Gerecht EU 10 september 2025, T-579/22, ECLI:EU:T:2025:862

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid)

10 september 2025 ( *1 )

„Milieu – Verdrag van Aarhus – Afwijzing van een verzoek tot interne herziening – Artikel 10 van verordening (EG) nr. 1367/2006 – Gedelegeerde verordening (EU) 2021/2139 – Activiteiten op het gebied van bio-energie – Bosbiomassa – Productie van organisch-chemische basisproducten – Vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen – Taxonomie – Vereisten voor technische screeningcriteria – Artikel 19 van verordening (EU) 2020/852 – Substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering – Artikel 10 van verordening 2020/852 – Transitieactiviteiten – Kwantitatieve drempel – Sluitend wetenschappelijk bewijs – Levenscyclus – Voorzorgsbeginsel – Beginsel om geen ernstige afbreuk te doen aan de milieudoelstellingen – Artikel 17 van verordening 2020/852 – Circulaire economie – Water en mariene hulpbronnen – Vervuiling”

In zaak T‑579/22,

ClientEarth AISBL, gevestigd te Elsene (België), vertegenwoordigd door T. Johnston, barrister,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. von Rintelen, C. Auvret, G. Gattinara, R. Lindenthal en B. De Meester als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Franse Republiek, vertegenwoordigd door T. Stéhelin en B. Fodda als gemachtigden,

interveniënte,

wijst

HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: M. J. Costeira (rapporteur), president, M. Kancheva, U. Öberg, P. Zilgalvis en E. Tichy-Fisslberger, rechters,

griffier: S. Spyropoulos, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 21 november 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, ClientEarth AISBL, nietigverklaring van besluit Ares (2022) 4942150 van de Europese Commissie van 6 juli 2022 houdende afwijzing van het verzoek tot interne herziening van haar gedelegeerde verordening (EU) 2021/2139 van 4 juni 2021 tot aanvulling van verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering of de adaptatie aan klimaatverandering, en om uit te maken of die economische activiteit niet ernstig afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen (PB 2021, L 442, blz. 1; hierna: „gedelegeerde verordening”), in verband met bepaalde aspecten inzake economische activiteiten op het gebied van bio-energie, de productie van organisch-chemische basisproducten en de vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen (hierna: „bestreden besluit”).

Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoekster is een vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht die met name de bescherming van het milieu tot doel heeft.

3 De gedelegeerde verordening is door de Commissie vastgesteld op grond van met name artikel 10, lid 3, en artikel 11, lid 3, van verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van verordening (EU) 2019/2088 (PB 2020, L 198, blz. 13; hierna: „taxonomieverordening”).

4 In 2018 heeft de Commissie een technische deskundigengroep inzake duurzame financiering opgericht om haar te helpen technische screeningcriteria uit te werken ter bepaling of een economische activiteit vanuit milieuoogpunt duurzaam is. Deze deskundigengroep heeft wat betreft de gedelegeerde verordening een aantal aanbevelingen uitgewerkt omtrent met name de technische screeningcriteria in verband met de economische activiteiten die een wezenlijke bijdrage leveren aan de twee milieudoelstellingen die zijn vastgesteld in artikel 9, onder a) en b), van de taxonomieverordening. Het eindverslag van deze groep is in maart 2020 gepubliceerd, samen met een technische bijlage.

5 Bij het ontwerp van gedelegeerde verordening was het document SWD(2021) 2800 final van de Commissie van 4 juni 2021 met de motivering van het project gevoegd, alsook het document SWD(2021) 152 final van de Commissie van 4 juni 2021, dat was voorbereid door het directoraat-generaal Financiële Stabiliteit, Financiële Diensten en Kapitaalmarktenunie, in samenwerking met in het bijzonder het directoraat-generaal Klimaatactie. Dit laatste document bevatte het effectbeoordelingsverslag, vergezeld van elf bijlagen (hierna: „effectbeoordeling bij het ontwerp van gedelegeerde verordening”).

6 Op 3 februari 2022 heeft verzoekster bij de Commissie een verzoek ingediend tot interne herziening van de gedelegeerde verordening, op grond van artikel 10, lid 1, van verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2021/1767 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2021 (PB 2021, L 356, blz. 1) (hierna: „Aarhus-verordening”). Zij kwam in essentie op tegen de rechtmatigheid van de gedelegeerde verordening wat betreft, ten eerste, de uitlegging en de toepassing van bepaalde criteria van artikel 19 van de taxonomieverordening, ten tweede, bepaalde economische activiteiten op het gebied van bio-energie, ten derde, de productie van organisch-chemische basisproducten, en ten vierde, de vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen.

7 Bij brief van 6 juli 2022 heeft de Commissie het bestreden besluit meegedeeld aan verzoekster, waarbij zij het verzoek tot interne herziening heeft afgewezen.

Conclusies van partijen

8 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

9 De Commissie, ondersteund door de Franse Republiek, verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

10 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot de vereisten die van toepassing zijn op de technische screeningcriteria van artikel 19 van de taxonomieverordening, het tweede aan kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot de activiteiten op het gebied van bio-energie, het derde aan kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot de productie van organisch-chemische basisproducten en het vierde aan kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot de vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen.

Inleidende opmerkingen over de taxonomieverordening en de gedelegeerde verordening

11 Volgens de bewoordingen van artikel 1, lid 1, van de taxonomieverordening worden in deze verordening de criteria vastgesteld om uit te maken of een economische activiteit als ecologisch duurzaam kan worden aangemerkt, met het oog op het bepalen van de mate waarin een belegging ecologisch duurzaam is. Volgens overweging 3 ervan vormt deze verordening een essentiële stap om geldstromen naar duurzame activiteiten te leiden teneinde tegen 2050 een klimaatneutrale Europese Unie tot stand te brengen.

12 Daartoe voorziet de taxonomieverordening, zoals blijkt uit de overwegingen 6 en 12 ervan, in een uniform classificatiesysteem voor duurzame activiteiten („taxonomie”), teneinde de criteria op basis waarvan kan worden bepaald of een economische activiteit kan worden aangemerkt als een ecologisch duurzame economische activiteit op Unieniveau te harmoniseren, waardoor investeerders en andere marktdeelnemers een gemeenschappelijk begrip krijgen van de economische activiteiten die ecologisch duurzaam zijn.

13 Artikel 3 van de taxonomieverordening luidt: „[m]et het oog op het bepalen van de mate waarin een belegging ecologisch duurzaam is, wordt een economische activiteit aangemerkt als ecologisch duurzaam indien die economische activiteit: a) overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 16 substantieel bijdraagt aan een of meer van de in artikel 9 genoemde milieudoelstellingen; b) overeenkomstig artikel 17 geen ernstige afbreuk doet aan de in artikel 9 genoemde milieudoelstellingen; c) […]; en d) voldoet aan de technische screeningcriteria die door de Commissie zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 10, lid 3, [en] artikel 11, lid 3”.

14 De zes milieudoelstellingen die in artikel 9 van de taxonomieverordening zijn opgesomd, zijn: „a) de mitigatie van klimaatverandering; b) de adaptatie aan klimaatverandering; c) het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen; d) de transitie naar een circulaire economie. e) de preventie en bestrijding van verontreiniging; f) de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en de ecosystemen;

15 Artikel 4 van de taxonomieverordening bepaalt dat de lidstaten en de Unie de criteria van artikel 3 van die verordening hanteren om te bepalen of een economische activiteit als ecologisch duurzaam kan worden aangemerkt met het oog op maatregelen tot vaststelling van voorschriften voor financiëlemarktdeelnemers of uitgevende instellingen ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties die als ecologisch duurzaam beschikbaar worden gesteld.

16 Artikel 10, lid 1, van de taxonomieverordening stelt de voorwaarden vast waaronder een economische activiteit geacht wordt een aanzienlijke bijdrage te leveren aan de mitigatie van klimaatverandering.

17 „Mitigatie van klimaatverandering” wordt in artikel 2, punt 5, van de taxonomieverordening gedefinieerd als „het proces om de stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur te beperken tot beduidend minder dan 2 °C en de inspanningen voort te zetten om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, zoals vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs [inzake klimaatverandering, goedgekeurd op 12 december 2015]”.

18 Artikel 10, lid 2, van de taxonomieverordening bevat de voorwaarden die van toepassing zijn op de economische activiteiten waarvoor geen technologisch en economisch haalbaar koolstofarm alternatief bestaat, dat wil zeggen de zogenoemde „transitieactiviteiten” in de zin van artikel 19, lid 1, onder h), ii), van die verordening.

19 Artikel 10, lid 3, van de taxonomieverordening bepaalt dat de Commissie overeenkomstig artikel 23 van die verordening een gedelegeerde handeling vaststelt met het oog op: „a) het aanvullen van de leden 1 en 2 van dit artikel door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de mitigatie van klimaatverandering, en b) het aanvullen van artikel 17 door voor elke relevante milieudoelstelling technische screeningcriteria vast te stellen om uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan op grond van punt a) van dit lid technische screeningcriteria zijn vastgesteld, ernstig afbreuk doet aan een of meer van die doelstellingen.”

20 Artikel 11, lid 1, van de taxonomieverordening bepaalt dat een economische activiteit wordt aangemerkt als een economische activiteit die substantieel aan de adaptatie aan klimaatverandering bijdraagt indien die activiteit: „a) adaptatieoplossingen omvat die ofwel het risico op ongunstige effecten van het huidige klimaat en het verwachte toekomstige klimaat op die economische activiteit substantieel verminderen, ofwel die ongunstige effecten substantieel verminderen, zonder het risico op ongunstige effecten op de mens, de natuur of activa te vergroten, of b) adaptatieoplossingen biedt die, naast het feit dat ze aan de in artikel 16 gestelde voorwaarden tegemoetkomen, substantieel bijdragen aan het voorkomen of verminderen van het risico op ongunstige effecten van het huidige klimaat en het verwachte toekomstige klimaat op de mens, de natuur of activa, zonder het risico op ongunstige effecten op andere personen, de natuur of activa te vergroten.”

21 Artikel 11, lid 3, van de taxonomieverordening bepaalt dat de Commissie overeenkomstig artikel 23 van die verordening een gedelegeerde handeling vaststelt met het oog op: „a) het aanvullen van de leden 1 en 2 van dit artikel door technische screeningcriteria vast te stellen om de voorwaarden te bepalen waaronder een specifieke economische activiteit kan worden aangemerkt als substantieel bijdragend aan de adaptatie aan klimaatverandering, en b) het aanvullen van artikel 17 door voor elke relevante milieudoelstelling technische screeningcriteria vast te stellen om uit te maken of een economische activiteit ten aanzien waarvan op grond van punt a) van dit lid technische screeningcriteria zijn vastgesteld, ernstig afbreuk doet aan een of meer van die doelstellingen.”

