HvJ EU 14 juni 2016, C-566/14, ECLI:EU:C:2016:437
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
14 juni 2016 ( *1 )
„Hogere voorziening — Lid van het Europees Parlement — Vergoeding voor kosten van parlementaire bijstand — Terugvordering van het onverschuldigd betaalde — Invordering — Uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Parlement — Eerbiediging van de rechten van de verdediging — Beginsel van onpartijdigheid — Verjaring — Verordening (EU) nr. 966/2012 — Artikelen 78 tot en met 81 — Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 — Artikelen 81, 82 en 93 — Beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen — Redelijke termijn”
In zaak C‑566/14 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 6 december 2014,
Jean-Charles Marchiani, wonende te Toulon (Frankrijk), vertegenwoordigd door C.‑S. Marchiani, avocat,
rekwirant,
andere partij in de procedure:
Europees Parlement, vertegenwoordigd door G. Corstens en S. Seyr als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Tizzano, vicepresident, R. Silva de Lapuerta, M. Ilešič (rapporteur), J. L. da Cruz Vilaça, A. Arabadjiev, C. Toader, D. Šváby en F. Biltgen, kamerpresidenten, J.‑C. Bonichot, M. Safjan, E. Jarašiūnas, C. G. Fernlund, C. Vajda en S. Rodin, rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: V. Giacobbo-Peyronnel, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 december 2015,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 januari 2016,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn hogere voorziening vordert Jean‑Charles Marchiani vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 10 oktober 2014, Marchiani/Parlement (T‑479/13, niet gepubliceerd, EU:T:2014:866; hierna: „bestreden arrest”), waarbij is verworpen zijn beroep strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 4 juli 2013 betreffende de invordering van rekwirant van een bedrag van 107694,72 EUR (hierna: „litigieus besluit”) en van de erop betrekking hebbende debetnota nr. 2013‑807 van 5 juli 2013 (hierna: „litigieuze debetnota”).
Toepasselijke bepalingen
Recht van de Unie
Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012
2 Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB 2012, L 298, blz. 1), bepaalt in artikel 78, „Vaststelling van schuldvorderingen”: „1. De vaststelling van een schuldvordering is de handeling waarbij de bevoegde ordonnateur: a) het bestaan van de schuld van de debiteur verifieert; b) het bestaan en het bedrag van de schuld vaststelt of verifieert; c) de invorderbaarheid van de schuld verifieert. 2. De ter beschikking van de Commissie te stellen middelen [...] en elke als zeker, vaststaand en invorderbaar aangemerkte schuldvordering worden vastgesteld door middel van een invorderingsopdracht aan de rekenplichtige, gevolgd door een aan de debiteur gerichte debetnota, welke beide worden opgesteld door de bevoegde ordonnateur. 3. Ten onrechte betaalde bedragen worden teruggevorderd. 4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de vaststelling van schuldvorderingen, met inbegrip van procedure en bewijsstukken, en van achterstandsrente.”
3 Artikel 79 van die verordening, met het opschrift „Invorderingsopdrachten”, bepaalt in lid 1: „De opdracht tot invordering is de handeling waarbij de bevoegde ordonnateur de rekenplichtige, door afgifte van een invorderingsopdracht, opdraagt een schuldvordering die die bevoegde ordonnateur heeft vastgesteld in te vorderen.”
4 Artikel 80 van dezelfde verordening, „Regels betreffende de invordering”, bevat in lid 1 de volgende bepaling: „De rekenplichtige neemt de door de bevoegde ordonnateur naar behoren opgestelde invorderingsopdrachten in behandeling. De rekenplichtige is gehouden zorg te dragen voor het innen van de ontvangsten van de Unie en toe te zien op het behoud van de rechten van de Unie. De rekenplichtige gaat over tot invordering door verrekening van de schuldvorderingen van de Unie wanneer de debiteur zelf een vordering op de Unie heeft. Deze vorderingen zijn zeker, vaststaand en invorderbaar.”
5 Artikel 81 van verordening nr. 966/2012, met als opschrift „Verjaringstermijn”, bepaalt: „1. Onverminderd de bijzondere verordeningen en de toepassing van [besluit 207/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende de eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB 2007, L 163, blz. 17)] geldt voor vorderingen van de Unie op derden en vorderingen van derden op de Unie een verjaringstermijn van vijf jaar. 2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 210 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende nadere bepalingen inzake de verjaringstermijn.”
6 De formulering van artikel 81, lid 1, van verordening nr. 966/2012 is gelijk aan die van artikel 73 bis van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 248, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 1995/2006 van de Raad van 13 december 2006 (PB 2006, L 390, blz. 1).
Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012
7 Artikel 81 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening nr. 966/2012 (PB 2012, L 362, blz. 1) bevat de volgende bepaling: „Om een schuldvordering vast te stellen, vergewist de bevoegde ordonnateur zich van: a) het zekere karakter van de schuldvordering, waaraan geen voorwaarden verbonden mogen zijn; b) het vaststaande karakter van de schuldvordering, waarvan het bedrag nauwkeurig in geld moet worden uitgedrukt; c) het invorderbare karakter van de schuldvordering, waaraan geen termijn verbonden mag zijn; d) de juiste aanduiding van de debiteur; e) de juistheid van de aanwijzing van de te innen bedragen op de begroting; f) de regelmatigheid van de bewijsstukken, en g) de overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer, met name volgens de in artikel 91, lid 1, onder a), bedoelde criteria.”
8 Artikel 82, leden 1 en 2, van die gedelegeerde verordening luidt: „1. Elke vaststelling van een schuldvordering berust op bewijsstukken met betrekking tot de rechten van de Unie. 2. Voordat hij een schuldvordering vaststelt, onderzoekt de bevoegde ordonnateur de bewijsstukken persoonlijk of verifieert hij onder eigen verantwoordelijkheid dat dit onderzoek is verricht.”
9 Artikel 93 van voormelde gedelegeerde verordening, „Regels inzake verjaring”, bepaalt het volgende: „1. De verjaringstermijn van schuldvorderingen van de Unie op derden begint te lopen bij het verstrijken van de termijn die de debiteur in de in artikel 80, lid 3, onder b), bedoelde debetnota wordt meegedeeld. De verjaringstermijn van schuldvorderingen van derden op de Unie begint te lopen op de datum waarop de schuldvordering van de betrokken derde krachtens de onderliggende juridische verbintenis opeisbaar is. [...] 6. Na het verstrijken van de in de leden 1 tot en met 5 bedoelde verjaringstermijn, worden de schuldvorderingen niet meer geïnd.”
10 De formulering van artikel 93, lid 1, van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012 stemt overeen met die van artikel 85 ter, lid 1, van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening nr. 1605/2002 (PB 2002, L 357, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 478/2007 van de Commissie van 23 april 2007 tot wijziging van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening nr. 1605/2002 (PB 2007, L 111, blz. 13).
Regeling inzake de kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement
11 Artikel 27, lid 3, van de regeling inzake de kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement (hierna: „regeling KVL”) bepaalde in de tot 14 juli 2009 geldende versie: „Indien de secretaris-generaal na overleg met de quaestoren ervan overtuigd is dat in het kader van de vergoedingen van de leden waarin onderhavige regeling voorziet, ten onrechte bedragen betaald zijn, geeft hij instructies om deze bedragen op het lid te verhalen.”
