Gerecht EU 19 november 2025, T-412/22, ECLI:EU:T:2025:1034

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)

19 november 2025 (*)

„ Gewasbeschermingsmiddelen – Werkzame stof dimoxystrobin – Verlengingsaanvraag voor een werkzame stof – Verlenging van de goedkeuringsperiode – Duur van de verlenging – Verzoek tot interne herziening – Artikel 10, lid 1, van verordening (EG) nr. 1367/2006 – Besluit tot afwijzing van het verzoek – Artikel 17 van verordening (EG) nr. 1107/2009 ”

In zaak T‑412/22,

Pesticide Action Network Europe (PAN Europe), gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door A. Bailleux, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Becker, G. Gattinara en M. ter Haar als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Europees Parlement, vertegenwoordigd door M. Menegatti en W. Kuzmienko als gemachtigden,

door

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Nowak‑Salles, A. Maceroni en P. Pecheux als gemachtigden,

en door

CropLife Europe, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door D. Waelbroeck en I. Antypas, advocaten,

interveniënten,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),

ten tijde van de beraadslaging samengesteld als volgt: R. da Silva Passos, president, N. Półtorak, I. Reine, T. Pynnä (rapporteur) en H. Cassagnabère, rechters,

griffier: P. Cullen, administrateur,

gezien de stukken, met name:

– de exceptie van niet-ontvankelijkheid die de Commissie bij op 23 september 2022 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft opgeworpen,

– de opmerkingen van verzoekster over de exceptie van niet‑ontvankelijkheid, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 november 2022,

na de terechtzitting op 13 februari 2025,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Pesticide Action Network Europe (PAN Europe), nietigverklaring van besluit Ares(2022)3275139 van de Commissie van 27 april 2022 tot afwijzing van haar verzoek tot interne herziening van uitvoeringsverordening (EU) 2021/2068 van de Commissie van 25 november 2021 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de goedkeuring van de werkzame stoffen benfluralin, dimoxystrobin, fluazinam, flutolanil, mecoprop-P, mepiquat, metiram, oxamyl en pyraclostrobine (PB 2021, L 421, blz. 25) (hierna: „bestreden besluit”), voor zover daarbij de goedkeuringsperiode voor dimoxystrobin wordt verlengd.

Voorgeschiedenis van het geding en feiten die zich na de instelling van het beroep hebben voorgedaan

2 Verzoekster is een te Brussel (België) gevestigde vereniging zonder winstoogmerk die onder meer tot doel heeft activiteiten te bevorderen die erop gericht zijn het gebruik van pesticiden te verminderen en stop te zetten.

3 Dimoxystrobin maakt deel uit van de chemische groep van strobilurinen, die verschillende pesticiden met een soortgelijke werking omvat die in de landbouw als fungicide worden gebruikt.

4 Dimoxystrobin is voor het eerst goedgekeurd bij richtlijn 2006/75/EG van de Commissie van 11 september 2006 tot wijziging van richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde dimoxystrobin op te nemen als werkzame stof (PB 2006, L 248, blz. 3). Overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn is de goedkeuring op 1 oktober 2006 in werking getreden en zou zij op 30 september 2016 aflopen.

5 In 2009 is verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 79/117/EEG en 91/414 van de Raad (PB 2009, L 309, blz. 1) in werking getreden. Dimoxystrobin werd geacht te zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel 78, lid 3, van die verordening.

6 Op 24 juli 2013 is een aanvraag tot verlenging van de goedkeuring van dimoxystrobin ingediend.

7 Op 12 november 2013 is de goedkeuringsperiode voor dimoxystrobin bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1136/2013 van de Commissie tot wijziging van uitvoeringsverordening nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen clothianidin, dimoxystrobin, oxamyl en pethoxamide (PB 2013, L 302, blz. 34) krachtens artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 verlengd tot en met 31 januari 2018. In overweging 2 van die verordening wordt uiteengezet dat „de aanvragers voldoende tijd [moet] worden geboden om de verlengingsprocedure [...] af te ronden”, dat „de goedkeuringen van die werkzame stoffen [daardoor] waarschijnlijk [zullen] verstrijken voordat een besluit over de verlenging ervan is genomen” en dat „de geldigheidsduur van die goedkeuringen [daarom moet] worden verlengd”.

8 In 2015 is dimoxystrobin op de lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen geplaatst bij uitvoeringsverordening (EU) 2015/408 van de Commissie van 11 maart 2015 inzake uitvoering van artikel 80, lid 7, van verordening nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot vaststelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om te worden vervangen (PB 2015, L 67, blz. 18). In de overwegingen 5 en 6 van deze verordening wordt uiteengezet dat de acute referentiedosis (ARfD) van deze stof, die persistent en toxisch is, aanzienlijk lager is dan die van de meerderheid van de goedgekeurde werkzame stoffen binnen haar groep. Overweging 9 van die verordening voegt daaraan toe dat dimoxystrobin wordt geacht hormoonontregelende eigenschappen te hebben die schadelijk kunnen zijn voor de mens.

9 In augustus 2017 hebben de lidstaat-rapporteur (Hongarije) en de lidstaat-corapporteur (Ierland) een beoordelingsverslag over de verlenging uitgebracht. In dit verslag worden punten vastgesteld waarop de risicobeoordeling niet kon worden afgerond, alsmede kritieke punten van zorg.

10 Op 19 januari 2018 is de goedkeuringsperiode van dimoxystrobin bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/84 van de Commissie tot wijziging van uitvoeringsverordening nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen chloorpyrifos, chloorpyrifos-methyl, clothianidin, koperverbindingen, dimoxystrobin, mancozeb, mecoprop-P, metiram, oxamyl, pethoxamide, propiconazool, propineb, propyzamide, pyraclostrobine en zoxamide (PB 2018, L 16, blz. 8) een tweede keer verlengd, tot en met 31 januari 2019. In overweging 7 van deze verordening wordt uiteengezet dat, „[a]angezien de beoordeling van de stoffen is uitgesteld om redenen waarop de aanvragers geen invloed hebben [...] de goedkeuring van die werkzame stoffen waarschijnlijk [zal] vervallen voordat een besluit over de verlenging ervan is genomen” en dat „[...] de geldigheidsduur voor die stoffen [daarom moet] worden verlengd”.