22 Artikel 17, lid 1, van de taxonomieverordening luidt als volgt: „Voor de toepassing van artikel 3, onder b), wordt een economische activiteit, rekening houdend met de levenscyclus van de producten en diensten die zij oplevert, met inbegrip van bewijsmateriaal uit bestaande levenscyclusanalysen geacht ernstig afbreuk te doen aan: a) de mitigatie van klimaatverandering, indien die activiteit leidt tot aanzienlijke broeikasgasemissies; b) de adaptatie aan klimaatverandering, indien die activiteit leidt tot een toegenomen ongunstig effect van het huidige klimaat en het verwachte toekomstige klimaat op de activiteit zelf of op de mens, de natuur of activa; c) het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen, indien die activiteit schadelijk is: i) voor de goede toestand of het goed ecologisch potentieel van waterlichamen, met inbegrip van oppervlaktewater en grondwater, of ii) voor de goede milieutoestand van mariene wateren; d) de circulaire economie, met inbegrip van preventie en recycling van afval, indien: i) die activiteit leidt tot aanzienlijke inefficiënties bij het gebruik van materialen of bij het directe of indirecte gebruik van natuurlijke hulpbronnen zoals niet-hernieuwbare energiebronnen, grondstoffen, water en bodem in een of meer stadia van de levenscyclus van producten, onder meer in termen van duurzaamheid, repareerbaarheid, verbeterbaarheid, herbruikbaarheid of recyclebaarheid van producten; ii) die activiteit leidt tot een aanzienlijke toename van de productie, verbranding of verwijdering van afval, met uitzondering van de verbranding van niet-recyclebaar gevaarlijk afval, of iii) de verwijdering van afval op lange termijn kan leiden tot aanzienlijke en langdurige schade aan het milieu; e) de preventie en bestrijding van verontreiniging, indien die activiteit leidt tot een aanzienlijke toename van emissies van verontreinigende stoffen in lucht, water of bodem, vergeleken met de situatie voordat de activiteit van start ging, of f) de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en ecosystemen, indien die activiteit: i) in aanzienlijke mate schadelijk is voor de goede staat en de veerkracht van ecosystemen, of ii) schadelijk zal zijn voor de staat van instandhouding van habitats en soorten, met inbegrip van die welke van Uniebelang zijn.”

23 Artikel 19, lid 1, van de taxonomieverordening bepaalt dat de technische screeningcriteria die zijn vastgesteld op grond van met name artikel 10, lid 3, van die verordening: „a) […] de meest relevante potentiële bijdragen aan de specifieke milieudoelstelling [vermelden], waarbij het beginsel van technologische neutraliteit in acht wordt genomen, en waarbij naar de effecten van een specifieke economische activiteit op korte en lange termijn wordt gekeken; b) […] de minimumvereisten [bepalen] waaraan moet worden voldaan om ernstige afbreuk aan alle relevante milieudoelstellingen te vermijden, waarbij naar de effecten van een specifieke economische activiteit op korte en lange termijn wordt gekeken; c) […] voor zover mogelijk kwantitatief [zijn] en […] drempels [bevatten], en […] in het andere geval kwalitatief [zijn]; d) […] in voorkomend geval, [voortbouwen] op Unieregelingen voor labels en certificering, Uniemethodieken voor het beoordelen van de ecologische voetafdruk en Uniesystemen voor statistische classificatie, en […] rekening [houden] met de desbetreffende bestaande Uniewetgeving; e) […] indien mogelijk gebruik[maken] van duurzaamheidsindicatoren als bedoeld in artikel 4, lid 6, van verordening (EU) 2019/2088; f) […] gebaseerd [zijn] op sluitend wetenschappelijk bewijs en […] het in artikel 191 VWEU vastgelegde voorzorgsbeginsel [naleven]; g) […] rekening [houden] met de levenscyclus, met inbegrip van bewijsmateriaal uit bestaande levenscyclusbeoordelingen, door zowel de milieueffecten van de economische activiteit zelf als die van de door die economische activiteit opgeleverde producten en diensten in acht te nemen, met name door de productie, het gebruik en het einde van de levensduur van die producten en diensten in acht te nemen; h) […] rekening [houden] met de aard en de schaal van de economische activiteit, met inbegrip van: i) de vraag of het gaat om een faciliterende activiteit als bedoeld in artikel 16; ii) de vraag of het gaat om een transitieactiviteit als bedoeld in artikel 10, lid 2; i) […] rekening [houden] met het potentiële effect op de markt van de transitie naar een duurzamere economie, met inbegrip van het risico dat bepaalde activa als gevolg van die transitie gestrande activa worden, alsmede het risico dat er incoherente prikkels voor duurzaam beleggen ontstaan; j) […] alle relevante economische activiteiten binnen een bepaalde bedrijfstak [bestrijken] en […] ervoor [zorgen] dat die activiteiten gelijk worden behandeld indien zij in gelijke mate aan de milieudoelstellingen in artikel 9 van deze verordening bijdragen, teneinde verstoring van de mededinging op de markt te voorkomen, en k) […] gemakkelijk toepasbaar [zijn] en worden vastgesteld op een manier die de controle op de naleving ervan faciliteert […].”

24 De gedelegeerde verordening is vastgesteld op basis van met name artikel 10, lid 3, en artikel 11, lid 3, van de taxonomieverordening (zie punt 3 hierboven).

25 Artikel 1 van de gedelegeerde verordening bepaalt dat de technische screeningcriteria om te bepalen onder welke voorwaarden een economische activiteit kan worden geacht substantieel bij te dragen tot de mitigatie van klimaatverandering en om te bepalen of die activiteiten ernstige afbreuk doen aan een van de andere milieudoelstellingen, worden vastgesteld in bijlage I bij die verordening. Volgens artikel 2 van de gedelegeerde verordening worden de technische screeningcriteria om te bepalen onder welke voorwaarden een economische activiteit wordt aangemerkt als substantieel bijdragend aan de adaptatie aan klimaatverandering en om te bepalen of die economische activiteit geen ernstige afbreuk doet aan een van de andere milieudoelstellingen vastgesteld in bijlage II bij deze verordening.

26 De bijlagen I en II bij de gedelegeerde verordening bevatten technische screeningcriteria voor elke economische activiteit die onder die verordening valt, met name in punt 3.14 voor de fabricatie van organisch-chemische basisproducten en in punt 3.17 voor de vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen.

Inleidende opmerkingen over het verzoek tot interne herziening en de omvang van de toetsing door het Gerecht

27 Ingevolge artikel 10, lid 1, van de Aarhus-verordening is elke niet-gouvernementele organisatie (ngo) die voldoet aan de criteria van artikel 11 van deze verordening gerechtigd een verzoek tot interne herziening in te dienen bij de instelling of het orgaan van de Unie die/dat een administratieve handeling met betrekking tot het milieurecht heeft verricht.

28 Het is inherent aan de herzieningsregeling dat de degene die om een interne herziening verzoekt concrete en precieze redenen aanvoert die de beoordeling waarop de administratieve handeling is gebaseerd, op losse schroeven kunnen zetten (zie in die zin arrest van 12 september 2019, TestBioTech e.a./Commissie,C‑82/17 P, EU:C:2019:719, punt 68). Een dergelijke verzoeker tot herziening moet dus de wezenlijke feitelijke gegevens of argumenten rechtens vermelden die aannemelijke, dat wil zeggen ernstige, twijfel kunnen doen rijzen over de beoordeling van de instelling of het orgaan van de Unie in de betrokken handeling (zie in die zin arresten van 12 september 2019, TestBioTech e.a./Commissie, C‑82/17 P, EU:C:2019:719, punt 69, en 6 oktober 2021, ClientEarth/Commissie, C‑458/19 P, EU:C:2021:802, punt 60).

29 Het verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling beoogt dus te doen vaststellen dat de betrokken handeling onrechtmatig of ongegrond is. De verzoeker kan vervolgens overeenkomstig artikel 12 van de Aarhus-verordening, gelezen in samenhang met artikel 10 van deze verordening, bij de Unierechter beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of van bepalingen ter uitvoering daarvan of misbruik van bevoegdheid instellen tegen het besluit waarbij het verzoek tot interne herziening ongegrond is verklaard (arrest van 12 september 2019, TestBioTech e.a./Commissie, C‑82/17 P, EU:C:2019:719, punt 38).

30 In beginsel verschilt de omvang van de rechterlijke toetsing van een besluit tot afwijzing van een verzoek tot interne herziening niet van de omvang van de rechterlijke toetsing van de administratieve handeling waartegen dat verzoek is gericht, indien tegen die handeling beroep in rechte zou worden ingesteld (zie in die zin arrest van 15 december 2016, TestBioTech e.a./Commissie, T‑177/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:736, punten 76 en 81).

31 Volgens de rechtspraak beschikt een instelling van de Unie over een ruime beoordelingsbevoegdheid wanneer zij ingewikkelde beoordelingen moet verrichten, zoals die welke ten grondslag liggen aan de vaststelling van technische screeningcriteria om te bepalen of een economische activiteit duurzaam is vanuit milieuoogpunt (zie in die zin en naar analogie arrest van 11 mei 2017, Dyson/Commissie, C‑44/16 P, EU:C:2017:357, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dat geval mag het rechterlijk toezicht dat de Unierechter moet uitoefenen op de gegrondheid van de motivering van een besluit zoals het bestreden besluit hem er niet toe brengen zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie, maar is dit toezicht erop gericht na te gaan of dat besluit niet op feitelijk onjuiste gegevens berust en niet gebrekkig is wegens kennelijke beoordelingsfouten of misbruik van bevoegdheid (zie in die zin en naar analogie arrest van 4 mei 2023, ECB/Crédit Lyonnais, C‑389/21 P, EU:C:2023:368, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 In dit verband dient de Unierechter volgens vaste rechtspraak niet enkel de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen en de betrouwbaarheid en de samenhang daarvan te controleren, maar moet hij ook nagaan of die elementen het relevante feitenkader vormen dat in aanmerking moet worden genomen voor de beoordeling van een complexe toestand en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (zie arrest van 4 mei 2023, ECB/Crédit Lyonnais, C‑389/21 P, EU:C:2023:368, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wanneer een instelling over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, is het immers van fundamenteel belang dat de procedurele waarborgen in acht worden genomen, waaronder de verplichting om alle relevante elementen van de betrokken situatie zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (zie arrest van 4 mei 2023, ECB/Crédit Lyonnais, C‑389/21 P, EU:C:2023:368, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Voor de vaststelling dat een instelling bij de beoordeling van ingewikkelde feiten een kennelijke fout heeft gemaakt die de nietigverklaring van de door haar vastgestelde handeling rechtvaardigt, moeten de bewijselementen tot staving van die bewering volstaan om de in die handeling verrichte beoordeling van de feiten te ontzenuwen (zie in die zin arresten van 14 juni 2018, Lubrizol France/Raad, C‑223/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:442, punt 39, en 7 mei 2020, BTB Holding Investments en Duferco Participations Holding/Commissie, C‑148/19 P, EU:C:2020:354, punt 74).

34 Verzoeksters middelen moeten in het licht van deze overwegingen worden onderzocht.

Eerste middel: onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot de vereisten die gelden inzake de technische screeningcriteria van artikel 19 van de taxonomieverordening

35 Verzoekster voert formeel aan dat „de Commissie niet bevoegd was om de gedelegeerde verordening vast te stellen, omdat [zij] essentiële elementen van de [taxonomieverordening] buiten beschouwing heeft gelaten”. Zoals blijkt uit het verzoekschrift en uit het antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting, zijn de argumenten van verzoekster echter niet ontleend aan onbevoegdheid in eigenlijke zin, maar aan onjuiste rechtsopvattingen van de Commissie bij de uitlegging van de vereisten die van toepassing zijn op de technische screeningcriteria van artikel 19 van de taxonomieverordening.

36 Het eerste middel moet dus worden uitgelegd als ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen met betrekking tot de voor de technische screeningcriteria van artikel 19 van de taxonomieverordening geldende vereisten.

37 Het onderhavige middel bestaat uit vier onderdelen, betreffende: – ten eerste, het begrip „sluitend wetenschappelijk bewijs” in de zin van artikel 19, lid 1, onder f), van de taxonomieverordening; – ten tweede, de afweging van de vereisten die van toepassing zijn op de technische screeningcriteria als bedoeld in artikel 19, lid 1, van die verordening; – ten derde, het onjuiste vermoeden dat de geldende Uniewetgeving voldoet aan de vereisten inzake de taxonomie; en – ten vierde, de verplichting om rekening te houden met de levenscyclus wat betreft de productie van organisch-chemische basisproducten en de vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen.

Eerste onderdeel van het eerste middel: het begrip „sluitend wetenschappelijk bewijs” in de zin van artikel 19, lid 1, onder f), van de taxonomieverordening en de toepassing van het voorzorgsbeginsel

38 Verzoekster betoogt dat de Commissie in de punten 1 en 2.1, onder a) en b), van bijlage II bij het bestreden besluit ten eerste het begrip „sluitend wetenschappelijk bewijs” als bedoeld in artikel 19, lid 1, onder f), van de taxonomieverordening ten onrechte heeft uitgelegd als „wetenschappelijk bewijs waaruit een conclusie kan worden getrokken”, in plaats van als „het beste wetenschappelijk bewijs” of „het meest recente en betrouwbare wetenschappelijk bewijs”, waardoor dat criterium minder streng zou worden toegepast, ten tweede heeft nagelaten het risico te erkennen van „lock-in” van bepaalde activiteiten die uiteindelijk niet substantieel bijdragen aan de mitigatie van klimaatverandering, ten derde ten onrechte heeft verdedigd dat zij het beste wetenschappelijk bewijs en het meest recente wetenschappelijk bewijs buiten beschouwing mocht laten, aangezien de gedelegeerde verordening voortdurend wordt geactualiseerd en zij kon oordelen dat haar uitlegging een „epistemische zekerheid” vereiste, en ten vierde het voorzorgsbeginsel onjuist heeft toegepast.

39 De Commissie betwist de argumenten van verzoekster.

40 Volgens artikel 19, lid 1, onder f), van de taxonomieverordening zijn de technische screeningcriteria „gebaseerd op sluitend wetenschappelijk bewijs en op het in artikel 191 VWEU vastgelegde voorzorgsbeginsel”.

41 In casu heeft de Commissie zich in punt 1 van bijlage II bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verzoekster de vraag over de draagwijdte van het begrip „sluitend wetenschappelijk bewijs” niet had opgeworpen als zelfstandig middel ter ondersteuning van het verzoek tot interne herziening, maar enkel als inleidende opmerking. Voorts was zij in essentie van mening dat de letterlijke betekenis van de uitdrukking „sluitend wetenschappelijk bewijs” verwijst naar wetenschappelijk bewijs dat niet „doorslaggevend” is, dat wil zeggen naar wetenschappelijk bewijs „waaruit conclusies [konden] worden getrokken”. Bovendien was zij van mening dat de door verzoekster verdedigde uitlegging wetenschappelijke bewijzen leek te vereisen die door de gehele wetenschappelijke gemeenschap worden aanvaard zonder dat er de minste twijfel over bestaat, hetgeen in strijd zou zijn met de aard zelf van wetenschappelijke kennis.

42 Voor zover verzoekster met dit onderdeel de uitlegging bekritiseert die de Commissie aan het begrip „sluitend wetenschappelijk bewijs” heeft gegeven, en in het bijzonder betoogt dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de „beste beschikbare gegevens” of met het „meest recente en betrouwbare wetenschappelijke bewijs”, geeft zij niet aan waarom deze uitlegging tot de onwettigheid van het bestreden besluit zou leiden. Zij vermeldt geen enkel wetenschappelijk bewijs waarop dit besluit zou zijn gebaseerd op grond waarvan een conclusie kon worden getrokken zonder dat het om recent of betrouwbaar bewijs ging. Bovendien identificeert zij geen enkel „recenter” of „betrouwbaarder” wetenschappelijk bewijs dat in dat besluit buiten beschouwing is gelaten. Ten slotte legt zij niet uit waarom zij van mening is dat het „wetenschappelijk bewijs waaruit een conclusie kan worden getrokken” in casu niet overeenstemt met de „beste beschikbare gegevens” of met “het meest recente en betrouwbare wetenschappelijke bewijs”.

43 Hieruit volgt dat verzoeksters grief inzake een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de woorden „sluitend wetenschappelijk bewijs” in artikel 19, lid 1, onder f), van de taxonomieverordening, gesteld al dat deze gegrond is, niet tot nietigverklaring van het bestreden besluit kan leiden.

44 De overige argumenten van verzoekster kunnen evenmin slagen. Ten eerste wordt haar argument dat de door de Commissie gehanteerde uitlegging van de uitdrukking „sluitend wetenschappelijk bewijs” tot een risico van „lock-in” en „gestrande activa” leidt, geenszins onderbouwd, aangezien verzoekster zich ertoe beperkt op zeer algemene wijze een hypothetisch risico aan te voeren dat uit een dergelijke uitlegging zou voortvloeien.

45 Ten tweede berust het argument van verzoekster dat de Commissie meende voorbij te kunnen gaan aan het beste en meest recente wetenschappelijke bewijs omdat de gedelegeerde verordening regelmatig wordt geactualiseerd, op een onjuiste lezing van het bestreden besluit. Uit punt 1 van bijlage II bij dat besluit blijkt immers dat de Commissie zich uitsluitend beroept op artikel 19, lid 5, van de taxonomieverordening waar zij stelt dat een te strikte uitlegging van het vereiste van artikel 19, lid 1, onder f), van die verordening afbreuk zou doen aan de doelstellingen van deze verordening en met name elk nuttig effect zou ontnemen aan artikel 19, lid 5, van deze verordening, voor zover deze laatste bepaling de Commissie verplicht om de technische screeningcriteria regelmatig te herzien in het licht van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang.

46 Wat ten derde het argument van verzoekster inzake het voorzorgsbeginsel betreft, zij eraan herinnerd dat artikel 19, lid 1, onder f), van de taxonomieverordening bepaalt dat de technische screeningcriteria gebaseerd zijn op sluitend wetenschappelijk bewijs en het in artikel 191 VWEU vastgelegde voorzorgsbeginsel. Zoals blijkt uit overweging 40 van die verordening, is dit beginsel bovendien van toepassing „indien op basis van wetenschappelijke evaluatie een risico niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld”.

47 Verzoekster legt niet uit in welk opzicht de uitlegging die in het bestreden besluit aan artikel 19, lid 1, onder f), van de taxonomieverordening is gegeven in strijd is met het voorzorgsbeginsel. Zij stelt immers enkel, zonder in dit verband ook maar het minste precieze bewijs aan te dragen, dat wanneer er geen sluitend wetenschappelijk bewijs bestaat, de Commissie een bepaalde activiteit niet volgens die verordening kan indelen.

48 Ten vierde geeft verzoekster, voor zover zij stelt dat het in aanmerking nemen van wetenschappelijk bewijs waaruit een conclusie kan worden getrokken, onverenigbaar is met de beoordeling van de kwaliteit of actualiteit ervan, geen enkel voorbeeld van onbetrouwbaar of niet-actueel wetenschappelijk bewijs dat door de Commissie is gebruikt.

49 Het eerste onderdeel van het eerste middel moet dan ook worden afgewezen.

Tweede onderdeel van het eerste middel: afweging van de vereisten die gelden met betrekking tot de technische screeningcriteria van artikel 19, lid 1, van de taxonomieverordening

50 Verzoekster betoogt dat de Commissie in de punten 1 en 2.1, onder a), i), en b), i), van bijlage II bij het bestreden besluit het recht onjuist heeft toegepast bij haar uitlegging van artikel 19, lid 1, van de taxonomieverordening, door zich op het standpunt te stellen dat de verschillende daarin gestelde vereisten tegen elkaar moesten worden afgewogen teneinde een juist evenwicht te bereiken. Volgens verzoekster is nochtans elk van deze vereisten juridisch bindend en moet de Commissie al deze vereisten in acht nemen.

51 De Commissie betwist de argumenten van verzoekster.

52 Volgens artikel 10, lid 5, en artikel 11, lid 5, van de taxonomieverordening stelt de Commissie de in artikel 10, lid 3, respectievelijk artikel 11, lid 3, van de taxonomieverordening bedoelde technische screeningcriteria vast in een gedelegeerde handeling, rekening houdend met de vereisten van artikel 19 van die verordening, namelijk die welke in punt 23 hierboven zijn vermeld.

53 In casu heeft de Commissie zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het in artikel 19, lid 1, onder f), van de taxonomieverordening bedoelde vereiste van sluitend wetenschappelijk bewijs moest worden afgewogen tegen de andere criteria van dat artikel, in het bijzonder het voorzorgsbeginsel (punt 1 van bijlage II). Wat voorts de economische activiteiten op het gebied van bio-energie betreft, heeft zij in dat besluit geoordeeld dat de gelijktijdige en cumulatieve toepassing van alle in artikel 19, lid 1, genoemde vereisten bij de vaststelling van de relevante technische screeningcriteria haar de mogelijkheid biedt om het niveau van de substantiële bijdrage van een economische activiteit aan de mitigatie van klimaatverandering te kalibreren, in het licht van met name beschikbaar sluitend wetenschappelijk bewijs, de overeenstemming ervan met de Uniewetgeving en de technologische en commerciële haalbaarheid ervan [punt 2.1, onder b), van deze bijlage].

54 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat verzoekster kritiek levert op het feit dat de Commissie zich in het bestreden besluit bevoegd heeft geacht om de vereisten van artikel 19, lid 1, van de taxonomieverordening tegen elkaar af te wegen, maar dat zij geen enkel concreet argument aanvoert waaruit blijkt dat een dergelijke afweging heeft geleid tot een resultaat dat onverenigbaar is met een van de in die bepaling vastgestelde criteria.

55 Verder moet worden opgemerkt dat artikel 19, lid 1, van de taxonomieverordening, waarvan de bewoordingen in punt 23 hierboven in herinnering zijn gebracht, een aantal vereisten bevat die zowel betrekking hebben op de inhoud van de technische screeningcriteria [zie met name lid 1, onder a) en b)], als op de vorm die zij moeten aannemen [zie met name lid 1, onder c)]. Daarnaast moeten deze technische screeningcriteria rekening houden met verschillende factoren waarmee verschillende doelstellingen worden nagestreefd, te weten met name milieudoelstellingen, wetenschappelijke, economische, financiële en haalbaarheidsdoelstellingen [zie met name lid 1, onder g) tot en met i) en k)]. In dezelfde zin moet ook worden vastgesteld dat de potentiële kosten en baten van de toepassing van de technische screeningcriteria, evenals het gebruiksgemak ervan, eveneens factoren zijn waarmee het platform voor duurzame financiering rekening moet houden wanneer het de Commissie adviseert over deze technische screeningcriteria [zie artikel 20, lid 2, onder b) en g), van deze verordening].

56 De omstandigheid dat het vaststellen van de technische screeningcriteria uitsluitend kan gebeuren na een weging van uiteenlopende belangen en doelstellingen, is bovendien het uitgangspunt van de overwegingen 44 tot en met 46 van de taxonomieverordening, waarin wordt benadrukt dat de Commissie bij haar beoordeling rekening moet houden met „de ecologische, sociale en economische externaliteiten in een kosten-batenanalyse”, „het relevante Unierecht”, dan wel „een ander ongunstig effect op financiële markten”.

57 Bij de vaststelling van de technische screeningcriteria dient de Commissie dus rekening te houden met alle vereisten van artikel 19, lid 1, van de taxonomieverordening, waarbij zij in voorkomend geval het juiste evenwicht of een praktische overeenstemming tussen deze vereisten moet vinden, rekening houdend met de verschillende doelstellingen en de uiteenlopende aard ervan en met het feit dat zij niet noodzakelijkerwijs convergeren.

58 Derhalve moet het tweede onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

Derde onderdeel van het eerste middel: onjuiste aanname dat de geldende Uniewetgeving voldoet aan de vereisten inzake de taxonomie

59 Verzoekster betoogt dat de Commissie in punt 2.1, onder b), i), van bijlage II bij het bestreden besluit blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich uitsluitend te baseren op de geldende Uniewetgeving, in het bijzonder richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB 2018, L 328, blz. 82; hierna: „RED II-richtlijn), en verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en ‐verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van verordening (EU) nr. 525/2013 en besluit nr. 529/2013/EU (PB 2018, L 156, blz. 1; hierna: „LULUCF-verordening). Zij stelt dat deze wetgeving andere functies vervult dan de taxonomieverordening en berust op verouderd wetenschappelijke bewijs dat niet voldoet aan de vereisten van artikel 19, lid 1, van die verordening. Aangezien de Commissie een aantal wijzigingen van die wettelijke regeling heeft voorgesteld, heeft zij zelf erkend dat deze ongeschikt is.

60 De Commissie betwist de argumenten van verzoekster.

61 In casu moet worden vastgesteld dat de Commissie in punt 2.1, onder b), i), van bijlage II bij het bestreden besluit vermeldt dat zij bij de vaststelling van de technische screeningcriteria voor activiteiten op het gebied van bio-energie rekening heeft gehouden met de bepalingen van de RED II-richtlijn en de LULUCF-verordening. Volgens de Commissie bestonden deze teksten uit regels inzake de duurzaamheid van bio-energie en de koolstofboekhouding die betrekking hadden op alle emissies van bio-energie en bedoeld waren om ervoor te zorgen dat deze emissies op nationaal niveau in aanmerking werden genomen. In die zin stond in overweging 30 van de gedelegeerde verordening dat „[d]e technische screeningcriteria voor de productie van warmte, koeling en elektriciteit uit bio-energie en de productie van biobrandstoffen en biogassen voor vervoer moeten overeenstemmen met het alomvattende duurzaamheidskader voor die sectoren bedoeld in de [RED II-richtlijn].”

62 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat artikel 19, lid 1, onder d), van de taxonomieverordening vereist dat de Commissie bij de vaststelling van de technische screeningcriteria rekening houdt met „alle relevante bestaande Uniewetgeving”. Deze verplichting wordt ook vermeld in de overwegingen 43 en 44 van deze verordening. Bij de analyse van de factoren waarop de vaststelling van de technische screeningcriteria moet berusten, moet de Commissie dus rekening houden met alle relevante bestaande Uniewetgeving, zoals uitdrukkelijk is bepaald in artikel 19, lid 1, onder d), van die verordening en in overeenstemming met haar in artikel 17, lid 1, VEU neergelegde taak van toezicht op de toepassing van het Unierecht.

63 Bijgevolg kan de Commissie niet worden verweten dat zij bij de vaststelling van de technische screeningcriteria rekening heeft gehouden met de bestaande Uniewetgeving. De Commissie vermeldt in het bestreden besluit dan ook terecht dat zij de bepalingen van de RED II-richtlijn en de LULUCF-verordening in aanmerking heeft genomen.

64 In de tweede plaats kan het betoog van verzoekster dat de criteria van de RED II-richtlijn en de LULUCF-verordening achterhaald zijn en ontoereikend zijn om te voldoen aan de vereisten van de taxonomieverordening, niet slagen.

65 Ten eerste moet het argument van verzoekster dat de RED II-richtlijn en de LULUCF-verordening verouderd zijn, worden afgewezen. Om te beginnen volstaat de datum van vaststelling van de wetgeving op zich niet om aan te tonen dat niet is voldaan aan de vereisten van de taxonomieverordening. Daarnaast moeten de verwijzingen naar andere wetgevingsinstrumenten in de technische screeningcriteria, zoals de Commissie aangeeft, aldus worden uitgelegd dat zij verwijzen naar de meest recente toepasselijke versie ervan.

66 Ten tweede volgt uit artikel 1 van de RED II-richtlijn dat deze een gemeenschappelijk kader vaststelt voor het bevorderen van energie uit hernieuwbare bronnen. Voorts wordt in deze richtlijn een bindend streefcijfer van de Unie vastgesteld voor het totale aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie door de Unie in 2030. Die richtlijn stelt met name regels vast voor financiële steun inzake elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, zelfverbruik van dergelijke elektriciteit, en het gebruik van hernieuwbare energie in bepaalde sectoren. De richtlijn stelt ook duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria vast voor met name biomassabrandstoffen. Bovendien volgt uit artikel 1 van de LULUCF-verordening dat in deze verordening de toezeggingen van de lidstaten worden vastgesteld voor de sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) die bijdragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, goedgekeurd op 12 december 2015, en het behalen van het streefcijfer van de Unie inzake de reductie van broeikasgasemissies voor de periode van 2021 tot en met 2030. Die verordening legt tevens de regels vast voor het boeken van emissies en verwijderingen in verband met LULUCF-activiteiten en voor het controleren van de naleving van die toezeggingen door de lidstaten.

67 Bovendien moet worden vastgesteld dat de taxonomieverordening uitdrukkelijk verwijst naar de RED II-richtlijn en indirect naar de LULUCF-verordening. Zo bepaalt artikel 10, lid 1, onder a), van de taxonomieverordening dat een economische activiteit wordt aangemerkt als een economische activiteit die substantieel aan de mitigatie van klimaatverandering bijdraagt wanneer ze substantieel bijdraagt aan de stabilisering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer, met name door opwekking, transmissie, opslag, distributie of gebruik van hernieuwbare energie overeenkomstig die richtlijn. Verder volgt uit overweging 32 van de taxonomieverordening dat het begrip „duurzaam bosbeheer” zodanig moet worden opgevat dat het rekening houdt met die richtlijn en met de LULUCF-verordening.

68 Daarenboven moet worden opgemerkt dat, wat biobrandstoffen, vloeibare biomassa en biomassabrandstoffen uit bosbiomassa betreft, de LULUCF-criteria die zijn neergelegd in artikel 29, lid 7, van de RED II-richtlijn en de LULUCF-verordening intrinsiek met elkaar verbonden zijn, aangezien de boekhouding van emissies en verwijderingen in verband met LULUCF-activiteiten wordt verricht op basis van die verordening.

69 Bijgevolg kunnen de RED II-richtlijn en de LULUCF-verordening niet als irrelevant worden aangemerkt voor de vaststelling van de technische screeningcriteria voor activiteiten op het gebied van bio-energie.

70 Ten derde blijkt uit het bestreden besluit niet dat de technische screeningcriteria die bij de gedelegeerde verordening zijn vastgesteld voor de activiteiten op het gebied van bio-energie uitsluitend gebaseerd zijn op de vereisten van met name de RED II-richtlijn. De Commissie stelt daarentegen terecht dat deze technische screeningcriteria andere vereisten stellen dan die welke thans in de van kracht zijnde wetgeving zijn opgenomen, zoals blijkt uit de voorbeelden die zij heeft aangehaald in punt 3.1.1, onder b), van bijlage II bij dat besluit – die wat dit specifieke gegeven betreft niet worden betwist door verzoekster – inzake met name de invoering van een hogere drempelwaarde van broeikasgasemissiereducties wegens het gebruik van biomassa.

71 Ten vierde kunnen, anders dan verzoekster stelt, de voorstellen van de Commissie voor de herziening van de RED II-richtlijn en van de LULUCF-verordening niet worden gelijkgesteld met de erkenning door de Commissie dat de bepalingen ervan in de op de datum van het bestreden besluit geldende versies ongeschikt zijn om in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van de technische screeningcriteria voor activiteiten op het gebied van bio-energie.

72 Bijgevolg moet het derde onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

Vierde onderdeel van het eerste middel: de verplichting om rekening te houden met de levenscyclus aangaande de productie van organisch-chemische basisproducten en de vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen.

73 Verzoekster betoogt dat de Commissie in punt 2.1, onder a), i) en ii), van bijlage II bij het bestreden besluit het vereiste van artikel 19, lid 1, onder g), van de taxonomieverordening heeft geschonden met betrekking tot de technische screeningcriteria die zijn vastgesteld voor de productie van organisch-chemische basisproducten en de vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen. De Commissie zou zich hebben afgemaakt van haar verplichting om rekening te houden met de levenscyclus door vast te stellen dat dit moeilijk was en door te oordelen dat de levenscyclus later in aanmerking kon worden genomen bij de wijziging van die criteria. Artikel 19, lid 1, onder g), bevat echter een „resultaatsverplichting” volgens welke de technische screeningcriteria niet kunnen worden vastgesteld zonder rekening te houden met de levenscyclusvereisten. Deze verplichting om rekening te houden met de levenscyclusaspecten komt toe aan de Commissie en niet aan de marktdeelnemers. Bovendien kunnen de technische screeningcriteria niet achteraf rechtmatig worden gemaakt door middel van wijzigingen waarbij overwegingen in verband met de levenscyclus worden opgenomen.

74 De Commissie betwist de argumenten van verzoekster.

75 Artikel 19, lid 1, onder g), van de taxonomieverordening bepaalt dat de technische screeningcriteria „rekening [houden] met de levenscyclus, met inbegrip van bewijsmateriaal uit bestaande levenscyclusanalysen door zowel de milieueffecten van de economische activiteit zelf als die van de door die economische activiteit opgeleverde producten en diensten in acht te nemen, met name door de productie, het gebruik en het einde van de levensduur van die producten en diensten in acht te nemen”. Dit volgt ook uit overweging 34 van die verordening.

76 Bovendien preciseert overweging 40 van de taxonomieverordening dat „[b]ij het vaststellen en actualiseren van de technische screeningcriteria […] de Commissie erop [moet] toezien dat deze zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs, dat er rekening wordt gehouden met de levenscyclus – waaronder bestaande beoordelingen van levenscycli – en dat de criteria regelmatig worden geactualiseerd.” Verder staat in overweging 47 van die verordening te lezen dat „[v]oor technische screeningcriteria […] het nodig [kan] zijn een beoordeling van de levenscyclus uit te voeren als dit voldoende werkbaar en noodzakelijk is.”

77 In casu heeft de Commissie in punt 2.1, onder a), i), van bijlage II bij het bestreden besluit verwezen naar de effectbeoordeling bij het ontwerp van gedelegeerde verordening, aangegeven dat de verplichting om rekening te houden met de levenscyclus volgens haar een middelenverplichting was, en geoordeeld dat zij voldeed aan die verplichting door rekening te houden met de levenscyclusanalyse van de broeikasgasemissies in het algemeen en van de emissies van de productieactiviteiten in het bijzonder, met inbegrip van de productie van organisch-chemische basisproducten.

78 In dit verband blijkt uit de effectbeoordeling bij het ontwerp van gedelegeerde verordening, die gedeeltelijk is overgenomen in het bestreden besluit, dat de Commissie ondanks grondig beraad hierover heeft geoordeeld dat wegens het ontbreken van bruikbare en vergelijkbare gegevens nauwelijks universeel geldende levenscyclusoverwegingen in de technische criteria konden worden opgenomen.

79 Wat met name de productie van organisch-chemische basisproducten betreft, vermeldde de effectbeoordeling bij het ontwerp van gedelegeerde verordening dat, aangezien er onvoldoende gegevens beschikbaar waren om technische screeningcriteria voor de volledige levenscyclus vast te stellen, rekening moest worden gehouden met de directe broeikasgasemissies ten gevolge van het productieproces. Volgens de Commissie diende daarbij te worden uitgegaan van de best presterende bedrijfstakken van de sector, waarbij gebruik moest worden gemaakt van benchmarks van de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten waarin de wetgeving van de Unie voorziet. Haars inziens kon met deze benadering worden gewaarborgd dat de technische screeningcriteria gemakkelijk te gebruiken waren in de zin van artikel 19, lid 1, onder k), van de taxonomieverordening.

80 Wat de vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen betreft, was de Commissie van mening dat, aangezien de productie daarvan niet onder de benchmarks van de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten valt, de vaststelling van de technische screeningcriteria diende te berusten op deskundigenadviezen, op een levenscyclusanalyse en op een analyse van de documenten van de best presterende bedrijfstakken in deze sectoren. Inzonderheid geldt daarbij het voorschrift dat de broeikasgasemissies gedurende de gehele levenscyclus van de vervaardiging van kunststoffen uit hernieuwbare grondstoffen, lager moeten zijn dan die van de gelijkwaardige, uit fossiele brandstoffen vervaardigde kunststoffen in primaire vorm.

81 Wat zowel de productie van organisch-chemische basisproducten als de vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen betreft, moeten de broeikasgasemissies gedurende de gehele levenscyclus worden berekend overeenkomstig de aanbevelingen van de Commissie of de toepasselijke normen van de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) en moeten zij worden geverifieerd door een onafhankelijke derde partij.

82 Volgens de Commissie kon zij overigens de technische screeningcriteria actualiseren op basis van de technologische en wetenschappelijke vooruitgang, teneinde aldus nieuwe factoren in verband met de levenscyclus van de activiteiten op te nemen. Overeenkomstig artikel 19, lid 5, van de taxonomieverordening moet deze actualisering om de drie jaar plaatsvinden voor transitieactiviteiten, zoals de productie van organisch-chemische basisproducten en de vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen.

83 Bovendien heeft de Commissie zich in punt 2.1, onder a), ii), van bijlage II bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat artikel 19, lid 1, onder g), van de taxonomieverordening haar een zekere beoordelingsmarge verleende voor het in de beschouwing betrekken van de levenscyclus bovenop de andere in dat artikel 19, lid 1, vastgestelde vereisten. Deze discretionaire bevoegdheid verplichtte haar niet om in de technische screeningcriteria een drempel voor broeikasgasemissies gedurende de gehele levenscyclus vast te stellen voor alle activiteiten die binnen de werkingssfeer van de gedelegeerde verordening vallen. Volgens overweging 47 van die verordening moet de levenscyclusanalyse worden uitgevoerd wanneer dit voldoende haalbaar en noodzakelijk is. Wat de productieactiviteiten betreft, blijkt uit de effectbeoordeling bij het ontwerp voor een gedelegeerde verordening dat er geen andere haalbare en bruikbare oplossingen bestonden dan de gekozen oplossing, waarbij met betrekking tot de directe broeikasgasemissies ten gevolge van het productieproces de best presterende bedrijfstakken in aanmerking zijn genomen.

84 In de eerste plaats blijkt uit de punten 78 tot en met 83 hierboven dat de Commissie in het bestreden besluit inderdaad te kennen heeft gegeven dat de universele opname van levenscyclusoverwegingen in de technische screeningcriteria moeilijk bleek te zijn omdat er geen bruikbare en vergelijkbare gegevens voorhanden waren. Uit dit besluit blijkt echter ook dat de Commissie, wat de technische screeningcriteria voor de productie van organisch-chemische basisproducten betreft, rekening heeft gehouden met de directe broeikasgasemissies voor het productieproces, en in het bijzonder met de benchmarks van het systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten, en dit overeenkomstig richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB 2003, L 275, blz. 32). Wat de vervaardiging van kunststoffen in primaire vormen betreft, zijn de technische screeningcriteria bovendien gebaseerd op deskundigenadviezen, op een levenscyclusanalyse en op een analyse van de documenten van de best presterende bedrijfstakken in deze sectoren.

85 Zoals de Commissie heeft opgemerkt, moet er in de tweede plaats op worden gewezen dat artikel 19, lid 1, onder g), gelezen in samenhang met de overwegingen 34, 40 en 47 van de taxonomieverordening (zie punten 75 en 76 hierboven), niet vereist dat technische screeningcriteria worden vastgesteld die specifiek betrekking hebben op de levenscyclus, noch de Commissie verplicht om in alle gevallen een levenscyclusanalyse uit te voeren. Wat is vereist is dat de Commissie bij de vaststelling van de technische screeningcriteria ook de levenscyclus in aanmerking neemt, met name de reeds bestaande analysen van die cyclus.

86 Bijgevolg is in casu niet aangetoond dat de Commissie het recht verkeerd heeft toegepast bij haar uitlegging van artikel 19, lid 1, onder g), van de taxonomieverordening, zoals die in de punten 77 tot en met 83 hierboven is uiteengezet.

87 In de derde plaats moet worden opgemerkt dat de argumenten van verzoekster niet van dien aard zijn dat daaruit kan worden afgeleid dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt met betrekking tot haar in de punten 77 tot en met 83 hierboven weergegeven beoordelingen. Verzoekster stelt immers louter in algemene zin dat de Commissie niet naar behoren heeft voldaan aan haar verplichting om rekening te houden met de levenscyclus, maar voert geen enkel concreet element aan op grond waarvan de aannemelijkheid van de beoordelingen van de Commissie in twijfel kan worden getrokken.

88 Gelet op het voorgaande moet het vierde onderdeel van het eerste middel, en dus dit gehele middel, worden afgewezen.

Tweede middel: kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot de activiteiten op het gebied van bio-energie

89 Het onderhavige middel bestaat uit twee onderdelen, waarvan het eerste onderdeel is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout met betrekking tot de substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering en het tweede – subsidiair aangevoerde – onderdeel aan een onjuiste toepassing van het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan de doelstelling van de transitie naar een circulaire economie wat betreft het beginsel van het cascaderend gebruik van bosbiomassa.

Eerste onderdeel van het tweede middel: kennelijke beoordelingsfout met betrekking tot de substantiële bijdrage aan de mitigatie van klimaatverandering

90 Verzoekster betoogt in wezen dat de Commissie in punt 3.1 van bijlage II bij het bestreden besluit een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te concluderen dat de verbranding van bosbiomassa substantieel bijdraagt tot de mitigatie van klimaatverandering en geen ernstige afbreuk doet aan de milieudoelstellingen.

91 De Commissie betwist de argumenten van verzoekster.

92 Het is passend de verschillende argumenten van verzoekster achtereenvolgens te onderzoeken. In de eerste plaats stelt verzoekster dat de Commissie ten onrechte een „politiek” besluit heeft genomen teneinde de vereisten van artikel 19, lid 1, onder d) en f), van de taxonomieverordening tegen elkaar af te wegen. Zij voegt daaraan toe dat de Commissie de technische screeningcriteria voor de activiteiten op het gebied van bio-energie ten onrechte heeft gebaseerd op de RED II-richtlijn en de LULUCF-verordening.

93 Vastgesteld moet worden dat dit betoog van verzoekster grotendeels samenvalt met de argumenten die zij in het kader van het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel heeft ontwikkeld.

94 Voor zover verzoekster betwist dat de Commissie voor de vaststelling van de technische screeningcriteria de verschillende vereisten van artikel 19, lid 1, van de taxonomieverordening tegen elkaar kan afwegen, voert zij om te beginnen geen enkel concreet argument aan ten bewijze dat de Commissie deze afweging onjuist heeft toegepast. Bovendien moet de Commissie bij de vaststelling van de technische screeningcriteria, zoals blijkt uit de punten 55 tot en met 57 hierboven, alle vereisten van deze bepaling in aanmerking nemen, waarbij zij in voorkomend geval een passend evenwicht of een praktische overeenstemming tussen deze vereisten moet vinden, rekening houdend met de verschillende doelstellingen en de uiteenlopende aard ervan en met het feit dat zij niet noodzakelijkerwijs convergeren.

95 Vervolgens moet worden opgemerkt dat de Commissie, zoals in de punten 63 en 69 hierboven is geconcludeerd, de technische screeningcriteria niet kan vaststellen zonder dat zij rekening houdt met de geldende Uniewetgeving, en met name met de RED II-richtlijn en de LULUCF-verordening.

96 In dit verband zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit punt 67 hierboven, de taxonomieverordening uitdrukkelijk verwijst naar de RED II-richtlijn en indirect naar de LULUCF-verordening. Zo bepaalt artikel 10, lid 1, onder a), van de taxonomieverordening dat een economische activiteit moet worden aangemerkt als een economische activiteit die substantieel aan de mitigatie van klimaatverandering bijdraagt wanneer ze substantieel bijdraagt aan de stabilisering van de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer door opwekking, transmissie, opslag, distributie of gebruik van hernieuwbare energie overeenkomstig de RED II-richtlijn. Bovendien volgt uit overweging 32 van de taxonomieverordening dat het begrip „duurzaam bosbeheer” zodanig moet worden opgevat dat het rekening houdt met die richtlijn en de LULUCF-verordening.

97 In het bijzonder volgt uit punt 68 hierboven dat de LULUCF-criteria van artikel 29, lid 7, van de RED II-richtlijn en de LULUCF-verordening intrinsiek met elkaar verbonden zijn, aangezien de boekhouding van emissies en verwijderingen in verband met LULUCF-activiteiten op basis van die verordening wordt verricht.

98 Bovendien blijkt uit de effectbeoordeling bij het ontwerp voor een gedelegeerde verordening dat de LULUCF-verordening voorziet in een zo volledig mogelijke raming van de emissies van biomassa, door alle wijzigingen van de koolstofvoorraad van bossen (met inbegrip van die in de bodem bijvoorbeeld) rechtstreeks en onmiddellijk toe te rekenen aan de emissies van het oogstjaar, gecompenseerd door de koolstofopslag in bossen.

99 Zoals in punt 70 hierboven is vastgesteld, blijkt daarenboven uit de concrete voorbeelden in punt 3.1.1, onder b), van bijlage II bij het bestreden besluit dat de technische screeningcriteria die zijn vastgesteld voor activiteiten op het gebied van bio-energie andere vereisten stellen dan die welke thans in de van kracht zijnde wetgeving zijn opgenomen, met name wat betreft de invoering van een hogere drempelwaarde van broeikasgasemissiereducties of het verbod om voedsel- en voedergewassen te gebruiken voor de productie van biogas of biobrandstoffen.

100 Hieruit volgt dat de Commissie niet kan worden verweten dat zij bij de vaststelling van de technische screeningcriteria rekening heeft gehouden met de RED II-richtlijn en de LULUCF-verordening. Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het vage argument van verzoekster dat de technische deskundigengroep inzake duurzame financiering heeft vastgesteld dat deze wetgeving niet volledig voldeed aan de vereisten van de taxonomieverordening, temeer daar is aangetoond dat de in casu aan de orde zijnde technische screeningcriteria andere vereisten bevatten dan die welke thans in die wetgeving zijn opgenomen.

101 In de tweede plaats verwijt verzoekster de Commissie dat zij alle bosgrondstoffen op uniforme wijze heeft behandeld zonder de aanbevelingen van de technische deskundigengroep inzake duurzame financiering te volgen, waarin werd aanbevolen de lijst van biomassa, biogas en duurzame biobrandstoffen te beperken tot de in deel A van bijlage IX bij de RED II-richtlijn genoemde grondstoffen.

102 In dit verband heeft de Commissie in punt 3.1.1, onder b), van bijlage II bij het bestreden besluit aangegeven dat zij die aanbevelingen van de technische deskundigengroep inzake duurzame financiering inderdaad niet had opgevolgd. Deze aanbevelingen houden volgens haar echter geen rekening met het feit dat de in bijlage X, deel A, bij de RED II-richtlijn genoemde grondstoffen weliswaar een groot potentieel hebben om de economie koolstofvrij te maken, maar dat deze nog niet commercieel concurrerend zijn. Deze aanbevelingen pleiten ook voor een certificeringssysteem dat de administratieve lasten en kosten voor boseigenaren zou hebben verhoogd, hetgeen in strijd zou zijn met de doelstelling van overweging 47 van de taxonomieverordening, namelijk dat de Commissie technische screeningcriteria moet vaststellen die voldoende rechtszekerheid bieden, die werkbaar zijn en eenvoudig kunnen worden toegepast, en waarvan de naleving kan worden gecontroleerd binnen redelijke marges voor nalevingskosten, zonder dat dit onnodige administratieve lasten met zich meebrengt.

103 In die omstandigheden is de Commissie in punt 3.1.1, onder b), van bijlage II bij het bestreden besluit tot de slotsom gekomen dat voor de vaststelling van de technische screeningcriteria een afweging vereist was waarbij ook rekening werd gehouden met het risico van moeilijkheden bij de toepassing ervan, met name met betrekking tot het gebruiksgemak voor marktdeelnemers die vertrouwd waren met de parameters van de RED II-richtlijn, en met het potentiële risico van marktverstoring dat daaruit zou kunnen voortvloeien indien de economische activiteiten die in het kader van deze richtlijn als duurzaam werden beschouwd, dit keurmerk in het kader van de Europese taxonomie zouden verliezen.

104 Aan de in de punten 102 en 103 hierboven vermelde beoordelingen van de Commissie wordt niet afgedaan door het argument van verzoekster met betrekking tot met name de redenen die de Commissie heeft aangevoerd om de aanbevelingen van de technische deskundigengroep inzake duurzame financiering niet te volgen voor de in bijlage X, deel A, bij de RED II-richtlijn opgesomde grondstoffen. Het is immers niet bewezen dat deze redenen – namelijk het feit dat deze grondstoffen commercieel nog niet concurrerend waren en dat deze aanbevelingen pleitten voor een certificeringssysteem dat de administratieve lasten en kosten voor boseigenaren zou hebben verhoogd – berusten op een kennelijke beoordelingsfout die de aannemelijkheid van die redenen ter discussie kan stellen, in de zin van de in punt 32 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.

105 In de derde plaats betoogt verzoekster dat de Commissie een fout heeft gemaakt door zich te baseren op meningsverschillen tussen de belanghebbende partijen om het aan haar overgelegde wetenschappelijke bewijs ten onrechte terzijde te kunnen schuiven. Volgens verzoekster heeft de Commissie met name geen rekening gehouden met het in het verzoek tot interne herziening omschreven wetenschappelijke bewijs. Uit dat bewijs zou blijken dat de verbranding van bosbiomassa leidt tot een toename van de uitstoot van broeikasgassen, tot gevolg zou hebben dat de koolstofterugwinning meer tijd vergt, schade zou toebrengen aan de biodiversiteit en koolstofneutraliteit zou verhinderen, temeer daar het bestaande rechtskader geen rekening houdt met de koolstofkosten van ingevoerde bosbiomassa.

106 Vastgesteld moet worden dat deze argumenten van verzoekster niet rechtens genoegzaam zijn bewezen. Ten eerste volgt uit punt 3.1.1, onder b), van bijlage II bij het bestreden besluit dat de Commissie heeft geantwoord op de argumenten van verzoekster in het verzoek tot interne herziening, met inbegrip van de argumenten betreffende het wetenschappelijke bewijs. Deze antwoorden zijn overigens samengevat in het verzoekschrift. Het is dus geenszins aangetoond dat de Commissie in dat besluit geen rekening heeft gehouden met het door verzoekster aangevoerde wetenschappelijke bewijs.

107 Ten tweede blijkt uit het bestreden besluit duidelijk dat het door verzoekster aangevoerde wetenschappelijke bewijs niet de enige relevante factor was. In punt 3.1.1, onder b), van bijlage II bij dat besluit vermeldt de Commissie immers verschillende andere factoren waarmee zij rekening heeft gehouden, te weten de aanbevelingen van de technische deskundigengroep inzake duurzame financiering, de effectbeoordeling bij het ontwerp van gedelegeerde verordening, de effectbeoordeling bij de RED II-richtlijn, de richtsnoeren van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en de binnen haar Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) ontwikkelde wetenschappelijke studies.

108 Ten derde moet worden opgemerkt dat verzoekster in het verzoekschrift hoe dan ook louter de door haar in het stadium van het verzoek tot interne herziening aangevoerde argumenten en de antwoorden van de Commissie op die argumenten herhaalt, zonder dat zij evenwel enig concreet gegeven aandraagt op grond waarvan de aannemelijkheid van die antwoorden in twijfel kan worden getrokken. De enkele omstandigheid dat de Commissie in het kader van de beoordeling van deze wetenschappelijke en ingewikkelde factoren de voorkeur heeft gegeven aan bepaalde factoren boven die welke verzoekster heeft aangevoerd, wettigt niet de conclusie dat de Commissie deze laatste ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten of kan geen afbreuk doen aan een dergelijke beoordeling, waarvoor deze – zoals in punt 31 hierboven in herinnering is gebracht – over een ruime beoordelingsmarge beschikt.

109 Wat voorts het argument van verzoekster betreft dat ingevoerd hout niet in aanmerking is genomen, moet worden vastgesteld dat het juist is dat de LULUCF-verordening niet van toepassing is op dit type hout. De voorwaarden van artikel 29, leden 6 en 7, van de RED II-richtlijn zijn echter – zoals de Commissie aangeeft – zowel van toepassing op uit de Unie afkomstig hout als op ingevoerd hout. Uit lid 6 van dit artikel volgt immers dat de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria voor brandstoffen met name rekening moeten houden met de vraag of het land waar de bosbiomassa werd geëxploiteerd, beschikt over nationale of subnationale wetgeving die van toepassing is binnen het exploitatiegebied alsmede over monitoringsystemen. Bovendien moet krachtens lid 7, onder a), i) en iii), van dat artikel ook rekening worden gehouden met de vraag of het land waaruit de bosbiomassa afkomstig is of de regionale organisatie voor economische integratie waaronder de bosbiomassa valt, partij is bij de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering en beschikt over wetgeving die van toepassing is op de oogst, met het oog op instandhouding en versterking van koolstofvoorraden en -putten, en die aantoont dat de in de LULUCF-sector gerapporteerde emissies niet hoger liggen dan de verwijderingen [lid 7, onder a), i) en iii)].

110 Hieruit volgt dat verzoekster ten onrechte stelt dat ingevoerd hout niet in aanmerking is genomen voor de vaststelling van de technische screeningcriteria voor de economische activiteiten op het gebied van bio-energie.

111 Derhalve moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

Tweede onderdeel van het tweede middel: onjuiste toepassing van het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan de doelstelling van de transitie naar een circulaire economie wat het beginsel van het cascaderend gebruik van bosbiomassa betreft

112 Verzoekster stelt dat punt 3.1.2, onder b) van bijlage II bij het bestreden besluit een kennelijke beoordelingsfout bevat. Volgens haar heeft de Commissie ten onrechte geoordeeld dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs was om technische screeningcriteria vast te stellen betreffende het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan de doelstelling van de transitie naar een circulaire economie wat betreft het gebruik van bosbiomassa bij activiteiten op het gebied van bio-energie. Verzoekster acht het wetenschappelijke bewijs echter ruimschoots voldoende. Bovendien heeft de technische deskundigengroep inzake duurzame financiering aanbevolen om dergelijke criteria vast te stellen teneinde rekening te houden met het beginsel van het cascaderend gebruik van biomassa, welk beginsel eveneens is erkend in het voorstel tot wijziging van de RED II-richtlijn. Subsidiair betoogt verzoekster dat indien zou blijken dat er voldoende bewijs was, het voorzorgsbeginsel vereist dat de verbranding van bosbiomassa niet wordt opgenomen in de taxonomie. Verzoekster stelt bovendien dat de Commissie zich ten onrechte heeft gebaseerd op te verwachten toekomstige wetgeving om te rechtvaardigen dat zij thans niet handelt overeenkomstig de vereisten van de taxonomieverordening.

113 De Commissie betwist de argumenten van verzoekster.

114 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de Commissie in punt 3.1.2, onder b), van bijlage II bij het bestreden besluit ten eerste heeft aangevoerd dat het cascaderingsbeginsel in een uiterst complexe verhouding staat tot biomassa en dat voldoende wetenschappelijk bewijs essentieel is om passende criteria te kunnen vaststellen teneinde dienaangaande de juiste toepassing van dat beginsel te waarborgen. Deze complexiteit werd erkend in het document van de Commissie van 2018 getiteld „Guidance on cascading use of biomass with selected good practice examples on woody biomass” (Gids voor cascaderend gebruik van biomassa met een selectie van voorbeelden van goede praktijken op het gebied van houtige biomassa) en in verslag nr. 8/2018 van het Europees Milieuagentschap getiteld „The circular economy and the bioeconomy” (Circulaire economie en bio-economie).

115 Ten tweede heeft de Commissie geoordeeld dat zij in deze context overeenkomstig artikel 19, lid 5, van de taxonomieverordening gebruik kon maken van een stapsgewijze benadering en te werk kon gaan op basis van de opgedane ervaring.

116 Ten derde heeft de Commissie aangevoerd dat de RED II-richtlijn reeds bepalingen bevat met betrekking tot de afvalhiërarchie en de circulaire economie waaraan exploitanten zich moeten houden. In het bijzonder staat in overweging 21 van die richtlijn dat de lidstaten „terdege rekening houden met de beginselen van de circulaire economie”. Artikel 3, lid 3, van deze richtlijn bepaalt dat „[d]e lidstaten […] ervoor [zorgen] dat hun nationaal beleid, met inbegrip van […] hun steunregelingen, zodanig wordt opgezet dat het strookt met de in artikel 4 van richtlijn 2008/98/EG vastgestelde afvalhiërarchie en geen aanzienlijke verstorende effecten heeft op de grondstoffenmarkten.” Artikel 28, lid 6, van de RED II-richtlijn bepaalt dat de Commissie de lijst van grondstoffen, met inbegrip van biomassa, evalueert en haar analyse moet baseren op de beginselen van de circulaire economie.

117 Ten vierde heeft de Commissie erop gewezen dat het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van de RED II-richtlijn met name bepaalt dat de lidstaten maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat energie uit biomassa op zodanige wijze wordt geproduceerd dat rekening wordt gehouden met de afvalhiërarchie en het beginsel van het cascaderend gebruik van biomassa. Bovendien verplicht dit voorstel voor een richtlijn de Commissie om een gedelegeerde handeling vast te stellen betreffende de wijze van toepassing van het beginsel van cascaderend gebruik van biomassa.

118 Deze stapsgewijze benadering die de Commissie in het bestreden besluit heeft uiteengezet, vloeit ook voort uit overweging 31 van de gedelegeerde verordening, waarin is bepaald dat „de technische screeningcriteria voor bio-energieactiviteiten [moeten] worden aangevuld, geëvalueerd en waar nodig herzien om rekening te houden met de meest recente empirische onderbouwing […] en rekening houdend met het toepasselijke Unierecht, met inbegrip van de [RED II-richtlijn] en de toekomstige herzieningen daarvan”.

119 Vervolgens moet worden opgemerkt dat de technische deskundigengroep inzake duurzame financiering de Commissie heeft aanbevolen om criteria voor bio-energieactiviteiten op te nemen met betrekking tot de transitie naar een circulaire economie.

120 Ten slotte moet worden opgemerkt dat het beginsel van het cascaderend gebruik ertoe strekt hulpbronnenefficiëntie te bevorderen door voorrang te geven aan het gebruik van materialen uit producten op basis van hun grootste economische en ecologische meerwaarde, volgens een bepaalde volgorde van prioriteit.

121 Verzoekster betoogt dat de Commissie ten onrechte heeft geoordeeld dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs was om technische screeningcriteria vast te stellen met betrekking tot het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan de doelstelling van de transitie naar een circulaire economie teneinde het beginsel van het cascaderend gebruik van bosbiomassa in aanmerking te kunnen nemen.

122 Verzoekster voert echter geen concrete argumenten aan ter weerlegging van de conclusie van de Commissie dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs voorhanden was. Vastgesteld moet juist worden dat uit de studies waaraan in het in punt 114 hierboven weergegeven deel van het bestreden besluit wordt gerefereerd, blijkt dat het probleem van het verband tussen het beginsel van het cascaderend gebruik en de biomassa complex is. Dat verzoekster tot een andere conclusie komt dan de Commissie over de vraag of er voldoende wetenschappelijk bewijs beschikbaar is, volstaat bovendien niet om aan te tonen dat het bestreden besluit op dit punt op een kennelijk onjuiste beoordeling berust.

123 Verder moet ook het argument van verzoekster inzake het voorzorgsbeginsel worden verworpen. Het volstaat immers niet zich op dit beginsel te beroepen om de aannemelijkheid in twijfel te trekken van de in de punten 114 tot en met 117 hierboven vermelde bevindingen van de Commissie op basis waarvan zij het gebruik van bosbiomassa in de gedelegeerde verordening heeft opgenomen onder de activiteiten op het gebied van bio-energie, aangezien volgens haar gebruik kon worden gemaakt van een stapsgewijze benadering en op basis van de opgedane ervaring kon worden gehandeld.

124 Verzoeksters argument dat de Commissie zich op het vooruitzicht van toekomstige wetgeving heeft gebaseerd om te rechtvaardigen dat zij momenteel niet overeenkomstig de vereisten van de taxonomieverordening hoeft te handelen, berust op een onjuiste lezing van het bestreden besluit. Uit punt 3.1.2, onder b), van bijlage II bij dat besluit, in het in punt 114 hierboven vermelde deel ervan, blijkt immers dat de Commissie zich op artikel 19, lid 5, van de taxonomieverordening heeft beroepen voor haar stelling dat zij gebruik kon maken van een stapsgewijze benadering en kon handelen op basis van de opgedane ervaring, aangezien zij overeenkomstig dat artikel 19, lid 5, verplicht was om op gezette tijden de technische screeningcriteria te evalueren en, zo nodig, de vastgestelde gedelegeerde handelingen te wijzigen in het licht van de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen.

125 Bovendien heeft de Commissie – onder verwijzing naar het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van de RED II-richtlijn – gewezen op de toekomstige engagementen die zij dienaangaande reeds was aangegaan, rekening houdend met de op de datum van de vaststelling van het bestreden besluit in aanmerking te nemen omstandigheden, namelijk het complexe verband tussen het beginsel van het cascaderend gebruik en de biomassa en het ontbreken van toereikend wetenschappelijk bewijs om de juiste toepassing van dit beginsel te waarborgen.

126 Anders dan verzoekster stelt, heeft de Commissie zich dus niet op artikel 19, lid 5, van de taxonomieverordening beroepen om enig stilzitten te rechtvaardigen.

127 Voorts moet worden vastgesteld dat verzoekster niet preciseert op welke juridische bepalingen zij haar betoog baseert. Voor zover de argumenten van verzoekster aldus kunnen worden uitgelegd dat zij zijn ontleend aan de schending van artikel 17, lid 1, onder d), van de taxonomieverordening, moeten zij evenwel worden afgewezen.

128 Uit artikel 10, lid 3, onder b), van de taxonomieverordening, gelezen in samenhang met artikel 17, lid 1, onder d), van deze verordening, volgt inderdaad dat de Commissie de technische screeningcriteria moet vaststellen om te bepalen of de betrokken economische activiteit ernstig afbreuk doet aan de doelstelling van de transitie naar een circulaire economie. Gelet op de in de punten 114 tot en met 120 hierboven genoemde omstandigheden kan de stapsgewijze benadering van de Commissie – met name wat betreft de inaanmerkingneming van het beginsel van het cascaderend gebruik van bosbiomassa – op zich alleen en zonder nadere preciseringen echter geen schending door de Commissie van bovengenoemde bepalingen opleveren. Daarbij kan uit het betoog van verzoekster niet worden afgeleid dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij haar analyse van het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan de doelstelling van de transitie naar een circulaire economie wat betreft activiteiten op het gebied van bio-energie. Bovendien preciseert verzoekster geenszins op welke concrete activiteiten haar betoog betrekking heeft.

129 Gelet op het voorgaande moet het tweede onderdeel van het tweede middel, en dus dit gehele middel, worden afgewezen.

Derde middel: kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot de productie van organisch-chemische basisproducten

130 Het onderhavige middel bestaat uit vier onderdelen, ontleend aan kennelijke beoordelingsfouten met betrekking tot: – ten eerste, de indeling van de productie van organisch-chemische basisproducten als transitieactiviteit; – ten tweede, de criteria voor de toepassing van het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan de doelstelling van de transitie naar een circulaire economie; – ten derde, de criteria voor de toepassing van het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan de doelstelling van duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen; en – ten vierde, de criteria voor de toepassing van het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan de doelstelling van preventie en bestrijding van verontreiniging.

131 Vooraf moet worden opgemerkt dat uit het bestreden besluit, gelezen in samenhang met punt 3.14 van bijlage I bij de gedelegeerde verordening, volgt dat de in deze gedelegeerde verordening bedoelde activiteit van productie van organisch-chemische basisproducten zeven soorten chemische producten omvat, te weten hoogwaardige chemische stoffen, aromatische verbindingen, vinylchloride, styreen, ethyleenoxide, monoethyleenglycol en adipinezuur.

132 Vervolgens blijkt uit punt 3.14 van bijlage I bij de gedelegeerde verordening dat een economische activiteit die onder dit punt valt, een transitieactiviteit is als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de taxonomieverordening, wanneer zij voldoet aan de in dat punt vermelde technische screeningcriteria, te weten criteria betreffende, ten eerste, de substantiële bijdrage aan mitigatie van klimaatverandering en, ten tweede, het beginsel „geen ernstige afbreuk doen”, waaronder het voldoen aan de criteria die zijn vastgesteld in de aanhangsels A tot en met D van die bijlage I.

133 Ten slotte blijkt uit het dossier en uit de antwoorden van de partijen op vragen die het Gerecht hun ter terechtzitting heeft gesteld, dat bepaalde organisch-chemische basisproducten die worden geproduceerd in het kader van de in punt 3.14 van bijlage II bij de gedelegeerde verordening bedoelde activiteit, vervolgens worden aangewend in het kader van verschillende andere activiteiten, waarvoor zij soms onmisbaar zijn, bijvoorbeeld bij de vervaardiging van nylon, huishoudelijke producten, plastic of farmaceutische producten.

Eerste onderdeel van het derde middel: kennelijke beoordelingsfout met betrekking tot de indeling van de productie van organisch-chemische basisproducten als transitieactiviteit

134 Verzoekster betoogt dat de Commissie in punt 3.2.1 van bijlage II bij het bestreden besluit een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt en artikel 19, lid 1, onder g), van de taxonomieverordening heeft geschonden door te oordelen dat de productie van organisch-chemische basisproducten kon worden ingedeeld als een transitieactiviteit in de zin van artikel 10, lid 2, van die verordening. Ten eerste heeft de Commissie geen rekening gehouden met het levenscycluseffect van de producten en ten tweede heeft zij de indeling van deze activiteit als transitieactiviteit niet op sluitend wetenschappelijk bewijs gebaseerd. Uit het in het verzoek tot interne herziening uiteengezette wetenschappelijk bewijs blijkt dat er geen goede gronden zijn om te concluderen dat de technische screeningcriteria die van toepassing zijn op de productie van organisch-chemische basisproducten substantieel bijdragen aan de mitigatie van klimaatverandering en geen ernstige afbreuk daaraan doen. Bovendien kan de Commissie zich niet op het voorzorgsbeginsel baseren teneinde haar verplichting om ervoor te zorgen dat de technische screeningcriteria rekening houden met de volledige levenscyclus van het product, af te zwakken. In het onderhavige geval vereist het voorzorgsbeginsel dat deze activiteit niet onder de taxonomie valt.

135 De Commissie betwist de argumenten van verzoekster.

136 Vooraf moet worden vastgesteld dat, zoals in de punten 16 en 18 hierboven is opgemerkt, artikel 10, lid 1, van de taxonomieverordening de voorwaarden vaststelt waaronder een economische activiteit wordt geacht een substantiële bijdrage te leveren aan de matiging van klimaatverandering. Artikel 10, lid 2, van die verordening bevat die voorwaarden voor de economische activiteiten waarvoor geen technologisch en economisch haalbaar koolstofarm alternatief bestaat, zijnde de zogenoemde „transitieactiviteiten”, in de zin van artikel 19, lid 1, onder h), ii), van die verordening.

137 Overweging 41 van de taxonomieverordening geeft aan dat „[d]e [lopende transitie naar een klimaatneutrale economie] […] behalve het gebruik van klimaatneutrale energie en meer investeringen in economische activiteiten en sectoren die reeds koolstofarm zijn, substantiële reducties [vergt] van de broeikasgasemissies in andere economische activiteiten en sectoren waarvoor er geen koolstofarme alternatieven zijn die technologisch en economisch haalbaar zijn”, dat „[d]ie economische transitieactiviteiten moeten worden aangemerkt als economische activiteiten die substantieel bijdragen aan de mitigatie van klimaatverandering indien de broeikasgasemissies ervan substantieel lager zijn dan het gemiddelde in de sector of de bedrijfstak, zij de ontwikkeling en toepassing van koolstofarme alternatieven niet in de weg staan, en zij niet leiden tot een lock‐in van activa die onverenigbaar is met het doel van klimaatneutraliteit, rekening houdend met de economische levensduur van die activa”, en dat „[d]e technische screeningcriteria voor die economische transitieactiviteiten moeten bewerkstelligen dat die transitieactiviteiten op een geloofwaardige manier tot klimaatneutraliteit leiden, en ze […] daartoe regelmatig [moeten] worden aangepast”.

138 Artikel 19, lid 5, eerste en laatste alinea, van de taxonomieverordening bepaalt dat de technische screeningcriteria voor transitieactiviteiten ten minste om de drie jaar moeten worden herzien in het licht van de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen.

139 Zoals in de punten 75, 76 en 85 hierboven is opgemerkt, volgt in wezen uit artikel 19, lid 1, onder g), gelezen in samenhang met de overwegingen 34, 40 en 47 van de taxonomieverordening, dat de technische screeningcriteria rekening moeten houden met de levenscyclus van de goederen en diensten die worden geleverd door de betrokken economische activiteit, waarbij de milieueffecten van de economische activiteit zelf en van die goederen en diensten in acht worden genomen. Deze bepaling vereist echter niet dat technische screeningcriteria worden vastgesteld die specifiek betrekking hebben op de levenscyclus, en verplicht de Commissie niet om in alle gevallen een levenscyclusanalyse uit te voeren. Vereist is dat de Commissie bij de vaststelling van de technische screeningcriteria de levenscyclus in aanmerking neemt, met name door rekening te houden met bestaande levenscyclusanalysen.

140 Verzoekster stelt om te beginnen dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het levenscycluseffect van de producten. Dit argument is vergelijkbaar met het ter ondersteuning van het vierde onderdeel van het eerste middel aangevoerde argument en moet dus om dezelfde redenen als die welke in de punten 77 tot en met 86 hierboven zijn uiteengezet, worden afgewezen.

141 Zoals in punt 84 hierboven is vastgesteld, heeft de Commissie in het bestreden besluit aangevoerd dat de universele opname van levenscyclusoverwegingen in de technische screeningcriteria moeilijk bleek te zijn omdat er geen bruikbare en vergelijkbare gegevens voorhanden waren. Uit dat besluit blijkt echter ook dat de Commissie, wat de technische screeningcriteria voor de productie van organisch-chemische basisproducten betreft, rekening heeft gehouden met de directe broeikasgasemissies voor het productieproces en in het bijzonder met de benchmarks van de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten.