12 Het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 19 mei en 9 juli 2008 houdende de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PB 2009, C 159, blz. 1), in de na 21 oktober 2010 geldende versie (PB 2010, C 283, blz. 9) (hierna: „uitvoeringsbepalingen”), bepaalt in artikel 68, met het opschrift „Terugvordering van onverschuldigd uitgekeerde bedragen”: „1. Bedragen die ter uitvoering van onderhavige uitvoeringsbepalingen onverschuldigd zijn uitgekeerd, worden teruggevorderd. De secretaris-generaal geeft instructies teneinde deze bedragen onder het betrokken lid terug te vorderen. 2. Bij het besluit tot terugvordering wordt erop toegezien dat het lid zijn ambt goed kan blijven uitoefenen en het Parlement goed kan blijven functioneren. Alvorens dit besluit te nemen, wordt het betrokken lid door de secretaris-generaal gehoord. 3. Onderhavig artikel is eveneens van toepassing op voormalige leden en derden.”
13 Titel III van voormelde uitvoeringsbepalingen, met het opschrift „Algemene en slotbepalingen”, bevat in hoofdstuk IV, „Slotbepalingen”, artikel 72, betreffende „Betwisting”, dat het volgende bepaalt: „1. Een lid dat van mening is dat deze uitvoeringsbepalingen door de ter zake bevoegde dienst jegens hem niet correct zijn toegepast, kan zich schriftelijk tot de secretaris-generaal wenden. In het besluit dat de secretaris-generaal naar aanleiding van de klacht neemt worden de gronden vermeld waarop het is gebaseerd. 2. Een lid dat het niet eens is met het besluit van de secretaris-generaal kan binnen twee maanden na bekendmaking van het besluit van de secretaris-generaal verzoeken om doorverwijzing van de kwestie naar de quaestoren, die na raadpleging van de secretaris-generaal een besluit nemen. 3. Indien een partij bij de klachtenprocedure het niet eens is met het besluit van de quaestoren, dan kan hij of zij binnen twee maanden na bekendmaking van dit besluit verzoeken om doorverwijzing naar het Bureau, dat het uiteindelijke besluit neemt. 4. Dit artikel is eveneens van toepassing op de rechtsopvolger van een lid alsmede op voormalige leden en hun rechtsopvolgers.”
14 Artikel 74 van de uitvoeringsbepalingen luidt: „Met uitzondering van de overgangsbepalingen van titel IV wordt de regeling KVL ingetrokken op de dag dat het statuut in werking treedt.”
Voorgeschiedenis van het geding
15 Marchiani is afgevaardigde in het Parlement geweest tussen 20 juli 1999 en 19 juni 2004. Tussen 2001 en 2004 heeft hij gebruikgemaakt van de diensten voor parlementaire bijstand van mevrouw T. en van de heer T. alsook, tussen 2002 en 2004, van die van mevrouw B. Op 30 september 2004 heeft een onderzoeksrechter in de Tribunal de grande instance de Paris (arrondissementsrechtbank Parijs, Frankrijk) de voorzitter van het Parlement ervan in kennis gesteld dat de werkzaamheden die mevrouw T. en de heer T. tussen 2001 en 2004 hadden verricht, mogelijkerwijs geen reëel verband hielden met de functies van parlementair assistent.
16 Bij besluit van 4 maart 2009 heeft de secretaris-generaal van het Parlement (hierna: „secretaris-generaal”) na een procedure op tegenspraak en na op 14 januari 2009 de quaestoren te hebben geraadpleegd, geconstateerd dat een bedrag van 148160,27 EUR ten onrechte aan rekwirant was betaald in het kader van artikel 14 van de regeling KVL en heeft hij de ordonnateur van het Parlement gevraagd, de voor de terugvordering van dat bedrag noodzakelijke maatregelen te treffen.
17 Diezelfde dag heeft de ordonnateur van het Parlement rekwirant een debetnota gezonden waarin het bedrag van 148160,27 EUR werd teruggevorderd.
18 Op 14 augustus 2009 heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), waaraan de secretaris-generaal op 21 oktober 2008 het dossier betreffende de betrokken onregelmatigheden had overgelegd, het Parlement en rekwirant meegedeeld dat een onderzoek zou worden ingesteld.
19 Op 14 oktober 2011 heeft OLAF, na een onderzoek te hebben ingesteld en rekwirant op 6 juli 2011 te hebben gehoord, het Parlement een kopie van zijn eindverslag betreffende het onderzoek (hierna: „verslag van OLAF”) overhandigd. Daarin wordt geconstateerd dat rekwirant ten onrechte vergoedingen voor de door mevrouw T., de heer T. en mevrouw B. uitgeoefende functies heeft ontvangen en wordt het Parlement aanbevolen de nodige stappen te ondernemen om de verschuldigde bedragen in te vorderen. Op 25 oktober 2011 heeft OLAF rekwirant ervan in kennis gesteld dat het onderzoek was afgesloten.
20 Op 28 mei 2013 heeft de secretaris-generaal op de grondslag van het verslag van OLAF rekwirant op basis van artikel 27, lid 3, van de regeling KVL meegedeeld dat alle bedragen die door het Parlement waren betaald in verband met mevrouw T., de heer T. en mevrouw B. zouden worden ingevorderd en heeft hij rekwirant verzocht zijn opmerkingen dienaangaande kenbaar te maken.
21 Op 25 juni 2013 is rekwirant op een hoorzitting gehoord door de secretaris-generaal. Op 27 juni 2013 heeft rekwirant de secretaris-generaal een verslag van de hoorzitting gestuurd. De quaestoren zijn op 2 juli 2013 door de secretaris-generaal gehoord.
22 In het litigieuze besluit heeft de secretaris-generaal vastgesteld dat, terwijl het besluit van 4 maart 2009 de invordering van een bedrag van 148160,27 EUR vermeldde, een aanvullend bedrag van 107694,72 EUR ten onrechte aan rekwirant was betaald, en heeft hij de ordonnateur van het Parlement gevraagd de voor de invordering van dit laatste bedrag noodzakelijke maatregelen te treffen. In hoofdzaak heeft de secretaris-generaal geoordeeld dat rekwirant niet had aangetoond dat mevrouw T., de heer T. en mevrouw B. werkzaam waren geweest als parlementair assistent.
23 Met de constatering dat uit hoofde van vergoedingen voor parlementaire bijstand een totaalbedrag van 255854,99 EUR was betaald, waarvan een deel voorwerp was van het besluit van 4 maart 2009, wordt in het litigieuze besluit geconcludeerd dat een bedrag van 107694,72 EUR niet met de regeling KVL strookt en moet worden ingevorderd. Op 5 juli 2013 heeft de ordonnateur van het Parlement de litigieuze debetnota uitgereikt waarbij de invordering van 107694,72 EUR vóór 31 augustus 2013 werd gelast.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
24 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 september 2013 heeft rekwirant beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en van de litigieuze debetnota.
25 Tot staving van zijn beroep voerde rekwirant vijf middelen aan, waarvan het eerste was ontleend aan schending van de procedure waarin de uitvoeringsbepalingen voorzien en van de beginselen van hoor en wederhoor en eerbiediging van de rechten van verweer, het tweede aan onjuiste toepassing van de regeling KVL, het derde aan onjuiste beoordeling van de bewijsstukken, het vierde aan een gebrek aan onpartijdigheid van de secretaris-generaal en het vijfde aan verjaring van de bedragen waarop de invordering betrekking heeft. Aangezien naar zijn oordeel de betrokken bedragen verjaard waren en de ondertekenaar van de litigieuze debetnota niet had aangetoond de hoedanigheid te bezitten van ordonnateur, heeft rekwirant het Gerecht mede verzocht die debetnota nietig te verklaren.
26 In het bestreden arrest heeft het Gerecht, zonder uitspraak te doen op de door het Parlement opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid van het beroep, rekwirants beroep ongegrond verklaard.
Conclusies van partijen in de hogere voorziening
27 Marchiani verzoekt het Hof het bestreden arrest te vernietigen.
28 Het Parlement verzoekt het Hof: — de hogere voorziening af te wijzen, en — rekwirant te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
29 Tot staving van zijn hogere voorziening voert rekwirant vijf middelen aan.
30 Het Parlement betoogt primair dat de hogere voorziening in al haar onderdelen niet-ontvankelijk is. Subsidiair voert het Parlement aan dat de tot staving van de hogere voorziening aangevoerde middelen ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond zijn.