11 Op 20 november 2018 is de goedkeuringsperiode van dimoxystrobin bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/1796 van de Commissie tot wijziging van uitvoeringsverordening nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de goedkeuringen voor de werkzame stoffen amidosulfuron, bifenox, chloorpyrifos, chloorpyrifos-methyl, clofentezine, dicamba, difenoconazool, diflubenzuron, diflufenican, dimoxystrobin, fenoxaprop-P, fenpropidin, lenacil, mancozeb, mecoprop-P, metiram, nicosulfuron, oxamyl, picloram, pyraclostrobine, pyriproxyfen en tritosulfuron (PB 2018, L 294, blz. 15) een derde keer verlengd, tot en met 31 januari 2020. In overweging 6 van deze verordening wordt de motivering van overweging 7 van uitvoeringsverordening 2018/84 herhaald.

12 Op 29 november 2019 is de goedkeuringsperiode van dimoxystrobin bij uitvoeringsverordening (EU) 2019/2094 van de Commissie tot wijziging van uitvoeringsverordening nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen benfluralin, dimoxystrobin, fluazinam, flutolanil, mancozeb, mecoprop-P, mepiquat, metiram, oxamyl en pyraclostrobine (PB 2019, L 317, blz. 102) een vierde keer verlengd, tot en met 31 januari 2021. In overweging 5 van deze verordening wordt de motivering van overweging 7 van uitvoeringsverordening 2018/84 herhaald.

13 Op 22 januari 2021 is de goedkeuringsperiode van dimoxystrobin bij uitvoeringsverordening (EU) 2021/52 van de Commissie tot wijziging van uitvoeringsverordening nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen benfluralin, dimoxystrobin, fluazinam, flutolanil, mecoprop-P, mepiquat, metiram, oxamyl en pyraclostrobine (PB 2021, L 23, blz. 13) een vijfde keer verlengd, tot en met 31 januari 2022. In overweging 4 van deze verordening wordt de motivering van overweging 7 van uitvoeringsverordening 2018/84 herhaald.

14 Op 25 november 2021 is de goedkeuringsperiode van dimoxystrobin bij uitvoeringsverordening 2021/2068 een zesde keer verlengd, tot en met 31 januari 2023. In overweging 4 van deze verordening wordt de motivering van overweging 7 van uitvoeringsverordening 2018/84 herhaald.

15 Op 14 januari 2022 heeft verzoekster een verzoek tot interne herziening ingediend van uitvoeringsverordening 2021/2068 op grond van artikel 10 van verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13).

16 Bij brief van 27 april 2022 heeft de Europese Commissie verzoeksters verzoek tot interne herziening afgewezen.

17 Na de instelling van het onderhavige beroep heeft de Commissie bij uitvoeringsverordening (EU) 2023/115 van 16 januari 2023 tot wijziging van uitvoeringsverordening nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de goedkeuring van de werkzame stof dimoxystrobin (PB 2023, L 15, blz. 13) de goedkeuringsperiode van dimoxystrobin een zevende keer verlengd, tot en met 31 januari 2024.

18 Op 10 juli 2023 heeft de Commissie bij uitvoeringsverordening (EU) 2023/1436 tot niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof dimoxystrobin overeenkomstig verordening nr. 1107/2009 en tot wijziging van uitvoeringsverordening nr. 540/2011 van de Commissie en uitvoeringsverordening 2015/408 van de Commissie (PB 2023, L 176, blz. 10) besloten de goedkeuring van dimoxystrobin niet te verlengen.

Conclusies van partijen

19 Verzoekster verzoekt het Gerecht:

– het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover het betrekking heeft op de verlenging van de goedkeuringsperiode voor dimoxystrobin;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

20 De Commissie, ondersteund door het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en CropLife Europe, verzoekt het Gerecht:

– het beroep te verwerpen;

– verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

21 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan die zijn ontleend aan, ten eerste, een onjuiste uitlegging van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 in het bestreden besluit en, ten tweede, subsidiair, een exceptie van onwettigheid van dat artikel.

Voortbestaan van het procesbelang

22 De Raad wijst erop dat na de niet-verlenging van de goedkeuring van dimoxystrobin bij uitvoeringsverordening 2023/1436 de verlengingsperiode voor de goedkeuring van die werkzame stof is afgelopen. Hieruit volgt dat het beroep zonder voorwerp is geraakt en dat verzoekster geen procesbelang meer heeft. Bijgevolg moet het Gerecht artikel 131, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering toepassen.

23 Het Gerecht herinnert eraan dat het procesbelang van een verzoekende partij een verkregen en daadwerkelijk belang moet zijn. Dit belang moet, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid bestaan in het stadium van de instelling van het beroep, en dient op straffe van afdoening zonder beslissing te blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing (zie arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punten 56 en 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 In casu volgt volgens de Raad uit uitvoeringsverordening 2023/1436 dat een besluit om de goedkeuring van dimoxystrobin niet te verlengen, is vastgesteld.

25 In de eerste plaats is het bestreden besluit door de Commissie evenwel niet ingetrokken, zodat het geding zijn voorwerp heeft behouden (zie in die zin arrest van 4 september 2018, ClientEarth/Commissie, C‑57/16 P, EU:C:2018:660, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26 In de tweede plaats volgt uit de rechtspraak dat een verzoekende partij een belang behoudt bij de nietigverklaring van een handeling van een instelling van de Europese Unie teneinde te voorkomen dat de onwettigheid die aan die handeling zou kleven, zich in de toekomst weer voordoet. Dat procesbelang vloeit voort uit artikel 266, eerste alinea, VWEU, op grond waarvan de instelling waarvan de handeling nietig is verklaard, gehouden is de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof. Dit procesbelang kan echter alleen bestaan indien de gestelde onwettigheid zich in de toekomst kan herhalen, los van de omstandigheden van de zaak die hebben geleid tot het door de verzoekende partij ingestelde beroep (arresten van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punten 50‑52, en 27 september 2018, Mellifera/Commissie, T‑12/17, EU:T:2018:616, punt 28).

27 Dat is het geval in de onderhavige zaak aangezien de door verzoekster gestelde onwettigheid is gebaseerd op een uitlegging van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 die de Commissie dreigt te herhalen bij een nieuw verzoek tot interne herziening van de verlenging van de goedkeuringsperiode van een andere werkzame stof dan dimoxystrobin.

28 Hieruit volgt dat verzoekster, ondanks de vaststelling van uitvoeringsverordening 2023/1436, in casu nog steeds een procesbelang heeft.

Eerste middel: onjuiste uitlegging van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009

Ontvankelijkheid van het eerste middel

29 De Commissie heeft bij afzonderlijke akte op grond van artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, waarin zij stelt dat de twee middelen van verzoekster niet-ontvankelijk zijn.

30 In de eerste plaats is de Commissie van mening dat verzoekster met haar eerste middel niet opkomt tegen de beoordeling in het antwoord op haar verzoek tot interne herziening, maar haar argumenten richt tegen de verlenging van de goedkeuringsperiode voor dimoxystrobin bij uitvoeringsverordening 2021/2068, die het voorwerp vormde van het verzoek tot interne herziening. Uit de gecombineerde lezing van de artikelen 10 en 12 van verordening nr. 1367/2006 en uit de rechtspraak blijkt echter dat wanneer een verzoekende partij krachtens artikel 12, lid 1, van deze verordening een beroep tot nietigverklaring instelt tegen het antwoord op een verzoek tot interne herziening, zij enkel de rechtmatigheid van dat antwoord kan betwisten.

31 In de tweede plaats, en subsidiair, voert de Commissie aan dat, gesteld dat het eerste middel ontvankelijk is, de argumenten waarmee de rechtmatigheid van haar uitlegging van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 wordt betwist, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard wegens het ontbreken van overeenstemming tussen het verzoekschrift en het verzoek tot interne herziening, aangezien zij in laatstgenoemd verzoek niet zijn aangevoerd.

32 Het Gerecht herinnert er in de eerste plaats aan dat artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1367/2006 bepaalt dat „[e]lke niet-gouvernementele organisatie of andere leden van het publiek die voldoen aan de criteria van artikel 11 [...] gerechtigd [zijn] een verzoek tot interne herziening in te dienen bij de instelling of het orgaan van de Unie die of dat een administratieve handeling heeft gesteld of, in het geval van een vermeende administratieve nalatigheid, zo’n handeling had moeten stellen, op grond van het feit dat een dergelijk handelen of nalaten strijdig is met het milieurecht”. Artikel 12, lid 1, van deze verordening bepaalt dat „[e]en niet-gouvernementele organisatie die in overeenstemming met artikel 10 een verzoek tot interne herziening heeft ingediend [...] een procedure voor het Hof van Justitie [kan] beginnen”.

33 Het verzoek tot interne herziening van een administratieve handeling beoogt dus te doen vaststellen dat de betrokken handeling onrechtmatig of ongegrond is. Verzoeker kan vervolgens bij de Unierechter beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of van bepalingen ter uitvoering daarvan of misbruik van bevoegdheid instellen tegen het besluit waarbij het verzoek tot interne herziening ongegrond is verklaard (arrest van 12 september 2019, TestBioTech e.a./Commissie, C‑82/17 P, EU:C:2019:719, punt 38). Hieruit volgt dat de verzoekende partij in het kader van dat beroep geen recht heeft argumenten aan te voeren die rechtstreeks de wettigheid of de gegrondheid van de handeling waarop het verzoek om interne herziening betrekking heeft te betwisten (zie arrest van 27 september 2018, Mellifera/Commissie, T‑12/17, EU:T:2018:616, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het in de Verdragen neergelegde systeem van rechterlijke toetsing biedt het Gerecht namelijk niet de mogelijkheid besluiten nietig te verklaren waartegen niet rechtstreeks een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU is ingesteld (arrest van 4 april 2019, ClientEarth/Commissie, T‑108/17, EU:T:2019:215, punt 28).

34 In casu blijkt om te beginnen duidelijk uit het verzoekschrift dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op dimoxystrobin, het voorwerp uitmaakt van het beroep tot nietigverklaring.

35 Vervolgens blijkt rechtstreeks uit het opschrift van het eerste middel en uit de twee onderdelen waaruit het is samengesteld dat verzoekster aanvoert dat het bestreden besluit is gebaseerd op een onjuiste lezing van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009.

36 Ten slotte blijkt uit lezing van het eerste middel in zijn geheel, en met name van de inleiding van het deel van het verzoekschrift dat aan dit middel is gewijd, dat verzoekster met haar betoog doelt op de uitlegging die de Commissie in het bestreden besluit aan artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 heeft gegeven. Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat er wegens het voorwerp zelf van de procedure van interne herziening en de logica van de artikelen 10 en 12 van verordening nr. 1367/2006 een zekere overlapping kan bestaan tussen de argumenten die zijn aangevoerd in het kader van het verzoek tot interne herziening en de argumenten die worden aangevoerd ter ondersteuning van een beroep tot nietigverklaring van het besluit waarbij dat verzoek ongegrond is verklaard.

37 Het betoog van de Commissie dat het eerste middel niet-ontvankelijk is omdat het geen betrekking heeft op het bestreden besluit moet bijgevolg worden afgewezen.

38 Wat in de tweede plaats het ontbreken van overeenstemming tussen het verzoek tot herziening en het verzoekschrift betreft, herinnert het Gerecht eraan dat volgens vaste rechtspraak een beroep tot nietigverklaring van een besluit tot afwijzing van een verzoek tot interne herziening niet kan worden gebaseerd op nieuwe gronden of bewijzen die niet in het verzoek tot herziening waren opgenomen, aangezien anders het in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1367/2006 neergelegde vereiste dat dit verzoek met redenen moet worden omkleed, zijn nuttig effect zou verliezen en het voorwerp van de bij dit verzoek ingeleide procedure zou worden gewijzigd (arresten van 12 september 2019, TestBioTech e.a./Commissie, C‑82/17 P, EU:C:2019:719, punt 39, en 17 april 2024, Föreningen Svenskt Landskapsskydd/Commissie, T‑346/22, niet gepubliceerd, EU:T:2024:246, punt 70).

39 Voorts kunnen de middelen en argumenten die in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een besluit tot afwijzing van een verzoek tot interne herziening bij het Gerecht worden opgeworpen, slechts ontvankelijk worden geacht voor zover zij reeds in het verzoek tot interne herziening door de verzoeker naar voren zijn gebracht, zodat de Commissie hierop heeft kunnen reageren (zie in die zin arrest van 15 december 2016, TestBioTech e.a./Commissie, T‑177/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:736, punten 68 en 69). Van een verzoekende partij die krachtens artikel 12 van verordening nr. 1367/2006 beroep instelt bij het Gerecht kan echter niet worden verlangd dat zij zich ertoe beperkt de argumenten die zij in haar verzoek tot interne herziening naar voren heeft gebracht, woordelijk te herhalen.

40 In casu blijkt duidelijk uit haar verzoek tot interne herziening dat verzoekster met name opkwam tegen de toepassing door de Commissie van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 bij de vaststelling van uitvoeringsverordening 2021/2068. In het bijzonder heeft zij argumenten aangevoerd die zijn ontleend aan het voorzorgsbeginsel, aan het automatische karakter van de verlengingen en van de in verordening nr. 1107/2009 vastgestelde beoordelingstermijnen, en heeft zij zich beroepen op de artikelen 4, 5, 7, 9, 14 en 15 van deze verordening. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat een dergelijk betoog samenvalt met het eerste middel van het onderhavige beroep tot nietigverklaring.

41 Bijgevolg moet het argument van de Commissie betreffende het gebrek aan overeenstemming tussen het verzoek tot interne herziening en het verzoekschrift worden afgewezen.

42 Het eerste middel is dan ook ontvankelijk.

Ten gronde

43 In het kader van het eerste middel herinnert verzoekster eraan dat verordening nr. 1107/2009 berust op de doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen te waarborgen, alsook op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van milieubescherming.

44 In het bijzonder betoogt verzoekster in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel dat verordening nr. 1107/2009 hoofdzakelijk is vastgesteld om de beoordeling van werkzame stoffen sneller te laten verlopen. Er worden strikte termijnen vastgesteld voor elke fase van het verlengingsproces, waardoor het voorbereidingsproces in tweeënhalf jaar kan worden afgerond en de Commissie en de lidstaten meer dan zes maanden de tijd krijgen om te besluiten of een goedkeuring al dan niet wordt verlengd.

45 In deze context kan artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 slechts aldus worden opgevat dat het voorziet in een beperkte verlenging met enkele maanden of zelfs met een jaar, en kan het niet aldus worden uitgelegd dat het opeenvolgende verlengingen toestaat die, tezamen genomen, neerkomen op een verlenging met meer dan zes jaar, dat wil zeggen meer dan tweemaal de voor het verloop van de verlengingsprocedure voorziene tijd, zonder enige rechtvaardiging of uitleg door de Commissie. Het feit dat de niet-inachtneming van de termijnen niet gepaard gaat met enige sanctie, zou het systeem blootstellen aan strategisch misbruik.

46 Om te beginnen herinnert het Gerecht eraan dat artikel 191, lid 2, VWEU bepaalt dat het milieubeleid onder meer berust op het voorzorgsbeginsel, welk beginsel ook dient te worden toegepast in andere beleidsdomeinen van de Unie, inzonderheid dat van de bescherming van de volksgezondheid, alsook wanneer de instellingen van de Unie in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of het internemarktbeleid maatregelen nemen ter bescherming van de menselijke gezondheid (zie arrest van 1 oktober 2019, Blaise e.a., C‑616/17, EU:C:2019:800, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 Wanneer de Uniewetgever regels vaststelt voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, zoals de regels van verordening nr. 1107/2009, dient hij dus het voorzorgsbeginsel na te leven, met name ter verzekering van een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid overeenkomstig artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 9 VWEU en artikel 168, lid 1, VWEU (zie arrest van 1 oktober 2019, Blaise e.a., C‑616/17, EU:C:2019:800, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 Volgens het voorzorgsbeginsel kunnen bij onzekerheid over het bestaan of de omvang van risico’s voor de gezondheid van de mens, beschermende maatregelen worden genomen zonder dat hoeft te worden gewacht totdat de realiteit en de ernst van deze risico’s volledig zijn aangetoond (zie arrest van 1 oktober 2019, Blaise e.a., C‑616/17, EU:C:2019:800, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 Het voorzorgsbeginsel, een algemeen beginsel van het recht van de Unie, verplicht de betrokken autoriteiten in het welbepaalde kader van de uitoefening van de hun bij de betrokken regeling toegekende bevoegdheden passende maatregelen te nemen om een aantal potentiële gevaren voor de volksgezondheid, de veiligheid en het milieu te voorkomen, waarbij aan de vereisten in verband met de bescherming van deze belangen voorrang moet worden verleend boven economische belangen [zie arresten van 21 oktober 2003, Solvay Pharmaceuticals/Raad, T‑392/02, EU:T:2003:277, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 april 2013, Du Pont de Nemours (France) e.a./Commissie, T‑31/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:167, punt 134 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Het voorzorgsbeginsel ligt ten grondslag aan alle bepalingen van verordening nr. 1107/2009.

50 Volgens overweging 8 van verordening nr. 1107/2009 dient het voorzorgsbeginsel te worden toegepast en dient deze verordening te waarborgen dat de industrie aantoont dat de stoffen of producten die worden geproduceerd of op de markt worden gebracht geen enkel schadelijk effect op de gezondheid van mens of dier hebben, noch enig onaanvaardbaar effect voor het milieu. In dit verband dient erop te worden gewezen dat de voorafgaande toelatings- en goedkeuringsprocedures die bij die verordening zijn ingesteld voor gewasbeschermingsmiddelen en hun werkzame stoffen zijn ingegeven door het voorzorgsbeginsel (zie arrest van 17 maart 2021, FMC/Commissie, T‑719/17, EU:T:2021:143, punten 60 en 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Hieruit volgt dat de Commissie bij de uitoefening van haar bevoegdheden in het kader van verordening nr. 1107/2009 rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel. Wat meer bepaald werkzame stoffen betreft, blijkt uit de rechtspraak dat de Commissie maatregelen kan nemen die het gebruik van een stof beperken en aldus het belang van de consumentenveiligheid zwaarder kan laten wegen, zonder de uitkomst van de procedure voor de verlenging van de goedkeuring van deze stof af te wachten (zie in die zin arrest van 19 september 2019, Arysta LifeScience Netherlands/Commissie, T‑476/17, EU:T:2019:618, punt 97).

52 Wat de uitlegging van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 betreft, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van een Unierechtelijke bepaling kan relevante informatie voor de uitlegging ervan verschaffen (zie arresten van 2 september 2021, CRCAM, C‑337/20, EU:C:2021:671, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 25 januari 2017, Rusal Armenal/Raad, T‑512/09 RENV, EU:T:2017:26, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 In de eerste plaats blijkt uit de bewoordingen van artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009 dat „[w]anneer om redenen buiten de wil van de aanvrager blijkt dat de goedkeuring waarschijnlijk zal vervallen alvorens over de verlenging een beslissing is genomen, [...] overeenkomstig de in artikel 79, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure een besluit [wordt] vastgesteld waarbij het verstrijken van de termijn voor de goedkeuring lang genoeg wordt uitgesteld om de aanvraag te onderzoeken”. Artikel 17, derde alinea, van deze verordening bepaalt welke elementen in aanmerking moeten worden genomen wanneer de verlengingsperiode wordt vastgesteld, te weten „a) de tijd die nodig is om de gevraagde informatie te verstrekken; b) de tijd die nodig is om de procedure te voltooien; c) indien van toepassing, de noodzaak om zoals bepaald in artikel 18 een coherent werkprogramma op te stellen”.

54 Zo blijkt uit deze bepaling dat wanneer om redenen buiten de wil van de aanvrager blijkt dat de goedkeuring waarschijnlijk zal vervallen alvorens over de verlenging een beslissing is genomen, „een besluit [...] waarbij het verstrijken van de termijn voor de goedkeuring [...] wordt uitgesteld” wordt vastgesteld en dit „lang genoeg [...] om de aanvraag te onderzoeken”. Hoewel de formulering van deze bepaling niet uitsluit dat aan het einde van deze periode een nieuw verlengingsbesluit wordt vastgesteld, kan deze verlenging, die alleen bedoeld is om de verlengingsprocedure te kunnen afronden, slechts voorlopig zijn, zoals de Raad in zijn memorie in interventie uitlegt.

55 De duur van de verlengingsperiode moet derhalve worden aangepast aan de concrete omstandigheden van het geval en kan bijgevolg niet automatisch of zelfs systematisch worden toegepast.

56 Bovendien heeft artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 volgens de rechtspraak tot gevolg dat de procedure voor de verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof kan worden verlengd op grond van omstandigheden die zich in de loop van die procedure voordoen en die niet eerder bekend waren (arrest van 19 september 2019, Arysta LifeScience Netherlands/Commissie, T‑476/17, EU:T:2019:618, punt 104).

57 In de tweede plaats moet rekening worden gehouden met de context van de regel van artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009.

58 Deze regel maakt deel uit van de afdeling van verordening nr. 1107/2009 die betrekking heeft op de goedkeuring van werkzame stoffen.

59 Ten eerste kan een goedkeuring slechts worden verleend voor een periode van ten hoogste tien jaar (artikel 5 van verordening nr. 1107/2009), een beperking die overeenkomt met die van richtlijn 91/414 van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB 1991, L 230, blz. 1), die van kracht was toen dimoxystrobin werd goedgekeurd. Zoals in overweging 15 van verordening nr. 1107/2009 is uiteengezet, is de goedkeuringsperiode voor werkzame stoffen met het oog op de veiligheid beperkt in de tijd en moet die periode in verhouding staan tot de mogelijke risico’s die aan het gebruik van dergelijke stoffen verbonden zijn. Een verlenging geldt voor een periode van ten hoogste vijftien jaar (artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1107/2009).

60 Hieruit volgt dat de wetgever heeft voorzien in beperkte goedkeurings- en verlengingsperioden om te voorkomen dat werkzame stoffen die onaanvaardbare risico’s in de zin van artikel 4 van verordening nr. 1107/2009 zouden opleveren, op de markt blijven. De verwezenlijking van dat doel, in het licht van het voorzorgsbeginsel, vereist dat de stoffen periodiek opnieuw worden beoordeeld, zoals de Commissie terecht benadrukt wanneer zij de periodieke aanpak van verordening nr. 1107/2009 uitlegt.

61 Ten tweede moet de verlengingsaanvraag uiterlijk drie jaar voor het verstrijken van de termijn voor de goedkeuring, worden ingediend (artikel 15 van verordening nr. 1107/2009). Deze termijn wordt dus geacht in beginsel te volstaan om deze procedure te voltooien en een besluit over de verlenging van de goedkeuring vast te stellen, en tegelijkertijd de doeltreffendheid van de in punt 60 hierboven in herinnering gebrachte periodieke aanpak te waarborgen.

62 Daartoe heeft artikel 19 van verordening nr. 1107/2009 de Commissie de bevoegdheid verleend om bij uitvoeringsverordening de nodige bepalingen vast te stellen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure.

63 Aldus is uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in verordening nr. 1107/2009 (PB 2012, L 252, blz. 26) vastgesteld, die met name voorziet in termijnen voor de verschillende stappen van de verlengingsprocedure om ervoor te zorgen dat zij naar behoren functioneert (overweging 3). Deze verordening heeft tot doel uitvoering te geven aan de reeds in verordening nr. 1107/2009 opgenomen regels en tegelijkertijd uniforme toepassingsvoorwaarden in de Unie te waarborgen.

64 In het bijzonder bevatten de artikelen 1 tot en met 8 van uitvoeringsverordening nr. 844/2012 regels betreffende de ontvankelijkheid van de door een producent van de werkzame stof bij een lidstaat ingediende aanvraag en voorzien zij in bepaalde termijnen voor deze eerste fase van de procedure. Overeenkomstig artikel 3 van deze verordening wordt deze aanvraag eerst geverifieerd door de lidstaat-rapporteur, die zich ervan vergewist dat zij uiterlijk op de in artikel 1, lid 1, eerste alinea, vastgestelde datum is ingediend en alle in artikel 2 van die verordening bedoelde elementen bevat. Meer in het bijzonder moet de verlengingsaanvraag volgens artikel 2, lid 2, van die verordening een lijst bevatten van de nieuwe informatie die de aanvrager voornemens is in te dienen en welke noodzakelijk is overeenkomstig artikel 15, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009. Vervolgens dient de aanvrager overeenkomstig artikel 6 van deze verordening, na ontvangst van het bevestigende antwoord van de lidstaat-rapporteur op deze verificatie, de aanvullende dossiers in bij de lidstaat-rapporteur, de lidstaat-corapporteur, de Commissie en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA). Wanneer de aanvullende dossiers tijdig zijn ingediend en alle noodzakelijke elementen bevatten, stelt de lidstaat-rapporteur tot slot overeenkomstig artikel 8 van die uitvoeringsverordening de aanvrager, de lidstaat-corapporteur, de Commissie en EFSA in kennis van de datum van ontvangst van de aanvullende dossiers en van de ontvankelijkheid van de aanvraag.

65 Evenzo beschrijven de artikelen 11 tot en met 14 van uitvoeringsverordening nr. 844/2012 de procedure voor de beoordeling van de aanvraag tot verlenging van de goedkeuring van een werkzame stof en voorzien zij in specifieke termijnen waarbinnen de verschillende bij de procedure betrokken actoren hun verslag of conclusies moeten opstellen en indienen. Om te beginnen stelt de lidstaat-rapporteur, na raadpleging van de lidstaat-corapporteur, een verslag op en dient dit met kopie aan EFSA in bij de Commissie. In dit verslag wordt beoordeeld of de werkzame stof naar verwachting zal voldoen aan de goedkeuringscriteria, vastgesteld in artikel 4 van verordening nr. 1107/2009 (artikel 11 van uitvoeringsverordening nr. 844/2012). Nadat EFSA het ontwerpevaluatieverslag van de lidstaat-rapporteur heeft ontvangen, zendt zij dat verslag door naar de aanvrager en de andere lidstaten (artikel 12 van uitvoeringsverordening nr. 844/2012). Nadat de termijn voor het indienen van de schriftelijke opmerkingen is verstreken, stelt EFSA in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van de richtsnoeren die op de datum van indiening van de aanvullende dossiers van toepassing zijn een conclusie vast over de vraag of de werkzame stof naar verwachting aan de goedkeuringscriteria van artikel 4 van verordening nr. 1107/2009 zal voldoen. EFSA voert zo nodig overleg met deskundigen, onder wie deskundigen van de lidstaat-rapporteur en de lidstaat-corapporteur. Zij deelt haar conclusie mee aan de aanvrager, de lidstaten en de Commissie, en maakt die toegankelijk voor het publiek (artikel 13 van uitvoeringsverordening nr. 844/2012). Ten slotte legt de Commissie, na ontvangst van de conclusie van EFSA en rekening houdend met het door de lidstaat-rapporteur opgestelde ontwerpbeoordelingsverslag, de opmerkingen van de aanvrager en de andere lidstaten en de conclusie van EFSA, een zogeheten „verlengingsverslag” en een ontwerpverordening voor aan het permanent comité. De aanvrager krijgt de mogelijkheid om opmerkingen over het verlengingsverslag in te dienen (artikel 14, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 844/2012). Op grond van het verlengingsverslag en rekening houdend met de door de aanvrager ingediende opmerkingen, stelt de Commissie een verordening vast overeenkomstig artikel 20, lid 1, van verordening nr. 1107/2009 (artikel 14, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 844/2012).

66 Alleen voor de laatste fase van de procedure van artikel 14, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 844/2012, die betrekking heeft op de vaststelling van de verordening tot verlenging van de goedkeuring overeenkomstig artikel 20, lid 1, van verordening nr. 1107/2009, is geen termijn gesteld.

67 Hieruit volgt dat bij de uitvoering van de verlengingsprocedure precieze termijnen gelden (zie in die zin arrest van 19 september 2019, Arysta LifeScience Netherlands/Commissie, T‑476/17, EU:T:2019:618, punt 103). Dat deze termijnen worden opgelegd en moeten worden nageleefd is overigens in overeenstemming met het vereiste dat de gehele procedure niet langer dan drie jaar mag duren, zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 844/2012 (arrest van 9 december 2021, Agrochem-Maks/Commissie, C‑374/20 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:990, punt 82).

68 De inachtneming van deze termijnen en van het vereiste van een snelle procedure is des te belangrijker daar een op grond van artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009 vastgestelde uitvoeringsverordening, waarbij de goedkeuringsperiode van de betrokken werkzame stof voor een bepaalde periode wordt verlengd, dezelfde gevolgen heeft als een uitvoeringsverordening die de initiële goedkeuring verleent voor een dergelijke stof uit hoofde van artikel 13, lid 2, van die verordening of als een verordening tot verlenging van de goedkeuring uit hoofde van artikel 20 van die verordening (zie in die zin arrest van 27 september 2018, Mellifera/Commissie, T‑12/17, EU:T:2018:616, punten 57 en 58).

69 Derhalve moet worden geoordeeld dat artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 voorziet in een mechanisme dat bij wijze van uitzondering moet worden toegepast wanneer aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan. Een systematische toepassing van dit mechanisme in procedures voor de verlenging van de goedkeuring van een werkzame stof is dus niet verenigbaar met de vereisten van verordening nr. 1107/2009 en, meer in het algemeen, met de geest van deze verordening.

70 Integendeel, telkens wanneer de Commissie een goedkeuringsperiode verlengt, moet zij het concrete geval beoordelen en rekening houden met de relevante elementen om te bepalen of deze verlenging „lang genoeg” is om de lopende beoordeling te voltooien.

71 Voorts laat artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 de Commissie een beoordelingsbevoegdheid om te bepalen of een verlenging „lang genoeg” is. Deze beoordelingsbevoegdheid is niet absoluut, maar wordt afgebakend door de derde alinea van dat artikel, waarin is bepaald welke elementen in aanmerking moeten worden genomen wanneer de verlengingsperiode wordt vastgesteld.

72 Artikel 17, eerste alinea, van verordening nr. 1107/2009 kan dan ook niet afzonderlijk worden gelezen en toegepast, maar moet worden gelezen en toegepast in samenhang met de bepalingen van de derde alinea, die een aanvulling daarop vormt. Dit verband tussen de eerste en de derde alinea van dit artikel blijkt met name uit de oorspronkelijke tekst van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad COM(2006) 388 definitief van de Commissie van 12 juli 2006 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, waarin de eerste en de tweede alinea van hetgeen thans artikel 17 van verordening nr. 1107/009 is, deel uitmaakten van dezelfde alinea, die onmiddellijk werd gevolgd door de alinea betreffende de duur van de verlenging. Daaruit blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was dat de elementen waarmee bij de vaststelling van de duur van de verlenging rekening moet worden gehouden, worden toegepast op de gevallen die nu onder artikel 17, eerste en tweede alinea, van die verordening vallen. Bovendien wordt, zoals de Raad terecht aanvoert, de duur van de verlengingsperiode bepaald door per geval rekening te houden met de concrete omstandigheden.

73 Ten derde ligt, zoals in de punten 46 tot en met 51 hierboven in herinnering is gebracht, het voorzorgsbeginsel ten grondslag aan alle bepalingen van verordening nr. 1107/2009.

74 In deze context moet de uitdrukking „lang genoeg” aldus worden opgevat dat zij vereist dat een periode wordt vastgesteld die niet korter of langer is dan nodig om de verlengingsprocedure voor elk individueel geval af te ronden.

75 In de derde plaats moet rekening worden gehouden met de doelstellingen van verordening nr. 1107/2009.

76 Verordening nr. 1107/2009 heeft volgens artikel 1, lid 3, ervan tot doel een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu te waarborgen en de werking van de interne markt te verbeteren door de regels voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, te harmoniseren en tegelijkertijd de landbouwproductie te verbeteren. De Commissie stelt dan ook terecht dat verordening nr. 1107/2009 meerdere doelstellingen heeft. Wanneer toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen worden verleend, moet de bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu evenwel voorrang hebben op de verbetering van de teelt van planten, zoals blijkt uit overweging 24 van verordening nr. 1107/2009.

77 Door de handhaving van een hoog niveau van bescherming van het milieu verplicht te stellen, geeft verordening nr. 1107/2009 uitvoering aan artikel 11 VWEU, dat bepaalt dat de eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling, en aan artikel 114, lid 3, VWEU, dat deze verplichting invult. Dit artikel bepaalt inderdaad dat de Commissie in haar voorstellen op het gebied van milieubescherming, gedaan uit hoofde van de onderlinge aanpassing van wettelijke bepalingen die de instelling en de werking van de interne markt betreffen, uitgaat van een hoog beschermingsniveau, daarbij in het bijzonder rekening houdend met alle nieuwe ontwikkelingen die op wetenschappelijke gegevens zijn gebaseerd en dat ook het Parlement en de Raad binnen hun respectieve bevoegdheden zullen trachten deze doelstelling te verwezenlijken. Aan deze bescherming moet voorrang worden verleend boven economische overwegingen, zodat zij, zelfs aanzienlijke, negatieve economische gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers kan rechtvaardigen (zie arrest van 17 maart 2021, FMC/Commissie, T‑719/17, EU:T:2021:143, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78 Hieruit volgt dat de Commissie, onder de verschillende doelstellingen van verordening nr. 1107/2009, bijzonder belang moet hechten aan de doelstelling om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu te waarborgen wanneer zij een procedure voor de verlenging van de goedkeuring van een werkzame stof beheert, a fortiori wanneer deze procedure het tijdskader voor het verloop ervan overschrijdt en zij krachtens artikel 17 van die verordening een verlenging van de goedkeuringsperiode toekent.

79 Uit het voorgaande kunnen de volgende beginselen worden afgeleid. Ten eerste is de verlenging van de goedkeuringstermijn voorlopig en uitzonderlijk van aard, en wordt deze toegestaan op grond van omstandigheden die zich tijdens de procedure zelf hebben voorgedaan en niet eerder bekend waren. Zij moet worden vastgesteld in het licht van de concrete omstandigheden van het geval en kan bijgevolg niet automatisch of systematisch worden toegepast. Ten tweede moet de duur van de verlenging voldoende lang zijn om de verlengingsaanvraag te kunnen onderzoeken. Bij de vaststelling van deze duur moet de Commissie rekening houden met de in artikel 17, derde alinea, van verordening nr. 1107/2009 bedoelde elementen en per geval beoordelen. Ten derde mag deze periode niet korter of langer zijn dan nodig is om de verlengingsprocedure af te ronden.

80 Ten vierde moet de Commissie, wanneer zij artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 wil toepassen, meer in het algemeen rekening houden met de totale duur van de verlengingsprocedure, teneinde zich ervan te vergewissen dat deze binnen redelijke grenzen blijft, gelet op het in punt 68 hierboven in herinnering gebrachte beginsel van een snelle procedure. In het bijzonder kan, gelet op de beperkte duur van een goedkeuring en de door de wetgever gekozen periodieke aanpak, die berust op een regelmatige herbeoordeling van de risico’s van werkzame stoffen, niet worden aanvaard dat de verlenging van de goedkeuringsperiode, die een voorlopig en uitzonderlijk karakter heeft, het mogelijk maakt een werkzame stof op de markt te houden gedurende een periode die aanzienlijk langer is dan die van de oorspronkelijke goedkeuring, omdat anders het bij die verordening ingevoerde verlengingsstelsel elk nuttig effect zou verliezen.

81 Aldus uitgelegd geeft artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 uitdrukking aan een afweging van de verschillende betrokken belangen die verenigbaar is met de doelstellingen van deze verordening en met het voorzorgsbeginsel. Enerzijds wordt rekening gehouden met de belangen die ervoor pleiten dat een stof die overeenkomstig de Unieregels is goedgekeurd, niet op onvoorzienbare wijze wordt verboden wegens vertragingen in het tijdschema van de verlengingsprocedure die buiten de wil van de aanvrager vallen.

82 Anderzijds is de toegestane verlenging slechts voorlopig, kan zij worden onderbroken door een besluit tot niet-verlenging of kunnen beperkingen worden gesteld aan het gebruik van de stoffen en mag zij vooral niet verder gaan dan wat nodig is, gelet op de omstandigheden van elk individueel geval.

83 In casu is de Commissie volgens het bestreden besluit van mening dat artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 haar verplicht om af te wijken van de algemene termijnen voor de goedkeuring van stoffen wanneer aan de voorwaarden van dit artikel is voldaan. De Commissie zet uiteen dat de bij opeenvolgende uitvoeringsverordeningen toegestane verlengingen van de goedkeuringsperiode van dimoxystrobin beperkt waren tot één jaar, aangezien zij heeft gekozen voor verlengingen van beperkte duur die indien nodig konden worden verlengd, in plaats van voor één verlenging voor een langere periode. Zoals is uiteengezet in een standaardoverweging in uitvoeringsverordening 2021/2068, wordt ook vermeld dat de verlengingsperiode een einde neemt indien tijdens de verlengingsperiode een verordening tot niet-verlenging zou worden vastgesteld.

84 Zo heeft de Commissie zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat was voldaan aan de criteria van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009, zonder evenwel de verschillende elementen van het concrete geval te onderzoeken om zich ervan te vergewissen dat zij een voldoende lange verlenging toepaste om de aanvraag tot verlenging van de goedkeuring van dimoxystrobin te kunnen onderzoeken.

85 Bovendien is de uitleg van de Commissie waarom zij heeft gekozen voor verlengingen van beperkte duur die indien nodig opnieuw kunnen worden verlengd, in plaats van voor één enkele verlenging voor een langere periode, niet in overeenstemming met de in de punten 79 en 80 uiteengezette beginselen. Uit deze beginselen volgt namelijk dat de verlengingsperiode in concreto en op basis van de nog te doorlopen fasen van de procedure moet worden berekend en niet verder gaat dan nodig is om de verlengingsprocedure af te ronden.

86 Bovendien verlengt uitvoeringsverordening 2021/2068 de goedkeuringsperiode voor dimoxystrobin voor de zesde opeenvolgende keer. Als gevolg van deze verlenging is de geldigheidsduur van deze werkzame stof, die aanvankelijk tien jaar bedroeg overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 1107/2009, verlengd tot meer dan zestien jaar en drie maanden. Deze duur overschrijdt meer dan tweemaal de periode van drie jaar waarin uitvoeringsverordening nr. 844/2012 voorziet om een verlengingsprocedure af te ronden. Niettemin heeft de Commissie zich in dit verband op het standpunt gesteld dat zij op grond van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 de goedkeuringsperiode voor dimoxystrobin zonder enige beperking in de tijd mocht verlengen, ongeacht de totale duur van de verlengingsprocedure.

87 Tevens moet worden opgemerkt dat uitvoeringsverordening 2021/2068 is vastgesteld in het kader van een aanvraag tot verlenging van een werkzame stof die de Commissie zelf heeft ingedeeld als „persistente en toxische” stof, die in aanmerking komt om te worden vervangen gelet op de hormoonontregelende eigenschappen ervan die schadelijk kunnen zijn voor de mens (zie punt 8 hierboven).

88 Wat de stoffen betreft die in aanmerking komen om te worden vervangen, bepaalt artikel 24 van verordening nr. 1107/2009 dat elke verlengingsperiode ten hoogste zeven jaar mag bedragen.

89 Na de zesde verlenging van de goedkeuringsperiode voor dimoxystrobin komt de totale duur van de verlenging op enkele maanden na dus overeen met de maximumduur van de verlenging van de goedkeuring waartoe na afloop van de betrokken verlengingsprocedure had kunnen worden besloten, gesteld dat aan de andere criteria was voldaan.

90 Door in het bestreden besluit te verklaren dat zij de goedkeuringsperiode van dimoxystrobin een zesde keer kon verlengen zonder rekening te houden met deze omstandigheden, is de Commissie voorbijgegaan aan het voorlopige en uitzonderlijke karakter van het mechanisme voor de verlenging van de goedkeuringsperiode van een werkzame stof en aan de vereisten van een snelle procedure waarin het voor de verlenging van een dergelijke goedkeuring ingevoerde systeem voorziet.

91 Hieruit volgt dat in het bestreden besluit sprake is van een onjuiste toepassing van het recht.

92 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de argumenten van de Commissie.

93 Ten eerste betoogt de Commissie terecht dat verordening nr. 1107/2009 meerdere doelstellingen heeft. Dit bevestigt en doet geen afbreuk aan de uitlegging van artikel 17 van de verordening zoals uiteengezet in punt 52 en volgende hierboven (zie met name punt 76 hierboven).

94 Ten tweede betoogt de Commissie dat de vaststelling van kritieke punten van zorg en leemtes in de gegevens over dimoxystrobin irrelevant is voor de toepassing van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 en dat de verlenging van de in artikel 17 van deze verordening bedoelde goedkeuringsperiode niet berust op materiële criteria.

95 Uit de lezing van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 blijkt inderdaad dat dit artikel geen overwegingen bevat die verband houden met inhoudelijke beoordelingen van de werkzame stoffen. De uitlegging van artikel 17 van deze verordening in de punten 54 tot en met 82 hierboven berust echter niet op dergelijke overwegingen. Voorts veronderstelt de verplichting om een concrete analyse te maken van de omstandigheden die het mogelijk maken de goedkeuringsperiode van een werkzame stof zoals dimoxystrobin te verlengen, met inbegrip van de aard van deze stof (zie punt 85 hierboven), evenmin een inhoudelijke beoordeling.

96 Deze argumenten van de Commissie zijn dus niet van invloed op het oordeel van het Gerecht.

97 Ten slotte kan evenmin worden ingestemd met het argument van CropLife Europe dat de door verzoekster voorgestelde uitlegging van artikel 17 van verordening nr. 1107/2009 in strijd is met de rechtszekerheid, omdat zij het verlengingsmechanisme willekeurig maakt. Ten eerste vloeit namelijk uit de tekst zelf van artikel 17 van deze verordening voort dat de Commissie verplicht is na te gaan of aan de criteria van dat artikel is voldaan, rekening houdend met de omstandigheden van het geval en met de aan deze verordening inherente vereisten van een snelle procedure.

98 Voorts is, zoals in de punten 81 en 82 hierboven is uiteengezet, bij de afweging van de verschillende in het geding zijnde belangen rekening gehouden met de rechtszekerheid, hetgeen in overeenstemming is met de doelstellingen van verordening nr. 1107/2009.

99 Gelet op een en ander is het tweede onderdeel van verzoeksters eerste middel gegrond.

100 Bijgevolg moet het bestreden besluit nietig worden verklaard voor zover het betrekking heeft op dimoxystrobin, zonder dat het eerste onderdeel van het eerste middel of het tweede middel hoeft te worden onderzocht.

Kosten

101 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van verzoekster te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van verzoekster.

102 Overeenkomstig artikel 138, leden 1 en 3, van het Reglement voor de procesvoering dragen het Parlement, de Raad en CropLife Europe hun eigen kosten.

HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1) Besluit Ares(2022)3275139 van de Commissie van 27 april 2022 tot afwijzing van het door Pesticide Action Network Europe (PAN Europe) ingediende verzoek tot interne herziening van uitvoeringsverordening (EU) 2021/2068 van de Commissie van 25 november 2021 tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur van de goedkeuring van de werkzame stoffen benfluralin, dimoxystrobin, fluazinam, flutolanil, mecoprop-P, mepiquat, metiram, oxamyl en pyraclostrobine wordt nietig verklaard voor zover het betrekking heeft op dimoxystrobin.

2) De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in de kosten van PAN Europe.

3) Het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en CropLife Europe dragen hun eigen kosten.

da Silva Passos Półtorak Reine

Pynnä Cassagnabère

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 november 2025.

ondertekeningen

* Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in