142 Bovendien vereist artikel 19, lid 1, onder g), gelezen in samenhang met de overwegingen 34, 40 en 47 van de taxonomieverordening, zoals in punt 85 hierboven is opgemerkt, niet dat technische screeningcriteria worden vastgesteld die specifiek betrekking hebben op de levenscyclus, en verplicht die bepaling de Commissie evenmin om in alle gevallen een levenscyclusanalyse uit te voeren. Vereist is enkel dat de Commissie bij de vaststelling van de technische screeningcriteria de levenscyclus in aanmerking neemt, met name door rekening te houden met bestaande levenscyclusanalysen.

143 Zowel in het onderhavige onderdeel van het derde middel als in het vierde onderdeel van het eerste middel (zie punt 87 hierboven) stelt verzoekster slechts in algemene zin dat de Commissie niet naar behoren heeft voldaan aan haar verplichting om de levenscyclus in aanmerking te nemen, zonder dat zij evenwel enig concreet gegeven aandraagt op grond waarvan de aannemelijkheid van de in de punten 141 en 142 hierboven vermelde beoordelingen van de Commissie ter discussie zou komen te staan.

144 Vervolgens betoogt verzoekster dat de Commissie de indeling van de productie van organisch-chemische basisproducten als transitieactiviteit niet op sluitend wetenschappelijk bewijs heeft gebaseerd.

145 De Commissie stelt evenwel terecht dat dit argument niet onderbouwd is. Verzoekster voert immers enkel aan dat de indeling van de productie van organisch-chemische basisproducten als transitieactiviteit in strijd is met het beschikbare wetenschappelijke bewijs, „niet alleen wat het levenscycluseffect betreft, maar [ook] meer in het algemeen”, zonder evenwel aan te geven naar welk wetenschappelijk bewijs zij verwijst of welke bepalingen door het bestreden besluit zouden zijn geschonden. Bovendien kan de loutere verwijzing, zonder nadere preciseringen, naar de factoren die in het verzoek tot interne herziening zijn uiteengezet, niet volstaan om dit gebrek aan onderbouwing te verhelpen.

146 Ten slotte betoogt verzoekster dat het voorzorgsbeginsel vereist dat de productie van organisch-chemische basisproducten niet in de taxonomie wordt opgenomen. Zij legt echter niet uit in welk opzicht de indeling van de productie van organisch-chemische basisproducten als transitieactiviteit in strijd zou zijn met dit beginsel.

147 Zoals de Commissie heeft opgemerkt moet er overigens op worden gewezen dat verzoekster geen enkel argument heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de Commissie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid zou hebben overschreden door de productie van organisch-chemische basisproducten in te delen als transitieactiviteit in de zin van artikel 10, lid 2, van de taxonomieverordening.

148 Het eerste onderdeel van het derde middel moet dan ook worden afgewezen.

Tweede onderdeel van het derde middel: kennelijke beoordelingsfout met betrekking tot de criteria voor de toepassing van het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan de doelstelling van de transitie naar een circulaire economie

149 Verzoekster betoogt, kort gezegd, dat de Commissie, om de redenen die zij reeds in het kader van het eerste onderdeel van het derde middel heeft uiteengezet, in punt 3.2.2, onder a), van bijlage II bij het bestreden besluit een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door geen rekening te houden met het levenscycluseffect van de organisch-chemische basisproducten en dus geen criteria voor te stellen met betrekking tot het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan de doelstelling van de transitie naar een circulaire economie.

150 De Commissie betwist de argumenten van verzoekster.

151 Meteen moet worden vastgesteld dat verzoekster zich in het kader van het onderhavige onderdeel beperkt tot een verwijzing naar de argumenten die zij in het kader van het eerste onderdeel van dit middel heeft aangevoerd. Die argumenten dienen te worden afgewezen om dezelfde redenen als die welke in de punten 143, 145 en 146 hierboven zijn vermeld.

152 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat het onderhavige onderdeel lijkt te zijn ontleend aan schending van artikel 17, lid 1, onder d), van de taxonomieverordening, terwijl het eerste onderdeel van het derde middel is ontleend aan schending van artikel 19, lid 1, onder g), van deze verordening. Verzoekster voert immers geen enkel omstandig argument aan waarmee kan worden aangetoond dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt bij haar analyse van het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan de doelstelling van de transitie naar een circulaire economie wat de productie van organisch-chemische basisproducten betreft.

153 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het derde middel worden afgewezen.

Derde onderdeel van het derde middel: kennelijk onjuiste beoordeling van de criteria voor de toepassing van het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan de doelstelling van duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen

154 Verzoekster betoogt dat de Commissie in punt 3.2.2, onder b), van bijlage II bij het bestreden besluit een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt aangaande het vereiste dat criteria moeten worden vastgesteld in verband met het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan aan het duurzame gebruik en aan de bescherming van water en mariene hulpbronnen. In de door de Commissie vastgestelde technische screeningcriteria is enkel rekening gehouden met de waterlichamen als bedoeld in richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB 2000, L 327, blz. 1; hierna: „kaderrichtlijn water”). Aanhangsel B bij bijlage I bij de gedelegeerde verordening verwijst evenwel niet naar het mariene milieu of naar richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (PB 2008, L 164, blz. 19; hierna: „kaderrichtlijn mariene strategie”). Verzoekster voegt daaraan toe dat zij in het verzoek tot interne herziening nochtans een reeks wetenschappelijke bewijzen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat organisch-chemische basisproducten worden gebruikt bij de productie van kunststoffen en dat deze kunststoffen een aanzienlijk risico vormen voor mariene ecosystemen, met name wegens de verontreiniging door microplastics en nanoplastics.

155 De Commissie betwist de argumenten van verzoekster.

156 Allereerst zij erop gewezen dat artikel 10, lid 3, onder b), van de taxonomieverordening bepaalt dat de door de Commissie vastgestelde gedelegeerde handeling voor elke relevante milieudoelstelling de technische screeningcriteria moet vaststellen om te bepalen of de betrokken economische activiteit ernstig afbreuk doet aan een of meer van die doelstellingen (zie punt 19 hierboven).

157 Artikel 9, onder c), van de taxonomieverordening stelt als milieudoelstelling „het duurzame gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen” (zie punt 14 hierboven).

158 Artikel 17, lid 1, onder c), i) en ii), van de taxonomieverordening bepaalt dat voor de toepassing van artikel 3, onder b), een economische activiteit, rekening houdend met de levenscyclus van de producten en diensten die zij oplevert, met inbegrip van bewijsmateriaal uit bestaande levenscyclusbeoordelingen, wordt geacht ernstig afbreuk te doen aan het duurzaam gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen, indien die activiteit schadelijk is voor de goede toestand of het goed ecologisch potentieel van waterlichamen, met inbegrip van oppervlaktewater en grondwater, of voor de goede milieutoestand van mariene wateren (zie punten 13 en 22 hierboven).

159 Voorts heeft de kaderrichtlijn water volgens artikel 1, eerste alinea, ervan tot doel een kader vast te stellen voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater.

160 Volgens artikel 1, lid 1, van de kaderrichtlijn mariene strategie stelt deze richtlijn een kader vast waarbinnen de lidstaten de nodige maatregelen nemen om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand van het mariene milieu te bereiken of te behouden. Deze richtlijn verplicht elke lidstaat met name om voor elke betrokken mariene regio of subregio een mariene strategie te ontwikkelen die van toepassing is op zijn mariene wateren, overeenkomstig artikel 5, lid 1, en overweging 11 ervan. Daartoe moeten de lidstaten volgens artikel 9, lid 1, van die richtlijn voor elke betrokken mariene regio of subregio voor de mariene wateren een reeks kenmerken van een goede milieutoestand vaststellen op basis van de in bijlage I bedoelde kwalitatief beschrijvende elementen. Bovendien moeten de lidstaten op grond van artikel 10, lid 1, van deze richtlijn voor elke mariene regio of subregio een uitvoerige reeks milieudoelen en bijbehorende indicatoren vaststellen voor hun mariene wateren, teneinde de inspanningen te sturen die gericht zijn op het bereiken van een goede milieutoestand in het mariene milieu.

161 In casu volgt uit punt 3.2.2, onder b), van bijlage II bij het bestreden besluit dat de Commissie met betrekking tot de technische screeningcriteria van mening was dat de taxonomieverordening opereerde op het niveau van de economische activiteiten en dat aanhangsel B van bijlage I bij de gedelegeerde verordening, wat de productie van organisch-chemische basisproducten betreft, voldoende criteria bevatte om te voldoen aan het beginsel dat geen ernstige inbreuk mag worden gedaan aan het duurzame gebruik en de bescherming van water en mariene hulpbronnen. Deze criteria hadden betrekking op stroomgebiedsbeheersplannen overeenkomstig artikel 13 en bijlage VII van de kaderrichtlijn water. Deze beheersplannen waren ook van toepassing op kust- en overgangswateren, dat wil zeggen de wateren op één zeemijl voor de meeste kwaliteitselementen die de goede toestand van de wateren bepalen, en de wateren op 12 zeemijl voor de chemische toestand. Daarenboven zijn de lidstaten op grond van de bijlagen II en VIII bij die kaderrichtlijn verplicht om kunststoffen en microplastics op te nemen in de categorie verontreinigende stoffen „zwevende stoffen” in het water. Volgens de Commissie waren de downstreameffecten van de betrokken activiteit complex en hielden zij verband met tal van economische activiteiten, gelet op het zeer uiteenlopende gebruik van organisch-chemische basisproducten. Wat betreft de mogelijke downstreameffecten van verontreiniging door microplastics en nanoplastics, zouden deze beter in aanmerking worden genomen door meer specifieke maatregelen downstream, zoals maatregelen in verband met afvalpreventie en -beheer, waarmee in de taxonomie rekening kan worden gehouden naarmate de taxonomie verder ontwikkelt.

162 Wat de kaderrichtlijn mariene strategie betreft, heeft de Commissie zich in punt 3.2.2, onder b), van bijlage II bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat deze kaderrichtlijn niet de maximumconcentratie van bepaalde verontreinigende stoffen, waaronder organisch-chemische basisproducten, vaststelt. De lidstaten waren verantwoordelijk voor de vaststelling van de maximale concentraties in het kader van de regionale of subregionale samenwerking, zoals blijkt uit artikel 9 en uit de kwalitatief beschrijvende elementen in de punten 8 en 9 van bijlage I bij deze kaderrichtlijn waarmee de goede milieutoestand wordt gedefinieerd.

163 Verzoekster stelt dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door het mariene milieu en de kaderrichtlijn mariene strategie niet in aanmerking te nemen bij de technische screeningcriteria die zijn vastgesteld voor de productie van organisch-chemische basisproducten, terwijl uit wetenschappelijk bewijs is gebleken dat deze chemische stoffen worden gebruikt bij de productie van kunststoffen en dat deze kunststoffen een aanzienlijk risico vormen voor mariene ecosystemen als gevolg van verontreiniging door microplastics en nanoplastics.

164 Verzoeksters betoog lijkt voort te vloeien uit een uitlegging van een aantal niet nader gespecificeerde bepalingen van de taxonomieverordening volgens welke de Commissie bij de vaststelling van de technische screeningcriteria voor de toepassing van het beginsel dat geen ernstige afbreuk mag worden gedaan, niet alleen rekening moet houden met de gevolgen voor water- en mariene hulpbronnen van de productie van organisch-chemische basisproducten, maar ook met die van de downstream economische activiteiten, in het bijzonder de vervaardiging van kunststoffen.

165 In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit punt 133 hierboven, organisch-chemische basisproducten nadien worden gebruikt bij verschillende andere activiteiten, waaronder de vervaardiging van kunststoffen. De in punt 3.2.2, onder b), van bijlage II bij het bestreden besluit aan de orde zijnde economische activiteit betreft evenwel niet de vervaardiging van kunststoffen, maar de productie van organisch-chemische basisproducten.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken