Gerecht EU 11 september 2024, T-386/19, ECLI:EU:T:2024:613

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)

11 september 2024 ( *1 )

„Institutioneel recht – Lid van de Europese Rekenkamer – Activiteit die onverenigbaar is met de taken als lid van de Rekenkamer – Als onverschuldigd aangemerkte uitgaven – Besluit tot terugvordering – Beslissing van het Hof inzake de niet-nakoming van de uit de taak van een lid van de Rekenkamer voortvloeiende verplichtingen – Regelmatigheid van het onderzoek en het eindverslag van OLAF – Motiveringsplicht – Verjaringstermijn – Artikel 98, lid 2, van verordening (EU, Euratom) 2018/1046 – Gewettigd vertrouwen – Beoordelingsfout – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Immateriële schade”

In zaak T‑386/19,

CQ, vertegenwoordigd door L. Levi, advocaat,

verzoeker,

tegen

Europese Rekenkamer, vertegenwoordigd door K. Kantza en B. Schäfer als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: R. da Silva Passos, president, S. Gervasoni, N. Półtorak, I. Reine (rapporteur) en T. Pynnä, rechters,

griffier: H. Eriksson, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 4 mei 2023,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn beroep vordert verzoeker, CQ, op grond van artikel 263 VWEU, nietigverklaring van het besluit van de Europese Rekenkamer van 11 april 2019 waarbij een schuldvordering jegens hem is vastgesteld en het bedrag van 153407,58 EUR is aangemerkt als een onverschuldigd ontvangen betaling uit hoofde van dienstreiskosten en dagvergoedingen, representatiekosten en het gebruik van chauffeursdiensten, en waarbij de terugvordering van dat bedrag is gelast (hierna: „bestreden besluit”). Tevens vordert verzoeker krachtens artikel 268 VWEU vergoeding van de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden.

I. Toepasselijke bepalingen

A. VWEU

2 Artikel 285 VWEU luidt als volgt: „De Rekenkamer verricht de controle van de rekeningen van de Unie. In de Rekenkamer heeft één onderdaan van iedere lidstaat zitting. De leden van de Rekenkamer oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit, in het algemeen belang van de Unie.”

3 Artikel 286, leden 3 en 6, VWEU bepaalt het volgende: „3. Bij de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden de leden van de Rekenkamer instructies van enige regering of enig lichaam. Zij onthouden zich van iedere handeling welke onverenigbaar is met het karakter van hun ambt. [...] 6. De leden van de Rekenkamer kunnen slechts van hun ambt worden ontheven of van hun recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen worden verklaard, indien het Hof van Justitie, op verzoek van de Rekenkamer, constateert dat zij hebben opgehouden aan de eisen voor de uitoefening van hun ambt of aan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen.”

B. Verordening nr. 883/2013

4 Artikel 1, lid 1, van verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB 2013, L 248, blz. 1) luidt als volgt: „Met het oog op een krachtigere bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie [...] worden geschaad, verricht [OLAF], [...] de onderzoekstaken die zijn toevertrouwd aan de Commissie [...].”

5 Artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 883/2013 bepaalt het volgende: „1. [OLAF] verricht binnen de instellingen, organen en instanties administratieve onderzoeken op de in artikel 1 bedoelde terreinen [...]. Deze interne onderzoeken worden verricht onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in deze verordening en in de besluiten van de respectieve instellingen, organen of instanties. 2. Voor zover de in lid 1 vermelde bepalingen worden nageleefd: a) heeft [OLAF] zonder voorafgaande waarschuwing onmiddellijke toegang tot alle relevante informatie, inclusief informatie in databases, die in het bezit is van de instellingen, organen en instanties, alsmede tot hun gebouwen. [...] [OLAF] kan alle documenten en de inhoud van alle geautomatiseerde bestanden die deze instellingen, organen en instanties in hun bezit hebben, kopiëren of daarvan uittreksels verkrijgen [...].”

6 Artikel 5, leden 1 tot en met 3, van verordening nr. 883/2013 luidt als volgt: „1. De directeur-generaal kan een onderzoek openen bij voldoende ernstige verdenking van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, ook indien de desbetreffende informatie door derden of anoniem wordt verstrekt. [...] 2. [...] Het besluit om een intern onderzoek te openen, wordt genomen door de directeur-generaal, die handelt op eigen initiatief dan wel op verzoek van de instelling, het orgaan of de instantie waarbij het onderzoek moet worden verricht of op verzoek van een lidstaat. 3. Zolang de directeur-generaal overweegt om naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in lid 2 al dan niet een onderzoek te openen, en/of wanneer [OLAF] een intern onderzoek verricht, openen de instellingen, organen en instanties in kwestie geen parallel onderzoek naar dezelfde feiten, tenzij anderszins met [OLAF] is overeengekomen.”

7 Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 883/2013 bepaalt het volgende: „De personeelsleden van [OLAF] verrichten hun taken na vertoon van een schriftelijke machtiging, waarin hun identiteit en hun hoedanigheid zijn vermeld. De directeur-generaal verstrekt die machtiging, waarin het voorwerp en het doel van het onderzoek, de rechtsgronden voor het verrichten van dit onderzoek en de daaruit voortvloeiende onderzoeksbevoegdheden zijn vermeld.”

8 Artikel 9, lid 4, eerste alinea, van verordening nr. 883/2013 luidt als volgt: „Onverminderd artikel 4, lid 6, en artikel 7, lid 6, mogen na afloop van het onderzoek geen conclusies over een met naam genoemde betrokken persoon worden getrokken zonder dat die persoon in de gelegenheid wordt gesteld om zijn oordeel te geven over alle feiten die op hem betrekking hebben.”

9 Artikel 11, lid 4, van verordening nr. 883/2013 bepaalt het volgende: „De na afloop van een intern onderzoek opgestelde verslagen en aanbevelingen en alle relevante daarmee verband houdende documenten worden aan de betrokken instellingen, organen of instanties toegezonden. Die instellingen, organen of instanties ondernemen de acties, in het bijzonder de acties van tuchtrechtelijke of juridische aard, die op grond van de resultaten van het interne onderzoek geboden zijn en brengen daarover verslag uit aan [OLAF] binnen de in de aanbevelingen die het verslag vergezellen bepaalde termijn, en bovendien op verzoek van [OLAF].”

C. Interne regels van de Rekenkamer

1. Besluit nr. 1‑2003 betreffende de dienstreiskosten van de leden van de Rekenkamer

10 Artikel 1 van besluit nr. 1‑2003 van de Rekenkamer van 16 januari 2003 betreffende de dienstreiskosten van de leden van de Rekenkamer, van toepassing ten tijde van de feiten in het onderhavige beroep (hierna: „besluit nr. 1‑2003”), preciseerde het volgende: „De juridische verbintenissen (te weten de dienstreisopdrachten) moeten wat de dienstreiskosten betreft zo spoedig mogelijk worden aangevraagd. De ordonnateur voor de dienstreiskosten van de leden is de president van de Rekenkamer [...].”

11 Artikel 3 van besluit nr. 1‑2003 luidde als volgt: „Tijdens hun dienstreizen mogen de leden zich verplaatsen per dienstvoertuig, per vliegtuig, per spoor of per schip.”

12 Artikel 5 van besluit nr. 1‑2003 bepaalde het volgende: „Vergoeding van dienstreiskosten wordt zo spoedig mogelijk na terugkeer van het lid aangevraagd. Hotelkosten (uitgezonderd maaltijden) komen in aanmerking voor vergoeding.”

13 Artikel 6 van besluit nr. 1‑2003 luidde als volgt: „Voor dienstreizen van minder dan twaalf uur op één dag, wordt de helft van de desbetreffende dagvergoeding betaald. In alle andere gevallen wordt de dagvergoeding volledig uitbetaald.”

2. Besluit nr. 7‑2004 betreffende de representatie- en ontvangstkosten van de leden van de Rekenkamer

14 Artikel 2 van besluit nr. 7‑2004 van de Rekenkamer van 22 april 2004 betreffende de representatie- en ontvangstkosten van haar leden, van toepassing ten tijde van de feiten in het onderhavige beroep (hierna: „besluit nr. 7‑2004”), luidde als volgt: „Aan het begin van elk begrotingsjaar en na raadpleging van de leden worden de kredieten in twee delen verdeeld: [...] Een tweede deel, B genaamd, is bestemd voor de algemene representatie- en ontvangstuitgaven die de leden doen in hun hoedanigheid van lid van een instelling. Deze uitgaven worden aan het eind van elk trimester terugbetaald op basis van aangiften waarbij ontvangstbewijzen of andere gelijkwaardig geachte schriftelijke bewijsstukken zijn gevoegd, met vermelding van de datum van de uitnodiging, het aantal gasten en de hoedanigheid van de hoofdgast. [...]”

15 Artikel 6 van besluit nr. 7‑2004 bepaalde het volgende: „Voor ontvangsten aan huis vergoedt de Rekenkamer de gemaakte kosten ten belope van de overgelegde bewijsstukken.”

16 Besluit nr. 7‑2004 ging vergezeld van een nota ter attentie van de leden van de Rekenkamer van 22 april 2004 met „suggesties in verband met de representatie- en ontvangstkosten” (hierna: „nota van 22 april 2004”). Hierin stond te lezen: „De representatiekosten zijn hoofdzakelijk bedoeld om de externe betrekkingen van de Rekenkamer te bevorderen. De leden vertegenwoordigen de Rekenkamer met name wanneer zij in het belang van de Rekenkamer professionele betrekkingen onderhouden met personen die functies uitoefenen binnen de [...] Unie, de lidstaten of andere landen. [...] De uitgaven voor elk evenement moeten in verhouding staan tot het belang ervan en de hoedanigheid van de deelnemers. Wanneer de leden de Rekenkamer vertegenwoordigen, mogen ook hun echtgenoot/partner deelnemen aan het evenement. Ook de genodigden mogen worden vergezeld. Wat vrienden of persoonlijke contacten betreft gaat het noodzakelijkerwijs om privé-uitnodigingen. [...] In bijlage 1 worden hiervoor richtsnoeren gegeven. De uitgaven moeten duidelijk en beknopt worden aangegeven met behulp van bijlage 2.”

17 Bijlage 1 bij de nota van 22 april 2004 verduidelijkte dat „representaties/ontvangsten buiten de Rekenkamer in de regel betrekking [moesten] hebben op personen die vooraanstaande functies uitoefenen binnen de Unie [...], de lidstaten of andere landen” en dat uitgaven voor representaties/ontvangsten in de privéwoning van het lid „niet groter [mochten] zijn dan hetgeen daartoe noodzakelijk [was], bloemstukken inbegrepen”.

18 In deze bijlage stond tevens dat „[w]anneer op de gastenlijst, naast personen van buiten de instelling, ook personeelsleden van de Rekenkamer [stonden], een billijk evenwicht tussen beide categorieën [moest] worden bewaard”, en dat „persoonlijke vrienden en familieleden (met uitzondering van de echtgenoot/partner) privé [moesten] worden uitgenodigd op kosten van het lid”.

3. Besluit nr. 33‑2004 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Rekenkamer

19 Artikel 1 van besluit nr. 33‑2004 van de Rekenkamer van 15 juni 2004 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Rekenkamer, van toepassing ten tijde van de feiten in het onderhavige beroep en tot aan de inwerkingtreding van besluit nr. 19‑2009 van de Rekenkamer van 20 april 2009 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Rekenkamer (hierna: „besluit nr. 33‑2004”), bepaalde het volgende: „Dienstvoertuigen worden permanent ter beschikking gesteld van de leden en van de secretaris-generaal van de Rekenkamer voor verplaatsingen in het kader van hun taken.”

20 Artikel 4 van besluit nr. 33‑2004 luidde als volgt: „De Rekenkamer draagt, naast de huurkosten, ook de kosten van het gebruik van het voertuig door de leden en de secretaris-generaal in de uitvoering van hun taken. Als verplaatsingen in de uitvoering van de taken worden beschouwd: – verplaatsingen die gepaard gaan met een dienstreisopdracht, – andere verplaatsingen in verband met de uitvoering van de taken, forfaitair geraamd op 15000 km/jaar.”

21 Artikel 5 van besluit nr. 33‑2004 bepaalde het volgende: „Wanneer de leden of de secretaris-generaal het dienstvoertuig gebruiken voor andere verplaatsingen dan die bedoeld in artikel 4, komen de desbetreffende kosten (tolgeld, brandstofkosten en eventuele extra huurkosten bij een totale overschrijding van 45000 km/jaar zoals vastgesteld in de kaderovereenkomst) voor hun rekening.”

22 Artikel 6 van besluit nr. 33‑2004 luidde als volgt: „De chauffeurs hebben recht op vergoeding van de dienstreiskosten [...] wanneer zij de leden of de secretaris-generaal vervoeren bij hun verplaatsingen in de uitvoering van hun taken.”

23 Besluit nr. 33‑2004 ging vergezeld van een document getiteld „Opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Rekenkamer” (hierna: „opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004”).

24 In de opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004 stond met betrekking tot artikel 4 van dit besluit te lezen: „Als ‚andere verplaatsingen in verband met de uitvoering van de taken’ worden beschouwd: – trajecten tussen de woonplaats (op de standplaats) en de werkplek, – trajecten tussen de standplaats/woning en een luchthaven, – protocolverplichtingen die binnen een beperkte omtrek plaatsvinden en die niet onder een dienstreisopdracht vallen, – gevallen van overmacht (ziekte, medische controles, onmogelijkheid om te rijden, enz.).”

4. Besluit nr. 19‑2009 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Rekenkamer

25 De artikelen 1 en 4 tot en met 6 van besluit nr. 19‑2009 van de Rekenkamer van 20 april 2009 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Rekenkamer waren gelijk aan de overeenkomstige artikelen van besluit nr. 33‑2004.

26 Artikel 7 van besluit nr. 19‑2009 luidde als volgt: „Dit besluit annuleert en vervangt besluit nr. 33‑2004. Het treedt in werking op dezelfde datum als de nieuwe interinstitutionele kaderovereenkomst voor huurwagens.”

27 Besluit nr. 19‑2009 ging vergezeld van een document getiteld „Opmerkingen bij besluit nr. 19‑2009 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Rekenkamer” (hierna: „opmerkingen bij besluit nr. 19‑2009”).

28 De opmerkingen bij besluit nr. 19‑2009 met betrekking tot artikel 4 van dit besluit waren dezelfde als die bij besluit nr. 33‑2004 met betrekking tot artikel 4 daarvan.

5. Gedragscode voor de leden van de Rekenkamer 2012

29 Artikel 2 van de gedragscode van toepassing op de leden van de Rekenkamer, vastgesteld door die instelling op 8 februari 2012 (hierna: „gedragscode van 2012”), bepaalde in de leden 1, 2 en 4 het volgende: „1. De leden vermijden elke situatie die kan leiden tot een belangenconflict. Zij behandelen geen kwesties waarbij zij een persoonlijk belang hebben, met name een familie‑ of financieel belang, waardoor hun onpartijdigheid in het gedrang kan komen [...]. 2. De leden van de Rekenkamer doen een opgave van hun financiële belangen en hun vermogen waaruit bij de uitvoering van hun ambt mogelijk belangenconflicten kunnen voortvloeien, ongeacht of het gaat om individuele deelnemingen in bedrijfskapitaal, met name aandelen, dan wel om andere vormen van deelnemingen zoals converteerbare obligaties of beleggingscertificaten. [...] Enig onroerend goed dat direct of via een vastgoedbedrijf in eigendom is, moet worden aangegeven, met uitzondering van woningen die uitsluitend worden gebruikt door de eigenaar of zijn familie. [...] 4. Bij hun ambtsaanvaarding dienen de leden de in de voorgaande paragrafen genoemde opgave toe te sturen aan de President van de Rekenkamer met gebruikmaking van het in de bijlage opgenomen formulier. [...] De opgave moet bij ingrijpende wijzigingen worden herzien en opnieuw worden ingediend [...].”

30 Artikel 4 van de gedragscode van 2012 luidde als volgt: „1. De leden van de Rekenkamer wijden zich volledig aan de uitoefening van hun mandaat. Zij mogen geen enkele politieke functie vervullen. 2. De leden onthouden zich van alle externe beroepswerkzaamheden en van alle andere externe activiteiten die niet verenigbaar zijn met de uitoefening van hun ambt. [...] 6. De leden vermelden hun nevenactiviteiten, met uitzondering van de in lid 4 genoemde activiteiten, in de opgave van belangen waar in artikel 2 naar wordt verwezen.”

II. Aan het geding ten grondslag liggende feiten

31 Verzoeker was lid van de Rekenkamer van 1 maart 2006 tot en met 30 april 2018 en heeft daar twee mandaten volbracht. Voordat hij tot lid van de Rekenkamer werd benoemd, bekleedde hij sinds de jaren tachtig verschillende politieke functies in het Koninkrijk België. Tot 2002 was hij lid van een politieke partij en vanaf 2002 van een andere politieke partij (hierna: „betrokken politieke partij”).

32 Hij was gedurende zijn mandaten toegewezen aan de kamer van de Rekenkamer die verantwoordelijk is voor de controle van de uitgaven van de Europese Unie op het gebied van externe betrekkingen, uitbreiding en humanitaire hulp. Gedurende ongeveer zeven jaar heeft verzoeker het ambt van deken van die kamer bekleed.

33 Na een gunstig advies van het comité belast met de beoordeling van de externe activiteiten van de leden van de Rekenkamer, heeft verzoeker bij besluit van 30 april 2015 toestemming gekregen om voorzitter te zijn van een milieustichting in zijn regio van herkomst.

34 Als lid van de Rekenkamer is verzoeker vergoed voor representatie- en ontvangstkosten en voor diverse kosten die hij had gemaakt tijdens dienstreizen die op zijn verzoek door de president van de Rekenkamer waren goedgekeurd. Hij heeft tevens dagvergoedingen voor deze dienstreizen ontvangen.

35 Verzoeker beschikte over een dienstvoertuig. Van 2006 tot en met maart 2014 heeft de Rekenkamer verzoeker een chauffeur ter beschikking gesteld. Vanaf april 2014 kon verzoeker een beroep doen op een chauffeur uit de onder de verantwoordelijkheid van de directeur Financiën van de Rekenkamer vallende „pool van chauffeurs”.

A. Voorlopige maatregelen van de Rekenkamer

36 In 2016 heeft de Rekenkamer informatie ontvangen over verschillende ernstige onregelmatigheden die verzoeker werden verweten. Op 18 juli 2016 heeft de secretaris-generaal van die instelling verzoeker mondeling in kennis gesteld van de tegen hem geuite beschuldigingen.

37 De diensten van de Rekenkamer hebben in de zomer van 2016 een analyse verricht van de dienstreizen van verzoeker en van die van de chauffeurs van de Rekenkamer voor wie hij dienstreisopdrachten had opgesteld, teneinde mogelijke onregelmatigheden op te sporen. Vervolgens zijn er tussen die diensten en verzoeker verschillende brieven uitgewisseld over de beweerde onregelmatigheid van bepaalde van zijn dienstreizen of die van deze chauffeurs en over het verzoek van de Rekenkamer om terugbetaling van de gevorderde bedragen. Verzoeker achtte de aangevoerde onregelmatigheid ongegrond en weigerde de door de Rekenkamer gevorderde bedragen terug te betalen.

38 Voorts werd de Rekenkamer op 26 juli 2016 in kennis gesteld van beschuldigingen betreffende het plegen van verzekeringsfraude door verzoeker in 2011, na een incident tussen zijn dienstvoertuig en zijn eigen privévoertuig. Op 1 september 2016 heeft de secretaris-generaal van de Rekenkamer deze aantijgingen mondeling aan verzoeker gemeld. In een nota van dezelfde dag heeft verzoeker beweerd dat het ongeval in kwestie het gevolg was van een botsing tussen zijn dienstvoertuig, bestuurd door de aan zijn kabinet toegewezen chauffeur, en zijn privévoertuig, bestuurd door zijn zoon.

B. Onderzoek van OLAF

39 Op 14 oktober 2016 heeft de secretaris-generaal van de Rekenkamer in opdracht van de president van de Rekenkamer OLAF een dossier toegezonden over de activiteiten van verzoeker die mogelijk tot onverschuldigde uitgaven ten laste van de begroting van de Unie hadden geleid. OLAF heeft op 15 november 2016 besloten om in dit verband een onderzoek in te stellen.

40 Op 31 maart 2017 heeft de directeur-generaal van OLAF de president van de Rekenkamer formeel in kennis gesteld van de opening van een onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden – waarbij verzoeker betrokken was en waardoor de financiële belangen van de Unie waren geschaad – bij het gebruik van de middelen van de Rekenkamer en bij de dienstreizen die in strijd met de toepasselijke regels waren uitgevoerd of goedgekeurd.

41 Op 22 september 2017 is verzoeker door OLAF in kennis gesteld van de opening van dit onderzoek en van zijn status als bij dat onderzoek „betrokken persoon”.

42 Op 20 november 2017 heeft OLAF een inspectie uitgevoerd in de lokalen van het kabinet van verzoeker en daarbij diverse documenten verzameld. Na een eerste analyse daarvan heeft OLAF verzoeker op 15 december 2017 meegedeeld dat het voorwerp van het onderzoek was uitgebreid tot mogelijke belangenconflicten en andere schendingen van de artikelen 285 en 286 VWEU en van de gedragscode van 2012.

43 Verzoeker is op 22 december 2017 mondeling gehoord door de onderzoekers van OLAF. Op 15 mei 2018 heeft hij schriftelijke opmerkingen ingediend bij OLAF naar aanleiding van de overlegging door dit bureau van een samenvatting van de aan het eind van het onderzoek vastgestelde feiten.

44 Op 2 juli 2018 heeft de Rekenkamer het eindverslag ontvangen dat OLAF na afloop van zijn onderzoek had opgesteld (hierna: „verslag van OLAF”). In dit verslag werd geconcludeerd dat verzoeker de middelen van de Rekenkamer had misbruikt in het kader van activiteiten die geen verband hielden met zijn taken en dat hij misbruik had gemaakt van tankkaarten en van de autoverzekeringsovereenkomst voor zijn dienstvoertuig. In het verslag werd bovendien geconcludeerd dat er sprake was van ongerechtvaardigde afwezigheden, dat hij bepaalde externe activiteiten niet had gemeld, dat hij vertrouwelijke informatie had doorgegeven en dat er zich belangenconflicten hadden voorgedaan.

45 Gelet op de in zijn verslag vastgestelde elementen heeft OLAF de Rekenkamer aanbevolen een tuchtprocedure tegen verzoeker in te leiden, passende maatregelen te nemen met het oog op de terugvordering van 472869,09 EUR, wat overeenkomt met de kosten die de Rekenkamer ten onrechte heeft gedragen, en de terugvordering te overwegen van 97954,52 EUR, wat overeenkomt met het salaris dat is betaald voor de perioden waarin verzoeker ongerechtvaardigd afwezig was.

46 Aangezien sommige van de in het onderzoek aan het licht gekomen feiten als strafbare feiten konden worden aangemerkt, heeft OLAF tevens inlichtingen verstrekt aan de gerechtelijke autoriteiten van het Groothertogdom Luxemburg en deze autoriteiten zijn aanbevelingen doen toekomen.

C. Door de Luxemburgse autoriteiten ingeleide strafprocedure

47 Op grond van de door OLAF doorgestuurde informatie heeft de openbare aanklager van de Tribunal d’arrondissement de Luxembourg (rechter in eerste aanleg Luxemburg, Luxemburg) de Rekenkamer bij brief van 1 oktober 2018 verzocht om verzoekers immuniteit van rechtsvervolging op te heffen. Op 15 november 2018 heeft die instelling dat verzoek ingewilligd.

D. Inleiding van de procedure binnen de Rekenkamer

48 Op 3 juli 2018 heeft de president van de Rekenkamer de leden van de Rekenkamer een kopie van het verslag van OLAF en van de aanbevelingen van dit orgaan doen toekomen.

49 Op 5 oktober 2018 heeft de president van de Rekenkamer een voorbereidend verslag aan de leden van de Rekenkamer toegezonden. Daarin werd aanbevolen om het Hof van Justitie te verzoeken om „de vastgestelde feiten te onderzoeken en te bepalen of verzoeker [had] verzuimd de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen na te komen”. Dit verslag en het verslag van OLAF zijn op dezelfde dag aan verzoeker bezorgd. De bijlagen bij het verslag van OLAF zijn hem op 17 oktober 2018 toegezonden.

50 Op 19 november 2018 heeft verzoeker schriftelijke opmerkingen aan de Rekenkamer doen toekomen. Op 26 november 2018 is hij door de leden van de Rekenkamer gehoord in een besloten vergadering.

51 Op 29 november 2018 heeft de Rekenkamer in een besloten vergadering beslist om de zaak van verzoeker op grond van artikel 286, lid 6, VWEU voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

E. Procedures voor het Hof van Justitie van de Europese Unie

52 Met haar beroep, ingesteld op 15 februari 2019, heeft de Rekenkamer het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht om vast te stellen dat verzoeker had opgehouden aan de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen, en bijgevolg de in artikel 286, lid 6, VWEU vastgestelde sanctie uit te spreken.

53 Bij arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/CQ (C‑130/19, EU:C:2021:782), heeft het Hof geoordeeld dat verzoeker in strijd met de uit zijn taak bij de Rekenkamer voortvloeiende verplichtingen had gehandeld en de vervallenverklaring gelast van twee derde van verzoekers pensioenrechten vanaf de datum van uitspraak van dat arrest.

F. Terugvordering door de Rekenkamer van als onverschuldigd aangemerkte uitgaven

54 Bij brief van 14 december 2018 en een wijzigingsbrief van 23 januari 2019 heeft de secretaris-generaal van de Rekenkamer verzoeker in kennis gesteld van zijn voornemen om 160839,89 EUR ten voordele van de Unie terug te vorderen. Bij deze brieven was een tabel gevoegd met de uitgaven die als onverschuldigd werden beschouwd (hierna: „terugvorderingstabel”). Verzoeker heeft op 4 februari 2019 op die brieven gereageerd door opmerkingen in te dienen.

55 Op 11 april 2019 heeft de secretaris-generaal van de Rekenkamer het bestreden besluit vastgesteld. Hij heeft beslist dat: – aan verzoeker ten onrechte een bedrag van 33172,91 EUR aan dienstreiskosten en dagvergoedingen was betaald, – aan verzoeker ten onrechte een bedrag van 49138,25 EUR aan representatiekosten was betaald, – verzoeker een totaalbedrag van 71096,42 EUR (30501,27 EUR aan salarissen en 40595,15 EUR aan dienstreiskosten en dagvergoedingen) ten onrechte ten laste van de begroting van de Unie had gebracht als gevolg van het misbruik van de diensten van de chauffeurs van de Rekenkamer, – in samenwerking met de rekenplichtige van de Rekenkamer een totaalbedrag van 153407,58 EUR zou worden teruggevorderd tegen 31 mei 2019.

56 Bij brief van 4 juni 2019 heeft de rekenplichtige van de Rekenkamer, na te hebben vastgesteld dat het totale bedrag van 153407,58 EUR op 31 mei 2019 niet was betaald, verzocht om betaling van het onverschuldigde bedrag, vermeerderd met een vertragingsrente van 3,5 %, zijnde een bedrag van 153584,10 EUR.

57 Bij brief van 7 juni 2019 heeft de rekenplichtige van de Rekenkamer kennisgenomen van de betaling van 153584,10 EUR per bankoverschrijving. Rekening houdend met de datum van die betaling heeft zij het bedrag van de verschuldigde rente verminderd door terugbetaling van een bedrag van 88,26 EUR, aangezien de schuldvordering jegens verzoeker op die datum 153495,84 EUR bedroeg.

III. Conclusies van partijen

58 Verzoeker verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – voor zover nodig, de twee besluiten van de rekenplichtige van de Rekenkamer van 4 en 7 juni 2019 nietig te verklaren; – de Rekenkamer te veroordelen tot terugbetaling van 153495,84 EUR (153407,58 EUR vermeerderd met 88,26 EUR vertragingsrente die aan verzoeker is toegerekend), te vermeerderen met 3,5 % vertragingsrente tot aan de volledige betaling; – de Rekenkamer te veroordelen tot vergoeding van de geleden immateriële schade; – de Rekenkamer te verwijzen in de kosten.

59 De Rekenkamer verzoekt het Gerecht: – het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond te verklaren; – de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren; – verzoeker in alle kosten van de procedure te verwijzen.

IV. In rechte

A. Vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit

60 Ter ondersteuning van zijn vordering tot nietigverklaring voert verzoeker zes middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF en van het desbetreffende verslag, het tweede aan het verzuim van de Rekenkamer om haar beoordelingsbevoegdheid – met name als ordonnateur – uit te oefenen, aan schending van haar verplichting om de beschuldiging te bewijzen en aan schending van haar motiveringsplicht, het derde aan niet‑nakoming van de redelijke termijn, het vierde aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel en aan het bestaan van „kennelijke fouten”, het vijfde aan schending van het adagium „le pénal tient l’administratif en l’état” (een tuchtprocedure moet wachten op de uitkomst van de strafvervolging), en het zesde aan schending van de motiveringsplicht met betrekking tot het gebruik van chauffeursdiensten en aan schending van artikel 75 van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB 2012, L 298, blz. 1) of van artikel 94 van verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1).

1. Eerste middel, ontleend aan onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF en van het desbetreffende verslag

61 Verzoeker betoogt dat het onderzoek van OLAF en het desbetreffende verslag onregelmatig zijn om drie redenen, namelijk dat OLAF de omvang van zijn onderzoek op onregelmatige wijze heeft uitgebreid, dat het verzoekers recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft geschonden en dat het zijn rechten van verdediging niet heeft geëerbiedigd.

62 De Rekenkamer betwist verzoekers argumenten.

63 Opgemerkt zij dat het betoog van verzoeker met betrekking tot de onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF en het desbetreffende verslag in de onderhavige zaak inhoudelijk samenvalt met het betoog in de procedure op grond van artikel 286, lid 6, VWEU [punten 126‑134 van het arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/CQ (C‑130/19, EU:C:2021:782)] dat door het Hof is verworpen in de punten 140 tot en met 175 van het arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/CQ (C‑130/19, EU:C:2021:782).

64 Allereerst heeft het Hof namelijk erkend dat OLAF had besloten om het voorwerp van het aanvankelijk geopende onderzoek van eventuele door verzoeker begane en voor de financiële belangen van de Unie nadelige onregelmatigheden bij het gebruik van de middelen van de Rekenkamer en bij de dienstreizen die in strijd met de geldende regels zijn verricht of toegestaan, uit te breiden tot mogelijke belangenconflicten en andere schendingen van de artikelen 285 en 286 VWEU en van de gedragscode van 2012. In punt 157 van het arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/CQ (C‑130/19, EU:C:2021:782), heeft het Hof echter geconcludeerd dat het feit dat een dergelijke uitbreiding steunde op elementen die tijdens de inspectie van 20 november 2017 waren ontdekt, niet betekende dat dat besluit onregelmatig was.

65 Vervolgens heeft het Hof in punt 166 van het arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/CQ (C‑130/19, EU:C:2021:782), geoordeeld dat de door verzoeker aangevoerde argumenten niet volstaan om in het kader van de procedure van artikel 286, lid 6, VWEU aan te tonen dat OLAF op ongeoorloofde wijze afbreuk had gedaan aan zijn recht op eerbiediging van het privéleven.

66 Ten slotte heeft het Hof in punt 174 van het arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/CQ (C‑130/19, EU:C:2021:782), geconcludeerd dat de door verzoeker aangevoerde argumenten niet konden aantonen dat zijn rechten van verdediging waren geschonden in het kader van de procedure van artikel 286, lid 6, VWEU.

67 Na de uitspraak van het arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/CQ (C‑130/19, EU:C:2021:782), betwist verzoeker kennelijk alleen de relevantie voor de onderhavige zaak van de conclusie van het Hof in punt 174 van dat arrest.

68 Zoals verzoeker opmerkt, heeft het Hof geoordeeld dat, ook al moeten zowel OLAF als de Rekenkamer hun respectieve verplichtingen nakomen, de vraag of het recht om te worden gehoord van het betrokken lid of voormalig lid van de Rekenkamer is nageleefd, in het kader van de procedure van artikel 286, lid 6, VWEU globaal moet worden beoordeeld (arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/Pinxten, C‑130/19, EU:C:2021:782, punt 170).

69 Ter ondersteuning van die beoordeling heeft het Hof zich ook gebaseerd op het beginsel dat niet kan worden uitgesloten dat dat lid of voormalig lid door de Rekenkamer voldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord over elementen waarover hij zich vóór de vaststelling van het verslag van OLAF niet daadwerkelijk zou hebben kunnen uitspreken (arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/Pinxten, C‑130/19, EU:C:2021:782, punt 170). In dat verband heeft het Hof ten eerste vastgesteld dat vaststond dat OLAF verzoeker op 22 december 2017 mondeling had gehoord, dat er verschillende schriftelijke uitwisselingen waren geweest tussen OLAF en de raadsman van verzoeker en dat deze laatste, na de mededeling van een samenvatting van de aan het eind van het onderzoek vastgestelde feiten, OLAF een schriftelijk document had kunnen doen toekomen teneinde de in die samenvatting geformuleerde beweringen te weerleggen (arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/Pinxten,C‑130/19, EU:C:2021:782, punt 171). Ten tweede heeft het Hof vastgesteld dat verzoeker op 5 oktober 2018 in kennis was gesteld van het verslag van OLAF en van het voorbereidend verslag dat de president van de Rekenkamer de leden van de Rekenkamer had toegezonden en dat hij over deze verslagen een standpunt had kunnen innemen in schriftelijke opmerkingen én tijdens een hoorzitting bij de Rekenkamer (arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/Pinxten, C‑130/19, EU:C:2021:782, punt 172). Ten derde heeft het Hof vastgesteld dat verzoeker geen enkel argument had aangevoerd ten bewijze dat hij zich voor de Rekenkamer onvoldoende had kunnen uitlaten over bepaalde elementen die hem werden tegengeworpen voordat het verslag van OLAF was vastgesteld (arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/Pinxten, C‑130/19, EU:C:2021:782, punt 173).

70 De conclusie in punt 174 van het arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/CQ (C‑130/19, EU:C:2021:782), kan worden toegepast op het onderhavige geval, aangezien, net als bij de procedure op grond van artikel 286, lid 6, VWEU, niet kan worden uitgesloten dat verzoeker in het onderhavige geval door de Rekenkamer voldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord over elementen waarover hij zich vóór de vaststelling van het verslag van OLAF niet zou hebben kunnen uitspreken.

71 In de onderhavige procedure heeft verzoeker geen nieuw en concreet bewijs aangevoerd waaruit blijkt dat hij niet voldoende door de Rekenkamer in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord over elementen waarover hij zich vóór de vaststelling van het verslag van OLAF niet daadwerkelijk zou hebben kunnen uitspreken. Dergelijk bewijs had hij echter eventueel wel nog kunnen aanvoeren in de schriftelijke fase van die procedure, met name in zijn opmerkingen over de gevolgen die voor de onderhavige zaak moesten worden verbonden aan het arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/CQ (C‑130/19, EU:C:2021:782).

72 Derhalve moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.

2. Tweede middel, ontleend aan het verzuim van de Rekenkamer om haar beoordelingsbevoegdheid – met name als ordonnateur – uit te oefenen, aan schending van haar verplichting om de beschuldiging te bewijzen en aan schending van haar motiveringsplicht

73 In het kader van dit middel betoogt verzoeker in wezen dat de Rekenkamer zich ertoe heeft beperkt naar het verslag van OLAF te verwijzen, zonder het te analyseren en met name zonder precies aan te geven in welke zin de betwiste uitgaven onregelmatig zouden zijn. Hij beroept zich op de artikelen 98, 100 en 101 van verordening 2018/1046, waaruit zou blijken dat de ordonnateur het bestaan van een schuldvordering moet beoordelen en vervolgens moet beslissen over de terugvordering ervan. De Rekenkamer moet dus precies aangeven waarom elk van de bekritiseerde uitgaven onregelmatig was, wat ook nodig is om te voldoen aan de motiveringsplicht.

74 De Rekenkamer betwist verzoekers argumenten.

75 Vooraf zij opgemerkt dat verzoeker in de onderhavige procedure, na het arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/CQ (C‑130/19, EU:C:2021:782), zijn grief dat de Rekenkamer haar beoordelingsbevoegdheid niet had uitgeoefend, niet langer handhaaft. Bijgevolg hoeft daarover geen uitspraak meer te worden gedaan.

76 De grieven inzake schending van de verplichting van de Rekenkamer om de beschuldiging te bewijzen en schending van haar motiveringsplicht, waarvan verzoeker in de onderhavige procedure geen afstand doet, moeten tezamen worden onderzocht voor zover zij samenvallen. Voorts blijkt uit de stukken dat verzoeker in feite alleen een gebrek aan motivering aanvoert met betrekking tot het onverschuldigde karakter van de verschillende door de Rekenkamer vastgestelde bedragen, met name gelet op de terugvorderingstabel.

77 Het recht op behoorlijk bestuur, dat is vastgelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), vereist dat de instellingen, organen en instanties van de Unie hun beslissingen met redenen omkleden. Deze verplichting heeft dezelfde draagwijdte als die voortvloeiend uit artikel 296, tweede alinea, VWEU, dat bepaalt dat rechtshandelingen met redenen moeten worden omkleed. Het doel van de motiveringsplicht is om belanghebbenden in staat te stellen kennis te nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel teneinde hun rechten te kunnen verdedigen, en voorts om de Unierechter in staat te stellen zijn toezicht op de rechtmatigheid van de beslissing uit te oefenen (zie arrest van 14 juli 2021, BG/Parlement, T‑253/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:459, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Er zij aan herinnerd dat de motiveringsplicht een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag of de motivering gegrond is, die de inhoudelijke wettigheid van de omstreden handeling betreft (zie arrest van 22 mei 2012, Internationaler Hilfsfonds/Commissie, T‑300/10, EU:T:2012:247, punt 180 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De motivering van een beslissing houdt immers in dat de gronden waarop die beslissing berust, formeel tot uitdrukking worden gebracht. Deze motivering kan toereikend zijn, zelfs al zijn de uiteengezette gronden onjuist (zie beschikking van 12 juli 2012, Dover/Parlement, C‑278/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:457, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78 Voorts is het niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling toereikend is, niet enkel acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arrest van 14 juli 2021, BG/Parlement, T‑253/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:459, punt 45).

79 In casu bestaat het bestreden besluit uit drie delen: de begeleidende brief waarin het bestreden besluit wordt meegedeeld, de bijlage (bijlage 1), die het bestreden besluit bevat, en de samenvattende debetnota (bijlage 2).

80 Na in het bestreden besluit te hebben gewezen op de beweerdelijk door verzoeker geschonden bepalingen betreffende dienstreiskosten en dagvergoedingen, representatiekosten en het gebruik van het wagenpark van de Rekenkamer alsmede de dienstreiskosten van de door leden gebruikte chauffeurs, heeft de Rekenkamer de onverschuldigd betaalde bedragen vastgesteld waarvan werd gevorderd dat verzoeker deze zou terugbetalen.

81 In dat verband heeft de Rekenkamer verklaard dat uit de analyse van het verslag van OLAF en de bijlagen daarbij alsmede van de documenten in het bezit van haar administratieve diensten was gebleken dat verzoeker ten onrechte vergoeding had verkregen van kosten voor particuliere activiteiten of activiteiten die geen verband hielden of onverenigbaar waren met zijn taken, terwijl hij wist of had moeten weten dat die kosten niet met middelen van de Rekenkamer mochten worden gemaakt. Meer in het bijzonder bevat het besluit tot vaststelling van de schuldvordering en de terugvordering daarvan een terugvorderingstabel waarin voor elke ten onrechte ten laste van de begroting van de Unie gebrachte activiteit met name de reden wordt vermeld die verzoeker in zijn dienstreisopdrachten of die van de chauffeur of in zijn verzoeken om vergoeding van representatiekosten heeft gegeven, de werkelijke aard van de activiteit, een verwijzing naar de bewijsstukken aan de hand waarvan die werkelijke aard kan worden vastgesteld, de datum en plaats van de activiteit die tot de uitgaven heeft geleid en de door de Rekenkamer gedragen kosten.

82 Hieruit volgt dat het bestreden besluit een motivering bevat die voldoet aan de vereisten van artikel 41 van het Handvest, aangezien die motivering verzoeker in staat stelt kennis te nemen van de redenen die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen en het Gerecht in staat stelt zijn toezicht dienaangaande uit te oefenen, onverminderd het onderzoek van de gegrondheid ervan, dat in het kader van het vierde middel zal plaatsvinden.

83 De bewering van verzoeker dat de Rekenkamer in het verweerschrift met betrekking tot het vierde middel een nieuwe motivering of nieuwe gronden aanvoert, zal in het kader van dat middel van geval tot geval worden onderzocht.

84 Derhalve moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.

3. Derde middel, ontleend aan schending van de redelijke termijn

85 Verzoeker betoogt dat de Rekenkamer het in artikel 41, lid 1, van het Handvest neergelegde beginsel van eerbiediging van een redelijke termijn heeft geschonden waar zij de regelmatigheid in twijfel heeft getrokken van de terugbetalingsverzoeken die hij sinds 2006 had ingediend, terwijl de Rekenkamer reeds bij de indiening van die verzoeken over alle relevante informatie beschikte om zich ervan te vergewissen dat deze legitiem waren dan wel om te beslissen om te vragen om nadere uitleg. Volgens hem moet de controle van de Rekenkamer worden beperkt tot een periode met terugwerkende kracht van drie jaar of van ten minste vijf jaar vanaf 5 oktober 2018, de datum van haar voorbereidend verslag. Verzoeker is daarom van mening dat de vermeldingen in de terugvorderingstabel die dateren van vóór 4 oktober 2013, dat wil zeggen de rijen nrs. 1 tot en met 261, zijn verjaard, wat leidt tot een bedrag van 85924,75 EUR, zodat het totale bedrag dat kan worden aangemerkt als een schuldvordering die de Rekenkamer jegens hem aanhoudt, 67482,83 EUR zou bedragen.

86 In dat verband beroept verzoeker zich op verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 248, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 1995/2006 van de Raad van 13 december 2006 (PB 2006, L 390, blz. 1), die in artikel 73 bis het beginsel zou invoeren van een verjaringstermijn van vijf jaar voor vorderingen van de Unie op derden. Wat de termijn betreft waarbinnen een debetnota aan de debiteur moet worden meegedeeld, merkt verzoeker op dat noch het „Financieel Reglement”, noch de uitvoeringsvoorschriften ervan een dergelijke termijn specificeren. Hij wijst er echter op dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat een debetnota binnen een redelijke termijn moet worden meegedeeld en dat het Hof een dergelijke mededeling als onredelijk beschouwt wanneer zij plaatsvindt na een periode van vijf jaar vanaf het tijdstip waarop de betrokken instelling normaliter haar schuldvordering geldend kon maken. In de repliek verwijst verzoeker ook naar artikel 98, lid 2, van verordening 2018/1046.

87 In zijn opmerkingen over de gevolgen die voor de onderhavige zaak moeten worden verbonden aan het arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/CQ (C‑130/19, EU:C:2021:782), stelt verzoeker zich op het standpunt dat het Hof geen standpunt over het onderhavige middel heeft ingenomen, aangezien het een andere grief inzake schending van de redelijke termijn heeft afgewezen die betrekking had op de tuchtprocedure van de Rekenkamer.

88 De Rekenkamer betwist de argumenten van verzoeker en stelt in wezen dat haar vordering pas op de datum van het verslag van OLAF als zeker, vaststaand en invorderbaar kon worden aangemerkt, zoals vereist door artikel 78, lid 2, van verordening nr. 966/2012 en artikel 81, aanhef en onder b), van gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening nr. 966/2012 (PB 2012, L 362, blz. 1). Op de datum van het bestreden besluit was de termijn van vijf jaar dus nog niet verstreken. In dit verband herinnert de Rekenkamer aan artikel 85, tweede alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”), volgens hetwelk een verzoek tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bedrag is betaald, moet worden ingediend. Zij herinnert er ook aan dat deze termijn niet van toepassing is wanneer kan worden aangetoond dat de betrokkene de administratie opzettelijk heeft misleid om betaling van het betrokken bedrag te verkrijgen, hetgeen een algemeen beginsel van Unierecht vormt.

a) Verjaringstermijn

89 Met zijn middel inzake niet-nakoming van de redelijke termijn beroept verzoeker zich op het beginsel dat vorderingen van de Unie op derden verjaren na een termijn van vijf jaar. In dat verband verwijst hij onder meer naar artikel 73 bis van verordening nr. 1605/2002, zoals gewijzigd en van kracht tot en met 31 december 2013, en naar de artikelen 78 en 85 ter van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 houdende uitvoeringsvoorschriften voor verordening nr. 1605/2002 (PB 2002, L 357, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 478/2007 van de Commissie van 23 april 2007 (PB 2007, L 111, blz. 13), van kracht tot en met 31 december 2012. Voorts verwijst verzoeker in de repliek ook naar artikel 98, lid 2, van verordening 2018/1046. Ter terechtzitting heeft verzoeker, in antwoord op het verzoek van het Gerecht om de rechtsgrondslag te verduidelijken voor de toepassing in casu van het beginsel dat vorderingen van de Unie op derden verjaren na een termijn van vijf jaar, verklaard dat hij zich, zoals hij in de repliek had gedaan, kon beroepen op artikel 98, lid 2, van verordening 2018/1046, zonder op dit punt door de Rekenkamer te zijn tegensproken. Derhalve moet worden verwezen naar die bepaling, die van toepassing was op de datum waarop het bestreden besluit werd vastgesteld.

90 Verzoeker stelt in wezen dat de Rekenkamer hem geen debetnota kon sturen om haar vermeende schuldvordering voor als onregelmatig aangemerkte betalingsverzoeken van meer dan vijf jaar geleden geldend te maken. Met een dergelijke verklaring betoogt verzoeker in wezen dat de verjaringstermijn van artikel 98, lid 2, tweede alinea, van verordening 2018/1046 zonder uitzondering van toepassing is.

91 Artikel 98, leden 1 en 2, van verordening 2018/1046 luidt als volgt: „1. Om een schuldvordering vast te stellen, doet de bevoegde ordonnateur het volgende: a) het bestaan van de schuld verifiëren; b) het bestaan en het bedrag van de schuld vaststellen of verifiëren, en c) de opeisbaarheid van de schuld verifiëren. De vaststelling van een schuldvordering is de erkenning van het recht van de Unie jegens een debiteur en de opstelling van de titel waarmee van deze debiteur betaling van zijn schuld kan worden geëist. 2. Elke als vaststaand, liquide en opeisbaar aangemerkte schuldvordering wordt vastgesteld door middel van een invorderingsopdracht waarbij de bevoegde ordonnateur de rekenplichtige opdraagt de schuldvordering te innen. Deze wordt gevolgd door een aan de debiteur gerichte debetnota, behalve voor de gevallen waarin onmiddellijk een ontheffingsprocedure wordt toegepast overeenkomstig lid 4, tweede alinea. Zowel de invorderingsopdracht als de debetnota worden door de bevoegde ordonnateur opgesteld. De ordonnateur verzendt de debetnota onmiddellijk na de vaststelling van de schuldvordering en uiterlijk binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het moment waarop de instelling van de Unie, onder normale omstandigheden, haar schuldvordering geldend had kunnen maken. Deze termijn geldt niet wanneer de bevoegde ordonnateur aantoont dat, ondanks de inspanningen die de instelling van de Unie heeft gedaan, het late optreden toe te schrijven is aan het gedrag van de debiteur.”

92 In dat verband zij er allereerst op gewezen dat de verjaringsregeling zodanig moet worden opgesteld dat er een evenwicht tot stand wordt gebracht tussen, enerzijds, het doel om de rechtszekerheid en de behandeling van zaken binnen een redelijke termijn als algemene beginselen van het Unierecht te waarborgen en, anderzijds, de daadwerkelijke en doeltreffende uitvoering van het beginsel van goed financieel beheer (zie naar analogie arrest van 21 januari 2021, Whiteland Import Export, C‑308/19, EU:C:2021:47, punt 49). Het is in die specifieke context, en niet door een loutere toepassing van artikel 41 van het Handvest, zoals verzoeker stelt, dat het beginsel van de redelijke termijn van toepassing is.

93 Meer in het bijzonder voorziet artikel 98, lid 2, tweede alinea, van verordening 2018/1046 – in het belang van de rechtszekerheid – in een verjaringstermijn voor de verzending van een debetnota, die zowel de betrokken debiteur als de verzendende instelling van de Unie beschermt. Wat de debiteur betreft, verzet het rechtszekerheidsbeginsel zich er immers tegen dat de instelling van de Unie handelt zonder aan termijnen gebonden te zijn, en aldus met name de stabiliteit van bestaande rechtssituaties in gevaar kan brengen. Wat de instelling van de Unie betreft, moet zij bij de invordering van schuldvorderingen van de Unie op derden met het oog op de eerbiediging van het beginsel van goed financieel beheer een redelijke termijn in acht nemen, die deel uitmaakt van het beginsel van behoorlijk bestuur en voortvloeit uit het fundamentele beginsel van rechtszekerheid (zie in die zin arresten van 13 november 2014, Nencini/Parlement, C‑447/13 P, EU:C:2014:2372, punt 45; 14 juni 2016, Marchiani/Parlement, C‑566/14 P, EU:C:2016:437, punt 101, en 5 oktober 2004, Sanders e.a./Commissie, T‑45/01, EU:T:2004:289, punten 59 en 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

94 De vaststelling van verjaringstermijnen voor het vaststellen van schuldvorderingen moet ook stroken met het doeltreffendheidsbeginsel en mag de uitvoering van het Unierecht in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (zie naar analogie arresten van 17 november 2016, Stadt Wiener Neustadt, C‑348/15, EU:C:2016:882, punt 41, en 21 januari 2021, Whiteland Import Export, C‑308/19, EU:C:2021:47, punten 48 en 65).

95 Het is juist dat, gelet op artikel 98, leden 1 en 2, van verordening 2018/1046, een instelling van de Unie normaliter in staat is haar schuldvordering geldend te maken vanaf de datum waarop zij over de bewijsstukken beschikt aan de hand waarvan een schuldvordering als zeker, vaststaand en invorderbaar kan worden aangemerkt of over die bewijzen had kunnen beschikken indien zij met de vereiste zorgvuldigheid had gehandeld (zie in die zin en naar analogie arrest van 14 juni 2016, Marchiani/Parlement, C‑566/14 P, EU:C:2016:437, punt 103).

96 Een dergelijke vaststelling kan echter in de praktijk onmogelijk worden gemaakt in gevallen waarin een instelling van de Unie, ondanks de door haar aan de dag gelegde zorgvuldigheid, een schuldvordering niet heeft kunnen vaststellen wegens het gedrag van de debiteur, met name wegens zijn uitstelmanoeuvres of kwade trouw.

97 Een dergelijke uitlegging vloeit voort uit het beginsel dat een strikte verjaringsregeling die – om aan die regeling inherente redenen – systematisch verhindert dat de financiële belangen van de Unie worden beschermd, de toepassing van de regels van het Unierecht in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk zou maken (zie naar analogie arrest van 21 januari 2021, Whiteland Import Export, C‑308/19, EU:C:2021:47, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

98 De uitlegging van artikel 98 van verordening 2018/1046, voor zover het voorziet in uitzonderingen op het aanvangstijdstip van de termijn voor de vaststelling van schuldvorderingen, wordt naar analogie bevestigd door de in artikel 105 van die verordening vastgestelde stuitingen van de verjaringstermijn voor de invordering van schuldvorderingen.

99 Het is juist dat, wat de vorderingen van de Unie op derden betreft, verordening 2018/1046 niet voorziet in schorsing of stuiting van de verjaringstermijn door een met name van OLAF uitgaande handeling die betrekking heeft op een onderzoek, in tegenstelling tot hetgeen is bepaald in artikel 139, lid 2, tweede alinea, van die verordening, dat van toepassing is op een besluit om de in artikel 135, lid 2, van die verordening bedoelde personen of entiteiten uit te sluiten van deelname aan de door die verordening geregelde gunningsprocedures of van selectie voor de uitvoering van middelen van de Unie. Een dergelijk stilzwijgen in een wetgevende tekst mag echter niet te restrictief worden uitgelegd en moet rekening houden met de specifieke rol en bevoegdheden die door bepalingen van het Unierecht aan OLAF zijn toegekend. Een andersluidende conclusie zou de toepassing van de regels van het Unierecht in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken en zou het beginsel van de doeltreffendheid van het Unierecht in het gedrang brengen.

100 Hieruit volgt dat het aanvangstijdstip van de termijn voor de vaststelling van schuldvorderingen op grond van artikel 98, lid 2, tweede alinea, van verordening 2018/1046, dat wil zeggen het tijdstip waarop de betrokken instelling normaliter in staat is haar schuldvordering geldend te maken, niet noodzakelijkerwijs overeenstemt met het tijdstip waarop een persoon zoals verzoeker een instelling om betaling van een geldsom verzoekt. Dat aanvangstijdstip kan in bepaalde omstandigheden overeenkomen met het tijdstip waarop OLAF een verslag bij die instelling neerlegt (zie in die zin en naar analogie arrest van 14 juni 2016, Marchiani/Parlement, C‑566/14 P, EU:C:2016:437, punt 107).

101 Gelet op het voorgaande faalt verzoekers bewering dat de verjaringstermijn van artikel 98, lid 2, tweede alinea, van verordening 2018/1046 zonder uitzondering van toepassing is.

102 Daarom moet geval per geval worden onderzocht op welk tijdstip de Rekenkamer, onder normale omstandigheden, haar schuldvordering geldend kon doen maken in de zin van artikel 98, lid 2, tweede alinea, van verordening 2018/1046.

b) Terugbetalingsverzoeken van verzoeker in de rijen nrs. 1 tot en met 261 van de terugvorderingstabel

103 Verzoeker betoogt dat de Rekenkamer wegens verjaring geen schuldvordering kon vaststellen en deze niet kon terugvorderen met betrekking tot zijn terugbetalingsverzoeken die in de periode tussen 2006 en 4 oktober 2013 zijn ingediend en die overeenkomen met de rijen nrs. 1 tot en met 261 van de terugvorderingstabel.

104 In casu staat vast dat de Rekenkamer de debetnota pas op 11 april 2019 aan verzoeker heeft toegezonden, nadat zij het verslag van OLAF van 2 juli 2018 had ontvangen, op basis waarvan de Rekenkamer op 5 oktober 2018 haar voorbereidend verslag had opgesteld. Uit zijn verslag blijkt dat OLAF een inspectie heeft uitgevoerd in de lokalen van het kabinet van verzoeker en bij die gelegenheid verschillende documenten heeft verzameld voor digitale analyse en dat OLAF zowel verzoeker zelf als andere betrokken personen heeft ondervraagd (zie ook de punten 39‑46 hierboven). Na afloop van zijn onderzoek heeft OLAF vastgesteld dat de informatie die verzoeker in zijn dienstreisopdrachten en aangiften van representatiekosten aan de Rekenkamer had verstrekt, ontoereikend was om de president van de Rekenkamer in staat te stellen met kennis van zaken na te gaan of de betrokken activiteit in het belang van de Rekenkamer was.

105 In dat verband blijkt uit artikel 11, leden 1 en 2, van verordening nr. 883/2013, gelezen in het licht van de overwegingen 28 en 29 daarvan, dat het door OLAF verrichte onderzoek wordt afgesloten met de opstelling van een eindverslag van het onderzoek, dat toelaatbaar bewijs vormt in administratieve of gerechtelijke procedures en waarin met name de conclusies van het onderzoek zijn opgenomen, alsmede aanbevelingen van zijn directeur-generaal over het daaraan te geven gevolg. Overeenkomstig artikel 11, lid 4, van die verordening zendt OLAF het verslag toe aan de instelling, het orgaan of de instantie in kwestie, die verantwoordelijk is voor het nemen van de nodige maatregelen, met name de tuchtrechtelijke en gerechtelijke maatregelen die op grond van de resultaten van het onderzoek geboden zijn, en daarover verslag moet uitbrengen aan OLAF binnen de termijn die is bepaald in de in het verslag opgenomen aanbevelingen alsmede op verzoek van OLAF. In het onderhavige geval was het precies in die context dat de Rekenkamer op 5 oktober 2018 haar voorbereidend verslag over het verslag van OLAF heeft opgesteld.

106 Voorts is het belangrijk eraan te herinneren dat OLAF overeenkomstig artikel 1, lid 4, van verordening nr. 883/2013 binnen bij de Verdragen of op basis daarvan opgerichte instellingen, organen en instanties, administratieve onderzoeken uitvoert met het oog op het bestrijden van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, de zogeheten „interne onderzoeken”. Uit die verordening volgt dat OLAF in het kader van die onderzoeken zonder voorafgaande waarschuwing onmiddellijke toegang heeft tot alle relevante informatie, inclusief informatie in databases, die in het bezit is van de instellingen, organen en instanties, alsmede tot hun gebouwen. OLAF kan alle documenten en de inhoud van alle geautomatiseerde bestanden die de instellingen, organen en instanties in hun bezit hebben, kopiëren en daarvan uittreksels verkrijgen. OLAF kan ook andere personeelsleden verzoeken om mondelinge informatie, inclusief door middel van een onderhoud, alsook om schriftelijke informatie. OLAF kan controles en verificaties ter plaatse verrichten in de gebouwen van marktdeelnemers om toegang te krijgen tot relevante informatie met betrekking tot de feiten waarnaar een intern onderzoek is ingesteld.

107 Een instelling van de Unie zoals de Rekenkamer beschikt daarentegen niet over dergelijke onderzoeksbevoegdheden, met name met het oog op het identificeren en vaststellen van een schuldvordering op een van haar leden.

108 Gelet op de inleidende opmerkingen in de punten 89 tot en met 107 hierboven, moet worden onderzocht of, wat verzoekers terugbetalingsverzoeken in de rijen nrs. 1 tot en met 261 van de terugvorderingstabel betreft, de Rekenkamer vanaf de datum van indiening van die verzoeken, zoals verzoeker stelt, dan wel vanaf de datum van het verslag van OLAF, zoals de Rekenkamer stelt, in staat was om haar schuldvordering met betrekking tot die rijen vast te stellen en geldend te maken. Voor dit onderzoek moeten deze schuldvorderingen in drie groepen worden ingedeeld.

1) Eerste groep terugbetalingsverzoeken van verzoeker

109 Opgemerkt zij dat van de terugbetalingsverzoeken van verzoeker in de rijen nrs. 1 tot en met 261 van de terugvorderingstabel verschillende verzoeken a priori geloofwaardige rechtvaardigingen omvatten die geen verdere verificatie door de Rekenkamer behoefden op het moment dat zij door verzoeker werden ingediend. Wat die verzoeken betreft, beschikte de Rekenkamer niet over informatie op grond waarvan zij zich er vóór het einde van het onderzoek van OLAF tegen kon verzetten.

110 Ten eerste omvatten de genoemde terugbetalingsverzoeken de verzoeken in de rijen nrs. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 12, 14, 15, 16, 17, 19, 20, 23, 24, 29 (gedeeltelijk), 31, 41, 43, 54, 57 (gedeeltelijk), 59, 60, 61, 63 (gedeeltelijk), 65, 66, 68, 69, 70, 81, 84, 85, 88, 89, 92, 94, 95, 96, 97, 111, 116, 118 (gedeeltelijk), 120, 133, 150, 168, 169, 171, 175, 183, 184, 190, 194, 203, 204, 207, 208, 211, 215, 218, 221, 229 (gedeeltelijk), 236, 238, 248, 258 en 260 van de terugvorderingstabel, die betrekking hebben op de ontmoetingen van verzoeker met politieke verantwoordelijken of, in bepaalde beperkte gevallen, met hun kabinetsleden, of op de deelname van verzoeker aan de activiteiten van de betrokken politieke partij.

111 Hierbij zij opgemerkt dat pas tijdens het onderzoek van OLAF is vastgesteld dat verzoeker in de loop van zijn mandaat ten minste 188 ontmoetingen had gehad met Belgische politieke verantwoordelijken die hoofdzakelijk lid waren van de betrokken politieke partij, waartoe hij ook behoorde. Volgens het verslag van OLAF komt dit cijfer overeen met 24 % van alle ontmoetingen of lunches van verzoeker die het voorwerp waren van zijn terugbetalingsverzoeken. Het betreft hier de activiteiten bedoeld in de rijen nrs. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 12, 14, 15, 16, 19, 20, 23, 24, 29 (gedeeltelijk), 31, 41, 43, 54, 57 (gedeeltelijk), 59, 63 (gedeeltelijk), 65, 66, 70, 84, 88, 89, 92, 96, 97, 111, 116, 118 (gedeeltelijk), 133, 150, 168, 169, 171, 183, 184, 190, 194, 203, 204, 208, 211, 215, 218, 236, 238 en 248 van de terugvorderingstabel.

112 Voorts heeft OLAF een verband vastgesteld tussen de ontmoetingen met Belgische politieke verantwoordelijken en de wekelijkse vergaderingen van de raad van bestuur van de betrokken politieke partij. In dat verband blijkt uit het verslag van OLAF dat het tijdens zijn onderzoek de notulen van 44 vergaderingen in de periode van 17 november 2008 tot en met 29 april 2010 heeft verkregen waaruit de aanwezigheid van de leden van de raad van bestuur van de betrokken politieke partij bleek. OLAF heeft vastgesteld dat verzoeker bij 28 vergaderingen aanwezig was. Dit betreft de activiteiten van verzoeker in de rijen nrs. 54, 60, 61, 68, 70, 81, 84, 85, 88 en 94 van de terugvorderingstabel.

113 Wat de aanwezigheid van verzoeker op de andere vergaderingen van de raad van bestuur van de betrokken politieke partij betreft, heeft OLAF opgemerkt dat het duidelijk was dat het mandaat van verzoeker als stemgerechtigd lid, tot november 2008 zijn regelmatige aanwezigheid op de wekelijkse vergaderingen van die raad vereiste. Volgens het verslag van OLAF is uit het onderzoek van de dienstreisopdrachten gebleken dat verzoeker tussen maart 2006 en november 200827 dienstreizen op maandagen heeft gemaakt om leden van de betrokken politieke partij te ontmoeten en dat deze dienstreizen verzoeker in staat hadden gesteld deel te nemen aan de wekelijkse vergaderingen van de raad van bestuur van die politieke partij. Het Gerecht merkt op dat het gaat om de rijen nrs. 1, 5, 7, 12, 17, 19, 23 en 24 van de terugvorderingstabel. Meer in het bijzonder vermeldt het verslag van OLAF onder die activiteiten een vergadering op 7 april 2008 met betrekking tot rij nr. 19 van de terugvorderingstabel.

114 OLAF heeft voorts verklaard dat verzoekers aanwezigheid bij die vergaderingen na april 2010 niet kon worden vastgesteld, maar dat zijn status van niet‑stemgerechtigd lid zijn aanwezigheid vereiste bij op zijn minst de maandelijkse vergaderingen op de eerste maandag van elke maand. In dat verband blijkt uit het verslag van OLAF dat de analyse van de dienstreizen van verzoeker tussen april 2010 en december 2017 het bestaan heeft aangetoond van 17 dienstreizen naar Brussel (België) op de eerste maandag van de maand om functionarissen van de betrokken politieke partij te ontmoeten die bij het bestuur van die partij betrokken leken te zijn. Het Gerecht stelt vast dat de in de rijen nrs. 171, 203 en 238 van de terugvorderingstabel genoemde activiteiten van verzoeker met die situatie overeenkomen.

115 Bovendien blijkt uit de vermeldingen in verzoekers agenda dat de in de rijen nrs. 120, 175 en 221 genoemde dienstreizen bedoeld waren om deel te nemen aan de parlementaire dagen van de betrokken politieke partij, dat de in rij nr. 207 genoemde dienstreis en gedeeltelijk de in rij nr. 229 genoemde dienstreis bedoeld waren om deel te nemen aan de nieuwjaarsrecepties van die partij, dat de in rij nr. 258 genoemde dienstreis bedoeld was om deel te nemen aan een voor de leden van die partij bestemd stadsbezoek en dat de in de rijen nrs. 69 en 260 genoemde dienstreizen bedoeld waren om deel te nemen aan respectievelijk een congres en een studiedag van diezelfde partij (arrest van 30 september 2021, Rekenkamer/Pinxten, C‑130/19, EU:C:2021:782, punt 451).

116 Ten tweede, wat de betrekkingen van verzoeker met representatieve organen en verenigingen betreft, genoemd in de rijen nrs. 32, 48, 83, 93, 118 (gedeeltelijk), 131, 132, 134 en 135, 137, 143, 154, 155, 170, 174 (gedeeltelijk), 192, 209, 217, 219, 224, 227, 228, 242, 256 en 261 van de terugvorderingstabel, heeft OLAF vastgesteld dat de meeste van die betrekkingen lokale organen betroffen, zoals de kamer van koophandel en nijverheid in de regio van herkomst van verzoeker, een industriële groep in de plaats van herkomst van verzoeker en een vereniging van lokale werkgevers, waarvan het actieterrein beperkt was tot de regio van herkomst van verzoeker. De activiteiten vermeld in de rijen nrs. 39, 138 en 196 van de terugvorderingstabel met betrekking tot formele uitnodigingen voor een groep die tot doel had de aanwezigheid van Vlaamse bedrijven in Brussel te versterken, moeten ook tot die activiteiten worden gerekend. Uit de terugvorderingstabel blijkt namelijk, onder verwijzing naar het verslag van OLAF, met name de bladzijden 5, 18, 29 en 37 daarvan, dat die groep, die tot doel had de aanwezigheid van Vlaamse ondernemingen in Brussel te versterken, ontmoetingen organiseerde om Vlaamse ondernemers in staat te stellen Belgische diplomaten in het buitenland te ontmoeten en dat die activiteiten geen verband hielden met de taken van verzoeker als lid van de Rekenkamer. Verzoekers aanwezigheid blijkt ook uit de notulen van de vergaderingen van het bureau van de betrokken politieke partij op de datum die overeenstemt met die van de in rij nr. 39 genoemde dienstreis.

117 Ten derde, wat de in de rijen nrs. 18, 29 (gedeeltelijk), 100 (gedeeltelijk), 114 en 239 genoemde terugbetalingsverzoeken van verzoeker betreft, die betrekking hadden op ontmoetingen met een persoon die in de dienstreisopdrachten als „CEO” (voorzitter en algemeen directeur), „CEO [van een marktdeelnemer]” of „CEO, Voorzitter” werd aangeduid, heeft OLAF vastgesteld dat verzoeker die persoon tussen 2008 en 2015 acht keer had ontmoet en dat deze persoon op dat moment voorzitter was van de raad van bestuur van een „holding”, waarvan verzoeker volgens zijn belangenverklaring van 2017 aandeelhouder was. Voorts heeft verzoeker tijdens zijn onderhoud in het kader van het onderzoek van OLAF verklaard dat die persoon die hij had ontmoet zijn oude vriend en een „grote inspiratiebron” was.

118 Ten vierde, wat de in de rijen nrs. 75 en 86 genoemde terugbetalingsverzoeken van verzoeker betreft, die betrekking hadden op zijn ontmoetingen met een als „CEO [van een marktdeelnemer]” aangeduide persoon op 21 december 2009 en 15 maart 2010, heeft OLAF in zijn verslag uitdrukkelijk naar die twee ontmoetingen verwezen en verklaard dat zij samenvielen met het onderzoek van de Unie naar de staatssteun van de Belgische regering aan die marktdeelnemer. OLAF heeft ook vastgesteld dat verzoeker met die persoon contact heeft gehad over dat onderzoek en dat hij rechtstreekse contacten mogelijk had gemaakt met het kabinet van een lid van de Europese Commissie en met een persoon die destijds voorzitter van de betrokken politieke partij was. Voorts blijkt uit de notulen van de vergaderingen van het bureau van de betrokken politieke partij dat verzoeker op de datum die overeenkomt met die van de in rij nr. 86 genoemde dienstreis aanwezig was bij een dergelijke vergadering.

119 Ten vijfde hadden de in de rijen nrs. 45, 130, 199, 202, 230, 232, 253 en 257 (gedeeltelijk) genoemde terugbetalingsverzoeken van verzoeker betrekking op activiteiten waarvan OLAF heeft vastgesteld dat zij een privékarakter hadden. OLAF heeft namelijk vastgesteld dat die verzoeken respectievelijk betrekking hadden op een lunch met de voorzitter van de Belgische ziektekostenverzekeringsorganisatie, een ontmoeting met een jachtvriend, een ontmoeting met een verantwoordelijke van een auditkantoor in verband met een werkaanbieding voor verzoekers zoon, verzoekers aanwezigheid op het huwelijk van een kind van een van zijn vrienden, twee ontmoetingen met de directeur van een marktdeelnemer, de werkgever van een van verzoekers kinderen, een ontmoeting met een Belgische politieke verantwoordelijke voor een privéaangelegenheid en verzoekers deelname aan een barbecue van een voormalig lid van de betrokken politieke partij. Uit de notulen van de vergaderingen van het bureau van de betrokken politieke partij blijkt eveneens dat verzoeker aanwezig was op een dergelijke vergadering op de datum die overeenstemt met die van de in rij nr. 45 genoemde dienstreis.

120 De in de rijen nrs. 82, 115 en 121 genoemde terugbetalingsverzoeken moeten op dezelfde manier worden behandeld als de in punt 119 hierboven vermelde activiteiten. De in rij nr. 115 genoemde activiteit betrof namelijk de lunch met de directeur van een marktdeelnemer op 10 september 2010. Wat de activiteiten betreft waarnaar wordt verwezen in de rijen nrs. 82 en 121, met als voorwerp „M. [...], CEO”, en een „formele uitnodiging van [...]”, heeft OLAF vastgesteld dat het ging om een ontmoeting met een vastgoedontwikkelaar voor privédoeleinden.

121 Ten zesde verwijst het verslag van OLAF ook naar de activiteiten van verzoeker in verband met ontmoetingen met een diplomaat van de Russische Federatie, met twee leden van de Commissie en de directeur-generaal van een groepering van Europese belangengroepen, alsmede met de Koning der Belgen. Deze activiteiten hebben betrekking op de rijen nrs. 56, 57 (gedeeltelijk), 108, 122 en 223 van de terugvorderingstabel.

122 Wat allereerst de ontmoeting met een diplomaat van de Russische Federatie betreft, waarnaar in rij nr. 56 van de terugvorderingstabel wordt verwezen, heeft OLAF vastgesteld dat verzoeker die diplomaat had ontmoet in verband met een zaak betreffende de adoptie van een Russisch kind door een Belgisch gezin. Volgens het verslag van OLAF werd in een opmerking in de digitale agenda van verzoeker verwezen naar moeilijkheden in het adoptiedossier en was de diplomaat in kwestie bereid om te helpen bij de formaliteiten teneinde het probleem op te lossen. Voorts heeft OLAF aangegeven dat verzoeker dezelfde diplomaat had ontmoet op 22 juni en opnieuw op 6 juli 2009 en dat de dienstreisopdrachten melding maakten van „vergadering met de [diplomaat]”, zonder het eigenlijke doel van die vergaderingen te vermelden. OLAF was van oordeel dat deze ontmoetingen een privékarakter hadden. De verwijzing naar die activiteit van verzoeker staat namelijk in het deel van het verslag met het opschrift „Hoffelijkheidsbezoeken aan zakenmensen en kennissen om privéredenen”.

123 Wat vervolgens de in de rijen nrs. 57 (gedeeltelijk) en 108 genoemde ontmoetingen van verzoeker met leden van de Commissie betreft, blijkt uit het verslag van OLAF dat verzoeker rechtstreeks is tussengekomen in het kabinet van een lid van de Commissie met betrekking tot een subsidieaanvraag die door een organisatie was ingediend in het kader van de financiering van de ondersteuning van Europese culturele festivals. Daarnaast heeft OLAF vastgesteld dat verzoeker een vergadering met een lid van de Commissie en een andere persoon had georganiseerd en bijgewoond om het standpunt van een groepering van belangengroepen over de onderzoeks- en innovatiestrategie van de Unie te bespreken. Volgens het verslag van OLAF heeft die andere persoon verzoeker op 18 oktober 2010 ontmoet voor een vervolgvergadering, een activiteit waarnaar wordt verwezen in rij nr. 122 van de terugvorderingstabel.

124 Wat ten slotte een ontmoeting tussen verzoeker en de Koning der Belgen betreft, waarnaar wordt verwezen in rij nr. 223 van de terugvorderingstabel, heeft OLAF aan de hand van verzoekers agenda vastgesteld dat hij door de Belgische koninklijke familie was uitgenodigd om in een stad in België deel te nemen aan de „koninklijke jacht”.

125 Ten zevende verwijst de terugvorderingstabel voor de in rij nr. 63 van de terugvorderingstabel (gedeeltelijk) genoemde dienstreis, betreffende een „ceremonie tot opening van het academisch jaar van een instelling voor Europese studies”, naar verzoekers agenda, waarbij wordt aangegeven dat hij niet aan die ceremonie heeft deelgenomen, aangezien hij niet werd genoemd in de lijst van Europese persoonlijkheden die daarbij aanwezig waren.

126 Ten achtste, wat de in rij nr. 74 van de terugvorderingstabel genoemde dienstreis betreft, die betrekking heeft op een uitnodiging van de bestuurder van een privébedrijf, blijkt uit verzoekers agenda dat die ontmoeting bestond uit een concertbezoek.

127 Ten negende, wat de in rij nr. 128 van de terugvorderingstabel genoemde dienstreis betreft, die betrekking heeft op de deelname van verzoeker aan een door een organisatie van Europese grondeigenaren en grondbeheerders georganiseerde conferentie in het Europees Parlement, blijkt uit het verslag van OLAF dat zijn deelname aan de evenementen van die organisatie verband hield met zijn externe activiteit als voorzitter van een milieustichting in zijn regio van herkomst, waarvoor de Rekenkamer bij besluit van 30 april 2015 toestemming heeft verleend (zie ook punt 33 hierboven). OLAF heeft ook vastgesteld dat de twee organisaties nauw samenwerkten en administratieve diensten en personeel deelden.

128 Ten tiende, voor het in rij nr. 100 genoemde terugbetalingsverzoek betreffende een ontmoeting met een minister van staat, vermeldt de terugvorderingstabel, door te verwijzen naar de agenda van verzoeker, dat de persoon die werd ontmoet een Vlaamse politieke verantwoordelijke was die sinds 2003 geen minister meer was.

129 Ten elfde, wat het in rij nr. 173 genoemde terugbetalingsverzoek betreft met betrekking tot een werklunch van verzoeker met een Duits lid van het Europees Parlement, geeft de terugvorderingstabel onder verwijzing naar verzoekers agenda en naar de bladzijden 5, 18, 29 en 37 van het verslag van OLAF aan dat de chauffeursdiensten voor privédoeleinden zijn gebruikt, aangezien verzoeker drie dagen lang om deze diensten heeft verzocht in verband met één enkele lunch.

130 Ten twaalfde vermeldt de terugvorderingstabel met betrekking tot het in rij nr. 187 genoemde terugbetalingsverzoek betreffende de „formele uitnodiging [van een prinses]”, onder verwijzing naar verzoekers agenda, dat het dienstvoertuig voor privédoeleinden is gebruikt, waardoor de chauffeur per trein naar Luxemburg moest terugkeren.

131 Ten dertiende geeft de terugvorderingstabel met betrekking tot het in rij nr. 191 genoemde terugbetalingsverzoek met de vermelding „Commissie buitenlandse zaken – SR nr. 1/2011 Devolutie” onder verwijzing naar verzoekers agenda aan dat verzoeker na een dienstreis voor privédoeleinden gebruik heeft gemaakt van chauffeursdiensten.

132 Ten veertiende, wat het in rij nr. 147 van de terugvorderingstabel genoemde verzoek om terugbetaling van chauffeurskosten voor een vergadering van de Commissie begrotingscontrole van het Parlement en een lunchconferentie van een vereniging betreft, blijkt uit die tabel, onder verwijzing naar verzoekers agenda, dat het ging om een dienstreis „zonder vergoedingen” in verband met een medische afspraak van verzoeker, in het kader waarvan de chauffeur de trein van Luxemburg naar Brussel moest nemen en verzoeker in het dienstvoertuig naar Luxemburg moest terugbrengen.

133 Ten vijftiende, wat het in rij nr. 157 genoemde terugbetalingsverzoek betreft met betrekking tot een ontmoeting met de eerste minister en een verantwoordelijke van een auditkantoor, vermeldt de terugvorderingstabel onder verwijzing naar verzoekers agenda dat de vergadering van 15.30 tot 18.00 uur met werknemers van dat kantoor in het kader van een groep die tot doel had om de aanwezigheid van Vlaamse bedrijven in Brussel te versterken, die tot gevolg had dat de dienstreisvergoedingen van verzoeker en de chauffeur en de arbeidstijd van de chauffeur werden verdubbeld, problematisch was omdat zij geen verband hield met de activiteiten van de Rekenkamer. Voorts blijkt uit die tabel dat de chauffeur met de trein naar Brussel moest reizen, aangezien verzoeker het dienstvoertuig bij zich had gehouden.

134 Ten zestiende, wat het in rij nr. 229 (gedeeltelijk) genoemde terugbetalingsverzoek betreft, dat betrekking heeft op de kosten van een dienstreis voor een formele uitnodiging in een kasteel in Frankrijk voor een „[d]ag van de Europese instellingen”, merkt de terugvorderingstabel onder verwijzing naar verzoekers agenda op dat het gaat om een recreatieve activiteit, namelijk de deelname aan een jacht in Frankrijk met twee hotelovernachtingen ter plaatse.

135 Ten zeventiende en ten slotte, wat de in de rijen nrs. 13, 33, 47, 73, 76, 80, 103, 104, 161, 163, 164, 177, 210, 225, 237, 251 en 259 van de terugvorderingstabel genoemde terugbetalingsverzoeken betreft, die betrekking hebben op ontmoetingen met verantwoordelijken van privébedrijven, met inbegrip van verantwoordelijken van internationale auditkantoren, vermeldt de terugvorderingstabel, onder verwijzing naar het verslag van OLAF, met name de bladzijden 5, 18, 29 en 37 daarvan, of, in sommige gevallen, naar verzoekers agenda, het volgende: voor het verzoek genoemd in rij nr. 13, „lunch aangeboden aan een marktdeelnemer (‚dienstreis zonder vergoeding’, later door [verzoeker] erkend als zijnde privé)”; voor het verzoek genoemd in rij nr. 33, „receptie ter ere van de [voorzitter en algemeen directeur] van een marktdeelnemer [...] die ook lid is van de raad van bestuur [van een andere marktdeelnemer] (waarvan verzoeker zelf lid was tot 30 juni 2006)”; voor de verzoeken genoemd in de rijen nrs. 47, 103, 161 en 210 volgens de beschrijving van de uitnodiging dat het „evenement georganiseerd door en ten voordele van [een auditkantoor] onverenigbaar is met de taken van een lid van de Rekenkamer”; voor de verzoeken genoemd in de rijen nrs. 73 en 76, „ontmoeting met de bestuurder van een accountantskantoor in de regio van de plaats van herkomst [van verzoeker]”; voor het verzoek genoemd in rij nr. 80, „privéconcert – vermaak”; voor het verzoek genoemd in rij nr. 104, „ontmoeting met de [voorzitter en algemeen directeur] van een marktdeelnemer [...]”; voor het verzoek genoemd in rij nr. 163, „ontmoeting met de algemeen directeur [van een marktdeelnemer]”; voor het verzoek genoemd in rij nr. 164, „ontmoeting met een jachtpartner [...] die bestuurder is [van een Belgisch bedrijf]”; voor het verzoek genoemd in rij nr. 177, „ontmoeting met een bestuurder [van een] Vlaamse investeringsmaatschappij”; voor het verzoek genoemd in rij nr. 225, „culturele privéactiviteit (opera La Traviata in de Munt, Brussel) waarvoor [verzoeker] is uitgenodigd door een marktdeelnemer”; voor het verzoek genoemd in rij nr. 237, „ontmoeting in een hotel in Brussel met een partner [van een] audit- en advieskantoor”; voor het verzoek genoemd in rij nr. 251, „lunch aangeboden aan de [voorzitter en algemeen directeur] van een accountantskantoor in Hasselt (Vlaanderen) [(België)] die [verzoeker] de volgende dag opnieuw ontmoette, ditmaal in het kader van een dienstreisopdracht”, en voor het verzoek genoemd in rij nr. 259, „recreatieve activiteit: deelname aan het Odegand-muziekfestival in Gent [(België)] op een zaterdag”.

136 Derhalve, wat de in de rijen nrs. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 23, 24, 29, 31, 32, 33, 39, 41, 43, 45, 47, 48, 54, 56, 57, 59, 60, 61, 63, 65, 66, 68, 69, 70, 73, 74, 75, 76, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 86, 88, 89, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 100, 103, 104, 108, 111, 114, 115, 116, 118 (gedeeltelijk) 80, 81, 82, 83, 84, 85, 86, 88, 89, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 100, 103, 104, 108, 111, 114, 115, 116, 118 (gedeeltelijk), 120, 121, 122, 128, 130, 131, 132, 133, 134 en 135, 137, 138, 143, 147, 150, 154, 155, 157, 161, 163, 164, 168, 169, 170, 171, 173, 174 (gedeeltelijk), 175, 177, 183, 184, 187, 190, 191, 192, 194, 196, 199, 202, 203, 204, 207, 208, 209, 210, 211, 215, 217, 218, 219, 221, 223, 224, 225, 227, 228, 229, 230, 232, 236, 237, 238, 239, 242, 248, 251, 253, 256, 257 (gedeeltelijk), 258, 259, 260 en 261 van de terugvorderingstabel genoemde terugbetalingsverzoeken betreft, was de Rekenkamer pas na het onderzoek van OLAF onder normale omstandigheden in staat om haar schuldvordering met betrekking tot die rijen geldend te maken in de zin van artikel 98, lid 2, tweede alinea, van verordening 2018/1046.

137 Aangezien de Rekenkamer het verslag van OLAF pas op 2 juli 2018 heeft ontvangen, terwijl zij haar voorbereidend verslag over de terugbetalingsverzoeken als genoemd in de in punt 136 hierboven vermelde rijen van de terugvorderingstabel heeft opgesteld op 5 oktober 2018, moet in het licht van de in punt 54 hierboven uiteengezette feiten worden geoordeeld dat zij haar schuldvordering pas op 2 juli 2018 kon vaststellen en als vaststaand kon aanmerken en dat zij verzoeker derhalve binnen de in artikel 98, lid 2, tweede alinea, van verordening 2018/1046 gestelde termijn van vijf jaar na de vaststelling van de schuldvordering in kennis heeft gesteld van haar schuldvordering. Gelet op het voorgaande zijn de terugbetalingsverzoeken als genoemd in de in punt 136 hierboven vermelde rijen van de terugvorderingstabel niet verjaard.

2) Tweede groep terugbetalingsverzoeken van verzoeker

138 Opgemerkt dient te worden dat van de terugbetalingsverzoeken van verzoeker in de rijen nrs. 1 tot en met 261 van de terugvorderingstabel sommige onvolledige of verdachte informatie bevatten en controles door OLAF rechtvaardigden, zodat de Rekenkamer pas na afronding van het onderzoek van OLAF haar schuldvordering kon vaststellen.

139 In de eerste plaats gaat het om de terugbetalingsverzoeken van verzoeker die a priori buitensporige bedragen betroffen.

140 Ten eerste hadden de in de rijen nrs. 27, 90, 98, 152 en 257 (gedeeltelijk) van de terugvorderingstabel genoemde verzoeken om terugbetaling van representatiekosten betreffende verzoekers ontmoetingen met politieke verantwoordelijken of, in bepaalde beperkte gevallen, met hun kabinetsleden, betrekking op bedragen van respectievelijk 753 EUR voor een diner met drie personen (rij nr. 27), 1159 EUR voor een diner met vijf personen (rij nr. 90), 799 EUR voor een diner met twee personen (rij nr. 98), 884 EUR voor een diner met vier personen (rij nr. 152) en 802 EUR voor een diner met drie personen (rij nr. 257).

141 Ten tweede hadden de in de rijen nrs. 22, 55, 110, 160, 216, 243 en 245 van de terugvorderingstabel genoemde verzoeken om terugbetaling van representatiekosten betreffende in de woning van verzoeker georganiseerde recepties betrekking op bedragen van respectievelijk 2520,68 EUR voor 18 personen (rij nr. 22), 1976 EUR voor 12 personen (rij nr. 55), 2271,36 EUR voor 11 personen (rij nr. 110), 3018,90 EUR voor 16 personen (rij nr. 160), 2340 EUR voor 10 personen (rij nr. 216), 1897,28 EUR voor 9 personen (rij nr. 243) en 2069,76 EUR voor 10 personen (rij nr. 245).

142 Ten derde had het in rij nr. 123 van de terugvorderingstabel genoemde verzoek om terugbetaling van representatiekosten betrekking op een diner met 11 personen, waaronder twee „CEO’s” van marktdeelnemers en de voorzitter van de betrokken politieke partij, voor een bedrag van 2352 EUR.

143 Ten slotte en ten vierde, had het in rij nr. 252 van de terugvorderingstabel genoemde verzoek om terugbetaling van dienstreiskosten en dagvergoedingen betreffende verzoekers deelname aan een zomerforum in Zwitserland betrekking op een bedrag van 3931,20 EUR.

144 In de tweede plaats heeft de Rekenkamer bepaalde terugbetalingsverzoeken van verzoeker goedgekeurd waarin essentiële informatie ontbrak over de activiteiten waarop zij betrekking hadden.

145 Ten eerste hadden de in de rijen nrs. 42, 44, 49, 50, 51, 139, 178, 188, 205, 234 en 235 en 254 en 255 van de terugvorderingstabel genoemde terugbetalingsverzoeken van verzoeker betrekking op een ontmoeting met een met naam genoemde persoon, zonder dat diens hoedanigheid nader werd omschreven.

146 Ten tweede verwijzen de in de rijen nrs. 21, 28, 40 en 162 van de terugvorderingstabel genoemde terugbetalingsverzoeken van verzoeker naar ontmoetingen met een persoon die eenvoudigweg „directeur studies”, „algemeen directeur”, „bestuurder” en „graaf” wordt genoemd.

147 Ten derde werden de in de rijen nrs. 46, 53, 67, 79, 99, 101, 113, 159 en 181 van de terugvorderingstabel genoemde terugbetalingsverzoeken door verzoeker gerechtvaardigd door te verwijzen naar respectievelijk een „formele uitnodiging door [een campus]” (rijen nrs. 46 en 159), naar „[een universiteit]” (rij nr. 53), naar een „formele uitnodiging” (rijen nrs. 67 en 79), naar een „formele uitnodiging [van een universiteit]” (rij nr. 99), naar een „formele uitnodiging [voor een tuinfeest van een orkest]” (rij nr. 101), naar een „[een makelaar]” (rij nr. 113) en naar de „presentatie van het jaarverslag 2010” (rij nr. 181).

148 Ten vierde verwijzen de in de rijen nrs. 38, 62, 64, 77, 78, 107, 109, 112, 124, 126, 127, 129, 136, 140, 141, 142, 144, 145, 146, 148, 149, 156, 158, 165, 166, 172, 176, 179, 180, 182, 189, 193, 195, 197, 198, 200, 206, 212, 213, 220, 222, 226, 231, 233, 240, 246, 247, 249 en 250 van de terugvorderingstabel genoemde terugbetalingsverzoeken van verzoeker naar chauffeurskosten met als rechtvaardiging „ophalen van [verzoeker] in Verbier”, „vervoeren van [verzoeker]”, „rijden van de CD‑wagen [...] naar Verbier (Zwitserland)”, „CD ophalen [...]”, „rijden met het dienstvoertuig”, „rijden met de CD‑wagen [...]”, „rijden met CD [...]”, „ophalen van [verzoeker]”, „brengen van documenten” en „brengen van belangrijke documenten” of zonder enige rechtvaardiging.

149 Het is waar dat de Rekenkamer, indien zij met de vereiste zorgvuldigheid had gehandeld, verzoeker had kunnen vragen om een nadere motivering van de a priori buitensporige bedragen als bedoeld in de punten 140 tot en met 143 hierboven en van de ontbrekende gegevens betreffende de terugbetalingsverzoeken van verzoeker als bedoeld in de punten 145 tot en met 148 hierboven. Op die manier had zij kunnen reageren op het moment dat verzoeker zijn verzoeken indiende en had zij, in voorkomend geval, de schuldvordering kunnen identificeren en vaststellen.

150 Uit het dossier blijkt echter dat het onderzoek van OLAF aanvullende informatie heeft opgeleverd over de activiteiten van verzoeker waarop alle in de punten 140 tot en met 143 en 145 tot en met 148 hierboven genoemde terugbetalingsverzoeken van verzoeker betrekking hadden, en nadere informatie heeft opgeleverd voor de analyse van die activiteiten. Die informatie was de Rekenkamer niet bekend toen verzoekers verzoeken werden ingediend, zodat zij die pas aan het einde van het onderzoek van OLAF in twijfel trok.

151 Wat de in de punten 140 en 142 hierboven vermelde terugbetalingsverzoeken van verzoeker betreft, moet worden verwezen naar de punten 110, 111, 117 en 118 hierboven, waarin de informatie is opgenomen die OLAF tijdens zijn onderzoek heeft verstrekt over de activiteiten van verzoeker die met die verzoeken overeenstemmen.

152 Verzoekers terugbetalingsverzoeken in de in punt 141 hierboven genoemde rijen, namelijk de rijen nrs. 22, 55, 110, 160, 216, 243 en 245 van de terugvorderingstabel, hebben betrekking op in de woning van verzoeker georganiseerde recepties. In zijn verslag heeft OLAF het doel en de aard van die recepties gespecificeerd, evenals de band van verzoeker met de genodigden ervan. OLAF heeft vastgesteld dat verzoeker tussen 2006 en 2016 voor een select publiek dertien informele privédiners in zijn plaats van herkomst had georganiseerd. Volgens OLAF bevonden zich onder de genodigden altijd een of twee Belgische politieke verantwoordelijken en enkele vrienden met hoge functies in de privésector en werden die evenementen, in de woorden van verzoeker in een uitnodigingsbrief, georganiseerd met het oog op een „aangename, ontspannen en nuttige avond in een select Vlaams gezelschap”. OLAF was van mening dat de genodigden allen goede vrienden waren die tot absolute discretie en vertrouwelijkheid verplicht waren. Het verslag van OLAF vermeldde ook dat 46 personen aan de privédiners hadden deelgenomen en dat, afgezien van het feit dat zij bevriend waren met verzoeker, hun band met hem in het algemeen kon worden aangemerkt als activiteiten die verband hielden met de Belgische politiek, de jacht, de functies van „CEO” en de instellingen van de Unie.

153 Met betrekking tot verzoekers in punt 143 hierboven vermelde terugbetalingsverzoek, namelijk het in rij nr. 252 vermelde verzoek betreffende verzoekers dienstreis naar een „zomerforum” in Zwitserland, heeft OLAF er tijdens zijn onderzoek allereerst op gewezen dat dat zomerevenement geen officieel programma had en dat uit de presentatie ervan bleek dat de genodigden hadden deelgenomen aan excursies in een vrijetijdscontext. Vervolgens heeft OLAF verwezen naar de nota die verzoeker aan de president van de Rekenkamer had gezonden om terugbetaling van de desbetreffende kosten te vragen, waarin verzoeker dit zomerforum had voorgesteld als een bijeenkomst van vooraanstaande vertegenwoordigers van regeringen, diplomaten, internationale organisaties, politieke partijen en parlementen om actuele kwesties in de internationale politiek te bespreken. Ten slotte heeft OLAF geconcludeerd dat verzoeker, hoewel hij op de hoogte was van de ware aard ervan, het evenement ten onrechte aan de president van de Rekenkamer had voorgesteld als een forum voor politieke besprekingen op hoog niveau om terugbetaling van zijn kosten te verkrijgen.

154 Wat de in de punten 145 tot en met 148 hierboven vermelde terugbetalingsverzoeken van verzoeker betreft, gaat het om de verzoeken waarover OLAF in zijn verslag de volgende informatie verstrekt: – met betrekking tot het in rij nr. 44 genoemde terugbetalingsverzoek, getiteld „Diner – Uitnodiging door [...]”, heeft OLAF opgemerkt dat het verzoek betrekking had op een diner met een bestuurder van een marktdeelnemer en dat verzoeker in feite tot 30 juni 2006 lid was van de raad van bestuur van die marktdeelnemer; – met betrekking tot het in rij nr. 49 genoemde terugbetalingsverzoek, getiteld „Werklunch met [...]”, heeft OLAF die activiteit in feite gekoppeld aan een muziekfestival; – met betrekking tot de in de rijen nrs. 51 en 113 genoemde terugbetalingsverzoeken, respectievelijk getiteld „Ontmoeting met [...]” en „[een vastgoedmakelaar]”, heeft OLAF vastgesteld dat die activiteiten in feite verband hielden met verzoekers privé-eigendommen in Brussel; – met betrekking tot het in rij nr. 101 genoemde terugbetalingsverzoek, getiteld „Formele uitnodiging voor [een tuinfeest van een orkest]”, heeft OLAF in feite het privékarakter van die activiteit vastgesteld; – met betrekking tot het in rij nr. 205 genoemde terugbetalingsverzoek, getiteld „M. [...]”, heeft OLAF vastgesteld dat die persoon in feite een architect was die verzoeker adviseerde in verband met de aankoop van een appartement in Brussel.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken