zijn] en worden vastgesteld op een manier die de controle op de naleving ervan faciliteert”.
22 De gedelegeerde verordening is vastgesteld op basis van met name artikel 10, lid 3, en artikel 11, lid 3, van de verordening 2020/852 (zie punt 2 hierboven).
23 Artikel 1 van de gedelegeerde verordening bepaalt dat de technische screeningcriteria om te bepalen onder welke voorwaarden een economische activiteit wordt aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering en om te bepalen of die economische activiteit geen ernstige afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen worden vastgesteld in bijlage I bij deze verordening. Volgens artikel 2 van de gedelegeerde verordening worden de technische screeningcriteria om te bepalen onder welke voorwaarden een economische activiteit wordt aangemerkt als substantieel bijdragend aan de adaptatie aan klimaatverandering en om te bepalen of die economische activiteit geen ernstige afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen vastgesteld in bijlage II bij deze verordening.
24 De bijlagen I en II bij de gedelegeerde verordening bevatten technische screeningcriteria voor elke economische activiteit die onder die gedelegeerde verordening valt, met name in punt 4.3 van die bijlage I en punt 4.3 van die bijlage II wat de elektriciteitsopwekking uit windenergie betreft.
Inleidende opmerkingen over het verzoek tot interne herziening en de omvang van de toetsing door het Gerecht
25 Krachtens artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1367/2006 is elke niet-gouvernementele organisatie die aan de criteria van artikel 11 van deze verordening voldoet, gerechtigd om een met redenen omkleed verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling in te dienen bij de instelling van de Unie die of het orgaan van de Unie dat de handeling heeft gesteld, wegens strijdigheid van die handeling met het milieurecht in de zin van artikel 2, lid 1, onder f), van deze verordening.
26 Het is inherent aan de interne herzieningsregeling dat de aanvrager van een herziening concrete en precieze redenen aanvoert die de beoordeling waarop de administratieve handeling is gebaseerd op losse schroeven kunnen zetten (zie in die zin arrest van 12 september 2019, TestBioTech e.a./Commissie, C‑82/17 P, EU:C:2019:719, punt 68). Die aanvrager moet derhalve de wezenlijke feitelijke gegevens of argumenten rechtens vermelden die aannemelijke, dat wil zeggen ernstige, twijfel kunnen doen rijzen over de beoordeling van de instelling of het orgaan van de Unie in de betrokken handeling (zie in die zin arresten van 12 september 2019, TestBioTech e.a./Commissie, C‑82/17 P, EU:C:2019:719, punt 69, en 6 oktober 2021, ClientEarth/Commissie, C‑458/19 P, EU:C:2021:802, punt 60).
27 Het verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling beoogt dus te doen vaststellen dat de betrokken handeling onrechtmatig of ongegrond is. De verzoeker kan vervolgens overeenkomstig artikel 12 van verordening nr. 1367/2006, gelezen in samenhang met artikel 10 van deze verordening, bij de Unierechter beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of van bepalingen ter uitvoering daarvan of misbruik van bevoegdheid instellen tegen het besluit waarbij het verzoek tot interne herziening ongegrond is verklaard (arrest van 12 september 2019, TestBioTech e.a./Commissie, C‑82/17 P, EU:C:2019:719, punt 38).
28 Dit beroep kan niet worden gebaseerd op nieuwe gronden of bewijzen die niet in het verzoek tot herziening waren opgenomen, aangezien anders het in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1367/2006 neergelegde vereiste dat dit verzoek met redenen moet worden omkleed, zijn nuttig effect zou verliezen en het voorwerp van de bij dit verzoek ingeleide procedure zou worden gewijzigd (arrest van 12 september 2019, TestBioTech e.a./Commissie (C‑82/17 P, EU:C:2019:719, punt 39). De instelling of het bevoegde orgaan van de Unie die/dat de auteur is van de administratieve handeling waarvoor om interne herziening wordt verzocht, is niet verplicht om andere gronden te onderzoeken dan die welke de verzoeker heeft aangevoerd bij de indiening van het verzoek om interne herziening (arrest van 12 september 2019, TestBioTech e.a./Commissie (C‑82/17 P, EU:C:2019:719, punt 40).
29 Van een verzoekende partij die beroep instelt bij het Gerecht tegen een beslissing tot afwijzing van het verzoek om interne herziening kan echter niet worden verlangd dat zij zich ertoe beperkt de argumenten die zij in haar verzoek tot interne herziening naar voren heeft gebracht woordelijk te herhalen. Ten eerste moet die partij immers argumenten kunnen aanvoeren die ertoe strekken de gegrondheid van het in antwoord op haar verzoek tot interne herziening vastgestelde besluit in rechte te betwisten. Deze argumenten mogen evenwel het voorwerp van de bij dit verzoek ingeleide procedure niet wijzigen, omdat deze anders haar nuttig effect zou verliezen. Zij mogen meer in het bijzonder geen nieuwe argumenten of bewijzen toevoegen die reeds in het verzoek tot herziening hadden kunnen worden aangevoerd. Ten tweede kan een argument dat niet in de fase van het verzoek tot herziening is aangevoerd, niet worden beschouwd als een nieuw argument dat niet-ontvankelijk is in de fase van het beroep bij het Gerecht indien het slechts een verdere uitwerking vormt van een betoog dat reeds is ontwikkeld in het kader van dat verzoek. Een nieuw argument kan slechts worden aangemerkt als een uitwerking van een middel dat of een grief die reeds eerder is aangevoerd, als het een voldoende nauwe band heeft met de middelen of grieven die aanvankelijk waren uitgewerkt om het als een normale ontwikkeling van het debat in een contentieuze procedure te beschouwen. Gelet op de bijzondere aard van de bij verordening nr. 1367/2006 ingestelde herzieningsprocedure, moet een dergelijke mogelijkheid niettemin worden verzoend met de noodzaak om het nuttig effect van die procedure te waarborgen, zodat zij een verzoeker niet de mogelijkheid biedt om het voorwerp van die procedure te wijzigen door nieuwe gronden of bewijzen aan te voeren die onvoldoende nauw verband houden met de grieven die in de fase van het verzoek tot herziening zijn opgeworpen. Aldus kan verzoekster geen nieuwe „contextuele” argumenten inroepen die aan de logica van deze regel van overeenstemming ontsnappen, tenzij wordt erkend dat die argumenten hoe dan ook niet ter zake dienend zijn (zie arrest van 21 februari 2024, PAN Europe/Commissie, T‑536/22, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2024:98, punten 44‑47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 In het kader van een beroep tegen een besluit waarbij het verzoek tot interne herziening ongegrond is verklaard, zijn enkel de middelen ontvankelijk die erop gericht zijn aan te tonen dat er sprake is van onjuiste rechtsopvattingen of beoordelingsfouten die de wettigheid van dit besluit aantasten, en niet de middelen over de administratieve handeling waarvoor om interne herziening is verzocht (arrest van 6 oktober 2021, ClientEarth/Commissie, C‑458/19 P, EU:C:2021:802, punt 49).
31 In beginsel verschilt de omvang van de rechterlijke toetsing van een besluit tot afwijzing van een verzoek tot interne herziening niet van de omvang van de rechterlijke toetsing van de administratieve handeling waartegen dat verzoek is gericht indien tegen die handeling beroep in rechte zou worden ingesteld (zie in die zin arrest van 15 december 2016, TestBioTech e.a./Commissie, T‑177/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:736, punten 76 en 81).
32 Volgens de rechtspraak beschikt een instelling van de Unie over een ruime beoordelingsbevoegdheid wanneer zij ingewikkelde beoordelingen moet verrichten, zoals die welke ten grondslag liggen aan de vaststelling van technische screeningcriteria om te bepalen of een economische activiteit duurzaam is vanuit milieuoogpunt (zie in die zin en naar analogie arrest van 11 mei 2017, Dyson/Commissie, C‑44/16 P, EU:C:2017:357, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dat geval mag het rechterlijk toezicht dat de Unierechter moet uitoefenen op de gegrondheid van de motivering van een besluit zoals het bestreden besluit hem er niet toe brengen zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie, maar is dit toezicht erop gericht na te gaan of dat besluit niet op feitelijk onjuiste gegevens berust en niet gebrekkig is wegens kennelijke beoordelingsfouten of misbruik van bevoegdheid (zie in die zin en naar analogie arrest van 4 mei 2023, ECB/Crédit Lyonnais,C‑389/21 P, EU:C:2023:368, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 In dat verband is het vaste rechtspraak dat de Unierechter niet enkel de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen alsook de betrouwbaarheid en de samenhang daarvan moet controleren, maar hij ook moet nagaan of die elementen het relevante feitenkader vormen dat voor de beoordeling van een ingewikkelde situatie in aanmerking moet worden genomen, en of zij de eraan verbonden conclusies kunnen dragen (zie arrest van 4 mei 2023, ECB/Crédit Lyonnais,C‑389/21 P, EU:C:2023:368, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wanneer een instelling over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, is het immers van fundamenteel belang dat de procedurele waarborgen in acht worden genomen, waaronder de verplichting om alle relevante elementen van de betrokken situatie zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (zie arrest van 4 mei 2023, ECB/Crédit Lyonnais,C‑389/21 P, EU:C:2023:368, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 Teneinde te kunnen vaststellen dat een instelling bij de beoordeling van ingewikkelde feiten een kennelijke fout heeft gemaakt die de nietigverklaring van de vastgestelde handeling rechtvaardigt, moeten de aangevoerde bewijzen ter staving van die bewering afdoende zijn om de plausibiliteit van de in die handeling weergegeven beoordeling van de feiten te weerleggen (zie in die zin arresten van 14 juni 2018, Lubrizol France/Raad, C‑223/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:442, punt 39, en 7 mei 2020, BTB Holding Investments en Duferco Participations Holding/Commissie, C‑148/19 P, EU:C:2020:354, punt 74).
Eerste middel, inzake de voorbereiding van de gedelegeerde verordening
35 Verzoeksters komen op tegen de antwoorden die de Commissie in het bestreden besluit heeft gegeven in antwoord op het verzoek tot interne herziening van bepaalde aspecten van de totstandkoming van de gedelegeerde verordening. In drie afzonderlijke onderdelen van dit middel voeren zij aan dat deze antwoorden een aantal bepalingen schenden.
Eerste onderdeel: schending van de artikelen 6 tot en met 8 van het Verdrag van Aarhus en van artikel 9 van verordening nr. 1367/2006
36 Verzoeksters betogen dat het antwoord dat de Commissie in het bestreden besluit heeft gegeven op het verzoek tot interne herziening van bepaalde aspecten van de voorbereiding van de gedelegeerde verordening niet overeenstemt met het niveau van informatie en raadpleging van het publiek zoals voorzien in de artikelen 6 tot en met 8 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (PB 2005, L 124, blz. 4; hierna: „verdrag van Aarhus”), dat is goedgekeurd bij besluit van de Raad van 17 februari 2005 betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (PB 2005, L 124, blz. 1) en in artikel 9 van verordening nr. 1367/2006. Ten eerste is het informatie- en raadplegingsproces nog vóór de vaststelling van verordening 2020/852 begonnen. Ten tweede zijn verzoeksters van mening dat zij niet zijn beschouwd als „belanghebbende partijen” die de Commissie heeft geraadpleegd, terwijl zij wel beantwoorden aan de definitie van „betrokken publiek” in de zin van dat verdrag. Ten derde heeft het begrip „informatie en inspraak” in de context van de tweede helft van 2020 en in de loop van 2021 een gewijzigde betekenis gekregen, waarmee rekening had moeten worden gehouden in het raadplegingsproces. Ten vierde bevat het bestreden besluit nieuwe informatie die niet duidelijk is omschreven in deze gedelegeerde verordening en waarmee geen rekening is gehouden bij de uitwerking ervan, terwijl het publiek daarover had moeten worden geïnformeerd en geraadpleegd vóórdat die gedelegeerde verordening werd vastgesteld.
37 In hun repliek stellen verzoeksters dat de Commissie niet aantoont dat zij met name over het onderwerp van de technische screeningcriteria voor de taxonomie en tijdens de voorbereiding van de gedelegeerde verordening heeft gecommuniceerd teneinde bijdragen te verkrijgen over dit specifieke gegeven. Volgens verzoeksters geeft de Commissie evenmin aan wat de inhoud is van die input en op welke wijze zoveel mogelijk rekening hiermee is gehouden. Zij stellen dat de gedelegeerde verordening wel degelijk valt onder de definitie van „plannen en programma’s” in de zin van artikel 9 van verordening nr. 1367/2006.
38 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
39 In punt 48 van het verzoekschrift geven verzoeksters aan dat „[d]e rechtmatigheid van de uitwerking van de gedelegeerde verordening wordt betwist in het verzoek [tot interne herziening] (bijlage A.1 bij het verzoek, blz. 13 en 14)”. In dat verband moet worden opgemerkt dat dit verzoek een deel bevat met als opschrift „Herziening van de voorbereiding van de gedelegeerde verordening” dat op bladzijde 13 begint met een paragraaf die luidt als volgt: „[verzoeksters] vragen dat de bepalingen [van genoemde] gedelegeerde verordening betreffende de [economische] activiteit van elektriciteitsopwekking uit windenergie worden herzien volgens de stappen die zijn neergelegd in de relevante bepalingen van verordening 2020/852”. Vervolgens hebben verzoeksters hun argumenten in vier reeksen onderverdeeld. Het eerste onderdeel verwijst naar de derde reeks argumenten, die wordt uiteengezet in twee paragrafen die luiden als volgt: „Ten derde moet de herziening van de relevante technische screeningcriteria voorzien in de voorafgaande informatieverstrekking aan het publiek en de raadpleging van dat publiek, zoals vereist op grond van het verdrag van Aarhus. In het bijzonder moeten de informatieverstrekking aan het publiek en de raadpleging van dat publiek in verband met de relevantie technische screeningcriteria gebaseerd zijn op een herzien ontwerp van een gedelegeerde verordening.”
40 Uit de bewoordingen van de betrokken paragrafen, gelezen in samenhang met de inleidende paragraaf, kan niet worden afgeleid dat verzoeksters van mening zijn dat de Commissie de gedelegeerde verordening heeft vastgesteld in strijd met de specifieke aspecten van het verdrag van Aarhus die erin worden aangevoerd.
41 Integendeel, uit de bewoordingen van de betrokken paragrafen kan veeleer worden afgeleid dat de Commissie volgens verzoeksters bij een door haar uit te voeren toekomstige interne herziening van de gedelegeerde verordening rekening diende te houden met procedurele aspecten.
42 Hieruit volgt dat verzoeksters, in strijd met de vereisten van de rechtspraak waarnaar wordt verwezen in punt 26 hierboven, in de betrokken paragrafen van het verzoek tot interne herziening geen concrete en precieze redenen hebben aangevoerd die de beoordeling waarop de gedelegeerde verordening als bestuurshandeling is gebaseerd op losse schroeven kunnen zetten, noch de substantiële gegevens, feitelijk of rechtens, hebben vermeld die aannemelijke – dit wil zeggen ernstige – twijfel kunnen doen rijzen over de beoordeling die de Commissie heeft verricht in die gedelegeerde verordening, als handeling dat het voorwerp vormt van het verzoek tot interne herziening.
43 Overeenkomstig de in punt 28 hierboven aangehaalde rechtspraak was de Commissie echter niet verplicht om andere gronden te onderzoeken dan die welke verzoeksters hebben aangehaald bij de indiening van het verzoek om interne herziening. In het bijzonder was zij niet verplicht om op eigen initiatief mogelijke gronden te onderzoeken in verband met informatie aan en raadpleging van het publiek bij de voorbereiding en de vaststelling van gedelegeerde verordening, indien verzoeksters deze gronden niet hadden aangedragen.
44 Dit onderdeel kan derhalve niet slagen.
Tweede onderdeel: schending van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1367/2006
45 Verzoeksters stellen dat de Commissie in het bestreden besluit niet heeft geantwoord op sommige in het verzoek tot interne herziening aangevoerde punten, waardoor artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1367/2006 is geschonden. Deze punten zijn, ten eerste, de verplichting van de Commissie om alvorens de gedelegeerde verordening vast te stellen alle nodige expertise te verzamelen, ten tweede, de omstandigheid dat het advies van het platform voor duurzame financiering zou zijn gegeven ná de vaststelling van de gedelegeerde verordening, ten derde, de omstandigheid dat genoemde gedelegeerde verordening en gedelegeerde verordening (EU) 2023/2486 van de Commissie van 27 juni 2023 tot aanvulling van verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen, aan de transitie naar een circulaire economie, aan de preventie en bestrijding van verontreiniging of aan de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen, en om uit te maken of die economische activiteit geen ernstige afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen en tot wijziging van gedelegeerde verordening (EU) 2021/2178 van de Commissie wat betreft specifieke openbaarmakingen voor die economische activiteiten (PB L, 2023/2486), met betrekking tot de andere milieudoelstellingen niet zijn vastgesteld in overeenstemming met het tijdschema van verordening 2020/852, met als gevolg dat de tweede gedelegeerde verordening niet beschikbaar was ten tijde van de opstelling van de eerste gedelegeerde verordening.
46 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
47 Uit het dossier blijkt dat de eerste twee door verzoeksters aangevoerde punten (zie punt 45 hierboven) betrekking hebben op de eerste twee reeksen argumenten die in het deel met als opschrift „Herziening van de voorbereiding van de gedelegeerde verordening” worden uiteengezet in vier paragrafen die luiden als volgt: „Ten eerste moet dit onderzoek van de technische screeningcriteria de adviezen van het platform voor duurzame financiering waarnaar wordt verwezen in [artikel 20, lid 2,] van verordening 2020/852 omvatten. Op dit moment blijkt duidelijk uit het eigen verslag van het [platform voor duurzame financiering] dat het ‚platform de opdracht heeft gekregen zich te concentreren op de [technische screeningcriteria] en een aanbeveling te doen aan de Commissie voor het tweede ontwerp van gedelegeerde handeling inzake duurzame activiteiten voor de milieudoelstellingen 3‑6’ […]. De herziening moet dus de specifieke adviezen bevatten van het [platform voor duurzame financiering] inzake de technische screeningcriteria van een substantiële bijdrage van de elektriciteitsopwekking via windenergie aan de eerste twee milieudoelstellingen, namelijk de mitigatie van klimaatverandering en de adaptatie aan klimaatverandering. Voorts volgt uit het voorgaande punt dat de gedelegeerde verordening niet voldoet aan het vereiste om ‚alle nodige expertise te verzamelen vóór de vaststelling’, zoals is bepaald in [artikel 23, lid 4,] van verordening 2020/852.”
48 De eerste drie paragrafen voeren geen concrete motivering aan met betrekking tot de vraag of de gedelegeerde verordening regelmatig is vastgesteld. Het feit dat verzoeksters van mening zijn dat dit proces niet regelmatig is verlopen, volgt enkel uit de vierde paragraaf.
49 Derhalve blijkt uit de vier betrokken paragrafen dat de enige precieze en concrete grond die verzoeksters in het verzoek tot herziening hebben aangevoerd erin bestond dat de Commissie heeft gehandeld in strijd met artikel 23, lid 4, van verordening 2020/852 voor zover zij niet alle nodige expertise heeft verzameld vóór de vaststelling en gedurende de uitwerking van de gedelegeerde verordening, aangezien het platform voor duurzame financiering geen advies heeft gegeven over de technische screeningcriteria inzake de milieudoelstellingen van mitigatie van klimaatverandering en de adaptatie eraan.
50 In punt 3 van bijlage I bij het bestreden besluit heeft de Commissie echter het volgende vermeld: „Artikel 20, lid 2, onder a), en overweging 38 van verordening [2020/852] bepalen dat het platform de Commissie adviseert over de technische screeningcriteria, terwijl artikel 10, lid 4, artikel 11, lid 4, en overweging 54 van [deze] verordening de Commissie verplicht het platform te raadplegen alvorens gedelegeerde handelingen vast te stellen die de technische screeningcriteria bevatten in verband met de mitigatie van klimaatverandering en de adaptatie aan die verandering. In deze bepalingen wordt niet gespecificeerd hoe en wanneer de raadpleging van het platform moet plaatsvinden en wordt alleen aangegeven dat deze raadpleging moet plaatsvinden voordat de gedelegeerde handelingen worden vastgesteld. […] De Commissie heeft op grond van artikel 10, lid 4, artikel 11, lid 4, en artikel 20 van verordening [2020/852] het platform op 19 november 2020 verzocht advies uit te brengen over het ontwerp van gedelegeerde handeling vóór de vaststelling ervan. De Commissie heeft het ontwerp van gedelegeerde handeling gepubliceerd op 20 november 2020, voor een openbare raadpleging ervan tot en met 18 december 2020. Op 18 december 2020 heeft het platform in het kader van de openbare raadpleging zijn opmerkingen op het ontwerp van gedelegeerde handeling ingediend [document dat thans beschikbaar is op de webpagina https://finance.ec.europa.eu/system/files/2020‑12/201218-eu-platform-on-sustainable-finance-opinion-taxonomy-delegated-act_en.pdf]. Het platform is dus naar behoren geraadpleegd gedurende de voorbereiding van de gedelegeerde handeling en vóórdat deze werd vastgesteld. De Commissie heeft het definitieve ontwerp pas vastgesteld op 4 juni 2021 […]”.