Ontvankelijkheid van de hogere voorziening in al haar onderdelen
31 Het Parlement betoogt dat de hogere voorziening in al haar onderdelen niet-ontvankelijk is op grond dat rekwirant in hoofdzaak de middelen en argumenten die hij reeds voor het Gerecht heeft aangevoerd herhaalt, zonder te komen met argumenten die specifiek betrekking hebben op de door het Gerecht in het bestreden arrest gevolgde redenering.
32 Dienaangaande moet echter worden vastgesteld dat het betoog van het Parlement algemeen is geformuleerd en in het geheel niet wordt onderbouwd door een nauwkeurige analyse van de door rekwirant in het kader van zijn hogere voorziening aangevoerde argumenten.
33 In die omstandigheden moet de exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen voor zover zij is gericht tegen de hogere voorziening in alle onderdelen.
34 Met de vaststelling in het voorgaande punt wordt echter geenszins vooruitgelopen op het onderzoek van de ontvankelijkheid van bepaalde middelen afzonderlijk beschouwd (zie in die zin arrest van 11 juli 2013, Frankrijk/Commissie, C‑601/11 P, EU:C:2013:465, punten 70, 71 en 73).
Eerste middel
Argumenten van partijen
35 Met zijn eerste middel, dat uit zes onderdelen bestaat, betoogt rekwirant in hoofdzaak dat het Gerecht zich bij de toepassing van de uitvoeringsbepalingen schuldig heeft gemaakt aan een onjuiste rechtsopvatting, het bestreden arrest op tegenstrijdige overwegingen heeft gebaseerd en het beginsel van eerbiediging van de rechten van verweer niet in acht heeft genomen.
36 Het Parlement antwoordt dat het eerste, het vijfde en het zesde onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk zijn aangezien rekwirant met die onderdelen enkel, zonder specifiek in te gaan op de motivering van het Gerecht in het bestreden arrest, zijn voor het Gerecht aangevoerde argumenten herhaalt. Voor het overige is dat middel ten dele niet ter zake dienend en ten dele ongegrond.
Beoordeling door het Hof
37 Aangaande de door het Parlement ingeroepen niet-ontvankelijkheid van het eerste, het vijfde en het zesde onderdeel van het eerste middel zij in herinnering gebracht dat wanneer een partij de uitlegging of de toepassing van het recht van de Unie door het Gerecht betwist, de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw kunnen worden behandeld. De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele haar betekenis verliezen, indien een partij op die manier haar hogere voorziening niet kon baseren op middelen en argumenten die reeds zijn aangevoerd voor het Gerecht (zie onder meer arrest van 21 september 2010, Zweden e.a./API en Commissie, C‑514/07 P, C‑528/07 P en C‑532/07 P, EU:C:2010:541, punt 116).
38 In casu vertonen sommige passages van het door rekwirant in het kader van het eerste middel geformuleerde betoog weliswaar een gebrek aan nauwkeurigheid, maar uit de hogere voorziening blijkt duidelijk dat de in het kader van het eerste, het vijfde en het zesde onderdeel van dat middel aangevoerde argumenten ertoe strekken aan te tonen dat het Gerecht zich bij de toepassing van de uitvoeringsbepalingen schuldig heeft gemaakt aan onjuiste toepassing van het recht en de rechten van verweer van rekwirant heeft geschonden. Die onderdelen zijn dus ontvankelijk.
39 Met het eerste onderdeel van zijn eerste middel betoogt rekwirant dat het Gerecht voorbij is gegaan aan de uitdrukkelijke bewoordingen van artikel 68, lid 3, van de uitvoeringsbepalingen, waarin wordt gepreciseerd dat deze bepaling eveneens van toepassing is op voormalige leden en op derden, door te oordelen dat die uitvoeringsbepalingen niet van toepassing waren op de invorderingsprocedure tegen rekwirant, terwijl toch vaststaat dat deze laatste voormalig lid is.
40 In dit verband volgt uit artikel 68, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen dat „[b]edragen die ter uitvoering van onderhavige uitvoeringsbepalingen onverschuldigd zijn uitgekeerd, worden teruggevorderd”. Dit lid preciseert daarmee het toepassingsgebied van voormeld artikel 68 door het te beperken tot de invordering van ter uitvoering van die uitvoeringsbepalingen uitgekeerde bedragen. Het staat echter vast dat de thans aan de orde zijnde bedragen aan rekwirant zijn uitgekeerd krachtens de regeling KVL en niet op grond van de uitvoeringsbepalingen, die in werking zijn getreden na de litigieuze betalingen. Bijgevolg heeft het Gerecht zich niet schuldig gemaakt aan een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 27 en 28 van het bestreden arrest de toepasselijkheid van artikel 68 van de uitvoeringsbepalingen op het onderhavige geval uit te sluiten, waarbij de omstandigheid dat die bepaling verwijst naar voormalige leden irrelevant is.
41 Voorts moet worden opgemerkt dat volgens artikel 72, leden 1, 3 en 4, van de uitvoeringsbepalingen deze bepaling ertoe strekt, te voorzien in een bezwaarprocedure op grond waarvan de secretaris-generaal klachten van leden en van voormalige leden alsook van hun rechthebbenden betreffende de toepassing van die maatregelen jegens hen kan behandelen. Aangezien het Gerecht op goede gronden heeft geoordeeld dat de jegens rekwirant ingeleide procedure tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen niet was gebaseerd op artikel 68 van de uitvoeringsbepalingen, moet worden geconstateerd dat ieder bezwaar van rekwirant betreffende het verloop van die procedure niet als een klacht in de zin van dat artikel 72 kan worden beschouwd.
42 Hieruit volgt dat het Gerecht zich niet schuldig heeft gemaakt aan een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 27, 28 en 31 van het bestreden arrest de toepasselijkheid van de uitvoeringsbepalingen op de procedure tot invordering van de in het onderhavige geval aan de orde zijnde schuldvorderingen uit te sluiten.
43 In die omstandigheden moet ook worden verworpen het vijfde onderdeel van dat middel, waarmee wordt betoogd dat het Gerecht zich schuldig heeft gemaakt aan een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het litigieuze besluit kon worden vastgesteld op basis van de artikelen 78 tot en met 80 van verordening nr. 966/2012, terwijl enkel de uitvoeringsbepalingen hadden moeten worden toegepast op de procedure tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen jegens een voormalig lid.
44 De enkele omstandigheid dat de artikelen 78 tot en met 80 van verordening nr. 966/2012 niets specifiek bepalen voor de procedure tot invordering van schuldvorderingen bij leden van het Europees Parlement, maar betrekking hebben op de vaststelling van schuldvorderingen van de Unie en de invorderingsopdrachten, zoals het Gerecht in punt 31 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, kan immers niet ertoe leiden dat de uitvoeringsbepalingen toepasselijk worden ook al is dat in strijd met hun materiële draagwijdte.
45 Het eerste en het vijfde onderdeel van het eerste middel kunnen dan ook niet worden aanvaard.
46 Aangaande het tweede en het vierde onderdeel van het eerste middel, die zijn ontleend aan beweerde tegenstrijdige motivering van het bestreden arrest voor wat de toepasselijkheid van artikel 68 van de uitvoeringsbepalingen en de regeling KVL op het onderhavige geval betreft, moet worden vastgesteld dat zij op onjuiste lezing van het bestreden arrest berusten.
47 Na in de punten 27 en 28 van het bestreden arrest te hebben geoordeeld dat de uitvoeringsbepalingen niet van toepassing waren op de tegen rekwirant ingeleide procedure, heeft in de eerste plaats het Gerecht immers in punt 29 van dat arrest duidelijk te kennen gegeven dat het rekwirants argumenten inzake onjuiste toepassing van de artikelen 68 en 72 van de uitvoeringsbepalingen zou onderzoeken „los van de vraag of de onverschuldigd betaalde bedragen moesten worden teruggevorderd op basis van de uitvoeringsbepalingen” en „in de veronderstelling dat de uitvoeringsbepalingen van toepassing waren”. Hieruit volgt dat het Gerecht het bestreden arrest niet tegenstrijdig heeft gemotiveerd met betrekking tot de toepasselijkheid op het onderhavige geval van voormeld artikel 68, voor zover het – ten overvloede – heeft onderzocht of de uitvoeringsbepalingen niet in acht waren genomen.
48 In de tweede plaats volgt uit het bestreden arrest dat het Gerecht in punt 27 van dat arrest heeft vastgesteld dat zo de uitkering van de betrokken bedragen, die heeft plaatsgevonden tussen 2001 en 2004, is geschied op basis van de regeling KVL, deze regeling, zoals het Gerecht in punt 30 van datzelfde arrest opmerkt, is ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van besluit 2005/684/EG, Euratom van het Europees Parlement van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PB 2005, L 262, blz. 1). In die omstandigheden heeft het Gerecht in punt 31 van het bestreden arrest op goede gronden geoordeeld, zonder dat zijn arrest daardoor enige tegenstrijdigheid bevat, dat de procedure tot invordering van de onverschuldigd betaalde bedragen, in de context waarvan het litigieuze besluit is vastgesteld in 2013, niet kon zijn gebaseerd op de regeling KVL.
49 Aangezien het Gerecht voor het overige, zoals uit de punten 40 tot en met 44 van het onderhavige arrest volgt, terecht heeft geoordeeld dat de uitvoeringsbepalingen op het onderhavige geval niet van toepassing waren, moet voorts worden vastgesteld dat het derde en het vierde onderdeel van het eerste middel van rekwirant, doordat zij zijn ontleend aan onjuiste uitlegging van de wisselwerking tussen de artikelen 68 en 72 van die uitvoeringsbepalingen, alsook aan een onjuiste opvatting van de inhoud van de brief van 27 juni 2013, die volgens rekwirant had moeten worden beschouwd als een klacht in de zin van bedoeld artikel 72, zijn gericht tegen in het bestreden arrest ten overvloede gegeven overwegingen en overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest (zie arresten van 21 december 2011, Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran, C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punt 79, en van 13 februari 2014, Hongarije/Commissie, C‑31/13 P, EU:C:2014:70, punt 82).
50 Gelet op het voorgaande moeten het tweede, het derde en het vierde onderdeel van het eerste middel worden verworpen.
51 Met betrekking tot ten slotte het zesde onderdeel van dat middel, betreffende de onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij zijn beoordeling van de beweerde niet-eerbiediging door het Parlement van de rechten van verweer van rekwirant, zij in herinnering gebracht dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van verweer, in iedere tegen een persoon ingeleide procedure die tot een bezwarende handeling kan leiden, een algemeen beginsel van Unierecht vormt dat ook bij gebreke van specifieke regelgeving dienaangaande toepassing vindt. Dit beginsel verlangt dat wanneer besluiten de belangen van de adressaten aanmerkelijk beïnvloeden, deze laatsten in staat moeten worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over hetgeen als grond voor die besluiten tegen hen wordt ingebracht (zie in die zin arresten van 12 februari 1992, Nederland e.a./Commissie, C‑48/90 en C‑66/90, EU:C:1992:63, punten 44 en 45; van 24 oktober 1996, Commissie/Lisrestal e.a., C‑32/95 P, EU:C:1996:402, punt 30, en van 9 juni 2005, Spanje/Commissie, C‑287/02, EU:C:2005:368, punt 37).
52 Met dat onderdeel verwijt rekwirant het Gerecht dat het in punt 37 van het bestreden arrest ten onrechte heeft overwogen dat de niet-mededeling van haar brief van 27 juni 2013 aan de quaestoren haar rechten van verweer niet heeft aangetast, aangezien die quaestoren hun advies hebben gegeven zonder het standpunt van rekwirant te kennen.
53 In dit verband volgt uit de punten 32 tot en met 39 van het bestreden arrest dat het Gerecht heeft onderzocht of, bij gebreke van een in verordening nr. 966/2012 neergelegde specifieke procedure voor terugvordering van het onverschuldigd betaalde, de rechten van verweer van rekwirant waren geëerbiedigd in de procedure die tot vaststelling van het litigieuze besluit heeft geleid. In punt 33 van het bestreden arrest heeft het Gerecht, zonder dat rekwirant dit in zijn hogere voorziening opnieuw aan de orde heeft gesteld, geconstateerd dat vóór de vaststelling van het litigieuze besluit „de secretaris-generaal [rekwirant] heeft gehoord en de quaestoren heeft geraadpleegd”.
54 Rekwirant roept evenmin de onjuistheid in van de feitelijke beoordeling door het Gerecht in punt 36 van het bestreden arrest, volgens welke, anders dan hij betoogde voor Gerecht, de quaestoren zich niet hebben uitgesproken in de procedure die tot vaststelling van het litigieuze besluit heeft geleid, maar enkel zijn geraadpleegd, waarbij hun advies niet bindend was voor de secretaris-generaal bij de vaststelling van dat besluit.
55 Zoals het Gerecht overigens heeft vastgesteld in punt 37 van het bestreden arrest, zonder dat rekwirant deze beoordeling in zijn hogere voorziening ter discussie heeft gesteld, heeft het Parlement weliswaar toegegeven dat de brief 27 juni 2013 niet aan de quaestoren is meegedeeld, maar vormt die brief slechts een – door rekwirant opgesteld – verslag van zijn hoorzitting voor de secretaris-generaal. Nu er geen aanvullende factoren zijn waaruit blijkt dat het feit dat die brief niet aan de quaestoren is meegedeeld in het kader van hun raadpleging, zou indruisen tegen de in punt 51 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereisten in verband met de eerbiediging van de rechten van verweer van rekwirant, moet worden geconstateerd dat het Gerecht op goede gronden het argument dat rekwirant aan schending van zijn rechten van verweer ontleent terzijde heeft gelegd. Het zesde onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening moet dan ook worden verworpen.
56 Gelet op een en ander moet het eerste middel in zijn geheel worden verworpen.
Tweede middel
Argumenten van partijen
57 Met zijn tweede middel voert rekwirant aan dat het Gerecht zich schuldig heeft gemaakt aan een onjuiste rechtsopvatting door in punt 54 van het bestreden arrest te oordelen dat de bewijslast voor het gebruik van de vergoeding voor parlementaire bijstand overeenkomstig de regeling KVL in het kader van de procedure tot invordering van die vergoedingen op rekwirant rustte en niet op het Parlement. Het Gerecht had moeten erkennen dat aangezien rekwirant voor de toekenning van die vergoeding op het moment van zijn aanvraag aan de voorwaarden van die regeling zou hebben voldaan, en het litigieuze besluit is vastgesteld meer dan negen jaar na het einde van rekwirants mandaat, de bewijslast op het Parlement rustte.
58 Het Parlement betoogt dat aangezien dit middel is ontleend aan onjuiste toepassing van de regeling KVL ter zake van de bewijslast voor het gebruik van de vergoedingen voor parlementaire bijstand overeenkomstig de voorschriften, het niet kan slagen omdat het is gericht tegen overwegingen ten overvloede in het bestreden arrest. Voor zover het betrekking heeft op niet-eerbiediging van het beginsel van de redelijke termijn ter zake van genoemde bewijslast is het volgens het Parlement ongegrond.
Beoordeling door het Hof
59 Vastgesteld moet worden dat het tweede middel, voor zover het inhoudt dat het Gerecht zich schuldig heeft gemaakt aan een onjuiste rechtsopvatting door in punt 54 van het bestreden arrest te oordelen dat „[rekwirant] de gegevens had moeten verschaffen om het [litigieuze] besluit aan te vechten waar dit vermeldt dat hij niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de betrokken parlementaire assistenten werkzaamheden in verband met parlementaire bijstand in de zin van artikel 14 van de regeling KVL zouden hebben verricht”, gericht is tegen overwegingen ten overvloede in het bestreden arrest. Uit bedoeld punt 54 blijkt immers dat rekwirant de grief inzake de beweerdelijk op het Parlement rustende bewijslast voor het eerst voor het Gerecht in repliek heeft aangevoerd en dat die grief op die grond door het Gerecht niet-ontvankelijk is verklaard.
60 Overeenkomstig de in punt 49 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak moet dat middel dan ook worden verworpen.
61 Voor zover rekwirant voorts betoogt dat het Gerecht voor wat betreft het gebruik van de vergoedingen voor parlementaire bijstand overeenkomstig de regeling KVL ten onrechte de bewijslast in het voordeel van het Parlement heeft omgekeerd ondanks het lange tijdsverloop tussen het einde van het mandaat van het Parlementslid en de datum van vaststelling van het litigieuze besluit, moet voor het overige worden beklemtoond dat dit argument blijkens het dossier in eerste aanleg voor het Gerecht niet is aangevoerd. Het betreft hier dan ook een nieuw middel, dat overeenkomstig vaste rechtspraak van het Hof niet-ontvankelijk is (arrest van 8 maart 2016, Griekenland/Commissie, C‑431/14 P, EU:C:2016:145, punt 55en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Bijgevolg moet het tweede middel worden verworpen.
Derde middel
Argumenten van partijen
63 Met zijn derde middel verwijt rekwirant het Gerecht in de eerste plaats niet-eerbiediging van het beginsel van hoor en wederhoor door te hebben verzuimd zich uit te spreken over de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”), ofschoon het EVRM geldt voor het Parlement als instelling van de Unie.
64 In de tweede plaats merkt rekwirant op dat het beginsel van onpartijdigheid zoals het voortvloeit uit artikel 6 EVRM een ruimere draagwijdte heeft dan het beginsel van goed bestuur, dat het Gerecht in het bestreden arrest in zijn redenering heeft betrokken om zich uit te spreken over het overeenkomstige middel dat tot staving van het verzoekschrift in eerste aanleg is aangevoerd. Het Gerecht heeft dan ook mede het beginsel van onpartijdigheid geschonden.
65 Het Parlement merkt primair op dat het derde middel niet-ontvankelijk is omdat rekwirant alleen maar de argumenten die hij voor het Gerecht reeds heeft aangevoerd herhaalt. Overigens berust dit middel op onjuiste lezing van het bestreden arrest, daar het Gerecht de verwerping van het middel inzake de beweerde partijdigheid van de secretaris-generaal naar behoren met redenen heeft omkleed. Hoe dan ook kan artikel 6 EVRM geen toepassing vinden op de procedure voor de secretaris-generaal.
Beoordeling door het Hof
66 Aangaande om te beginnen het argument van het Parlement dat het derde middel niet-ontvankelijk moet worden verklaard, moet gelet op de in punt 37 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak worden beklemtoond dat wanneer een partij opkomt tegen de uitlegging of de toepassing van het recht van de Unie door het Gerecht, de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw kunnen worden behandeld, aangezien de procedure van hogere voorziening anders ten dele haar betekenis zou verliezen. Dat argument geldt te meer wanneer het Gerecht wordt verweten, een middel van de rekwirant ten onrechte niet te hebben onderzocht (zie beschikking van 22 juni 2004, Meyer/Commissie, C‑151/03 P, niet gepubliceerd, EU:C:2004:381, punt 50).
67 Met zijn derde middel nu verwijt rekwirant het Gerecht te hebben verzuimd zich uit te spreken over zijn argument dat in het onderhavige geval artikel 6 EVRM is geschonden. Het derde middel van de hogere voorziening is dan ook ontvankelijk.
68 In dit verband moet worden opgemerkt dat rekwirant met het argument dat het Gerecht zich niet heeft uitgesproken over de grief inzake schending van artikel 6 EVRM, het Gerecht in werkelijkheid verwijt dat het in het kader van het onderzoek van de aan niet-inachtneming van het beginsel van onpartijdigheid ontleende grief niet heeft beslist over zijn – voor het eerst in repliek aangevoerde – argument dat bedoeld beginsel mede verankerd ligt in voormeld artikel 6, dat voor het Parlement als instelling van de Unie geldt.
69 Volgens vaste rechtspraak impliceert de verplichting voor het Gerecht zijn beslissingen met redenen te omkleden, niet dat het ieder aangevoerd argument gedetailleerd dient te beantwoorden (zie arrest van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie, C‑120/06 P en C‑121/06 P, EU:C:2008:476, punt 91, en beschikking van 29 oktober 2009, Portela/Commissie, C‑85/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2009:685, punt 31). De motivering van het Gerecht kan dus impliciet zijn, op voorwaarde dat zij de belanghebbenden in staat stelt kennis te nemen van de redenen van de beslissing van het Gerecht en het Hof voldoende gegevens verschaft om zijn toezicht uit te oefenen (zie onder meer arresten van 22 mei 2008, Evonik Degussa/Commissie, C‑266/06 P, EU:C:2008:295, punt 103, en van 8 maart 2016, Griekenland/Commissie, C‑431/14 P, EU:C:2016:145, punt 38).
70 Gelet op die rechtspraak moet worden vastgesteld dat ofschoon het Gerecht zich in de punten 63 tot en met 68 van het bestreden arrest niet uitdrukkelijk heeft uitgesproken over artikel 6 EVRM, uit de door het Gerecht in de beschouwing betrokken overwegingen duidelijk volgt dat het een standpunt over de aan het onpartijdigheidsbeginsel ontleende grief heeft ingenomen door deze te verwerpen op gronden aan de hand waarvan rekwirant de redenen van zijn beslissing kan begrijpen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. In dit verband heeft het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest onder meer opgemerkt dat het beginsel van goed bestuur, dat voor alle instellingen van de Unie geldt, voor elke instelling de verplichting meebrengt om alle relevante aspecten van het betrokken geval onpartijdig te onderzoeken. Voor het overige heeft het in punt 64 van dat arrest opgemerkt dat de secretaris-generaal ten overstaan van het Bureau van het Parlement de plechtige belofte aflegt dat hij zijn ambt volstrekt onpartijdig en naar eer en geweten zal uitoefenen. Vervolgens heeft het in de punten 65 tot en met 68 van bedoeld arrest na een gedetailleerd onderzoek geoordeeld dat de secretaris-generaal zich aan die belofte heeft gehouden bij het vaststellen van het litigieuze besluit. Het Gerecht heeft daarmee in de punten 63 tot en met 68 van het bestreden arrest beslist op de aan niet-inachtneming van het onpartijdigheidsbeginsel ontleende grief van rekwirant.
71 Zonder dat hoeft te worden uitgemaakt of artikel 6 EVRM van toepassing is op een door het Parlement ingeleide administratieve procedure tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen, moet voor het overige worden opgemerkt dat, waar rekwirant enkel betoogt dat het onpartijdigheidsbeginsel zoals het uit die bepaling volgt een ruimere draagwijdte heeft dan in de context van het beginsel van goed bestuur, hij echter geen juridisch argument aanvoert waarmee aan de vaststellingen van het Gerecht in de punten 63 tot en met 68 van het bestreden arrest kan worden getornd.
72 Bijgevolg is dat argument niet-ontvankelijk ingevolge de vaste rechtspraak van het Hof op grond waarvan een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek ondersteunen (arresten van 11 april 2013, Mindo/Commissie, C‑652/11 P, EU:C:2013:229, punt 21, en van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 46).
73 Het tot staving van de hogere voorziening van rekwirant aangevoerde derde middel moet dus worden verworpen.
Vierde middel
74 Met zijn vierde middel geeft rekwirant te kennen dat het Gerecht, door te oordelen dat de invordering van de ten onrechte betaalde bedragen niet verjaard was, zich schuldig heeft gemaakt aan een onjuiste rechtsopvatting. Dit middel bestaat uit vier onderdelen. Het derde onderdeel van het onderhavige middel moet als eerste worden onderzocht en het eerste en het tweede onderdeel van dit middel moeten samen worden onderzocht.
Derde onderdeel van het vierde middel
– Argumenten van partijen
75 Met het derde onderdeel van zijn vierde middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het het vertrouwensbeginsel niet in acht heeft genomen door te oordelen dat rekwirant er niet op kon vertrouwen dat de bedragen die hem als vergoeding voor parlementaire bijstand waren uitgekeerd niet meer van hem zouden worden ingevorderd wegens het lange tijdsverloop tussen de datum waarop die bedragen aan hem zijn betaald en de datum waarop het litigieuze besluit is vastgesteld.
76 Het Parlement betwist het betoog van rekwirant.
– Beoordeling door het Hof
77 Het recht om het vertrouwensbeginsel in te roepen veronderstelt dat de bevoegde autoriteiten van de Unie de belanghebbende nauwkeurige, onvoorwaardelijke en concordante toezeggingen hebben gedaan die afkomstig zijn uit gezaghebbende en betrouwbare bronnen (zie onder meer arresten van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie, C‑182/03 en C‑217/03, EU:C:2006:416, punt 147, en van 7 april 2011, Griekenland/Commissie, C‑321/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:218, punt 45).
78 In dit verband heeft het Gerecht in punt 80 van het bestreden arrest verklaard dat rekwirant geen argument had aangevoerd op grond waarvan gelet op de betrokken omstandigheden kon worden geoordeeld dat hij een gewettigd vertrouwen koesterde dat de betrokken bedragen niet konden worden teruggevorderd. Voor het overige heeft het Gerecht overwogen dat de gegevens waarover het beschikte, betreffende het verloop van de jegens rekwirant ingeleide procedure, uitsloten dat deze een dergelijk vertrouwen kon koesteren, ondanks het lange tijdsverloop sinds de feiten die tot de vaststelling van het litigieuze besluit hebben geleid.
79 Gelet op de in punt 77 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak heeft het Gerecht dan ook op goede gronden geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een lang tijdvak was verstreken tussen de datum waarop die bedragen waren uitgekeerd en de datum van vaststelling van het litigieuze besluit, op zich en bij gebreke van enige andere relevante omstandigheid niet volstond om bij rekwirant een gewettigd vertrouwen te wekken dat de betrokken bedragen niet meer zouden worden teruggevorderd.
80 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het Gerecht de grief die rekwirant aan schending van het vertrouwensbeginsel ontleent terecht ongegrond heeft geacht.
81 Het derde onderdeel van het vierde middel is derhalve ongegrond.
Eerste en tweede onderdeel van het vierde middel
– Argumenten van partijen
82 Met het eerste onderdeel van zijn vierde middel geeft rekwirant te kennen dat het Gerecht verordening nr. 1605/2002 en verordening nr. 478/2007 niet in acht heeft genomen door te oordelen dat de uit hoofde van het litigieuze besluit gevorderde bedragen niet verjaard waren, terwijl het had moeten vaststellen dat de in de loop van het jaar 2001 en aan het begin van het jaar 2002 betaalde bedragen ingevolge de in verordening nr. 1605/2002 vastgelegde verjaringstermijn van vijf jaar in 2007 verjaard waren. Wat de in de tweede helft van het jaar 2002 en tot in 2004 uitgekeerde bedragen betreft, kan de inwerkingtreding van verordening nr. 478/2007, op grond waarvan de verjaringstermijn van vijf jaar begon te lopen op de uiterste datum die de debiteur in de debetnota was meegedeeld, de verjaring niet hebben gestuit aangezien het Parlement in het onderhavige geval geen debetnota heeft uitgereikt gedurende de resterende verjaringstermijn.
83 Met het tweede onderdeel van dit vierde middel brengt rekwirant naar voren dat het Gerecht het beginsel van non-retroactiviteit niet in acht heeft genomen doordat het zijn betoog dat de litigieuze debetnota, vastgesteld op basis van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012, de in 2009 verstreken verjaringstermijnen niet opnieuw kan doen ingaan terzijde heeft gelegd.
84 Het Parlement betwist het betoog van rekwirant.
– Beoordeling door het Hof
85 Met het eerste en het tweede onderdeel van het vierde middel voert rekwirant aan dat voor schuldvorderingen van de Unie op derden een verjaringstermijn van vijf jaar gold volgens de op de datum van uitkering van de litigieuze bedragen geldende regeling van de Unie en dat de regel over het ingaan van die termijn, volgens welke deze zou ingaan op de datum die de debetnota vermeldt, pas in de loop van 2007 is vastgesteld.
86 In dit verband heeft het Hof reeds gepreciseerd dat artikel 73 bis van verordening nr. 1605/2002, waarin voor schuldvorderingen van de Unie een verjaringstermijn van vijf jaar was vastgelegd, als zodanig, zonder de uitvoeringsvoorschriften, niet kon worden ingeroepen ten betoge dat een schuldvordering van de Unie verjaard was (zie arrest van 13 november 2014, Nencini/Parlement, C‑447/13 P, EU:C:2014:2372, punten 43 en 44).
87 Dat artikel 73 bis, dat moet worden gelezen samen met de uitvoeringsbepalingen neergelegd in artikel 85 ter van verordening nr. 2342/2002, voorziet derhalve in een verjaringstermijn van vijf jaar waarbinnen de organen van de Unie vorderingen van de Unie op derden kunnen invorderen, welke termijn ingaat op de uiterste datum die de debiteur is meegedeeld in de debetnota (zie arrest van 13 november 2014, Nencini/Parlement, C‑447/13 P, EU:C:2014:2372, punten 45 en 46).
88 Deze uitlegging geldt ook voor artikel 81 van verordening nr. 966/2012 en voor artikel 93 van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012, die golden op de datum waarop het litigieuze besluit is gegeven, aangezien die bepalingen in essentie overeenstemmen respectievelijk met artikel 73 bis van verordening nr. 1605/2002 en met artikel 85 ter van verordening nr. 2342/2002.
89 Anders dan rekwirant kennelijk betoogt, bepaalden die artikelen niet binnen welke termijn, te rekenen vanaf de datum waarop de aan de orde zijnde schuldvordering was ontstaan, aan de schuldenaar een debetnota moest worden meegedeeld (zie in die zin arrest van 13 november 2014, Nencini/Parlement, C‑447/13 P, EU:C:2014:2372, punt 47). Het Gerecht heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat de schuldvorderingen waarop het litigieuze besluit betrekking had niet waren verjaard en dat het litigieuze besluit niet was vastgesteld in strijd met het beginsel van non-retroactiviteit.
90 In die omstandigheden kunnen het eerste en het tweede onderdeel van het vierde middel niet slagen.
Vierde onderdeel van het vierde middel
– Argumenten van partijen
91 Met het vierde onderdeel van het vierde middel van de hogere voorziening verwijt rekwirant het Gerecht dat het het beginsel van de redelijke termijn niet heeft geëerbiedigd door niet alle relevante omstandigheden van de zaak in de beschouwing te betrekken. Volgens rekwirant had het Gerecht gelet op de grote bedragen die in geding zijn, de geringe ingewikkeldheid van de zaak en het voorbeeldig gedrag van rekwirant tot het oordeel moeten komen dat de termijn van bijna tien jaar die verstreken is tussen het einde van het mandaat van rekwirant en de vaststelling van het litigieuze besluit door het Parlement, onredelijk was.
92 Het Parlement betoogt primair dat het Gerecht in het onderhavige geval niet had dienen te onderzoeken of de redelijke termijn in acht was genomen, aangezien die niet-inachtneming door rekwirant voor het Gerecht niet was aangevoerd. Zo het Gerecht het middel inzake de niet-inachtneming van de redelijke termijn echter ambtshalve aan de orde mocht hebben gesteld, heeft dit laatste zich schuldig gemaakt aan een onjuiste rechtsopvatting omdat dit middel niet behoort tot de middelen die door het Gerecht ambtshalve aan de orde kunnen of moeten worden gesteld. Hoe dan ook had het Gerecht partijen moeten uitnodigen, hun opmerkingen dienaangaande kenbaar te maken. In die omstandigheden verzoekt het Parlement het Hof om substitutie van de motivering van het bestreden arrest.
93 Subsidiair merkt het Parlement op dat het beginsel van de redelijke termijn door het Parlement niet is geschonden.
– Beoordeling door het Hof
94 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de eerbiediging van een verjaringstermijn niet ambtshalve door de rechter van de Unie kan worden onderzocht, maar door de betrokken partij aan de orde moet worden gesteld (arrest van 8 november 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie, C‑469/11 P, EU:C:2012:705, punt 51en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het onderhavige geval staat vast dat rekwirant voor het Gerecht met zoveel woorden heeft aangevoerd dat het Parlement te laat heeft gehandeld voor wat betreft de vaststelling van zijn schuldvordering doordat is gehandeld in strijd met het bepaalde in de verordeningen nr. 1605/2002 en nr. 2342/2002, waarin de verjaringsregels voor schuldvorderingen van de Unie op derden zijn neergelegd.
95 In deze context heeft het Gerecht, zoals volgt uit punt 89 van het onderhavige arrest, terecht geoordeeld dat geen bepaling van Unierecht bepaalde binnen welke termijn een debetnota, dat wil zeggen de handeling waarmee de vaststelling van een schuldvordering van een instelling ter kennis van de schuldenaar wordt gebracht, aan deze laatste moest worden meegedeeld.
96 Uit de rechtspraak van het Hof volgt, zoals ook het Gerecht in punt 81 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, dat in dergelijke omstandigheden het vereiste van rechtszekerheid verlangt dat de instellingen van de Unie hun bevoegdheden binnen een redelijke termijn uitoefenen (zie in die zin arresten van 24 september 2002, Falck en Acciaierie di Bolzano/Commissie, C‑74/00 P en C‑75/00 P, EU:C:2002:524, punten 139‑141 en aldaar aangehaalde rechtspraak; van 28 februari 2013, Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB, C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134, punt 28, en van 13 november 2014, Nencini/Parlement, C‑447/13 P, EU:C:2014:2372, punten 47 en 48).
97 Gelet op het stilzwijgen van de toepasselijke bepalingen en gezien de betrokken omstandigheden heeft het Gerecht zich in de punten 81 tot en met 87 van het bestreden arrest bijgevolg op goede gronden uitgesproken over de argumenten van rekwirant betreffende het te laat handelen van het Parlement bij de vaststelling van zijn schuldvorderingen op hem, mede vanuit het oogpunt van het beginsel van de redelijke termijn.
98 Mitsdien moeten de in punt 92 van het onderhavige arrest uiteengezette bezwaren van het Parlement worden verworpen en moet de gegrondheid worden getoetst van het vierde onderdeel van het vierde middel van de hogere voorziening van rekwirant, waarin deze het Gerecht verwijt dat het de draagwijdte van het beginsel van de redelijke termijn onjuist heeft opgevat.
99 In dit verband moet worden opgemerkt dat de redelijkheid van een termijn moet worden beoordeeld met inachtneming van alle specifieke omstandigheden van iedere zaak, in het bijzonder het belang van het geschil voor de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak en de verschillende etappes van de procedure die de instelling van de Unie heeft gevolgd, alsook het gedrag van de betrokken partijen tijdens de procedure (zie in die zin arresten van 15 juli 2004, Spanje/Commissie, C‑501/00, EU:C:2004:438, punt 53; van 7 april 2011, Griekenland/Commissie, C‑321/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:218, punt 34, en van 28 februari 2013, Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB, C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134, punt 28en aldaar aangehaalde rechtspraak).
100 De redelijkheid van een termijn kan immers niet worden bepaald aan de hand van een in abstracto vastgesteld nauwkeurig maximum (arresten van 7 april 2011, Griekenland/Commissie, C‑321/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:218, punt 33, en van 28 februari 2013, Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB, C‑334/12 RX‑II, EU:C:2013:134, punten 29 en 30).
101 Met betrekking tot de specifieke context van het onderhavige geval heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 73 bis van verordening nr. 1605/2002, dat in essentie overeenstemt met artikel 81 van verordening nr. 966/2012, in het belang van het beginsel van goed financieel beheer een beperking in de tijd beoogt te stellen aan de mogelijkheid, schuldvorderingen van de Unie op derden in te vorderen, en daartoe voorziet in een termijn van vijf jaar, en dat artikel 85 ter van verordening nr. 2342/2002, dat overeenstemt met artikel 93, lid 1, van verordening nr. 1268/2012, bepaalt dat die termijn ingaat op de uiterste datum die de debiteur is meegedeeld in de debetnota (zie in die zin arrest van 13 november 2014, Nencini/Parlement, C‑447/13 P, EU:C:2014:2372, punt 45).
102 Gelet op dat artikel 73 bis is geoordeeld dat, waar de toepasselijke bepalingen zwijgen met betrekking tot de termijn waarbinnen een debetnota door een instelling van de Unie aan de schuldenaar moet worden meegedeeld, die termijn in beginsel onredelijk moet worden geacht wanneer die mededeling geschiedt nadat meer dan vijf jaar verstreken zijn vanaf het moment waarop de instelling haar schuldvordering normalerwijs geldend had kunnen maken (zie in die zin arrest van 13 november 2014, Nencini/Parlement, C‑447/13 P, EU:C:2014:2372, punten 48 en 49).
103 Dienaangaande moet worden overwogen dat, gelet op artikel 78, leden 1 en 2, van verordening nr. 966/2012 en de artikelen 81 en 82 van gedelegeerde verordening nr. 1268/2012, een instelling van de Unie in de regel haar vordering geldend kan maken vanaf de datum waarop die instelling over de bewijsstukken beschikt aan de hand waarvan een schuldvordering als zeker, vaststaand en invorderbaar kan worden aangemerkt of over die bewijzen had kunnen beschikken indien zij met de vereiste zorgvuldigheid had gehandeld.
104 In dit verband moet worden gepreciseerd dat een tijdsverloop van meer dan vijf jaar tussen de datum waarop de instelling normalerwijs haar schuldvordering geldend heeft kunnen maken en de datum van mededeling van een debetnota, niet automatisch schending van het beginsel van de redelijke termijn oplevert. Gelet op de in punt 99 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak moet immers ook worden nagegaan of dat tijdsverloop zijn verklaring kan vinden in de omstandigheden van de betrokken zaak.
105 Zo heeft het Hof in punt 49 van het arrest van 13 november 2014, Nencini/Parlement (C‑447/13 P, EU:C:2014:2372), de in dat punt bedoelde termijn van vijf jaar vermeld, niet als maximumlimiet waarboven de mededeling van een debetnota door de instelling aan de schuldenaar ongeacht de omstandigheden van het geval zou moeten worden gezien als noodzakelijkerwijs gedaan binnen een onredelijke termijn, maar ter ondersteuning van het in punt 102 van het onderhavige arrest bedoelde – overigens weerlegbare – vermoeden.
106 Evenzo kan het voorkomen dat mededeling van een debetnota binnen een kortere termijn dan bedoelde termijn van vijf jaar, in een zaak die minder ingewikkeld is, die van groot belang is voor de schuldenaar of waarin de instelling van de Unie onzorgvuldig heeft gehandeld, inzonderheid voor wat betreft de verkrijging van de bewijsmiddelen aan de hand waarvan een vordering als zeker, vaststaand en opeisbaar kan worden aangemerkt, niet beantwoordt aan de vereisten van het beginsel van de redelijke termijn. In dat geval zou de schuldenaar het bewijs moeten leveren dat een dergelijke termijn van minder dan vijf jaar onredelijk is.
107 In het onderhavige geval wenst het Parlement met het litigieuze besluit van rekwirant teruggaaf te verkrijgen van een aanvullend bedrag dat het hem als vergoedingen voor parlementaire bijstand heeft uitgekeerd, boven het bedrag dat het reeds heeft teruggevorderd bij het terugvorderingsbesluit van de secretaris-generaal van 4 maart 2009. Tot deze aanvullende terugvordering is besloten naar aanleiding van de neerlegging van het verslag van OLAF op 14 oktober 2011, uit welk verslag blijkt dat geen van de drie assistenten van rekwirant werkzaamheden in verband met parlementaire bijstand verrichtte. In die omstandigheden moet worden geconstateerd dat het Parlement in het onderhavige geval normalerwijs in staat was, zijn schuldvordering geldend te maken in de zin van punt 103 van het onderhavige arrest, op de datum van neerlegging van dat verslag. Aangezien de litigieuze debetnota door het Parlement is uitgereikt op 5 juli 2013, kan de termijn waarbinnen die nota ter kennis van rekwirant is gebracht niet als onredelijk worden beschouwd.
108 Overeenkomstig de in punt 99 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak heeft het Gerecht dan ook zonder zich schuldig te maken aan een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat het Parlement bij de vaststelling van het litigieuze besluit en van de litigieuze debetnota, gelet op de omstandigheden van de zaak, meer in het bijzonder het gedrag en de zorgvuldigheid van de instelling in het leiden van de procedure die tot de vaststelling van dat besluit en van die nota heeft geleid, niet heeft verzuimd, aan de ingevolge het beginsel van de redelijke termijn op hem rustende verplichtingen te voldoen.
109 Gelet op het voorgaande is het vierde onderdeel van het vierde middel dat rekwirant tot staving van zijn hogere voorziening inroept ongegrond.
110 Het vierde middel moet derhalve in zijn geheel worden verworpen.
Vijfde middel
111 Met zijn vijfde middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het zijn verzoek om nietigverklaring van de litigieuze debetnota heeft verworpen ofschoon het had moeten vaststellen dat de met het litigieuze besluit ingevorderde bedragen verjaard waren en die nota dus nietig had moeten verklaren.
112 Het Parlement merkt op dat de door rekwirant in het kader van dit middel aangevoerde argumenten niet meer zijn dan een herhaling van de argumenten die hij voor het Gerecht heeft geformuleerd. Hoe dan ook moeten ze worden verworpen, aangezien rekwirant ten onrechte beweert dat de invordering van de in het litigieuze besluit bedoelde bedragen verjaard was.
113 Aangaande het vijfde middel kan worden volstaan met vast te stellen dat aangezien het vierde middel, ontleend aan niet-inachtneming van de verjaringsregels en van het beginsel van de redelijke termijn, is verworpen, bijgevolg op dezelfde gronden ook het vijfde middel moet worden verworpen.
114 Aangezien geen van de middelen van de hogere voorziening kan worden aanvaard, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
115 Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat het Hof over de kosten beslist wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
116 Volgens artikel 138, lid 1, van voormeld Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.
117 Aangezien rekwirant in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van het Parlement in de kosten te worden verwezen.
Het Hof (Grote kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Jean‑Charles Marchiani wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 8 maart 2016, C-431/14, ECLI:EU:C:2016:145
- HvJ EU 13 februari 2014, C-31/13, ECLI:EU:C:2014:70
- HvJ EU 3 oktober 2013, C-583/11, ECLI:EU:C:2013:625
- HvJ EU 11 juli 2013, C-601/11, ECLI:EU:C:2013:465
- HvJ EU 11 april 2013, C-652/11, ECLI:EU:C:2013:229
- HvJ EU 28 februari 2013, C-334/12, ECLI:EU:C:2013:134
- HvJ EU 8 november 2012, C-469/11, ECLI:EU:C:2012:705
- HvJ EU 21 december 2011, C-27/09, ECLI:EU:C:2011:853
- HvJ EU 7 april 2011, C-321/09, ECLI:EU:C:2011:218
- HvJ EU 21 september 2010, C-514/07, ECLI:EU:C:2010:541
- HvJ EU 9 september 2008, C-120/06, ECLI:EU:C:2008:476
- HvJ EU 22 mei 2008, C-266/06, ECLI:EU:C:2008:295
- HvJ EU 22 juni 2006, C-182/03, ECLI:EU:C:2006:416
- HvJ EU 9 juni 2005, C-287/02, ECLI:EU:C:2005:368
- HvJ EU 15 juli 2004, C-501/00, ECLI:EU:C:2004:438
- HvJ EU 24 september 2002, C-74/00, ECLI:EU:C:2002:524
- HvJ EU 24 oktober 1996, C-32/95, ECLI:EU:C:1996:402
- HvJ EU 12 februari 1992, C-48/90, ECLI:EU:C:1992:63
Aangehaald in
- HvJ EU 8 september 2020, C-119/19, ECLI:EU:C:2020:676
- HvJ EU 13 november 2018, C-47/17, ECLI:EU:C:2018:900
- HvJ EU 5 juni 2018, C-612/15, ECLI:EU:C:2018:392
- HvJ EU 5 september 2019, C-447/17, ECLI:EU:C:2019:672
- HvJ EU 31 januari 2019, C-225/17, ECLI:EU:C:2019:82
- HvJ EU 9 november 2017, C-46/16, ECLI:EU:C:2017:839
- HvJ EU 12 mei 2022, C-430/20, ECLI:EU:C:2022:377
- HvJ EU 28 oktober 2021, C-650/19, ECLI:EU:C:2021:879
- HvJ EU 20 december 2017, C-521/15, ECLI:EU:C:2017:982
- HvJ EU 30 september 2021, C-130/19, ECLI:EU:C:2021:782
- Gerecht EU 29 juni 2018, T-218/17, ECLI:EU:T:2018:393
- HvJ EU 29 juli 2019, C-124/18, ECLI:EU:C:2019:641
- Gerecht EU 13 december 2018, T-83/18, ECLI:EU:T:2018:935
- Gerecht EU 7 juni 2023, T-309/21, ECLI:EU:T:2023:315
- Gerecht EU 20 november 2019, T-502/16, ECLI:EU:T:2019:795
- Gerecht EU 22 mei 2019, T-604/15, ECLI:EU:T:2019:348
- HvJ EU 13 juni 2024, C-40/23, ECLI:EU:C:2024:492
- Gerecht EU 16 oktober 2024, T-494/23, ECLI:EU:T:2024:703
- Gerecht EU 11 september 2024, T-386/19, ECLI:EU:T:2024:613
- Gerecht EU 3 juli 2024, T-667/22, ECLI:EU:T:2024:437