Gerecht EU 16 oktober 2024, T-494/23, ECLI:EU:T:2024:703

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid)

16 oktober 2024 ( *1 )

„Openbare dienst – Ambtenaren – Vergoeding van de door de Unie geleden schade – Invordering van een schuld door middel van verrekening – Verjaringstermijn – Toepasselijk recht – Artikel 98, lid 2, tweede alinea, van verordening (EU, Euratom) 2018/1046 – Begrip ‚normale omstandigheden’ – Voorafgaand formeel besluit waarbij de schuldvordering is opgemaakt waartegen beroep is ingesteld”

In zaak T‑494/23,

HG, vertegenwoordigd door L. Levi, advocaat,

verzoeker,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door T. Bohr en L. Hohenecker als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: O. Porchia, president, M. Jaeger, L. Madise (rapporteur), P. Nihoul en S. Verschuur, rechters,

griffier: V. Di Bucci,

gezien de stukken,

gezien het feit dat partijen niet binnen een termijn van drie weken na betekening van de sluiting van de schriftelijke behandeling een verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend en na op grond van artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te hebben besloten om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn beroep krachtens artikel 270 VWEU vordert verzoeker, HG, ten eerste nietigverklaring van de besluiten van de Europese Commissie van 10 oktober 2022 (BUDG.C.4.001/AM/444), 13 oktober 2022 (BUDG.C.4.001/PRS/444), 11 november 2022 (BUDG.C.4.001/AM/444_3), 12 december 2022 (BUDG.C. 4.001/AM/444_4), 9 januari 2023 (BUDG.C.4.001/AM/444_5), 19 januari 2023 (BUDG.C.4.001/PRS/444_6), 9 februari 2023 (BUDG.C.4.001/LM/444), 10 maart 2023 (BUDG.C.4.001/LM/444) en 11 april 2023 (BUDG.C.4.001/PRS/444) inzake de verrekening van hem betreffende schuldvorderingen (hierna: „bestreden besluiten”), en ten tweede veroordeling van de Commissie tot terugbetaling van de ingevorderde bedragen ten bedrage van 24092,59 EUR, vermeerderd met vertragingsrente.

Feiten

2 Bij besluit van 10 februari 2015 (hierna: „besluit van 10 februari 2015”) heeft de Commissie verzoeker, een van haar ambtenaren, een tuchtmaatregel opgelegd en hem op grond van artikel 22, eerste alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) veroordeeld tot vergoeding van door de Europese Unie geleden schade ten bedrage van 108596,35 EUR. Dit besluit, waartegen verzoeker is opgekomen, is op 1 maart 2015 in werking getreden.

3 Bij arrest van 15 december 2021, HG/Commissie (T‑693/16 P‑RENV‑RX, EU:T:2021:895), heeft het Gerecht onder andere het van verzoeker gevorderde bedrag van de vergoeding verlaagd tot 80000 EUR op de datum van uitspraak van het arrest, op grond dat de Commissie had bijgedragen tot het ontstaan van de schade. De hogere voorziening van verzoeker tegen dat arrest is afgewezen wegens kennelijke onbevoegdheid van het Hof (beschikking van 30 juni 2022, HG/Commissie, C‑150/22 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:523).

4 Tussen de vaststelling van het besluit van 10 februari 2015 en de uitspraak van het arrest van 15 december 2021, HG/Commissie (T‑693/16 P‑RENV‑RX, EU:T:2021:895), is aan verzoeker geen debetnota gezonden. De bevoegde ordonnateur van de Commissie heeft verzoeker op 3 maart 2022 een debetnota gezonden voor het bedrag van 80000 EUR, dat uiterlijk op 19 april 2022 moest worden betaald. Het door verzoeker op 18 maart 2022 geformuleerde verzoek om deze debetnota wegens een verjaringstermijn van vijf jaar in te trekken, is door de ordonnateur afgewezen per e‑mail van 1 april 2022. Op 30 mei 2022 heeft verzoeker op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit om het bedrag van 80000 EUR terug te vorderen. Op 31 mei 2022 heeft verzoeker een herinneringsbrief van de rekenplichtige ontvangen. Vervolgens heeft overleg plaatsgevonden met de rekenplichtige voordat het tot aanstelling bevoegd gezag bij besluit van 27 september 2022 de klacht van 30 mei 2022 niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5 Vanaf 10 oktober 2022 is verzoeker in kennis gesteld van de opeenvolgende besluiten van de rekenplichtige strekkende tot verrekening van de schuld jegens de Commissie met zijn salaris of andere vorderingen die hij op haar had. De verrekening met het maandsalaris bedroeg 3350 EUR, en de kosten van dienstreizen werden volledig verrekend. Verzoeker heeft tegen deze besluiten klachten ingediend, die bij besluit van 5 mei 2023 zijn afgewezen. In dat besluit geeft het tot aanstelling bevoegd gezag met name aan dat de verjaringstermijn van vijf jaar waarop verzoeker zich heeft beroepen op grond van verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1; hierna: „Financieel Reglement van 2018”) niet van toepassing is op de situatie, die wordt geregeld door verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB 2012, L 298, blz. 1; hierna: „Financieel Reglement van 2012”). Dat gezag voegt daaraan toe dat, bij gebreke van een toepasselijke wettelijke verjaringstermijn, het beginsel dat de administratie binnen een redelijke termijn moet handelen, gelet op de omstandigheden, niet is geschonden.

6 Op 10 augustus 2023 heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld, waarbij hij, zoals in punt 1 hierboven is aangegeven, met name heeft verzocht om nietigverklaring van de bestreden besluiten. Het onderhavige beroep heeft geen betrekking op soortgelijke latere besluiten.

Conclusies van partijen

7 Verzoeker verzoekt het Gerecht: – de bestreden besluiten nietig te verklaren; – voor zover nodig, het besluit van 5 mei 2023 houdende afwijzing van zijn klachten nietig te verklaren; – de Commissie te veroordelen tot terugbetaling van de krachtens de bestreden besluiten ingevorderde bedragen, te weten 24092,59 EUR, vermeerderd met vertragingsrente, berekend tegen de rentevoet van de Europese Centrale Bank (ECB), verhoogd met 2 punten; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

8 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – verzoeker te verwijzen in de kosten.

Vordering tot nietigverklaring

9 Verzoeker vordert nietigverklaring van de bestreden besluiten en, voor zover nodig, van het besluit van 5 mei 2023 houdende afwijzing van zijn klachten. Volgens vaste rechtspraak hebben vorderingen tot nietigverklaring die formeel zijn gericht tegen het besluit tot afwijzing van een krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht, tot gevolg dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen de handeling waartegen de klacht is ingediend wanneer die vorderingen als zodanig geen autonome inhoud hebben (zie arrest van 16 januari 2018, SE/Raad, T‑231/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:3, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, EU:C:1989:8, punt 8).

10 In casu heeft de vordering tot nietigverklaring van het besluit houdende afwijzing van de klachten geen autonome inhoud, in die zin dat dit besluit de bestreden besluiten bevestigt, dat verzoekers situatie niet opnieuw is onderzocht op basis van nieuwe juridische en feitelijke gegevens en dat dit besluit de bestreden besluiten niet wijzigt en aanvult. Bijgevolg moet de door verzoeker ingediende vordering tot nietigverklaring worden geacht te zijn gericht tegen de bestreden besluiten (zie in die zin arrest van 24 april 2017, HF/Parlement, T‑584/16, EU:T:2017:282, punten 71 en 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

11 Ter ondersteuning van zijn vordering tot nietigverklaring voert verzoeker drie middelen aan. Hij beroept zich op schending van de artikelen 98, 100, 101 en 102 van het Financieel Reglement van 2018, schending van het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn en schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en niet-nakoming van de zorgplicht.

Schending van de artikelen 98, 100, 101 en 102 van het Financieel Reglement van 2018

12 Verzoeker betoogt in wezen dat de schuldvordering is verjaard krachtens artikel 98, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement van 2018, omdat de debetnota van 3 maart 2022 niet is opgesteld binnen de in die bepaling gestelde termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het moment waarop de Commissie haar schuldvordering geldend had kunnen maken. Hieruit volgt dat de bevoegde ordonnateur overeenkomstig artikel 101, lid 2, onder b), van dat Reglement had moeten afzien van het innen van de vastgestelde schuldvordering omdat „het niet mogelijk [was] de schuldvordering te innen wegens […] vertraging bij de verzending van de debetnota, zoals omschreven in artikel 98, lid 2”.

13 Verzoeker is van mening dat de toepasselijkheid van het Financieel Reglement van 2018 volgt uit de bestreden besluiten, waarin dit reglement als rechtsgrondslag is vermeld. Het feit dat de aan hem gerichte besluiten tot verrekening die na de in het onderhavige geding aan de orde zijnde besluiten zijn genomen ook dit reglement als rechtsgrondslag vermelden, bevestigt de intentie van de Commissie om de betreffende besluiten op die grondslag te nemen. De Commissie heeft geen mogelijkheid om in het stadium van de klachtenprocedure een rechtsgrondslag te wijzigen, zoals zij heeft gedaan in het besluit houdende afwijzing van zijn klachten van 5 mei 2023, door de aanvankelijk gehanteerde rechtsgrondslag te vervangen door het Financieel Reglement 2012, waarin niet is voorzien in een termijn voor de vaststelling van een debetnota. Uit het rechtszekerheidsbeginsel volgt dat de mogelijkheid om de motivering van een besluit in het stadium van de klachtenprocedure te wijzigen niet aldus kan worden opgevat dat zelfs de rechtsgrondslag van dat besluit kan worden gewijzigd.

14 Verzoeker voegt daaraan toe dat de schuldvordering van de Commissie vanaf de vaststelling van het besluit van 10 februari 2015 liquide, opeisbaar en vaststaand was. Door de betwisting van de schuldvordering, met name in rechte, is niet ter discussie gesteld dat deze schuldvordering vaststond, en is evenmin de termijn voor het opstellen van een debetnota opgeschort. Het feit dat het bedrag van de schuld, zoals dat was vastgesteld in het besluit van 10 februari 2015, in het arrest van 15 december 2021, HG/Commissie (T‑693/16 P‑RENV‑RX, EU:T:2021:895), is verlaagd, heeft er niet aan afgedaan dat de schuld liquide was. Dit arrest heeft niet geleid tot een nieuwe schuldvordering, maar tot de vermindering van een bestaande schuldvordering. Ten slotte is de termijn voor de opstelling van de debetnota niet opgeschort door de betwisting van verzoeker.

15 De Commissie betwist dat het Financieel Reglement van 2018 van toepassing is in plaats van het Financieel Reglement van 2012, waarin niet is voorzien in een termijn voor de mededeling van een debetnota.

16 De Commissie betoogt in dit verband dat aan de hand van het tijdstip waarop haar schuldvordering vaststaand, liquide en opeisbaar is geworden, dat wil zeggen het tijdstip waarop het besluit van 10 februari 2015 is vastgesteld, moet worden bepaald welk reglement van toepassing is. Krachtens artikel 282, lid 2, van het Financieel Reglement van 2018 is dit reglement evenwel pas van toepassing vanaf 2 augustus 2018. Geen enkele overgangsbepaling voorziet in een toepassing met terugwerkende kracht van de in artikel 98, lid 2, van dit reglement genoemde termijn van vijf jaar op schuldvorderingen die reeds opeisbaar waren vóór de inwerkingtreding van dat reglement. Deze termijn is dus alleen van toepassing op schuldvorderingen die vaststaand, liquide en opeisbaar zijn geworden na de inwerkingtreding van het Financieel Reglement van 2018, hetgeen niet het geval is voor de aan de orde zijnde schuldvordering.

17 Een andere uitlegging zou ertoe leiden dat met terugwerkende kracht een termijn wordt ingevoerd voor de verzending van de debetnota inzake schuldvorderingen die reeds opeisbaar waren vóór de inwerkingtreding van het Financieel Reglement van 2018, hetgeen in strijd zou zijn met de rechtszekerheid en het beginsel van goed beheer en van bescherming van de financiële belangen van de Unie.

18 In casu kan de toepasselijkheid van het Financieel Reglement van 2018 niet voortvloeien uit het enkele feit dat de bestreden besluiten verwijzen naar dat reglement als rechtsgrondslag, aangezien deze rechtsgrondslag onjuist was en in het besluit tot afwijzing van de klachten van 5 mei 2023 rechtsgeldig is gecorrigeerd ten gunste van het Financieel Reglement van 2012. Uit de precontentieuze klachtenprocedure van artikel 90, lid 2, van het Statuut blijkt namelijk dat de administratie de mogelijkheid behoudt om de motivering op basis waarvan zij het bestreden besluit heeft genomen te wijzigen voordat het aan de rechterlijke instanties van de Unie wordt voorgelegd. Voorts wijst de Commissie erop dat de besluiten tot verrekening die na de bestreden besluiten zijn genomen geen onderdeel vormen van het voorwerp van het geschil. Bijgevolg kunnen de motivering en de bepalingen waarnaar zij verwijzen niet in aanmerking worden genomen.

19 Ten slotte was de verjaringstermijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 81, lid 1, van het Financieel Reglement van 2012 volgens de Commissie bij de vaststelling van de bestreden besluiten nog niet verstreken, aangezien die pas begon te lopen vanaf de uiterste betaaldatum die aan verzoeker in de debetnota was meegedeeld, te weten 19 april 2022.

20 Artikel 98, lid 2, eerste alinea, van het Financieel Reglement van 2018 bepaalt dat „[e]lke als vaststaand, liquide en opeisbaar aangemerkte schuldvordering wordt vastgesteld door middel van een invorderingsopdracht waarbij de bevoegde ordonnateur de rekenplichtige opdraagt de schuldvordering te innen” en dat „[d]ie wordt gevolgd door een aan de debiteur gerichte debetnota, [behoudens uitzondering die in casu niet relevant is]”. Artikel 98, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement van 2018 voegt daaraan toe dat „[d]e ordonnateur […] de debetnota onmiddellijk [verzendt] na de vaststelling van de schuldvordering en uiterlijk binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het moment waarop de instelling van de Unie, onder normale omstandigheden, haar schuldvordering geldend had kunnen maken”. Diezelfde bepaling preciseert dat „[d]eze termijn […] niet [geldt] wanneer de bevoegde ordonnateur aantoont dat, ondanks de inspanningen die de instelling van de Unie heeft gedaan, het late optreden toe te schrijven is aan het gedrag van de debiteur”.

21 Opgemerkt zij dat, overeenkomstig artikel 282, lid 2, van het Financieel Reglement van 2018, artikel 98, lid 2, tweede alinea, van dit reglement – waarin de door verzoeker aangevoerde verjaringstermijn van vijf jaar is vastgesteld – van toepassing is met ingang van dezelfde dag als die waarop dat reglement in werking is getreden, te weten 2 augustus 2018. De overgangsbepalingen van artikel 279 van dat reglement en de data waarop een aantal, in artikel 282, lid 3, ervan vastgestelde bepalingen met terugwerkende kracht van toepassing zijn of waarvoor de toepassing is uitgesteld, hebben namelijk geen betrekking op die bepaling. Artikel 281 van het Financieel Reglement van 2018 bepaalt voorts dat, behoudens een in casu niet relevante uitzondering, het Financieel Reglement van 2012 met ingang van 2 augustus 2018 wordt ingetrokken.

22 Wat vervolgens de beginselen van de opeenvolging van regels in de tijd betreft, zij eraan herinnerd dat een nieuwe regel in beginsel onmiddellijk van toepassing is op de toekomstige gevolgen van een onder de oude regeling ontstane situatie (zie in die zin arrest van 14 april 1970, Brock, 68/69, EU:C:1970:24, punt 7). De toekomstige gevolgen van een onder de oude regeling ontstane situatie moeten aldus worden opgevat dat zij betrekking hebben op de actuele gevolgen van die situatie op het tijdstip waarop de nieuwe regeling van toepassing is (zie in die zin arrest van 11 juli 2002, D’Hoop, C‑224/98, EU:C:2002:432, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De toepassing van een nieuwe regel op de actuele gevolgen van een onder de oude regeling ontstane situatie is geen toepassing met terugwerkende kracht van de nieuwe regel (zie in die zin arrest van 10 juli 1986, Licata/ESC, 270/84, EU:C:1986:304, punt 31).

23 Zo is het vaste rechtspraak dat een nieuwe regel van toepassing is vanaf de toepassingsdatum ervan die is vastgesteld in de handeling waarbij deze regel is ingevoerd, en dat die regel in beginsel weliswaar niet van toepassing is op rechtssituaties die zijn ontstaan en definitief zijn verworven onder de oude regeling, maar wel van toepassing is op de toekomstige gevolgen daarvan en op nieuwe rechtssituaties. Meer in het bijzonder blijkt uit de rechtspraak dat procedureregels in het algemeen geacht worden te gelden vanaf de dag waarop zij in werking treden, in tegenstelling tot materiële regels, die doorgaans aldus worden uitgelegd dat zij op situaties die vóór de inwerkingtreding ervan zijn ontstaan slechts van toepassing zijn voor zover uit de bewoordingen, de doelstelling of de opzet ervan duidelijk blijkt dat er dergelijke gevolgen aan dienen te worden toegekend (zie in die zin arrest van 26 maart 2015, Commissie/Moravia Gas Storage, C‑596/13 P, EU:C:2015:203, punten 32 en 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 Ook is geoordeeld dat een verjaringsregel met betrekking tot een douaneschuld weliswaar een materiële regel was, aangezien deze regel de douaneschuld zelf regelde (zie in die zin arresten van 23 februari 2006, Molenbergnatie, C‑201/04, EU:C:2006:136, punten 39‑41, en 3 juni 2021, Jumbocarry Trading, C‑39/20, EU:C:2021:435, punt 35), maar dat die regel niettemin van toepassing kon zijn op de toekomstige gevolgen van een situatie waarin de betrokken schuld niet definitief was verworven, niettegenstaande het feit dat die schuld onder een oude regeling was ontstaan (zie in die zin arrest van 3 juni 2021, Jumbocarry Trading, C‑39/20, EU:C:2021:435, punt 38).

25 In casu was de schuldvordering van de Unie jegens verzoeker niet definitief verworven op 2 augustus 2018, aangezien verzoeker die vordering had betwist en het desbetreffende beroep in rechte nog aanhangig was, zodat evenmin kan worden erkend dat de Commissie daags tevoren, dat wil zeggen ongeveer drieënhalf jaar na het besluit van 10 februari 2015, gelet op die omstandigheden, het recht om die schuldvordering te innen definitief had verloren omdat zij dat recht te laat had uitgeoefend. In het Financieel Reglement van 2012 was namelijk geen specifieke termijn bepaald voor de verzending van een debetnota, en voorts was de redelijke termijn die een instelling van de Unie in dat soort situaties evenwel in acht moet nemen om haar bevoegdheden uit te oefenen (zie in die zin arrest van 14 juni 2016, Marchiani/Parlement, C‑566/14 P,EU:C:2016:437, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak) gelet op de omstandigheden niet overschreden. Bijgevolg is artikel 98, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement van 2018 van toepassing op de betrokken schuldvordering.

26 Gelet op de voorgaande conclusie behoeft geen uitspraak te worden gedaan over verzoekers argumenten dat de Commissie de rechtsgrondslag van de bestreden besluiten in haar besluit van 5 mei 2023 tot afwijzing van de klachten niet kon wijzigen.

27 Anders dan verzoeker stelt, kan hij zich niet beroepen op de verjaring van artikel 98, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement van 2018.

28 Volgens deze bepaling loopt de verjaringstermijn van vijf jaar „vanaf het moment waarop de instelling van de Unie, onder normale omstandigheden, haar schuldvordering geldend had kunnen maken”.

29 De Commissie heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheden van de onderhavige zaak – die worden gekenmerkt door een vordering die werd betwist en vervolgens nietig kon worden verklaard of kon worden verlaagd, zoals is gebleken, aangezien het Gerecht deze heeft verlaagd van 108596,35 EUR tot 80000 EUR in het arrest van 15 december 2021, HG/Commissie (T‑693/16 P‑RENV‑RX, EU:T:2021:895) – enkel normaal waren, in de zin van artikel 98, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement 2018, nadat dit arrest onherroepelijk was geworden.

30 In dit verband moet worden benadrukt dat in een procedurele situatie als de onderhavige – waarin de schuldvordering eerst na afloop van een specifieke procedure moest worden opgesteld bij een formeel besluit dat voorafging aan de vaststelling ervan – een dergelijke uitlegging van artikel 98, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement van 2018 in het belang is van een behoorlijk bestuur, omdat zij zowel de belangen van de crediteurinstellingen als de belangen van hun schuldenaren of eventuele betrokken derden ten goede komt. Deze uitlegging verplicht de bevoegde ordonnateur namelijk niet in alle omstandigheden om de invordering te gelasten van schuldvorderingen waarvan het beginsel of het bedrag door de debiteuren wordt betwist, alvorens definitief te weten wat er met deze schuldvorderingen gebeurt en zonder rekening te houden met voormelde belangen. Met name wanneer er sprake is van een schuldvordering op een ambtenaar en deze ambtenaar zowel het beginsel van de schuldvordering als het bedrag ervan betwist door de nietigverklaring of de herziening te vorderen van het voorafgaande besluit waarbij de schuldvordering werd opgesteld, kan de ordonnateur, om te bepalen wat het juiste moment is om de schuldvordering vast te stellen, de invordering te gelasten en de debetnota te zenden – gelet op de zorgplicht van de administratie jegens zijn personeelsleden, die vereist dat zij niet alleen rekening houdt met het belang van de dienst, maar ook met dat van de betrokken ambtenaar (zie in die zin arrest van 28 mei 1980, Kuhner/Commissie, 33/79 en 75/79, EU:C:1980:139, punt 22) – met name rekening houden met de hoogte van het in geding zijnde bedrag ten opzichte van het inkomen van de ambtenaar, en met zijn beoordeling of dit bedrag, in het bijzonder indien het voortvloeit uit de aansprakelijkheid van de ambtenaar, door de rechter in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht kan worden gewijzigd.

31 Deze uitlegging volgt die van het Hof, dat heeft geoordeeld dat zelfs indien een instelling normaliter in staat was om haar schuldvordering geldend te maken vanaf de datum waarop deze vaststaand, liquide en opeisbaar was, te weten in casu op 1 maart 2015, de datum van inwerkingtreding van het besluit van 10 februari 2015, er rekening moest worden gehouden met de specifieke omstandigheden van de betrokken zaak om te beoordelen of de ordonnateur had gedraald bij verzending van een debetnota aan de debiteur (zie in die zin arrest van 14 juni 2016, Marchiani/Parlement, C‑566/14 P, EU:C:2016:437, punten 103 en 104). In dit verband heeft het Hof verduidelijkt dat met name rekening moet worden gehouden met het belang van de zaak voor de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak en de verschillende fasen van de procedure die de instelling van de Unie heeft gevolgd (arrest van 14 juni 2016, Marchiani/Parlement, C‑566/14 P, EU:C:2016:437, punt 99).

32 Deze uitlegging strookt ook met de wil van de Uniewetgever, die de bepalingen van artikel 98, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement van 2018 met name heeft willen invoeren om rekening te houden met de in punt 31 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, zoals blijkt uit punt 8 van de toelichting bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 2021/2002, (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013, (EU) nr. 1307/2013, (EU) nr. 1308/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014, (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad en besluit 541/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad [COM/2016/0605 final – 2016/0282(COD)].

33 Wat betreft de gestelde schending van de artikelen 100 en 102 van het Financieel Reglement van 2018, voert verzoeker geen enkel argument ter onderbouwing ervan aan. Krachtens artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Reglementen voor de procesvoering van de rechterlijke instanties van de Unie, zoals uitgelegd in het kader van de vaste rechtspraak, moet het verzoekschrift de aangevoerde middelen en argumenten bevatten die voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn geformuleerd om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden en om de rechter in staat te stellen uitspraak te doen, in voorkomend geval zonder om nadere gegevens te vragen. Zo niet, is de onduidelijke of vage grief niet-ontvankelijk (zie in die zin arrest van 12 december 2019, Tàpias/Raad, T‑527/16, EU:T:2019:856 punten 64 en 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De grieven inzake schending van de artikelen 100 en 102 van het Financieel Reglement van 2018 zijn dus niet-ontvankelijk.

34 Uit het voorgaande volgt dat het middel dat is ontleend aan schending van de artikelen 98, 100, 101 en 102 van het Financieel Reglement van 2018 moet worden afgewezen.

Middel inzake niet-inachtneming van de redelijke termijn

35 Verzoeker betoogt dat, in het geval dat het Financieel Reglement van 2012 – waarin niet wordt vermeld binnen welke termijn een debetnota moet worden toegezonden – van toepassing is, de Commissie heeft verzuimd in haar verplichting tot inachtneming van een redelijke termijn en van het rechtszekerheidsbeginsel dat haar belet om eindeloos te wachten met de uitoefening van haar bevoegdheden.

36 Vastgesteld moet worden dat verzoeker het middel inzake niet-inachtneming van de redelijke termijn slechts subsidiair heeft aangevoerd voor het geval dat het Financieel Reglement van 2012 van toepassing zou zijn. Zoals in punt 25 hierboven is geoordeeld, is het Financieel Reglement 2012 evenwel niet van toepassing op de bestreden besluiten.

37 Het middel inzake niet-inachtneming van de redelijke termijn moet dus in elk geval worden afgewezen.

Middelen ontleend aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en niet-nakoming van de zorgplicht

38 Verzoeker betoogt dat het feit dat de diensten van de Commissie hem voorafgaand aan de vaststelling van de bestreden besluiten geen mededeling hebben gedaan van de wijze van invordering van de schuldvordering, schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en niet-nakoming van de zorgplicht oplevert. Hij is met name onvoldoende geïnformeerd over de redenen voor verrekening van schuldvorderingen, over het tijdschema van de terugbetalingen of over de mogelijkheden van een betalingsregeling voor zijn schuld. Verzoeker verbaast zich er ook over dat de Commissie zijn vordering uiteindelijk binnen een periode van twee jaar tijd heeft willen innen, na eerst zes jaar te hebben gewacht om deze op te eisen.

39 De Commissie betoogt dat zij bij de keuze voor de wijze van invordering via redelijke verrekening over ongeveer twee jaar, gezien de bezoldiging van de betrokkene, rekening heeft gehouden met zowel met de toepasselijke bepalingen als verzoekers belangen. Voorts heeft verzoeker niet aangevoerd dat hij een bijzonder belang had bij een specifieke spreiding van de betaling van zijn schuld. Indien dit wel het geval was geweest, zou de Commissie bereid zijn geweest de betalingsregeling aan te passen.

40 Opgemerkt zij dat in de e‑mail van de ordonnateur van 1 april 2022, waarbij het door verzoeker zelf ingediende verzoek om intrekking van de debetnota van 3 maart is afgewezen (zie punt 4 hierboven), verzoeker is verzocht contact op te nemen met de diensten van de Commissie over de wijze van terugbetaling van zijn schuld. Uit het dossier blijkt evenwel niet dat verzoeker een dergelijke stap heeft ondernomen, en evenmin dat hij uit eigen beweging een aanvang heeft gemaakt om deze schuld te voldoen, ofwel vóór ofwel na de in die debetnota vermelde uiterste betaaldatum van 19 april 2022. In die omstandigheden heeft de rekenplichtige van de Commissie zich met de vaststelling van de bestreden besluiten niet schuldig gemaakt aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en evenmin aan niet-nakoming van de zorgplicht van de instellingen jegens hun ambtenaren, door de schuld te verrekenen met verzoekers salaris of met kostenvergoedingen, zoals artikel 102, lid 1, van het Financieel Reglement van 2018 voorschrijft, en door ambtshalve een betalingsregeling van ongeveer twee jaar vast te stellen waardoor voor verzoeker een passend inkomen overblijft, gelet op de hoogte van zijn bezoldiging.

41 De middelen ontleend aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en niet-nakoming van de zorgplicht moeten dus worden afgewezen. Bijgevolg moet de vordering tot nietigverklaring worden afgewezen.

Schadevordering

42 Verzoeker betoogt dat hij door de bestreden besluiten materiële schade heeft geleden die overeenkomt met het totaalbedrag van de inhoudingen die zijn toegepast, namelijk 24092,59 EUR. Hij vordert de betaling van dit bedrag, vermeerderd met vertragingsrente vanaf elk van de bestreden besluiten, berekend volgens de in zijn conclusies aangegeven voorwaarden.

43 De Commissie betwist de onwettigheid van de bestreden besluiten, en dus alle schade.

44 Nu de middelen tot nietigverklaring van de bestreden besluiten zijn afgewezen, kan het verzoek om de Commissie te veroordelen tot terugbetaling van de ingevorderde bedragen hoe dan ook niet slagen, en hoeft de ontvankelijkheid van een dergelijke vordering niet te worden onderzocht. Dientengevolge moet het verzoek tot terugbetaling worden afgewezen en moet het beroep bijgevolg in zijn geheel worden verworpen.

Kosten

45 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vorderingen van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) HG wordt verwezen in de kosten.

Porchia Jaeger Madise Nihoul Verschuur Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 oktober 2024. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken