Gerecht EU 23 juli 2025, T-1049/23, ECLI:EU:T:2025:754
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid)
23 juli 2025 ( *1 )
„Gemeenschappelijk visserijbeleid – Resolutie van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC) inzake het beheer van visaantrekkende voorzieningen – Bezwaar van de Commissie – Afwijzing van het verzoek tot interne herziening – Artikel 10, lid 1, van verordening (EG) nr. 1367/2006 – Handeling die vatbaar is voor een verzoek tot interne herziening – Begrip ‚bepalingen die strijdig kunnen zijn met het milieurecht’ – Artikel 2, lid 1, onder f), van verordening nr. 1367/2006”
In zaak T‑1049/23,
Bloom, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door F. Lafforgue, advocaat,
verzoekster,
ondersteund door
Blue Marine Foundation, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door P. de Bandt en C. Binet, advocaten,
interveniënte,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Dawes, B. Hofstötter en D. Milanowska als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. Pérez-Zurita Gutiérrez en A. Gavela Llopis als gemachtigden,
en door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door B. Fodda, M. de Lisi, B. Travard en P. Chansou als gemachtigden,
interveniënten,
wijst
HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: K. Kowalik-Bańczyk, president, E. Buttigieg, G. Hesse (rapporteur), I. Dimitrakopoulos en B. Ricziová, rechters,
griffier: P. Nuñez Ruiz, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 13 februari 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Bloom, nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 30 augustus 2023 waarbij haar verzoek van 11 mei 2023 tot interne herziening van het besluit van de Commissie om bezwaar aan te tekenen tegen resolutie nr. 23/02 van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC) inzake het beheer van visaantrekkende voorzieningen (hierna: „FAD’s”) in het bevoegdheidsgebied (hierna: „bestreden besluit”) niet-ontvankelijk is verklaard.
Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekster is een niet-gouvernementele organisatie (ngo) die tot doel heeft bij te dragen aan het behoud van de mariene biodiversiteit en mariene habitats.
3 De IOTC is een internationale organisatie die tot doel heeft de tonijnbestanden in de Indische Oceaan in stand te houden. De Europese Unie is partij bij deze organisatie krachtens besluit 95/399/EG van de Raad van 18 september 1995 inzake de toetreding van de Gemeenschap tot de overeenkomst tot oprichting van de [IOTC] (PB 1995, L 236, blz. 24).
4 Krachtens artikel IX, lid 1, van de overeenkomst tot oprichting van de [IOTC] (PB 1995, L 236, blz. 25) kan de IOTC „met een meerderheid van twee derde van de [...] leden, instandhoudings- en beheersmaatregelen vaststellen die [...] bindend zijn voor haar leden”.
5 Artikel IX, lid 5, van de overeenkomst tot oprichting van de [IOTC] bepaalt: „Elk lid van de [IOTC] kan binnen 120 dagen na de vastgestelde datum of binnen de [...] door de [IOTC] vastgestelde andere termijn bezwaar aantekenen tegen een op grond van lid 1 genomen instandhoudings- en beheersmaatregel. Het lid van de [IOTC] dat bezwaar heeft aangetekend tegen een maatregel, hoeft deze niet toe te passen. Alle andere leden van de [IOTC] kunnen eveneens bezwaar aantekenen binnen een extra termijn van 60 dagen te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn van 120 dagen. [...]”
6 Artikel IX, lid 6, van de overeenkomst tot oprichting van de [IOTC] luidt als volgt: „Indien meer dan één derde van de leden van de [IOTC] bezwaar aantekent tegen een overeenkomstig lid 1 genomen maatregel, is deze niet bindend voor de overige leden. Deze leden of een aantal onder hen kunnen evenwel de maatregel toch toepassen.”
7 Besluit (EU) 2019/860 van de Raad van 14 mei 2019 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in de [IOTC], en tot intrekking van het besluit van 19 mei 2014 inzake het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in de IOTC (PB 2019, L 140, blz. 33), bepaalt het standpunt dat de Unie in de IOTC moet innemen voor de periode 2019‑2023. Bijlage I bij besluit 2019/860 bevat „beginselen” en „richtsnoeren”. Overeenkomstig punt 2, onder f), van deze bijlage zet de Unie zich, waar passend, in om ervoor te zorgen dat de IOTC maatregelen vaststelt om het gebruik van FAD’s te beheren, met name om de gegevensverzameling te verbeteren, het gebruik van de FAD’s nauwkeurig te kwantificeren, te volgen en te monitoren, de impact ervan op kwetsbare tonijnbestanden te verkleinen, en de mogelijke impact ervan op doelsoorten en niet-doelsoorten en op het ecosysteem te verminderen.
8 Bijlage II bij besluit 2019/860 beschrijft de procedure die wordt gevolgd om jaarlijks het standpunt van de Unie vast te stellen en bepaalt het volgende: „Vóór elke vergadering van de IOTC worden, wanneer dat lichaam besluiten met rechtsgevolgen voor de Unie dient vast te stellen, de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met de aan de Europese Commissie meegedeelde recentste wetenschappelijke en andere relevante gegevens, overeenkomstig de in bijlage I geformuleerde beginselen en richtsnoeren. Daartoe zendt de Europese Commissie, tijdig vóór elke vergadering van de IOTC, een op bovengenoemde gegevens gebaseerd schriftelijk document met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie toe aan de Raad met het oog op bespreking en goedkeuring van de nadere bijzonderheden van het standpunt. Indien tijdens een vergadering van de IOTC, ook ter plaatse, geen overeenstemming kan worden bereikt over het verwerken van nieuwe elementen in het standpunt van de Unie, wordt de zaak aan de Raad of zijn voorbereidende instanties voorgelegd.”
9 Tijdens haar zesde buitengewone zitting, die plaatsvond van 3 tot en met 5 februari 2023, heeft de IOTC resolutie nr. 23/02 aangenomen inzake het beheer van FAD’s. FAD’s zijn kunstmatige drijvende systemen waarmee vissen worden aangetrokken om de visserij te vergemakkelijken. De resolutie voorzag met name in een geleidelijke vermindering van het aantal toegestane drijvende FAD’s per vaartuig, de oprichting van een register van drijvende FAD’s om de transparantie en de monitoring van deze voorzieningen te verbeteren, en een verbod op drijvende FAD’s in de Indische Oceaan gedurende 72 dagen per jaar.
10 Volgens de tweede overweging van resolutie nr. 23/02 vereisen de artikelen 5 en 6 van de overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden (PB 1998, L 189, blz. 14), dat de staten voor de instandhouding, het beheer en de exploitatie van de over grote afstanden trekkende visbestanden op ruime schaal de preventieve aanpak volgen ter bescherming van de levende rijkdommen van de zee en voor het behoud van het mariene milieu.
11 Volgens de derde overweging van resolutie nr. 23/02 vereist artikel 6 van de in punt 10 hierboven genoemde overeenkomst, in het kader van de toepassing van het voorzorgsbeginsel, dat staten voorzichtiger zijn wanneer de informatie onzeker, onbetrouwbaar of ontoereikend is, en verbiedt het om het ontbreken van adequate wetenschappelijke informatie aan te voeren om instandhoudings- en beheersmaatregelen uit te stellen of niet te nemen.
12 Op 11 april 2023 heeft de Commissie namens de Unie bezwaar aangetekend in de zin van artikel IX, lid 5, van de overeenkomst tot oprichting van de [IOTC] tegen resolutie nr. 23/02 (hierna: „bestreden bezwaar”) (zie punt 5 hierboven). In de toelichting geeft zij in wezen aan dat de uitvoering van die resolutie een onevenredige last voor de vloten van ringzegenvissers vormt en zelfs dat de uitvoering ervan praktisch onmogelijk is. Bovendien zouden de in die resolutie opgenomen maatregelen niet door wetenschappelijk bewijs worden ondersteund.
13 Tien andere leden van de IOTC hebben binnen de in artikel IX, lid 5, van de overeenkomst tot oprichting van de [IOTC] vastgestelde termijn bezwaar gemaakt tegen resolutie nr. 23/02. Bijgevolg is deze resolutie overeenkomstig lid 6 van dat artikel niet bindend geworden (zie punten 5 en 6 hierboven).
14 Op 11 mei 2023 heeft verzoekster bij de Commissie een verzoek tot interne herziening van het bestreden bezwaar ingediend op grond van artikel 10 van verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2021/1767 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2021 (PB 2021, L 356, blz. 1) (hierna: „Aarhus-verordening”).
15 Bij het bestreden besluit heeft de Commissie het verzoek van verzoekster om herziening niet-ontvankelijk verklaard op grond dat het bestreden bezwaar geen „administratieve handeling” was in de zin van artikel 2, lid 1, onder g), van de Aarhus-verordening, aangezien dit bezwaar geen bepalingen bevatte die strijdig zouden kunnen zijn met het milieurecht zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder f), van die verordening. Het indienen van het bestreden bezwaar tegen de vaststelling van nieuwe regels binnen de IOTC zou geen negatieve gevolgen hebben voor de doelstellingen van het milieubeleid van de Unie.
Conclusies van partijen
16 Verzoekster, ondersteund door Blue Marine Foundation, verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
17 De Commissie, ondersteund door het Koninkrijk Spanje en de Franse Republiek, verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
18 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan. Het eerste middel is in essentie ontleend aan de schending van artikel 2, lid 1, onder f), van de Aarhus-verordening. Het tweede middel is ontleend aan de schending van het voorzorgsbeginsel. Het derde middel is ontleend aan de schending van verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB 2009, L 343, blz. 1).
19 Met het eerste middel betoogt verzoekster, ondersteund door Blue Marine Foundation, in wezen dat de Commissie ten onrechte haar verzoek tot herziening van het bestreden bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond dat dit bezwaar geen „bepalingen [bevatte] die strijdig [konden] zijn met het milieurecht” in de zin van artikel 2, lid 1, onder g), van de Aarhus-verordening. Het bestreden bezwaar schendt namelijk zowel het voorzorgsbeginsel als verordening nr. 1224/2009. Dergelijke schendingen vormen wel degelijk schendingen van het milieurecht van de Unie, ongeacht de tenuitvoerlegging van resolutie nr. 23/02 in de rechtsorde van de Unie.
20 De Commissie, ondersteund door het Koninkrijk Spanje en de Franse Republiek, betwist het betoog van verzoekster. Om te beginnen stelt zij dat het eerste middel niet-ontvankelijk is, aangezien het in algemene zin verwijst naar het verzoek tot herziening. Het bevat dus niet de essentiële feitelijke en juridische elementen waarop het is gebaseerd. Subsidiair voert zij aan dat het eerste middel ongegrond is. Verzoekster heeft namelijk niet aangetoond op welke wijze het bestreden bezwaar een negatief effect zou kunnen hebben op de verwezenlijking van de in artikel 191 VWEU genoemde doelstellingen van het milieubeleid van de Unie.
21 De Commissie benadrukt in dit verband dat het besluit om bezwaar aan te tekenen tegen de vaststelling van nieuwe regels van de IOTC, terwijl het bestaande rechtskader van de Unie in acht wordt genomen, geen negatieve gevolgen kan hebben voor de doelstellingen van het milieubeleid van de Unie en dus op zich niet strijdig kan zijn met het milieurecht in de zin van artikel 2, lid 1, onder f), van de Aarhus-verordening.
Ontvankelijkheid van het eerste middel
22 Wat de ontvankelijkheid van het eerste middel betreft, is de Commissie zonder specifieke motivering van mening dat verzoekster zich beperkt tot het herhalen van de gronden van haar verzoek tot interne herziening.
23 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voorschrijft dat elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Deze uiteenzetting moet zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verweerder zijn verdediging kan voorbereiden en het Gerecht in voorkomend geval zonder nadere informatie op het beroep uitspraak kan doen (arrest van 7 maart 2017, United Parcel Service/Commissie, T‑194/13, EU:T:2017:144, punt 191).
24 Ook moet eraan worden herinnerd dat het voor de ontvankelijkheid van een beroep voor het Gerecht noodzakelijk is dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. Ofschoon het verzoekschrift op specifieke punten kan worden onderbouwd en aangevuld met verwijzingen naar bepaalde passages in bijgevoegde stukken, kan een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die bij het verzoekschrift gevoegd, geen alternatief zijn voor de vermelding van de essentiële bestanddelen van het juridische betoog, die volgens voornoemde bepalingen in het verzoekschrift moeten staan (zie arrest van 7 maart 2017, United Parcel Service/Commissie, T‑194/13, EU:T:2017:144, punt 192 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 In de onderhavige zaak moet uit de lezing van de punten 48 tot en met 51 van het verzoekschrift, betreffende het eerste middel, en de punten 42 tot en met 47 daarvan, betreffende het begrip „bepalingen die strijdig kunnen zijn met het milieurecht”, worden geconstateerd dat de feitelijke en juridische elementen waarop verzoekster haar betoog baseert, zoals samengevat in punt 19 hierboven, onmiddellijk duidelijk volgen uit de tekst van het verzoekschrift zelf, ook al verwijst verzoekster naar haar verzoek tot interne herziening en naar haar tweede en derde middel om aan te tonen dat het bestreden bezwaar in strijd is met het voorzorgsbeginsel en met verordening nr. 1224/2009.
26 Uit het voorgaande volgt dat, anders dan de Commissie stelt, het eerste middel ontvankelijk is in het licht van de vereisten van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering.
Gegrondheid van het eerste middel
27 Op grond van artikel 10, lid 1, van de Aarhus-verordening zijn ngo’s of andere leden van het publiek die voldoen aan de criteria van artikel 11 van die verordening gerechtigd een verzoek tot interne herziening in te dienen bij de instelling of het orgaan van de Unie die of dat een administratieve handeling heeft gesteld of, in het geval van een vermeende administratieve nalatigheid, zo’n handeling had moeten stellen, op grond van het feit dat een dergelijk handelen of nalaten strijdig is met het milieurecht in de zin van artikel 2, lid 1, onder f), van die verordening. Dit verzoek moet schriftelijk worden ingediend binnen een termijn van ten hoogste acht weken nadat de administratieve handeling werd gesteld, bekendgemaakt of er kennis van werd gegeven, afhankelijk van wat het meest recentelijk is gebeurd, of, in het geval van een vermeende administratieve nalatigheid, binnen acht weken te rekenen vanaf de dag waarop de administratieve handeling had moeten zijn gesteld. In het verzoek moeten de redenen voor toetsing of herziening worden gespecificeerd.
28 Ingevolge artikel 2, lid 1, onder g), van de Aarhus-verordening wordt in deze verordening onder het begrip „administratieve handeling” verstaan „elke niet-wetgevingshandeling van een instelling of orgaan van de Unie die rechtsgevolgen en externe werking heeft en bepalingen bevat die strijdig kunnen zijn met het milieurecht in de zin van artikel 2, lid 1, [onder] f)”.
29 Ingevolge artikel 2, lid 1, onder f), van de Aarhus-verordening wordt onder „milieurecht” verstaan „Uniewetgeving die, ongeacht de rechtsgrondslag, bijdraagt tot het nastreven van de doelstellingen van het milieubeleid van de Unie volgens het VWEU: behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, bescherming van de gezondheid van de mens, behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen, bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen.”
30 Onder deze omstandigheden is de ontvankelijkheid van een verzoek tot interne herziening inderdaad afhankelijk van het bestaan van een administratieve handeling of een administratieve nalatigheid die strijdig kan zijn met het milieurecht in de zin van de Aarhus-verordening (beschikking van 6 juni 2024, Asociația pentru Energie Curată și Combaterea Schimbărilor Climatice/Raad, T‑1151/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:391, punt 12).
31 In het licht van deze overwegingen moeten de argumenten van verzoekster worden onderzocht en moet worden nagegaan of de Commissie het verzoek tot herziening van het bestreden bezwaar niet-ontvankelijk kon verklaren op grond dat dit bezwaar geen „bepalingen [bevatte] die strijdig [konden] zijn met het milieurecht” in de zin van artikel 2, lid 1, onder g), van de Aarhus-verordening.
32 In het onderhavige geval voert de Commissie in het bestreden besluit aan dat zij uitsluitend een bezwaar had ingediend overeenkomstig artikel IX, lid 5, van de overeenkomst tot oprichting van de [IOTC]. Dit zou tot gevolg hebben gehad dat resolutie nr. 23/02 niet bindend was voor de Unie, zodat deze niet verplicht was deze resolutie in haar rechtsorde ten uitvoer te leggen.
33 Volgens de Commissie heeft „het indienen van een bezwaar tegen de vaststelling van nieuwe regels, waarbij het bestaande rechtskader van de Unie, met inbegrip van het milieurecht van de Unie, wordt nageleefd, geen negatieve gevolgen voor de doelstellingen van het milieubeleid van de Unie en is het als zodanig niet strijdig met het milieurecht in de zin van artikel 2, lid 1, onder f), van de Aarhus-verordening” (punt 2.1 van het bestreden besluit).
34 Allereerst moet worden opgemerkt dat de Commissie het verzoek tot herziening niet ongegrond heeft verklaard omdat het bestreden bezwaar niet strijdig zou zijn met het milieurecht, maar „niet-ontvankelijk” omdat dit bezwaar geen „bepaling [bevatte] die strijdig zou kunnen zijn met het milieurecht” in de zin van artikel 2, lid 1, onder f), van de Aarhus-verordening en bijgevolg geen „administratieve handeling” in de zin van artikel 2, lid 1, onder g), van die verordening vormde.
35 In dit verband moet worden opgemerkt dat de administratieve handelingen die op grond van artikel 10 van de Aarhus-verordening voor interne herziening in aanmerking komen, overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder g), van die verordening, niet-wetgevingshandelingen zijn van een instelling of orgaan van de Unie die rechtsgevolgen en externe werking hebben en bepalingen bevatten die strijdig kunnen zijn met het milieurecht in de zin van artikel 2, lid 1, onder f), van die verordening.
36 In het onderhavige geval heeft de Commissie het verzoek tot herziening van verzoekster uitsluitend niet-ontvankelijk verklaard op grond van het feit dat het geen handeling betrof die bepalingen bevatte die strijdig konden zijn met het milieurecht. Derhalve moet worden opgemerkt dat de Commissie het verzoek tot interne herziening niet niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond dat in de onderhavige zaak niet was voldaan aan andere voorwaarden die in artikel 10, lid 1, van de Aarhus-verordening met betrekking tot dergelijke verzoeken zijn vastgesteld, of die in artikel 2, lid 1, onder g), van de Aarhus-verordening met betrekking tot het begrip „administratieve handeling” zijn neergelegd.
37 Wat betreft de vraag of het desbetreffende verzoek tot herziening betrekking had op een handeling die strijdig zou kunnen zijn met het milieurecht van de Unie, moet worden opgemerkt dat volgens overweging 10 van verordening 2021/1767 bij de beoordeling of een bestuurshandeling bepalingen bevat die vanwege hun gevolgen strijdig zouden kunnen zijn met het milieurecht, moet worden nagegaan of deze bepalingen een negatief effect zouden kunnen hebben op de verwezenlijking van de in artikel 191 VWEU genoemde doelstellingen van het beleid van de Unie op milieugebied, waaronder een „behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen” en de „bevordering, op internationaal vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen”.
38 In haar verzoek tot herziening voert verzoekster, die reeds tijdens deze administratieve fase werd ondersteund door Blue Marine Foundation, aan dat het bestreden bezwaar strijdig zou kunnen zijn met het voorzorgsbeginsel dat is neergelegd in artikel 191 VWEU. Bovendien zou het bestreden bezwaar meer in het bijzonder strijdig zijn met artikel 2, lid 2, van verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en besluit 2004/585/EG van de Raad (PB 2013, L 354, blz. 22) waarin de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) worden omschreven, met name dat „[i]n het kader van het [GVB] [...] de voorzorgsbenadering [wordt] toegepast op het visserijbeheer en [...] ernaar [wordt] gestreefd dat de levende biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren”.
39 Volgens verzoekster was het bestreden bezwaar ook onverenigbaar met verordening nr. 1224/2009 betreffende de controle op de GVB. Verzoekster wijst er in dit verband op dat artikel 14, lid 3, van die verordening bepaalt dat „[v]oor de in het visserijlogboek vermelde ramingen van de in kilogram uitgedrukte hoeveelheden aan boord gehouden vis [...] een tolerantiemarge van 10 % voor alle soorten [geldt]”. Volgens verzoekster draagt het massale gebruik van FAD’s door de Franse en de Spaanse vloten in de Indische Oceaan voor de tonijnvisserij bij tot het overschrijden van de ramingen in deze zin.
40 Hieruit blijkt dat de gronden voor herziening die verzoekster in haar verzoek tot herziening heeft aangevoerd, betrekking hebben op mogelijke schendingen van concrete bepalingen van het milieurecht, waarin met name het voorzorgsbeginsel op het gebied van het GVB is vastgelegd.
41 In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals met name blijkt uit de punten 10 en 11 hierboven, in de tweede en derde overweging van resolutie nr. 23/02 het behoud van de visbestanden als doelstelling wordt genoemd.
42 Door het bestreden bezwaar in te dienen heeft de Unie zich dus actief verzet tegen de vaststelling van maatregelen ter verbetering van de bescherming van bepaalde visbestanden. Meer in het bijzonder had dit bezwaar tot gevolg dat de Unie niet verplicht was om de in resolutie nr. 23/02 voorziene maatregelen in haar rechtsorde vast te stellen en ten uitvoer te leggen.
43 Anders dan de Commissie in het bestreden besluit heeft opgemerkt, en hoewel het bestreden bezwaar geen wijziging in het milieurecht van de Unie tot gevolg had, kon het bezwaar dientengevolge nadelige gevolgen hebben voor de verwezenlijking van de in artikel 191 VWEU genoemde doelstellingen van het milieubeleid van de Unie.
44 In dit verband zij erop gewezen dat uit overweging 11 van de Aarhus-verordening blijkt dat zelfs een nalatigheid het voorwerp kan zijn van een verzoek tot herziening, terwijl er bij een dergelijke nalatigheid per definitie geen sprake is van een wijziging van het milieurecht van de Unie.
45 Onder deze omstandigheden heeft de Commissie ten onrechte het verzoek tot herziening van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard op grond van de in het bestreden besluit aangegeven reden, zonder inhoudelijk te onderzoeken of de door verzoekster aangevoerde gronden voor herziening aannemelijke – dit wil zeggen ernstige – twijfels konden doen rijzen over de beoordeling van het milieurecht door de instelling of het orgaan van de Unie bij het indienen van het bestreden bezwaar (zie in die zin arresten van 12 september 2019, TestBioTech e.a./Commissie, C‑82/17 P, EU:C:2019:719, punt 69, en van 6 oktober 2021, ClientEarth/Commissie, C‑458/19 P, EU:C:2021:802, punt 60).
46 Bijgevolg moet het eerste middel van het beroep worden toegewezen en moet het bestreden besluit nietig worden verklaard, zonder dat het tweede en het derde middel hoeven te worden onderzocht.
Kosten
47 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij worden verwezen in haar eigen kosten en in die van verzoekster, zoals laatstgenoemde had gevorderd.
48 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd hun eigen kosten. Het Koninkrijk Spanje en de Franse Republiek dragen dus hun eigen kosten.
49 Volgens artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht bepalen dat een andere interveniënt dan de in de leden 1 en 2 bedoelde, zijn eigen kosten zal dragen. Blue Marine Foundation, die heeft geïntervenieerd aan de zijde van verzoekster, draagt haar eigen kosten, aangezien zij niet heeft verzocht om de Commissie te verwijzen in de kosten.
HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid) rechtdoende, verklaart:
1) Het besluit van de Europese Commissie dat Bloom bij brief van 30 augustus 2023 is meegedeeld, met referentie Ares (2023) 5917994, tot niet-ontvankelijkheid van haar verzoek tot interne herziening van de brief van de Commissie waarbij bezwaar wordt aangetekend tegen resolutie nr. 23/02 inzake het beheer van visaantrekkende voorzieningen binnen het bevoegdheidsgebied van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan, wordt nietig verklaard.
2) De Commissie draagt haar eigen kosten alsmede de kosten van Bloom.
3) Het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en Blue Marine Foundation dragen hun eigen kosten.
Kowalik-Bańczyk Buttigieg Hesse Dimitrakopoulos Ricziová Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 juli 2025. Ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.