51 In het licht van deze duidelijke uiteenzettingen vergissen verzoeksters zich voor zover zij stellen dat „in het [bestreden] besluit niet wordt betwist dat het advies van het platform betreffende inzonderheid de technische screeningcriteria van de toekomstige gedelegeerde verordening is gegeven op 31 augustus 2021, dus ná de [vaststelling] van de gedelegeerde verordening op 4 juni 2021”.
52 De Commissie heeft in het bestreden besluit namelijk duidelijk uiteengezet dat het platform voor duurzame financiering was geraadpleegd en dat het zijn commentaren had meegedeeld op 18 december 2020, dus vóór de vaststelling van de gedelegeerde verordening. De beweringen van verzoeksters zijn dus niet gegrond.
53 Het derde door verzoeksters aangevoerde punt (zie punt 45 hierboven) heeft betrekking op de vierde reeks argumenten die in het deel met als opschrift „Herziening van de gedelegeerde verordening” zijn uiteengezet in drie paragrafen die luiden als volgt: „Ten vierde moest het onderzoek van de technische screeningcriteria worden verricht in het licht van alle milieudoelstellingen van artikel 9 van verordening 2020/852 samen [bezien], zoals bepaald in de – in samenhang gelezen – artikelen 10 tot en met 15 en […] 19 van verordening 2020/852. Concreet moest een eerste gedelegeerde handeling (de gedelegeerde verordening) betreffende de technische screeningcriteria voor de eerste twee milieudoelstellingen (en het beginsel [dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan] aan de andere milieudoelstellingen) worden vastgesteld uiterlijk op ,31 december 2020 […] om ervoor te zorgen dat deze per 1 januari 2022 van toepassing wordt’ (artikel 10, lid 6, en artikel 11, lid 6, van gedelegeerde verordening 2020/852), terwijl een tweede gedelegeerde handeling betreffende de technische screeningscriteria voor de andere milieudoelstellingen moest zijn vastgesteld uiterlijk op ,31 december 2021 […] om ervoor te zorgen dat deze per 1 januari 2023 van toepassing wordt’ (lid 5 van de artikelen 12 tot en met 15 van verordening 2020/852). Met andere woorden, de twee bovengenoemde gedelegeerde handelingen hadden moeten zijn […] voorbereid en vastgesteld voordat de eerste ervan (de gedelegeerde verordening) toepasselijk werd. Bij de herziening van de gedelegeerde verordening was het dus vereist kennis te hebben van de tweede gedelegeerde handeling, zoals oorspronkelijk bepaald in verordening 2020/852.”
54 Zoals verzoeksters terecht opmerken, heeft de Commissie dit punt niet behandeld in het bestreden besluit. Deze merkt evenwel op dat dit punt overeenkomstig de in punt 26 hierboven aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk is aangezien het niet onderbouwd was, zodat de Commissie er dus niet op hoefde te antwoorden.
55 Er zij allereerst op gewezen dat lid 6 van de artikelen 10 en 11 van verordening 2020/852 inderdaad bepaalt dat de Commissie de gedelegeerde handelingen houdende vaststelling van de technische screeningcriteria voor de twee milieudoelstellingen van mitigatie van en adaptatie aan de klimaatverandering vaststelt „uiterlijk op 31 december 2020 […] om ervoor te zorgen dat deze per 1 januari 2022 van toepassing [worden]”. In lid 5 van de artikelen 12 tot en met 15 van verordening 2020/852 is evenwel bepaald dat de Commissie de gedelegeerde handelingen houdende vaststelling van de technische screeningcriteria voor de vier andere in artikel 9 van verordening 2020/852 opgesomde milieudoelstellingen vaststelt „uiterlijk op 31 december 2021 […] om ervoor te zorgen dat deze per 1 januari 2023 van toepassing [worden]”.
56 De Commissie heeft de gedelegeerde verordening de facto pas op 4 juni 2021 vastgesteld, maar deze is wel degelijk van toepassing sinds 1 januari 2022 (artikel 3, tweede alinea, van genoemde gedelegeerde verordening). Gedelegeerde verordening 2023/2486 inzake de vier andere milieudoelstellingen is door de Commissie vastgesteld op 27 juni 2023 en deze geldt sinds 1 januari 2024 (artikel 6, tweede alinea, van die gedelegeerde verordening).
57 Het blijkt dus dat de vaststellingstijdschema’s waarin lid 6 van de artikelen 10 en 11 en lid 5 van de artikelen 12 tot en met 15 van verordening 2020/852 respectievelijk voorzien, niet in acht zijn genomen.
58 In casu voeren verzoeksters echter aan dat de gedelegeerde verordening had moeten worden opgesteld met kennis van hetgeen gedelegeerde verordening 2023/2486 bepaalde voor de vier andere milieudoelstellingen. Zij zijn dus van mening dat het feit dat deze verordening niet beschikbaar was op het tijdstip van de voorbereiding van de gedelegeerde verordening, deze verordening ongeldig maakt.
59 Dat gedelegeerde verordening 2023/2486 inzake de vier overige milieudoelstellingen ná de vaststelling van de gedelegeerde verordening is vastgesteld, strookt echter met de in lid 6 van de artikelen 10 en 11 van verordening 2020/852 en lid 5 van de artikelen 12 tot en met 15 van deze verordening neergelegde tijdschema’s. Zelfs indien deze vaststellingstijdschema’s zouden zijn gerespecteerd, zou de gedelegeerde verordening „uiterlijk op 31 december 2020” zijn vastgesteld, terwijl gedelegeerde verordening 2023/2486 voor de vier andere milieudoelstellingen pas „uiterlijk op 31 december 2021” had moeten volgen. Het is dan ook duidelijk dat de volgorde van de twee gedelegeerde verordeningen die in genoemde bepalingen van verordening 2020/852 wordt voorgestaan volledig in acht is genomen, ook al zijn deze verordeningen te laat vastgesteld.
60 Zelfs indien wordt aangenomen dat dit argument van verzoeksters ontvankelijk is, hetzij in het stadium van het verzoek tot interne herziening, hetzij in het kader van het onderhavige beroep, doet het dan ook geen aannemelijke – dat wil zeggen ernstige – twijfel rijzen over de beoordelingen van de Commissie in de gedelegeerde verordening.
61 Mitsdien moet dit onderdeel in zijn geheel worden afgewezen.
Derde onderdeel: schending van artikel 10, lid 4, artikel 11, lid 4, en artikel 20, lid 2, van verordening 2020/852
62 Verzoeksters zijn in essentie van mening dat het platform voor duurzame financiering waarnaar artikel 20 van verordening 2020/852 verwijst, niet naar behoren is geraadpleegd vóór de vaststelling van de gedelegeerde verordening, waardoor artikel 10, lid 4, artikel 11, lid 4, en artikel 20, lid 2, van verordening 2020/852 zijn geschonden. Volgens hen betwist het bestreden besluit niet de in het verzoek tot interne herziening geformuleerde bewering dat dit platform zelf heeft aangegeven dat het de opdracht had gekregen om in essentie het ontwerp van gedelegeerde verordening inzake de andere milieudoelstellingen te behandelen. Bovendien had de raadpleging van dat platform niet specifiek betrekking op de precieze technische screeningcriteria zoals opgenomen in genoemde gedelegeerde verordening. Pas ná de vaststelling van die gedelegeerde verordening heeft dat platform advies daarover uitgebracht. Verzoeksters stellen dat de omstandigheid dat genoemd besluit geen toezegging van de Commissie bevat om deze schendingen te verhelpen, eveneens moet worden aangemerkt als een schending van artikel 10, leden 2 en 3, van verordening nr. 1367/2006.
63 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
64 De door verzoeksters in het kader van het onderhavige onderdeel geformuleerde beweringen hebben betrekking op de eerste reeks argumenten in het deel met als opschrift „Herziening van de voorbereiding van de gedelegeerde verordening”.
65 Zoals in de punten 50 en 52 hierboven in herinnering gebracht, wordt in het bestreden besluit naar behoren uiteengezet dat de Commissie aan het platform voor duurzame financiering heeft verzocht om zijn advies over het ontwerp van gedelegeerde handeling te geven vóórdat deze werd vastgesteld, dat de Commissie het ontwerp van gedelegeerde handeling op 20 november 2020 heeft gepubliceerd voor openbare raadpleging ervan tot en met 18 december 2020, en dat het platform zijn opmerkingen op het ontwerp van gedelegeerde verordening heeft gegeven op 18 december 2020.
66 Verzoeksters verwijzen in hun verzoekschrift naar een ander document, beweerdelijk van 31 augustus 2021, en voeren daarbij twee zaken aan. Ten eerste zou uit dit document blijken dat het platform voor duurzame financiering heeft geoordeeld dat het uitsluitend de opdracht had gekregen om het tweede ontwerp van gedelegeerde verordening in verband met de vier andere milieudoelstellingen te behandelen. Ten tweede zou genoemd platform pas in het kader van dat document zijn advies hebben gegeven over specifiek de technische screeningcriteria van de „toekomstige gedelegeerde verordening”.
67 De Commissie merkt echter terecht op dat het betrokken document waarnaar verzoeksters verwijzen in casu irrelevant is. Uit informatie op de website van het platform voor duurzame financiering blijkt namelijk dat het op 3 augustus 2021 een ontwerpadvies inzake de technische screeningcriteria met betrekking tot de andere vier milieudoelstellingen voor opmerkingen heeft gepubliceerd, en dat het definitieve advies is gepubliceerd op 30 maart 2022.
68 De in punt 67 hierboven genoemde adviezen hebben dus per definitie geenszins betrekking op de eerste twee milieudoelstellingen waarvoor de gedelegeerde verordening technische screeningcriteria heeft vastgesteld. Zij zijn dus volstrekt irrelevant in de onderhavige zaak.
69 Voor het overige voeren verzoeksters in essentie aan dat het advies van het platform voor duurzame financiering van 18 december 2020 niet volledig was, aangezien het platform uitsluitend algemene vragen heeft onderzocht, zonder de precieze technische screeningcriteria te behandelen. Daaruit leiden verzoeksters af dat de bijlagen bij de gedelegeerde verordening, waarin de criteria zijn opgenomen, niet waren gevoegd bij het ontwerp van gedelegeerde verordening dat de Commissie voor advies heeft toegezonden aan dat platform.
70 De Commissie merkt dienaangaande op dat zowel het ontwerp van gedelegeerde verordening als de bijlagen daarbij op 19 november 2020 aan het platform voor duurzame financiering zijn toegezonden voor advies.
71 Uit de informatie op het portaal „Beter wetgeven” van de Commissie blijkt dat het ontwerp van gedelegeerde verordening en de twee bijlagen daarbij op 20 november 2020 zijn gepubliceerd voor openbare raadpleging ervan tot en met 18 december 2020. Gesteld al dat de Commissie deze bijlagen niet zou hebben meegedeeld op 19 november 2020 toen zij het platform voor duurzame financiering heeft verzocht om zijn advies te geven over het ontwerp, had het platform dus ten laatste de dag na de dag waarop het verzoek aan het platform voor duurzame financiering was toegezonden, toegang tot die bijlagen en kon het daarmee rekening houden bij het opstellen van zijn advies.
72 Aangezien verzoeksters er niet in zijn geslaagd om de stelling van de Commissie te weerleggen dat het platform inzake duurzame financiering is geraadpleegd over het ontwerp van gedelegeerde verordening alsmede zijn bijlagen waarin de technische screeningcriteria nader zijn omschreven, is het bovendien dus irrelevant dat dit platform zich niet gedetailleerd heeft uitgesproken over die technische screeningcriteria, maar enkel opmerkingen van algemene aard heeft gemaakt.
73 In lid 4 van de artikelen 10 en 11 van verordening 2020/852 is weliswaar bepaald dat „[a]lvorens de in lid 3 van dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling vast te stellen, […] de Commissie het in artikel 20 bedoelde platform [raadpleegt] over de in lid 3 van dit artikel bedoelde technische screeningcriteria”, maar deze bepalingen kunnen niet aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de vaststelling van deze gedelegeerde handelingen, wanneer – zoals in het onderhavige geval – dat platform niet uitdrukkelijk een standpunt heeft ingenomen over alle aspecten van de ontwerpen van gedelegeerde handeling die zijn overgelegd voor advies.
74 Bijgevolg moet dit onderdeel worden afgewezen, zodat het eerste middel in zijn geheel moet worden afgewezen.
Tweede middel: de mitigatie van de klimaatverandering
75 Het tweede middel bestaat uit vier onderdelen. Het eerste onderdeel betreft schending van artikel 37 van Handvest van grondrechten van Europese Unie, van artikel 191 VWEU en van artikel 19, lid 1, onder f), van verordening 2020/852. Het tweede onderdeel is ontleend aan schending van artikel 10, lid 3, onder a), van verordening 2020/852, het derde aan schending van artikel 19, lid 1, onder a) en j), van verordening 2020/852, en het vierde aan schending van artikel 19, lid 3, van verordening 2020/852.
76 In essentie kommen verzoeksters op tegen twee benaderingen die de Commissie – volgens hen – heeft gevolgd bij de vaststelling van de technische screeningcriteria voor de elektriciteitsopwekking uit windenergie. Kort gezegd betogen zij dat de Commissie meerdere bepalingen van Unierecht heeft geschonden door in het bestreden besluit deze twee benaderingen te verdedigen, en dit in weerwil van de door hen in hun verzoek tot interne herziening aangevoerde argumenten.
77 Het Gerecht acht het nuttig om deze twee punten van kritiek van verzoeksters kort samen te vatten alvorens de vier door hen aangevoerde onderdelen te analyseren.
78 Om te beginnen hebben verzoeksters kritiek op het feit dat de technische screeningcriteria voor de elektriciteitsopwekking uit windenergie niet bepalen dat de CO2-emissies per kilowattuur (kWh) elektriciteit uit windenergie daadwerkelijk moeten worden opgemeten en onder een bepaalde grens moeten blijven. Punt 4.3 van bijlage I bij de gedelegeerde verordening bepaalt namelijk als technisch screeningcriterium inzake de substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering alleen dat „[d]e activiteit bestaat in de opwekking van elektriciteit uit windenergie”. De partijen zijn het erover eens dat dit concreet betekent dat de uitoefening van deze economische activiteit in genoemde verordening wordt aangemerkt als steeds substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering, ongeacht de precieze omstandigheden.
79 Verzoeksters stellen dat door die situatie een „uitzondering” wordt ingevoerd op de verplichting om de hoeveelheid CO2-emissies per kWh elektriciteit uit windenergie daadwerkelijk te meten, alsook een „vermoeden” wordt ingevoerd dat deze activiteit altijd substantieel bijdraagt aan de mitigatie van klimaatverandering.
80 Voorts moet volgens verzoeksters verplicht rekening worden gehouden met „fluctuaties” bij de elektriciteitsopwekking uit windenergie. De hoeveelheid elektrische energie die wordt opgewekt door gebruikmaking van hernieuwbare energiebronnen, met name windenergie, hangt af van de weersomstandigheden, in geval van windenergie vooral van de intensiteit van de wind. Bijgevolg levert een installatie voor elektriciteitsopwekking uit windenergie niet altijd dezelfde hoeveelheid elektriciteit aan het elektriciteitsnetwerk, en dus, uiteindelijk aan de verbruikers van elektrische energie. De beschikbaar gestelde capaciteit varieert naargelang van de weersomstandigheden. Het is dus mogelijk dat, om te allen tijde aan de vraag naar elektriciteit te voldoen, een beroep wordt gedaan op andere elektriciteitscentrales om de „onderproductie” van een windkrachtcentrale „op te vangen”.
81 Volgens verzoeksters moet bij de correcte berekening van de CO2-emissies uit de elektriciteitsopwekking uit windenergie rekening worden gehouden met de emissies van die andere centrales die de „onderproductie” van een windkrachtcentrale „compenseren”. De gedelegeerde verordening bevat echter geen verplichting om rekening te houden met deze emissies, wat verzoeksters opnieuw als een „uitzondering” kwalificeren.
82 Alvorens de vier onderdelen van dit middel te onderzoeken, moet worden nagegaan of de argumenten die verzoeksters hebben aangevoerd in de brief die zij op 6 december 2023 bij de griffie van het Gerecht hebben ingediend, ontvankelijk zijn.
Ontvankelijkheid van de argumenten die verzoeksters hebben aangevoerd in de brief die zij op 6 december 2023 hebben ingediend bij de griffie van het Gerecht
83 Op 6 december 2023 hebben verzoeksters bij de griffie een brief ingediend, samen met een bijlage, namelijk de mededeling van Commissie met als opschrift „Technische richtsnoeren over de toepassing van het beginsel ‚geen ernstige afbreuk doen aan’ in het kader van de verordening betreffende de faciliteit voor herstel en veerkracht” (PB C, C/2023/111). Volgens hen is de brief met de bijlage overeenkomstig artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht ontvankelijk als een nieuw bewijsmiddel, aangezien die mededeling pas beschikbaar is geworden na instelling van het beroep en na de sluiting van de schriftelijke behandeling. In essentie zijn zij de mening dat deze mededeling hun argumenten ter ondersteuning van het tweede middel bevestigt, te weten dat rekening moet worden gehouden met de fluctuaties bij elektriciteitsopwekking uit windenergie, alsook hun argumenten waarmee zij stellen dat de Commissie de technologische neutraliteit niet heeft geëerbiedigd.
84 De griffie heeft de partijen op 12 december 2023 ervan in kennis gesteld dat de Commissie werd verzocht om op de pleitzitting een standpunt in te nemen over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de brief met bijlage die verzoeksters op 6 december 2023 hebben ingediend bij de griffie.
85 De Commissie heeft hierover opmerkingen gemaakt bij haar pleidooien, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de pleitzitting. Zij heeft betoogd dat de mededeling die als bijlage bij de op 6 december 2023 door verzoeksters ter griffie neergelegde brief is gevoegd, niet-ontvankelijk en in elk geval irrelevant is.
86 Volgens artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering mogen in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij deze steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
87 Volgens de rechtspraak is artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering ook van toepassing op grieven of argumenten (zie arrest van 14 juli 2021, AQ/eu-LISA, T‑164/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:456, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88 Zoals in punt 83 hierboven in herinnering is gebracht, stellen verzoeksters in die op 6 december 2023 ter griffie neergelegde brief in essentie dat de bij deze brief gevoegde mededeling hun argumenten ter ondersteuning van het tweede middel bevestigt, namelijk dat rekening moet worden gehouden met de fluctuaties bij elektriciteitsopwekking uit windenergie, alsook hun argumenten waarmee zij aanvoeren dat de Commissie de technologische neutraliteit niet heeft geëerbiedigd. Voor zover verzoeksters hun argumenten in deze brief baseren op de bij die brief gevoegde mededeling, brengen zij dus nieuwe argumenten aan in de zin van artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
89 Zoals eveneens in punt 83 hierboven in herinnering is gebracht, zijn verzoeksters van mening dat de op 6 december 2023 ter griffie neergelegde brief met bijlage ontvankelijk is, aangezien de in deze bijlage opgenomen mededeling waarop de nieuwe argumenten berusten die in die brief worden aangevoerd pas na de instelling van het beroep en na de sluiting van de schriftelijke behandeling beschikbaar is geworden. In essentie betogen zij dus dat de publicatie van die mededeling een nieuw gegeven is, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken in de zin van artikel 84, lid 1, het Reglement voor de procesvoering, en dat rechtvaardigt dat in deze brief nieuwe argumenten worden aangevoerd.
90 Het is juist dat de betrokken mededeling pas op 11 oktober 2023 is gepubliceerd in het Publicatieblad, en dus pas na de afsluiting van de schriftelijke behandeling, waarover de partijen op 4 mei 2023 zijn geïnformeerd per brief van de griffie. Vastgesteld moet echter worden dat de twee precieze passages waarnaar verzoeksters verwijzen, namelijk de eerste en de derde paragraaf van punt 2.4, met als opschrift „Leidende beginselen voor de toetsing aan het beginsel ‚geen ernstige afbreuk doen aan’”, reeds op identieke wijze waren opgenomen in een eerdere versie van deze mededeling die reeds in het Publicatieblad was gepubliceerd op 18 februari 2021 (PB 2021, C 58, blz. 1), en dus vóór de indiening van het beroep.
91 Aangezien deze passages reeds gepubliceerd waren vóórdat het beroep werd ingesteld, kunnen zij niet worden aangemerkt als een nieuw gegeven, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken in de zin van artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering. De enkele omstandigheid dat zij opnieuw werden gepubliceerd nadat de schriftelijke behandeling is beëindigd, laat deze vaststelling onverlet.
92 Hieruit volgt dat de argumenten die vervat zijn in de brief die verzoeksters op 6 december 2023 ter griffie hebben neergelegd, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, zonder dat de ontvankelijkheid van de brief als zodanig of van de daarbij gevoegde mededeling hoeft te worden onderzocht.
Eerste onderdeel: schending van artikel 37 van het Handvest van de grondrechten, artikel 191 VWEU en artikel 19, lid 1, onder f), van verordening 2020/852
93 Verzoeksters stellen dat de gedelegeerde verordening met betrekking tot de elektriciteitsopwekking uit windenergie geen verplichting oplegt om de hoeveelheid CO2-emissies per kWh elektriciteit uit windenergie daadwerkelijk te meten, noch om de impact van de fluctuaties bij de elektriciteitsopwekking uit windenergie op CO2-emissies per geproduceerde kWh elektriciteit uit alle energiebronnen samen te meten. Deze gedelegeerde verordening is integendeel gebaseerd op een vermoeden van verenigbaarheid van de elektriciteitsopwekking uit windenergie met de vereisten van verordening 2020/852.
94 Volgens verzoeksters belet een dergelijke benadering dat er sluitend wetenschappelijk bewijs inzake deze activiteit wordt bestudeerd en onderzocht, hetgeen niet overeenstemt met het zorgvuldigheidsbeginsel en waardoor geen rekening wordt gehouden met de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens, wat in strijd is met artikel 19, lid 1, onder f), van verordening 2020/852 en artikel 191, lid 1, VWEU. Tevens levert deze benadering geen behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen op en zou zij niet mogen worden geacht een activiteit vast te stellen die bijdraagt tot de bestrijding van de klimaatverandering in zin van artikel 191 VWEU. Daardoor wordt er – in strijd met artikel 37 van het Handvest van de grondrechten – noch een hoog niveau van milieubescherming noch een verbetering van de kwaliteit van het milieu gewaarborgd overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling.
95 Verzoeksters voeren aan dat het onderzoek van de intergouvernementele werkgroep inzake klimaatverandering (Intergovernmental Panel on Climate Change; hierna: „IPCC”) niet kan worden geacht wetenschappelijke gegevens te bevatten die kunnen resulteren in technische screeningcriteria in de zin van artikel 19 van verordening 2020/852. Zij stellen dat artikel 19, lid 1, onder f), van die verordening verwijst naar een analyse op sectorniveau (in casu de elektriciteitssector) en naar de noodzaak om de resultaten van de activiteiten binnen een bepaalde sector te vergelijken met hun respectieve bijdrage aan de milieudoelstellingen. Zij zijn van mening dat de CO2-emissies voor de productie van een kWh elektriciteit per energiebron en in realtime gemakkelijk beschikbaar zijn.
96 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
97 Uit het dossier blijkt dat verzoeksters in het deel van het verzoek tot interne herziening met als opschrift „Elektriciteitsopwekking uit windenergie in verband met de mitigatie van klimaatverandering” het volgende hebben aangevoerd: „Ten eerste is de eerdergenoemde bewering ‚geen technisch screeningcriterium’ in de zin van verordening 2020/852 en voldoet zij dus niet aan het vereiste van verordening 2020/852 inzake de mitigatie van klimaatverandering. In het bijzonder vereist artikel 10, lid 1, van verordening 2020/852 dat elke activiteit ‚in overeenstemming met de langetermijntemperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs substantieel bijdraagt aan de stabilisering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau waarop gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen, door het beletten of verminderen van broeikasgasemissies of het vergroten van broeikasgasverwijderingen’. De gedelegeerde verordening bevat of vermeldt geen bewijs dat de activiteit van elektriciteitsopwekking uit windenergie op significante wijze bijdraagt – en op welke wijze – tot de stabilisatie, het voorkomen of het beperken van de broeikasgasemissies, dan wel het vergroten van broeikasgasverwijderingen. Dat dit bewijs ontbreekt is relevant in het licht van de doelstelling van verordening 2020/852 en de ‚technische screeningcriteria’ die daarin moeten zijn opgenomen. Zo verwijst verordening 2021/1119 (Europese klimaatwet), die bindende doelstellingen invoert voor de vermindering van de broeikasgasemissies, uitdrukkelijk naar verordening 2020/852 wat de evaluatie van de geboekte vooruitgang bij de verwezenlijking van die doelstelling betreft. Verder impliceert verordening 2018/1999 inzake de governance van de energie-Unie en van de klimaatactie eveneens dat de hernieuwbare energiebronnen moeten worden geëvalueerd op basis van hun respectieve bijdragen aan de broeikasgasemissies, en dat voor hen niet het vermoeden kan gelden dat zij daaraan bijdragen. Ten tweede, zelfs al zou worden geoordeeld dat deze verklaring een technisch screeningcriterium betreft, gaat het in werkelijkheid om een hypothese en niet om een criterium. Deze lezing vindt steun in de bewoordingen van de [technische bijlage] bij het verslag van de technische deskundigengroep, waarin staat vermeld dat ‚voor windenergie […] momenteel een uitzondering [geldt] van de verplichting om [de koolstofvoetafdruk van het product] of van de [broeikasgassen] gedurende de gehele levenscyclus te evalueren, onder voorbehoud van een regelmatige herziening in overeenstemming met de dalingsdrempel. Momenteel wordt geoordeeld dat windenergie in aanmerking komt voor de taxonomie, die regelmatig wordt herzien’ (blz. 218). Ten derde houdt de redenering die in de [technische bijlage] bij het verslag van de technische deskundigengroep is ontwikkeld onder de titel ‚Rationale’, geen rekening met de broeikasgasemissies die worden veroorzaakt door fluctuaties van de activiteit (afhankelijkheid van de wind en beschikbaarheid, en emissies ten gevolge van de stand-by elektriciteitsproductiecapaciteit). Met andere woorden, omdat de elektriciteitsopwekking uit windenergie niet continu is, moet bij de vraag of zij al dan niet kan worden aangemerkt als ecologisch duurzaam rekening worden gehouden met zowel de frequentie van de voorziene fluctuaties, aangezien deze varieert naargelang van de doorgaans beschikbare windstructuur, als met de andere bronnen van elektriciteitsopwekking (in de betrokken lidstaat) en hun prestaties wat betreft broeikasgasemissies, die ook van invloed zullen zijn op de broeikasgasemissies van de elektriciteit die beschikbaar wordt gesteld voor verbruik. Ten vierde wordt voor de stelling dat ‚[d]e activiteit elektriciteit opwekt uit windenergie’ uitsluitend uitgegaan van de productie van elektriciteit, en dit in tegenstelling tot de invalshoek van het verbruik van elektriciteit. Terwijl slechts met daadwerkelijke metingen kan worden nagegaan of een bepaalde elektriciteitsopwekking substantieel aan de mitigatie van klimaatverandering bijdraagt, dat wil zeggen aan de vermindering van de broeikasgasemissies in het kader van het bruto-eindverbruik van energie, zoals omschreven in artikel 2, lid 4, van richtlijn 2018/2001 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. Concreet behandelt de gedelegeerde verordening enkel de investeringen in de capaciteit om elektriciteit uit windenergie op te wekken, dat wil zeggen de opwekking van elektriciteit uit deze energiebron. De daadwerkelijke broeikasgasemissiereductie, en dus het bestaan van een substantiële bijdrage aan de doelstelling van adaptatie aan klimaatverandering, kunnen echter niet uitsluitend worden gemeten aan de hand van het niveau van broeikasgassen bij het verbruik van energie, in dit geval van elektriciteit. Deze discrepantie tussen elektriciteitsopwekking en het elektriciteitsverbruik had in de gedelegeerde verordening moeten worden verholpen en dient te worden verholpen in het kader van de gevraagde interne herziening. Ten vijfde wordt de stelling van de gedelegeerde verordening hoe dan ook niet onderbouwd door een duidelijke verklaring of door bewijsmateriaal.”
98 In navolging van de Commissie moet allereerst worden vastgesteld dat verzoeksters in het deel van het verzoek om interne herziening met als opschrift „Elektriciteitsopwekking uit windenergie in verband met de mitigatie van klimaatverandering”, geen melding maken van artikel 37 van het Handvest van de grondrechten of van artikel 19, lid 1, onder f), van verordening 2020/852. Hieruit volgt dat de aan deze bepalingen ontleende argumenten in het verzoekschrift overeenkomstig de in punt 28 hierboven aangehaalde rechtspraak nieuw en dus niet-ontvankelijk zijn. In dat verzoek wordt ook niet verwezen naar artikel 191 VWEU, zodat de op die bepaling gebaseerde argumenten eveneens nieuw en dus niet-ontvankelijk zijn.
99 Hoe dan ook, voor zover verzoeksters in het kader van het onderhavige onderdeel in essentie betogen dat de gedelegeerde verordening wat de vaststelling van de technische screeningcriteria betreft, niet op sluitend wetenschappelijk bewijs berust, volgt uit punt 77 van het verzoekschrift duidelijk dat verzoeksters – anders dan de Commissie beweert – de rechtmatigheid van het bestreden besluit betwisten, en niet die van de gedelegeerde verordening.
100 In punt 1.1 van bijlage IV bij het bestreden besluit heeft de Commissie als volgt geantwoord op de beweringen van verzoeksters inzake het criterium van mitigatie van klimaatverandering: „In de gedelegeerde handeling worden de technische screeningcriteria vastgesteld voor de beoordeling van de substantiële bijdrage en van het beginsel [dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan (DNSH voor ‚Do No Significant Harm’)] in het licht van de milieudoelstellingen die eigen zijn aan de verschillende economische activiteiten. De substantiële bijdrage aan de milieudoelstellingen wordt omschreven in de artikelen 10 tot en met 15 van verordening [2020/852], terwijl de ernstige afbreuk aan milieudoelstellingen wordt omschreven in artikel 17 [van deze verordening]. De precieze omvang van de economische activiteiten wordt omschreven in de gedelegeerde handeling. Aangezien [deze verordening] hoofdzakelijk betrekking heeft op economische activiteiten, was het niet mogelijk om het toepassingsgebied van de evaluatie uit te breiden tot een systeembrede analyse. Elke activiteit is geëvalueerd op basis van de substantiële bijdrage aan de milieudoelstellingen en de ernstige afbreuk aan de andere milieudoelstellingen, zonder dat de andere ermee verband houdende activiteiten geëvalueerd werden. In het kader van deze benadering kan geen rekening worden gehouden met de fluctuatie van de activiteiten. In de bij de gedelegeerde handeling gevoegde effectbeoordeling inzake klimaatverandering wordt de redenering toegelicht die ten grondslag ligt aan de toepassing op alle activiteiten van elektriciteitsproductie van een kwantitatieve bovengrens van 100 g CO2-uitstoot per kWh, die technologieneutraal is en gebaseerd is op de levenscyclus. In deze analyse wordt eveneens een rechtvaardiging gegeven voor de invoering van een uitzondering op de verplichting om de emissies te berekenen per levenscyclus, alsook van een de facto vrijstelling van de verplichting om de technologieneutrale bovengrens te respecteren. Op basis van het sluitend wetenschappelijk bewijs dat met name de IPCC heeft voorgelegd […], en op grond van wereldwijde gegevens inzake emissies per levenscyclus van de technologieën voor de levering van elektriciteit, heeft de Commissie – in overeenstemming met de aanpak van de [technische deskundigengroep (TDG)] beslist om bepaalde activiteiten vrij te stellen van deze bovengrens. Deze gevallen zijn beperkt tot die waarvoor de wereldwijde mediane emissies per levenscyclus minder dan 100 g CO2 per kWh bedroegen. Volgens de gegevens van de IPCC zijn de emissies van [broeikasgassen] per levenscyclus van windenergie (zowel op het land als offshore) veel lager dan de vastgestelde bovengrens (maximale emissies van 56 g CO2 per kWh). Deze bovengrens wordt dus altijd gerespecteerd bij de activiteit van elektriciteitsopwekking uit windenergie en het overige toepasselijke vereiste betreft enkel de berekening van de levenscyclus volgens een van de drie alternatieve technologieën. Rekening houdend met de onderzoeksresultaten van de IPCC inzake de emissies per levenscyclus, de erkenning dat voor bepaalde activiteiten met lage emissies de criteria beperkt blijven tot een administratieve procedure en de oriëntatie van het Europese energiebeleid – dat een snelle uitrolling van hernieuwbare energie aanmoedigt en rekening houdt met het vereiste van artikel 19, lid 1, [onder] k), van verordening [2020/852] dat de criteria gemakkelijk te gebruiken moeten zijn – heeft de Commissie besloten om windenergie vrij te stellen van de verplichting om de kwantitatieve technische screeningcriteria na te leven voor de activiteiten van de opwekking van elektriciteit.”
101 De Commissie heeft in het bestreden besluit aldus duidelijk de redenen aangegeven waarom zij de technische screeningcriteria voor de elektriciteitsopwekking via windenergie, wat het criterium van de substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering betreft, heeft opgesteld zoals zij dit in de gedelegeerde verordening heeft gedaan. Zij heeft verwezen naar de effectbeoordeling die gevoegd was bij die gedelegeerde verordening en waaruit bleek dat zij zich had gebaseerd op sluitend wetenschappelijk bewijs, dat met name was voorgedragen door de IPCC.
102 In punt 77 van hun repliek betogen verzoeksters dat „[h]et onderzoek waarnaar [de Commissie] verwijst […] weliswaar de uitzonderingen en het vermoeden [kunnen] rechtvaardigen, maar dat het geen wetenschappelijk bewijs vormt dat kan resulteren in ‚technische screeningcriteria’ in de zin van artikel 19 van verordening 2020/852”. Zij zijn van mening dat er sprake is van een „tegenstrijdigheid” (punt 78 van de repliek) en dat een specifieke bepaling van verordening 2020/852 de Commissie verplicht tot een „analyse op sectorniveau (in casu de elektriciteitssector), maar eveneens tot vergelijking van de resultaten van de activiteiten binnen een bepaalde sector met hun respectieve bijdrage aan de milieudoelstellingen” (punt 80 van de repliek), hetgeen onmogelijk wordt gemaakt door de „twee uitzonderingen en de vermoedens” (punt 81 van de repliek).
103 Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat de door verzoeksters in punt 79 van hun repliek aangehaalde bewoordingen in werkelijkheid die van artikel 19, lid 1, onder j), van verordening 2020/852 en niet die van artikel 19, lid 1, onder f), van verordening zijn, zoals zij beweren. Het verzoek tot interne herziening gewaagt echter nergens van eerstgenoemde bepaling, evenmin als het verzoekschrift betreffende het onderhavige onderdeel. De argumenten die aan deze bepaling zijn ontleend, zijn derhalve niet-ontvankelijk.
104 Voorts erkennen verzoeksters in punt 77 van hun repliek uitdrukkelijk dat uit het bestreden besluit volgt dat de Commissie zich wel degelijk op wetenschappelijk bewijs heeft gebaseerd. Aldus weerspreken zij hun argument dat de Commissie zich niet op sluitend wetenschappelijk bewijs zou hebben gebaseerd. Bovendien zijn de andere argumenten die verzoeksters in hun repliek hebben aangevoerd en volgens welke de technische screeningcriteria om nog andere redenen niet in overeenstemming zijn met verordening 2020/852, niet-ontvankelijk, aangezien zij nieuw zijn.
105 Aangezien verzoeksters dus hebben erkend dat het bestreden besluit vermeldt dat de technische screeningcriteria inzake de substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering door de elektriciteitsopwekking uit windenergie op sluitend wetenschappelijk bewijs zijn gebaseerd, moet dit eerste onderdeel hoe dan ook ongegrond worden verklaard.
Tweede onderdeel: schending van artikel 10, lid 3, onder a), van verordening 2020/852
106 Verzoeksters stellen dat de gedelegeerde verordening, voor zover deze geen verplichting oplegt om de hoeveelheid CO2-emissies per kWh elektriciteit uit windenergie daadwerkelijk te meten, noch om de impact van de fluctuaties bij de elektriciteitsopwekking uit windenergie op CO2-emissies per geproduceerde kWh elektriciteit uit alle energiebronnen samen te meten, niet voldoet aan het bij artikel 10, lid 3, van verordening 2020/852 gestelde vereiste dat wordt bepaald of en in welke mate de activiteit substantieel bijdraagt aan de stabilisering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer. Uit de beweringen van de Commissie in het bestreden besluit, volgens welke het niet mogelijk was om rekening te houden met de fluctuaties, blijkt dat de Commissie zich daarvan bewust was. De Commissie heeft dus een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door geen rekening hiermee te houden. De benadering van de Commissie komt erop neer dat een globale beoordeling van de milieueffecten van de activiteit in zijn geheel wordt vermeden. Subsidiair heeft de Commissie de haar door artikel 10, lid 3, onder a), van deze verordening verleende bevoegdheid overschreden door te oordelen dat niet hoefde te worden overgegaan tot een daadwerkelijke kwantitatieve meting van de hoeveelheid CO2-emissies per kWh elektriciteit uit windenergie, of tot een meting van de impact van fluctuaties.
107 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
108 Allereerst moet worden opgemerkt dat de door verzoeksters in het verzoekschrift aangedragen argumenten weliswaar de indruk kunnen wekken dat zij tegen de gedelegeerde verordening opkomen, maar uit punt 82 van het verzoekschrift blijkt duidelijk dat zij van mening zijn dat het in het bestreden besluit door de Commissie op het verzoek tot interne herziening gegeven antwoord in strijd is met artikel 10, lid 3, onder a), van verordening 2020/852. Deze argumenten moeten dus worden geacht betrekking te hebben op dat besluit.
109 Artikel 10, lid 3, onder a), van verordening 2020/852 bepaalt dat „[d]e Commissie […] een gedelegeerde handeling [vaststelt] met het oog op het aanvullen van de leden 1 en 2 van dit artikel door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering”.
110 Artikel 10, lid 3, onder a), van de verordening 2020/852 heeft uitsluitend betrekking op de „voorwaarden […] waaronder” een economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering. Verzoeksters hebben dan ook ongelijk wanneer zij stellen dat uit die bepaling volgt dat deze „[beoogt] vast te stellen of en in welke mate de activiteit” een dergelijke bijdrage levert. Die bepaling bevat namelijk geen enkele verwijzing naar de gedachte dat een kwantitatieve beoordeling noodzakelijk is in de zin van een welomschreven grens.
111 Bovendien heeft de Commissie in de tweede in punt 100 hierboven aangehaalde alinea in essentie te kennen gegeven dat zij – om de redenen die zijn aangegeven in de effectenbeoordeling van de gedelegeerde verordening – van oordeel was dat elke activiteit van opwekking van elektriciteit (dus alle technologieën samen) die minder dan 100 g CO2 per kWh uitstoot op basis van de levenscyclus, substantieel bijdraagt aan de mitigatie van klimaatverandering.
112 Verzoeksters hebben in het verzoek tot interne herziening of in hun stukken geen gegevens aangevoerd die afbreuk doen aan de in punt 111 hierboven bedoelde overweging waarop de benadering van de Commissie is gebaseerd.
113 Vervolgens heeft de Commissie in de tweede in punt 100 hierboven aangehaalde alinea uitgelegd dat volgens de gegevens van de IPCC „de emissies van [broeikasgassen] per levenscyclus van windenergie (zowel op het land als offshore) veel lager zijn dan de vastgestelde bovengrens (maximale emissies van 56 g CO2 per kWh)”.
114 Anders dan verzoeksters stellen, blijkt uit het bestreden besluit wel degelijk dat de Commissie een kwantitatieve bovengrens heeft toegepast. Aangezien deze bovengrens echter altijd wordt geëerbiedigd door de activiteit van elektriciteitsopwekking uit windenergie, heeft de Commissie in essentie geoordeeld dat het niet nuttig was om de naleving ervan in elk concreet geval te beoordelen.
115 Het enige argument dat verzoeksters aanhalen dat kan afdoen aan de overweging van de Commissie dat de bovengrens van 100 g CO2 per kWh (die als dusdanig niet in twijfel wordt getrokken door verzoeksters, zie punt 112 hierboven) altijd wordt geëerbiedigd bij de elektriciteitsopwekking uit windenergie, heeft te maken met de „fluctuaties” bij de elektriciteitsopwekking uit windenergie.
116 Wat dat betreft heeft de Commissie in de eerste in punt 100 hierboven aangehaalde alinea uiteengezet dat het de delegeerde verordening is die het precieze toepassingsgebied van de verschillende economische activiteiten omschrijft. Zij stelt dat „[a]angezien verordening [2020/852] hoofdzakelijk betrekking heeft op economische activiteiten, […] het niet mogelijk [was] om het toepassingsgebied van de evaluatie uit te breiden tot een systeembrede analyse”, „[e]lke activiteit […] geëvalueerd [is] op basis van de substantiële bijdrage aan de milieudoelstellingen en de ernstige afbreuk aan de andere milieudoelstellingen, zonder evaluatie van de andere ermee verband houdende activiteiten” en „[i]n het kader van deze benadering geen rekening kan worden gehouden met de fluctuatie van de activiteiten”.
117 Om te beginnen blijkt ondubbelzinnig uit de diverse bepalingen van verordening 2020/852 dat deze berust op de gedachte dat het specifieke „economische activiteiten” zijn die worden onderworpen aan de criteria die door of krachtens deze verordening zijn vastgesteld om te beoordelen of deze „economische activiteiten” als ecologisch duurzaam kunnen worden aangemerkt.
118 Ten eerste bepaalt artikel 1, lid 1, van verordening 2020/852 namelijk dat in deze verordening „de criteria [worden] vastgesteld om uit te maken of een economische activiteit als ecologisch duurzaam kan worden aangemerkt, met het oog op het bepalen van de mate waarin een belegging ecologisch duurzaam is”.
119 Ten tweede bepaalt artikel 3 van verordening 2020/852 dat „een economische activiteit [wordt] aangemerkt als ecologisch duurzaam indien die economische activiteit” aan bepaalde voorwaarden voldoet.
120 Ten derde is in artikel 10, lid 1, van verordening 2020/852 bepaald dat „[e]en economische activiteit wordt aangemerkt als een economische activiteit die substantieel aan de mitigatie van klimaatverandering bijdraagt indien die activiteit […] substantieel bijdraagt aan de stabilisering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau waarop gevaarlijke antropogene verstoring van het klimaatsysteem wordt voorkomen, door het beletten of verminderen van broeikasgasemissies of het vergroten van broeikasgasverwijderingen”.
121 Ten vierde bepaalt artikel 10, lid 3, onder a), van verordening 2020/852 dat de Commissie een gedelegeerde verordening vaststelt met het oog op „het aanvullen van de leden 1 en 2 van dit artikel door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering”.
122 De Commissie heeft de gedelegeerde verordening dan ook op goede gronden aldus opgebouwd dat in de bijlagen I en II daarbij punten werden opgenomen voor elke economische activiteit die onder de verordening valt. Verzoeksters betwisten deze benadering overigens niet.
123 In punt 4.3 van de bijlagen I en II bij de gedelegeerde verordening, met als opschrift „Elektriciteitsopwekking uit windenergie” geeft de Commissie de volgende „[b]eschrijving van de activiteit”: „bouw of exploitatie van installaties voor elektriciteitsopwekking die elektriciteit opwekken uit windenergie”.
124 De betreffende economische activiteit is dus kennelijk aldus omschreven dat zij uitsluitend betrekking heeft op de opwekking van elektriciteit en dat de enige relevante energiebron windenergie is. De terbeschikkingstelling van elektriciteit aan de eindconsument en de opwekking van elektriciteit uit andere energiebronnen vallen daarentegen niet onder deze economische activiteit.
125 Vervolgens heeft de Commissie erop gewezen dat de elektriciteitsopwekking uit windenergie onderhevig is aan „fluctuaties”, omdat het niet om continue elektrische stroom gaat, maar om stroom die varieert naargelang de weersomstandigheden.
126 De Commissie heeft echter geoordeeld dat „geen rekening [kon] worden gehouden met de fluctuatie van de activiteiten”, omdat, in essentie, de „opvang” van de „onderproductie” van elektriciteit van een installatie voor elektriciteitsopwekking via windenergie door andere energiebronnen geen deel uitmaakt van eerstgenoemde activiteit en omdat dergelijke „andere ermee verband houdende activiteiten” niet in dat kader worden geëvalueerd.
127 Dit standpunt bevat geen kennelijke beoordelingsfouten.
128 Wat betreft de punten 117 tot en met 122 betoogt de Commissie om te beginnen terecht dat een economische activiteit volgens verordening 2020/852 in beginsel individueel moet worden beoordeeld.
129 Voorts merkt de Commissie eveneens terecht op dat het zeer moeilijk zou zijn om een berekening te maken van de fluctuaties bij de elektriciteitsopwekking uit windenergie en om de gevolgen daarvan vast te stellen.
130 In de eerste plaats hebben verzoeksters gelijk waar zij in essentie betogen dat de bestaande historische gegevens aantonen dat de totale elektriciteitsopwekking uit windenergie in bepaalde geografische gebieden schommelingen vertoont, maar dit neemt niet weg dat uit dergelijke statistische gegevens – die betrekking hebben op eerder grote geografische gebieden – niet met zekerheid kan worden afgeleid wat de werkelijke toekomstige productie zal zijn van een specifieke installatie die elektriciteit uit windenergie opwekt.
131 In de tweede plaats voert de Commissie terecht aan dat de gevolgen van de fluctuaties in de elektriciteitsopwekking uit windenergie vooral afhangen van de technologieën die worden gebruikt om een mogelijkerwijs lage productie van windenergie op te vangen. Het is niet mogelijk om te voorspellen welke exacte technologieën zullen worden gebruikt om de lage productie van windenergie van een specifieke installatie op te vangen.
132 In de derde plaats gaat het hoe dan ook om factoren waarover diegenen die de activiteit van elektriciteitsopwekking uit windenergie verrichten geen controle hebben. Dergelijke externe factoren, die moeilijk vast te stellen zijn, kunnen niet in aanmerking worden genomen door de exploitanten van een installatie voor elektriciteitsopwekking uit windenergie zonder dat dit voor deze exploitanten bijzondere moeilijkheden met zich meebrengt. Zoals de Commissie terecht stelt, zou dit in strijd zijn met artikel 19, lid 1, onder k), van verordening 2020/852, dat verlangt dat de technische screeningcriteria „gemakkelijk toepasbaar [zijn] en worden vastgesteld op een manier die de controle op de naleving ervan faciliteert”.
133 De Commissie heeft dus geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door geen rekening te houden met fluctuaties in de elektriciteitsopwekking uit windenergie.
134 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de argumenten van verzoeksters de overweging van de Commissie dat de bovengrens van 100 g CO2 per kWh altijd wordt geëerbiedigd door de elektriciteitsopwekking uit windenergie (zie de punten 114 en 115 hierboven), onverlet laten.
135 Bijgevolg moet het argument van verzoeksters dat de Commissie geen kwantitatieve bovengrens heeft toegepast worden afgewezen, net als het onderhavige onderdeel ter onderbouwing waarvan dit argument is aangevoerd.
Derde onderdeel: schending van artikel 19, lid 1, onder a) en j), van verordening 2020/852
136 Volgens verzoeksters voldoet het bestreden besluit niet aan artikel 19, lid 1, onder a), van verordening 2020/852, noch aan het daarin vervatte beginsel van technologische neutraliteit, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 1, onder j), van deze verordening, op grond waarvan de Commissie ervoor moet zorgen dat de activiteiten gelijk worden behandeld indien zij in gelijke mate bijdragen aan een of meer van de milieudoelstellingen. De benadering van de Commissie staat haaks op de technologische neutraliteit omdat zij geen rekening houdt met fluctuaties. Deze fluctuaties zijn een doorslaggevend element bij de bepaling van de omvang van de CO2-emissies per kWh elektriciteit in het betrokken elektriciteitssysteem in zijn geheel. Verzoeksters stellen dat rekening moet worden gehouden met de CO2-emissies per kWh die worden opgewekt door back-up elektriciteitsproducerende energiebronnen die de fluctuaties bij de elektriciteitsopwekking uit windenergie moeten opvangen.
137 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
138 Zoals de Commissie heeft opgemerkt moet worden vastgesteld dat het verzoek tot interne herziening geen enkele aanwijzing bevat die kan worden uitgelegd als stellende dat een „beginsel van technologische neutraliteit”, dat zou zijn neergelegd in artikel 19, lid 1, onder a), van verordening 2020/852, dan wel het beginsel van gelijke behandeling van activiteiten die in gelijke mate bijdragen aan een of meerde milieudoelstellingen in de zin van artikel 19, lid 1, onder j), van deze verordening, zou zijn geschonden.
139 Bijgevolg moeten de ter ondersteuning van het onderhavige onderdeel aangevoerde argumenten overeenkomstig de in punt 28 hierboven aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard omdat zij nieuw zijn.
140 Bijgevolg dient het onderhavige onderdeel te worden afgewezen.
Vierde onderdeel: schending van artikel 19, lid 3, van verordening 2020/852
141 Verzoeksters stellen dat de Commissie – door in het bestreden besluit te verklaren dat het niet mogelijk was om rekening te houden met de fluctuaties bij de elektriciteitsopwekking uit windenergie – artikel 19, lid 3, van verordening 2020/852 heeft geschonden, waarin is bepaald dat de technische screeningcriteria ervoor zorgen dat de opwekking van elektriciteit middels vaste fossiele brandstoffen niet wordt aangemerkt als een ecologisch duurzame economische activiteit. Het is een onvermijdelijk kenmerk van de elektriciteitsopwekking uit windenergie dat er fluctuaties zijn, terwijl elektriciteitsverbruik een continue, op de vraag afgestemde bevoorrading vereist. In deze omstandigheden legt deze bepaling de Commissie de verplichting op om te onderzoeken of en in welke mate de elektriciteitsopwekking middels vaste fossiele brandstoffen de facto wordt aangemerkt als ecologisch duurzaam. De Commissie had een specifiek technisch screeningcriterium moeten vaststellen om te waarborgen dat de fluctuaties in de elektriciteitsopwekking uit windenergie niet ertoe leiden dat er systematisch vaste fossiele brandstoffen worden gebruikt door de bronnen van elektriciteitsopwekking die het elektriciteitsnet inschakelt om de fluctuaties op te vangen.
142 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
143 Zoals de Commissie stelt, moet worden opgemerkt dat het verzoek tot interne herziening nergens gewaagt van een beweerde schending van artikel 19, lid 3, van verordening 2020/852 en dat verzoeksters in dat verzoek niet hebben aangevoerd dat de technische screeningcriteria niet uitsluiten dat de opwekking van elektriciteit middels vaste fossiele brandstoffen als een ecologisch duurzame economische activiteit wordt aangemerkt.
144 Anders dan verzoeksters stellen, kan een dergelijk argument, dat uitdrukkelijk is ontleend aan artikel 19, lid 3, van verordening 2020/852, bovendien evenmin worden aangemerkt als een eenvoudige uitbreiding van de argumenten waarmee verzoeksters enerzijds opkomen tegen de stelling van de Commissie dat het niet mogelijk is om rekening te houden met de fluctuaties bij de elektriciteitsopwekking uit windenergie, en anderzijds verwijzen naar de plaats die deze activiteit inneemt binnen de globale opwekking van elektriciteit. Met deze argumenten voeren verzoeksters namelijk in de eerste plaats schending aan van artikel 10, lid 3, onder a), van die verordening, hetgeen is onderzocht in het kader van het tweede onderdeel van tweede middel, terwijl het onderhavige onderdeel is ontleend aan schending van artikel 19, lid 3, van deze verordening. Aangezien de respectievelijke rechtsgrondslagen die verzoeksters hebben aangevoerd verschillen, kan niet worden gesteld dat dit onderdeel een zodanige nauwe band heeft met het tweede onderdeel van het tweede middel dat het kan worden aangemerkt als voortvloeiend uit een normale ontwikkeling van het debat in een contentieuze procedure, in de zin van de in punt 29 hierboven aangehaalde rechtspraak.
145 Derhalve moeten de argumenten ter ondersteuning van het onderhavige onderdeel en dit onderdeel zelf overeenkomstig de in punt 28 hierboven aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.
146 Bijgevolg dient het tweede middel in zijn geheel te worden afgewezen.
Derde middel: adaptatie aan klimaatverandering
147 Verzoeksters voeren in essentie aan dat de Commissie in het bestreden besluit niet heeft geantwoord op bepaalde argumenten die zij in het verzoek tot interne herziening hebben aangevoerd met betrekking tot de technische screeningcriteria voor de beoordeling van de substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering, waardoor artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1367/2006 is geschonden. Ten eerste heeft de Commissie hun in dat verzoek aangevoerde argument dat de technische screeningcriteria waarvoor in de gedelegeerde verordening werd geopteerd in strijd waren met artikel 11, leden 1 en 3, van verordening 2020/852, niet onderzocht, laat staan betwist. Ten tweede heeft zij evenmin geantwoord op de in dit verzoek geformuleerde argumenten dat de technische screeningcriteria niet voldoende nauwkeurig zijn omdat begrippen zoals „fysieke en niet-fysieke oplossingen die de belangrijkste fysieke klimaatrisico’s die voor die activiteit van belang zijn, substantieel verminderen” niet zijn omschreven. Ten derde heeft de Commissie niet geantwoord op het argument dat er geen methode bestaat voor de verificatie van de substantiële bijdrage en van de vaststelling van wat „vooraf vastgestelde indicatoren” zijn. Ten vierde heeft zij niet geantwoord op de vraag of er rekening mee moet worden gehouden dat windenergie afhankelijk is van de weersomstandigheden. Ten vijfde heeft zij niets gezegd over de vraag of de activiteit niet moest worden omschreven vanuit het oogpunt van het energieverbruik.
148 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.
149 Zoals ook verzoeksters tijdens de pleitzitting hebben erkend, blijkt uit de door hen in het derde middel gebruikte bewoordingen dat zij louter aanvoeren dat de Commissie in het bestreden besluit niet heeft geantwoord op bepaalde in het verzoek tot interne herziening aangevoerde argumenten.
150 Artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1367/2006 bepaalt dat „[d]e instelling […] van de Unie […] het verzoek [tot interne herziening] in overweging [neemt], […]. De instelling […] geeft […] schriftelijk de redenen van haar […] antwoord aan.”
151 De verplichting om het antwoord op een verzoek tot interne herziening te motiveren op grond van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1367/2006 moet op dezelfde wijze worden uitgelegd als de motiveringsplicht op grond van artikel 296, tweede alinea, VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten.
152 Er zij namelijk aan herinnerd dat artikel 296, tweede alinea, VWEU bepaalt dat rechtshandelingen van de instellingen van de Unie met redenen worden omkleed en dat het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten neergelegde recht op behoorlijk bestuur met zich meebrengt dat de instellingen, organen en instanties van de Unie verplicht zijn om hun beslissingen met redenen te omkleden.
153 De motivering van een besluit van een instelling, orgaan of instantie van de Unie is van bijzonder belang, omdat zij de betrokkene in staat stelt om met volledige kennis van zaken te beoordelen of hij tegen dat besluit beroep wenst in te stellen, en de bevoegde rechter in staat stelt om zijn toezicht uit te oefenen. Zij vormt dus een van de voorwaarden voor de doeltreffendheid van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechterlijke toetsing (zie arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
154 Uit de rechtspraak van het Hof volgt tevens dat een dergelijke motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en aan de context waarin deze is vastgesteld. Het is in dat verband niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling toereikend is niet enkel acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen, en in het bijzonder op het belang dat de adressaten van de handeling bij een toelichting kunnen hebben. Bijgevolg is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (zie arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR, C‑584/20 P en C‑621/20 P, EU:C:2021:601, punt 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
155 Het wordt dan ook erkend dat de motivering impliciet kan zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom de betrokken maatregelen zijn getroffen en het Gerecht over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen (zie arrest van 13 juli 2011, General Technic-Otis e.a./Commissie, T‑141/07, T‑142/07, T‑145/07 en T‑146/07, EU:T:2011:363, punt 302 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
156 Bijgevolg vergissen verzoeksters zich wanneer zij zich, kort gezegd, op het standpunt stellen dat de Commissie afzonderlijk moest antwoorden op elk specifiek punt dat in het verzoek tot interne herziening werd aangevoerd. Voor zover uit het bestreden besluit impliciet blijkt dat de Commissie een door verzoeksters aangevoerd punt heeft afgewezen, kan niet worden vastgesteld dat de Commissie artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1367/2006 heeft geschonden doordat zij niet afzonderlijk op dit punt heeft geantwoord.
157 Verzoeksters betogen in de eerste plaats dat de Commissie zich in het bestreden besluit niet heeft uitgesproken over de beweerde tegenstrijdigheid tussen de technische screeningcriteria en de voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 11, leden 1 en 3, van verordening 2020/852.
158 In dit verband verwijzen verzoeksters naar de volgende passages van het verzoek tot interne herziening: „Ten eerste maken de vier punten die worden voorgesteld als technische screeningcriteria geen melding van de twee voorwaarden die zijn opgenomen in artikel 11, lid 1, van verordening 2020/852 wat betreft de vaststelling van een substantiële bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering: […] Zoals zij nu geformuleerd zijn, kan op basis van de vier punten niet worden bepaald in welke mate de elektriciteitsopwekking uit windenergie kan bijdragen aan de adaptatie aan klimaatverandering. Het is dus niet mogelijk om te beoordelen of een dergelijke bijdrage kan worden aangemerkt als substantieel.”
159 Gelet op die passages, waarnaar verzoeksters uitdrukkelijk verwijzen, is het duidelijk dat het betrokken in het verzoekschrift geformuleerde argument aldus moet worden begrepen, dat wordt betoogd dat de Commissie geen standpunt heeft ingenomen over de in het verzoek tot interne herziening geformuleerde kritiek dat, kort gezegd, de technische screeningcriteria niet kwantitatief zijn, waardoor noch de omvang van de bijdrage aan de adaptatie aan klimaatverandering kan worden beoordeeld, noch of deze bijdrage substantieel is.
160 Onder de titel „Elektriciteitsopwekking uit windenergie betreffende de adaptatie aan klimaatverandering” in bijlage IV bij het bestreden besluit heeft de Commissie het volgende uiteengezet: „De benadering van de Commissie inzake de adaptatie aan klimaatverandering, zoals voorzien in aanhangsel A van bijlage I en bijlage II bij de gedelegeerde verordening, wordt uiteengezet in de [punten] 1.2 en 2.3 van bijlage III hierboven, in antwoord op de beweringen van een andere verzoeker [tot interne herziening] die zijn geformuleerd in de punten 106 en 107, 161 tot en met 177 en 381 tot en met 389 van het verzoek van deze laatste. De Commissie zet daarin uiteen dat haar benadering inzake de adaptatie aan klimaatverandering in overeenstemming is [met artikel] 11, lid 1, [met artikel] 17, lid 1, onder b), en [artikel] 19, lid 1, van [verordening 2020/852]. Om de redenen die zijn uiteengezet in deze delen van het antwoord van de Commissie, [waren] de beweringen van verzoeksters ongegrond.”
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 21 februari 2024, T-536/22, ECLI:EU:T:2024:98
- HvJ EU 4 mei 2023, C-389/21, ECLI:EU:C:2023:368
- HvJ EU 6 oktober 2021, C-458/19, ECLI:EU:C:2021:802
- HvJ EU 15 juli 2021, C-584/20, ECLI:EU:C:2021:601
- HvJ EU 7 mei 2020, C-148/19, ECLI:EU:C:2020:354
- HvJ EU 12 september 2019, C-82/17, ECLI:EU:C:2019:719
- HvJ EU 11 mei 2017, C-44/16, ECLI:EU:C:2017:357
- Gerecht EU 13 juli 2011, T-141/07, ECLI:EU:T:2011:363
- HvJ EU 10 juli 2008, C-413/06, ECLI:EU:C:2008:392