HvJ EU 30 september 2021, C-130/19, ECLI:EU:C:2021:782

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Voltallige zitting)

30 september 2021 ( *1 )

Inhoud

I. Toepasselijke bepalingen

A. Unierecht

1. VWEU

2. Statuut

3. Verordening nr. 2290/77

4. Richtlijn 2008/118

5. Verordening nr. 883/2013

6. Interne regels van de Rekenkamer

a) Reglement van orde

b) Besluit nr. 1‑2003

c) Besluit nr. 7‑2004

d) Besluit nr. 33‑2004

e) Gedragscode van 2004

f) Besluit nr. 19‑2009

g) Besluit nr. 66‑2011

h) Gedragscode van 2012

i) Uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde

B. Luxemburgs recht

II. Aan het geding ten grondslag liggende feiten

III. Onderzoeken en procedures die zijn ingesteld

A. Voorlopige maatregelen van de Rekenkamer

B. Onderzoek van OLAF

C. Inleiding van de procedure binnen de Rekenkamer

D. Door de Luxemburgse autoriteiten ingeleide strafprocedure

IV. Conclusies van partijen

V. Verzoek tot schorsing van de onderhavige procedure

A. Argumenten van partijen

B. Beoordeling door het Hof

VI. Verzoek om overlegging te gelasten van bepaalde documenten

A. Argumenten van partijen

B. Beoordeling door het Hof

VII. Verzoek om een document uit het dossier te verwijderen

A. Argumenten van partijen

B. Beoordeling door het Hof

VIII. Beroep

A. Ontvankelijkheid van het beroep

1. Vermeende onverenigbaarheid van de onderhavige procedure met het recht op effectieve rechterlijke bescherming

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

2. Vermeende onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

3. Vermeende onregelmatigheid van de in de Rekenkamer gevolgde procedure om machtiging te verlenen voor het instellen van het onderhavige beroep

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

4. Beweerde vertraging waarmee het beroep van de Rekenkamer is ingesteld

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

B. Grieven

1. Vierde grief: niet-aangegeven en onwettige politieke activiteit en positie als beheerder van een vastgoedmaatschappij

a) Eerste onderdeel van de vierde grief: niet-aangegeven en onwettige uitoefening van een politieke activiteit

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

b) Tweede onderdeel van de vierde grief: de niet-aangegeven en onwettige positie als beheerder van een vastgoedmaatschappij

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

2. Eerste grief: misbruik van de middelen van de Rekenkamer om activiteiten te financieren die geen verband hielden met zijn taken als lid van die instelling of daarmee niet verenigbaar waren

a) Ontvankelijkheid van de eerste grief

1) Uitoefening door Rekenkamer van haar beoordelingsbevoegdheid

i) Argumenten van partijen

ii) Beoordeling door het Hof

2) Presentatie van het verzoekschrift en ontvankelijkheid van de als bijlage bij de memorie van repliek gevoegde tabel

i) Argumenten van partijen

ii) Beoordeling door het Hof

b) Gegrondheid van de eerste grief

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

i) Schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen

ii) Dienstreiskosten en dagvergoedingen

– Verblijf in Crans-Montana

– Verblijf in Cuba

– Betrekkingen met politieke verantwoordelijken en bewegingen

– Betrekkingen met leiders van privébedrijven

– Betrekkingen met representatieve organen en verenigingen

– Uitoefenen van een toegestane externe activiteit

– Deelname aan jachtpartijen

– Andere door de Rekenkamer vermelde dienstreizen

iii) Representatie- en ontvangstkosten

– Representatiekosten voor betrekkingen met politieke verantwoordelijken

– Representatiekosten voor betrekkingen met andere personen

– Kosten voor recepties in de woning van Pinxten

iv) Gebruik van het dienstvoertuig en beroep op een chauffeur

– Vervoerskosten buiten dienstreizen van Pinxten

– Vervoerskosten voor de dienstreizen van Pinxten

– Gebruik van het dienstvoertuig zonder een beroep te doen op een chauffeur

3. Tweede grief: misbruik en onrechtmatig gebruik van fiscale voorrechten

a) Eerste onderdeel van de tweede grief: het houden en gebruiken van een tankkaart door een kind van Pinxten dat geen deel meer uitmaakte van zijn gezin

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

b) Tweede onderdeel van de tweede grief: gebruik van een tankkaart om brandstof te kopen voor voertuigen van derden

1) Argumenten van partijen

2) Beoordeling door het Hof

4. Derde grief: valse verklaringen ten aanzien van de verzekeraar in het kader van vermeende ongevallen waarbij het dienstvoertuig en de aan het kabinet van Pinxten toegewezen chauffeur betrokken waren

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

5. Vijfde grief: door Pinxten gecreëerde situatie van een belangenconflict in het kader van een contact met het hoofd van een gecontroleerde entiteit

a) Argumenten van partijen

b) Beoordeling door het Hof

C. Vervallenverklaring van het recht op pensioen of van andere daarvoor in de plaats tredende voordelen

1. Argumenten van partijen

2. Beoordeling door het Hof

IX. Door Pinxten ingediende vordering tot schadevergoeding

A. Argumenten van partijen

B. Beoordeling door het Hof

Kosten

„Artikel 286, lid 6, VWEU – Niet-nakoming van de uit de taak van een lid van de Europese Rekenkamer voortvloeiende verplichtingen – Verval van het recht op pensioen – Recht op effectieve rechterlijke bescherming – Regelmatigheid van het onderzoek van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) – Interne procedure bij de Rekenkamer – Activiteit die onverenigbaar is met de taken als lid van de Rekenkamer – Dienstreiskosten en dagvergoedingen – Representatie- en ontvangstkosten – Gebruik van het dienstvoertuig – Beroep op de diensten van een chauffeur – Belangenconflict – Evenredigheid van de sanctie”

In zaak C‑130/19,

betreffende een beroep krachtens artikel 286, lid 6, VWEU, ingesteld op 15 februari 2019,

Europese Rekenkamer, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Lesauvage, J. Vermer en É. von Bardeleben, vervolgens door C. Lesauvage als gemachtigden,

verzoekster,

tegen

Karel Pinxten, vertegenwoordigd door L. Levi, advocaat,

verweerder,

wijst

HET HOF (Voltallige zitting),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, vicepresident, waarnemend voor de president, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev, M. Vilaras, E. Regan, M. Ilešič, L. Bay Larsen (rapporteur) en N. Piçarra, kamerpresidenten, T. von Danwitz, C. Toader, M. Safjan, D. Šváby, S. Rodin, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, P. G. Xuereb, L. S. Rossi en I. Jarukaitis, rechters,

advocaat-generaal: G. Hogan,

griffier: V. Giacobbo, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 september 2020,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 december 2020,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep verzoekt de Europese Rekenkamer het Hof vast te stellen dat Karel Pinxten heeft opgehouden aan de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen, en bijgevolg de in artikel 286, lid 6, VWEU vastgestelde sanctie uit te spreken.

I. Toepasselijke bepalingen

A. Unierecht

1. VWEU

2 Artikel 285 VWEU bepaalt: „De Rekenkamer verricht de controle van de rekeningen van de [Europese] Unie. In de Rekenkamer heeft één onderdaan van iedere lidstaat zitting. De leden van de Rekenkamer oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit, in het algemeen belang van de Unie.”

3 Artikel 286 VWEU bepaalt in de leden 1, 3, 4 en 6: „1. De leden van de Rekenkamer worden gekozen uit personen die in hun eigen staat behoren of behoord hebben tot de externe controle-instanties of die voor deze functie bijzonder geschikt zijn. Zij moeten alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden. [...] 3. Bij de vervulling van hun taken vragen noch aanvaarden de leden van de Rekenkamer instructies van enige regering of enig lichaam. Zij onthouden zich van iedere handeling welke onverenigbaar is met het karakter van hun ambt. 4. De leden van de Rekenkamer mogen gedurende hun ambtsperiode geen andere beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten. Bij hun ambtsaanvaarding verbinden zij zich plechtig om gedurende hun ambtsperiode en na afloop daarvan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen na te komen, in het bijzonder eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies of voordelen na afloop van die ambtsperiode. [...] 6. De leden van de Rekenkamer kunnen slechts van hun ambt worden ontheven of van hun recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen worden verklaard, indien het Hof van Justitie, op verzoek van de Rekenkamer, constateert dat zij hebben opgehouden aan de eisen voor de uitoefening van hun ambt of aan de uit hun taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen.”

4 Artikel 287, lid 2, VWEU luidt: „De Rekenkamer onderzoekt de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en gaat tevens na of een goed financieel beheer werd gevoerd. Hierbij brengt zij in het bijzonder verslag uit over onregelmatigheden. [...]”

2. Statuut

5 Artikel 11, tweede alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 (PB 2004, L 124, blz. 1; hierna: „Statuut”), luidt als volgt: „De ambtenaar mag, zonder machtiging van het tot aanstelling bevoegde gezag, van een regering of wie dan ook buiten zijn instelling, geen eerbewijzen, onderscheidingen, gunsten, giften of beloningen van welke aard ook aanvaarden, behalve wegens vóór zijn aanstelling bewezen diensten of wegens diensten welke gedurende een bijzonder verlof ter zake van militaire dienst of andere nationale dienst uit hoofde van zodanige dienst zijn bewezen.”

6 Artikel 2, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut preciseert in de eerste alinea: „Als te zijnen laste komend kind wordt aangemerkt: een wettig, onwettig of geadopteerd kind van de ambtenaar of van diens echtgenoot, dat daadwerkelijk door hem wordt onderhouden.”

7 Artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut bepaalt: „Indien tegen de ambtenaar naar aanleiding van dezelfde feiten een strafrechtelijke vervolging is ingesteld, wordt zijn positie pas definitief geregeld nadat de rechterlijke beslissing onherroepelijk is geworden.”

3. Verordening nr. 2290/77

8 Artikel 7 van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 2290/77 van de Raad van 18 oktober 1977 tot vaststelling van de geldelijke regeling van de leden van de Rekenkamer (PB 1977, L 268, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 1293/2004 van de Raad van 30 april 2004 (PB 2004, L 243, blz. 26) (hierna: „verordening nr. 2290/77”), luidde als volgt: „Het lid van de Rekenkamer, dat zich voor de uitoefening van zijn ambt moet begeven buiten de plaats waar de Rekenkamer voorlopig is gevestigd, geniet: a) vergoeding van zijn reiskosten; b) vergoeding van zijn hotelkosten (kamerprijs, bedieningsgeld en belastingen, met uitsluiting van alle andere kosten); c) een vergoeding per gehele dag, gelijk aan 105 % van de dagvergoeding voor dienstreizen die in het [Statuut] is vastgesteld.”

4. Richtlijn 2008/118

9 Artikel 12 van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (PB 2009, L 9, blz. 12), luidt als volgt: „1. Accijnsgoederen zijn vrijgesteld van de betaling van accijns wanneer zij bestemd zijn om te worden gebruikt: a) in het kader van diplomatieke of consulaire betrekkingen; b) door internationale instellingen die als dusdanig door de overheid van de gastlidstaat zijn erkend, alsmede door de leden van deze instellingen, zulks binnen de beperkingen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij de internationale verdragen tot oprichting van deze instellingen of bij de vestigingsovereenkomsten; [...] 2. De vrijstellingen zijn afhankelijk van de voorwaarden en beperkingen die door de gastlidstaat worden vastgesteld. De lidstaten kunnen vrijstelling verlenen door middel van teruggaaf van de accijns.”

5. Verordening nr. 883/2013

10 Artikel 1 van verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB 2013, L 248, blz. 1), bepaalt in lid 1: „Met het oog op een krachtigere bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie [...] worden geschaad, verricht het Europees Bureau voor fraudebestrijding [(OLAF)] de onderzoekstaken die zijn toevertrouwd aan de [Europese] Commissie [...] [...]”.

11 Artikel 4 van verordening nr. 883/2013 bepaalt in de leden 1 en 2: „1. [OLAF] verricht binnen de instellingen, organen en instanties administratieve onderzoeken op de in artikel 1 bedoelde terreinen [...]. Deze interne onderzoeken worden verricht onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in deze verordening en in de besluiten van de respectieve instellingen, organen of instanties. 2. Voor zover de in lid 1 vermelde bepalingen worden nageleefd: a) heeft [OLAF] zonder voorafgaande waarschuwing onmiddellijke toegang tot alle relevante informatie, inclusief informatie in databases, die in het bezit is van de instellingen, organen en instanties, alsmede tot hun gebouwen. [...] [OLAF] kan alle documenten en de inhoud van alle geautomatiseerde bestanden die deze instellingen, organen en instanties in hun bezit hebben, kopiëren of daarvan uittreksels verkrijgen [...]; [...]”

12 Artikel 5 van deze verordening bepaalt in de leden 1 tot en met 3: „1. De directeur-generaal kan een onderzoek openen bij voldoende ernstige verdenking van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, ook indien de desbetreffende informatie door derden of anoniem wordt verstrekt. [...] 2. [...] Het besluit om een intern onderzoek te openen, wordt genomen door de directeur-generaal, die handelt op eigen initiatief dan wel op verzoek van de instelling, het orgaan of de instantie waarbij het onderzoek moet worden verricht of op verzoek van een lidstaat. 3. Zolang de directeur-generaal overweegt om naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in lid 2 al dan niet een onderzoek te openen, en/of wanneer [OLAF] een intern onderzoek verricht, openen de instellingen, organen en instanties in kwestie geen parallel onderzoek naar dezelfde feiten, tenzij anderszins met [OLAF] is overeengekomen.”

13 Artikel 7, lid 2, van deze verordening luidt: „De personeelsleden van [OLAF] verrichten hun taken na vertoon van een schriftelijke machtiging, waarin hun identiteit en hun hoedanigheid zijn vermeld. De directeur-generaal verstrekt die machtiging, waarin het voorwerp en het doel van het onderzoek, de rechtsgronden voor het verrichten van dit onderzoek en de daaruit voortvloeiende onderzoeksbevoegdheden zijn vermeld.”

14 Artikel 9 van die verordening preciseert in lid 4: „Onverminderd artikel 4, lid 6, en artikel 7, lid 6, mogen na afloop van het onderzoek geen conclusies over een met naam genoemde betrokken persoon worden getrokken zonder dat die persoon in de gelegenheid wordt gesteld om zijn oordeel te geven over alle feiten die op hem betrekking hebben. [...]”

15 Artikel 11, lid 4, van verordening nr. 883/2013 luidt als volgt: „De na afloop van een intern onderzoek opgestelde verslagen en aanbevelingen en alle relevante daarmee verband houdende documenten worden aan de betrokken instellingen, organen of instanties toegezonden. Die instellingen, organen of instanties ondernemen de acties, in het bijzonder de acties van tuchtrechtelijke of juridische aard, die op grond van de resultaten van het interne onderzoek geboden zijn en brengen daarover verslag uit aan [OLAF] binnen de in de aanbevelingen die het verslag vergezellen bepaalde termijn, en bovendien op verzoek van [OLAF].”

6. Interne regels van de Rekenkamer

a) Reglement van orde

16 Artikel 4 van het reglement van orde van de Rekenkamer (hierna: „reglement van orde”) luidt als volgt: „1. Wanneer de Rekenkamer bij meerderheid van stemmen van haar leden van oordeel is dat op grond van de haar verstrekte informatie kan worden vastgesteld dat een lid heeft opgehouden aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt of aan de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen (artikel 286, lid 6, [VWEU]), belast zij de president [...] met de opstelling van een voorbereidend verslag. 2. Het voorbereidend verslag wordt, vergezeld van bewijsstukken, toegezonden aan alle leden, met inbegrip van het betrokken lid, dat in antwoord daarop binnen een redelijke termijn, gesteld door de president of, indien de president het betrokken lid is, door het lid dat in rangorde op hem volgt, zijn schriftelijke opmerkingen indient. 3. Het betrokken lid zal ook worden uitgenodigd om zijn zaak mondeling voor de Rekenkamer toe te lichten. 4. Het besluit om zich tot het Hof te wenden om het betrokken lid van zijn ambt te ontheffen en/of hem van zijn recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen te verklaren, wordt bij geheime stemming met een meerderheid van vier vijfde van de leden van de Rekenkamer genomen. Het betrokken lid neemt niet aan de stemming deel.”

17 Artikel 23 van het reglement van orde bepaalt: „Van iedere vergadering van de Rekenkamer worden notulen opgesteld.”

18 Artikel 25, lid 3, van het reglement van orde luidt: „Onverminderd de artikelen 4, lid 4, en 7, lid 2, worden de overige besluiten genomen bij meerderheid van stemmen van de ter vergadering aanwezige leden van de Rekenkamer. Op voorstel van een lid kan de Rekenkamer evenwel bij meerderheid van stemmen van de ter vergadering aanwezige leden verklaren dat een besluit over een bepaalde aan haar voorgelegde kwestie bij meerderheid van stemmen van de leden van de Rekenkamer dient te worden genomen.”

b) Besluit nr. 1‑2003

19 Artikel 1 van besluit nr. 1‑2003 van de Rekenkamer van 16 januari 2003 betreffende de dienstreiskosten van de leden van de Rekenkamer, van toepassing ten tijde van de feiten in het onderhavige beroep (hierna: „besluit nr. 1‑2003”), preciseerde: „De juridische verbintenissen (te weten de dienstreisopdrachten) moeten wat de dienstreiskosten betreft zo spoedig mogelijk worden aangevraagd. De ordonnateur voor de dienstreiskosten van de leden is de president van de Rekenkamer. [...]”

20 Artikel 3 van dit besluit luidde: „Tijdens hun dienstreizen mogen de leden zich verplaatsen per dienstvoertuig, per vliegtuig, per spoor of per schip.”

21 Artikel 5 van dit besluit bepaalde: „Vergoeding van dienstreiskosten wordt zo spoedig mogelijk na terugkeer van het lid aangevraagd. Hotelkosten (uitgezonderd maaltijden) komen in aanmerking voor vergoeding.”

22 Artikel 6 van dat besluit luidde als volgt: „Voor dienstreizen van minder dan twaalf uur op één dag, wordt de helft van de desbetreffende dagvergoeding betaald. In alle andere gevallen wordt de dagvergoeding volledig uitbetaald.”

c) Besluit nr. 7‑2004

23 Artikel 2 van besluit nr. 7‑2004 van de Rekenkamer van 22 april 2004 betreffende de representatie- en ontvangstkosten van haar leden, van toepassing ten tijde van de feiten in het onderhavige beroep (hierna: „besluit nr. 7‑2004”), luidde als volgt: „Aan het begin van elk begrotingsjaar en na raadpleging van de leden worden de kredieten in twee delen verdeeld: [...] – Een tweede deel, B genaamd, is bestemd voor de algemene representatie- en ontvangstuitgaven die de leden doen in hun hoedanigheid van lid van een instelling. Deze uitgaven worden aan het eind van elk trimester terugbetaald op basis van aangiften waarbij ontvangstbewijzen of andere gelijkwaardig geachte schriftelijke bewijsstukken zijn gevoegd, met vermelding van de datum van de uitnodiging, het aantal gasten en de hoedanigheid van de hoofdgast. [...]”

24 Artikel 6 van dit besluit bepaalde: „Voor ontvangsten aan huis vergoedt de Rekenkamer de gemaakte kosten ten belope van de overgelegde bewijsstukken.”

25 Dit besluit ging vergezeld van een nota ter attentie van de leden van de Rekenkamer van 22 april 2004 met „suggesties in verband met de representatie- en ontvangstkosten” (hierna: „nota van 22 april 2004”). Hierin stond te lezen: „[...] De representatiekosten zijn hoofdzakelijk bedoeld om de externe betrekkingen van de Rekenkamer te bevorderen. De leden vertegenwoordigen de Rekenkamer met name wanneer zij in het belang van de Rekenkamer professionele betrekkingen onderhouden met personen die functies uitoefenen binnen de [...] Unie, de lidstaten of andere landen. [...] De uitgaven voor elk evenement moeten in verhouding staan tot het belang ervan en de hoedanigheid van de deelnemers. Wanneer de leden de Rekenkamer vertegenwoordigen, mogen ook hun echtgenoot/partner deelnemen aan het evenement. Ook de genodigden mogen worden vergezeld. Wat vrienden of persoonlijke contacten betreft gaat het noodzakelijkerwijs om privé-uitnodigingen. [...] In bijlage 1 worden hiervoor richtsnoeren gegeven. De uitgaven moeten duidelijk en beknopt worden aangegeven met behulp van bijlage 2.”

26 Bijlage 1 bij deze nota verduidelijkte dat „representaties/ontvangsten buiten de Rekenkamer in de regel betrekking moeten hebben op personen die vooraanstaande functies uitoefenen binnen de Unie [...], de lidstaten of andere landen” en dat uitgaven voor representaties/ontvangsten in de privéwoning van het lid „niet groter mogen zijn dan hetgeen daartoe noodzakelijk is, bloemstukken inbegrepen”.

27 In deze bijlage stond tevens dat „[w]anneer op de gastenlijst, naast personen van buiten de instelling, ook personeelsleden van de Rekenkamer staan, een billijk evenwicht tussen beide categorieën moet worden bewaard”, en dat „persoonlijke vrienden en familieleden (met uitzondering van de echtgenoot/partner) privé moeten worden uitgenodigd op kosten van het lid”.

d) Besluit nr. 33‑2004

28 Artikel 1 van besluit nr. 33‑2004 van de Rekenkamer van 15 juni 2004 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Europese Rekenkamer, van toepassing ten tijde van de feiten in het onderhavige beroep en tot aan de inwerkingtreding van besluit nr. 19‑2009 van de Rekenkamer van 20 april 2009 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Europese Rekenkamer (hierna: „besluit nr. 33‑2004”), bepaalde: „Dienstvoertuigen worden permanent ter beschikking gesteld van de leden en van de secretaris-generaal van de Rekenkamer voor verplaatsingen in het kader van hun taken.”

29 Artikel 4 van dit besluit luidde als volgt: „De Rekenkamer draagt, naast de huurkosten, ook de kosten van het gebruik van het voertuig door de leden en de secretaris-generaal in de uitvoering van hun taken. Als verplaatsingen in de uitvoering van de taken worden beschouwd: – verplaatsingen die gepaard gaan met een dienstreisopdracht, – andere verplaatsingen in verband met de uitvoering van de taken, forfaitair geraamd op 15000 km/jaar.”

30 Artikel 5 van dat besluit luidde: „Wanneer de leden of de secretaris-generaal het dienstvoertuig gebruiken voor andere verplaatsingen dan die bedoeld in artikel 4, komen de desbetreffende kosten (tolgeld, brandstofkosten en eventuele extra huurkosten bij een totale overschrijding van 45000 km/jaar zoals vastgesteld in de kaderovereenkomst) voor hun rekening.”

31 Artikel 6 van dat besluit bepaalde: „De chauffeurs hebben recht op vergoeding van de dienstreiskosten [...] wanneer zij de leden of de secretaris-generaal vervoeren bij hun verplaatsingen in de uitvoering van hun taken.”

32 Besluit nr. 33‑2004 ging vergezeld van een document getiteld „Opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Rekenkamer” (hierna: „opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004”).

33 In de opmerkingen bij besluit nr. 33‑2004 stond met betrekking tot artikel 4 van dit besluit te lezen: „Als ‚andere verplaatsingen in verband met de uitvoering van de taken’ worden beschouwd: – trajecten tussen de woonplaats (op de standplaats) en de werkplek, – trajecten tussen de standplaats/woning en een luchthaven, – protocolverplichtingen die binnen een beperkte omtrek plaatsvinden en die niet onder een dienstreisopdracht vallen, – gevallen van overmacht (ziekte, medische controles, onmogelijkheid om te rijden, enz.).”

e) Gedragscode van 2004

34 Artikel 4 van de gedragscode van toepassing op de leden van de Rekenkamer, vastgesteld door die instelling op 16 december 2004 (hierna: „gedragscode van 2004”), bepaalde: „1. De leden van de Rekenkamer wijden zich volledig aan de uitoefening van hun mandaat. Zij mogen geen enkele politieke functie vervullen. Zij onthouden zich van alle externe beroepswerkzaamheden en van alle andere externe activiteiten die onverenigbaar zijn met hun beschikbaarheidsplicht bij de uitoefening van hun taken. [...] 3. De leden vermelden hun nevenactiviteiten [...]”.

f) Besluit nr. 19‑2009

35 In de artikelen 1 en 4 tot en met 6 van besluit nr. 19‑2009 werd de tekst van de overeenkomstige artikelen van besluit nr. 33‑2004 overgenomen.

36 Artikel 7 van besluit nr. 19‑2009 luidde: „Dit besluit annuleert en vervangt besluit nr. 33‑2004. Het treedt in werking op dezelfde datum als de nieuwe interinstitutionele kaderovereenkomst voor huurwagens.”

37 Besluit nr. 19‑2009 ging vergezeld van een document getiteld „Opmerkingen bij besluit nr. 19‑2009 betreffende het beheer en het gebruik van het wagenpark van de Rekenkamer” (hierna: „opmerkingen bij besluit nr. 19‑2009”).

38 De opmerkingen bij besluit nr. 19‑2009 met betrekking tot artikel 4 van dit besluit waren dezelfde als die bij besluit nr. 33‑2004 met betrekking tot artikel 4 daarvan.

g) Besluit nr. 66‑2011

39 Artikel 1 van besluit nr. 66‑2011 van de Rekenkamer van 26 oktober 2011 houdende de gedragscode voor de Europese Rekenkamer luidt: „Deze Gedragscode is van toepassing op de [...] Rekenkamer [...]”.

40 De bij dit besluit gevoegde gedragscode (hierna: „gedragscode voor de Europese Rekenkamer”) bepaalt: „[...] 2.2. We beheren de middelen van de Rekenkamer op een wettige, regelmatige wijze en in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer. De Rekenkamer dient te handelen als een rolmodel op het gebied van financieel beheer: haar middelen dienen te worden beheerd in volledige overeenstemming met het Financieel Reglement en met elke andere toepasselijke regel. Haar doelstellingen dienen te worden verwezenlijkt op een spaarzame, doelmatige en doeltreffende wijze. [...] 3.3. We vermijden elk daadwerkelijk of schijnbaar belangenconflict. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij lidmaatschap van politieke organisaties, politieke ambten, lidmaatschap van besturen en financiële belangen in gecontroleerde entiteiten. We besteden bijzondere aandacht aan deze kwesties en aan de mogelijke perceptie daarvan door derden. 3.4. We onderhouden geen enkele band met de gecontroleerde entiteit die onze onafhankelijkheid kan aantasten. Familie‑ en/of persoonlijke relaties met personeel in de gecontroleerde entiteit die de resultaten van ons werk kunnen beïnvloeden, vallen onder de situaties die de onafhankelijkheid kunnen aantasten. Voordat de controletaak wordt uitgevoerd dient de mogelijke impact van een dergelijke relatie te worden beoordeeld en de leidinggevende te worden ingelicht; hiertoe heeft de Rekenkamer een jaarlijkse confirmatieprocedure ingevoerd. [...] 3.7. We voeren alleen externe activiteiten uit die binnen het kader van het Statuut vallen en zijn ons te allen tijde bewust van onze loyaliteitsverplichting tegenover de Rekenkamer. We onthouden ons van elke activiteit die de reputatie van de Rekenkamer kan schaden, twijfel doet rijzen over onze onpartijdigheid of ons in ons werk belemmert. [...]”

h) Gedragscode van 2012

41 Artikel 2 van de gedragscode van toepassing op de leden van de Rekenkamer, vastgesteld door die instelling op 8 februari 2012 (hierna: „gedragscode van 2012”), bepaalde in de leden 1, 2 en 4: „1. De leden vermijden elke situatie die kan leiden tot een belangenconflict. Zij behandelen geen kwesties waarbij zij een persoonlijk belang hebben, met name een familie‑ of financieel belang, waardoor hun onpartijdigheid in het gedrang kan komen. [...] 2. De leden van de Rekenkamer doen een opgave van hun financiële belangen en hun vermogen waaruit bij de uitvoering van hun ambt mogelijk belangenconflicten kunnen voortvloeien, ongeacht of het gaat om individuele deelnemingen in bedrijfskapitaal, met name aandelen, dan wel om andere vormen van deelnemingen zoals converteerbare obligaties of beleggingscertificaten. [...] Enig onroerend goed dat direct of via een vastgoedbedrijf in eigendom is, moet worden aangegeven, met uitzondering van woningen die uitsluitend worden gebruikt door de eigenaar of zijn familie. [...] 4. Bij hun ambtsaanvaarding dienen de leden de in de voorgaande paragrafen genoemde opgave toe te sturen aan de President van de Rekenkamer met gebruikmaking van het in de bijlage opgenomen formulier. [...] De opgave moet bij ingrijpende wijzigingen worden herzien en opnieuw worden ingediend. [...]”

42 Artikel 4 van de gedragscode van 2012 luidde: „1. De leden van de Rekenkamer wijden zich volledig aan de uitoefening van hun mandaat. Zij mogen geen enkele politieke functie vervullen. 2. De leden onthouden zich van alle externe beroepswerkzaamheden en van alle andere externe activiteiten die niet verenigbaar zijn met de uitoefening van hun ambt. [...] 6. De leden vermelden hun nevenactiviteiten, met uitzondering van de in lid 4 genoemde activiteiten, in de opgave van belangen waar in artikel 2 naar wordt verwezen.”

i) Uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde

43 Tijdens de twee mandaten van Pinxten als lid van de Rekenkamer werden de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde achtereenvolgens geregeld bij besluit nr. 92‑2004 van de Rekenkamer van 8 december 2004, besluit nr. 26‑2010 van de Rekenkamer van 11 maart 2010 en besluit nr. 38‑2016 van de Rekenkamer van 2 juni 2016 (hierna: „uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde”). Deze besluiten zijn gewijzigd alvorens te worden ingetrokken.

44 De voor de onderhavige procedure relevante bepalingen zijn in die periode niet wezenlijk gewijzigd.

45 Artikel 5 van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde luidde als volgt: „1. De leden onthouden zich van alle externe beroepswerkzaamheden en van elke andere externe activiteit die onverenigbaar is met de beginselen van onafhankelijkheid en beschikbaarheid bij de uitoefening van hun taken als bedoeld in artikel 286, de leden 3 en 4, VWEU. 2. Hiertoe zal elke feitelijke of beoogde externe activiteit worden beoordeeld in het licht van de volgende algemene criteria: a) met de activiteit wordt de onpartijdigheid van de Rekenkamer niet ondermijnd; b) er is geen sprake van belangenverstrengeling; c) de activiteit legt geen buitensporig beslag op beschikbare tijd; d) de activiteit levert geen geldelijk gewin op.”

46 Artikel 6 van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde bepaalde in de leden 1 en 2: „1. Binnen een termijn van maximaal dertig werkdagen, te rekenen vanaf de ambtsaanvaarding, doet elk lid aan de president van de Rekenkamer opgave van zijn externe werkzaamheden en beschrijft hij deze zo nauwkeurig mogelijk, gelet op elk van de vier in artikel 5, lid 2, omschreven criteria. 2. Elke nieuwe externe activiteit anders dan de in lid 1 genoemde activiteiten [...] moet onverwijld aan de president van de Rekenkamer worden gemeld. [...]”

47 Artikel 8 van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde bepaalde in de eerste alinea: „De vergaderingen die in het kader van de procedure van artikel 4 van het Reglement van orde worden gehouden, zijn besloten in de zin van artikel 49 van deze uitvoeringsbepalingen.”

48 Artikel 39 van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde preciseerde in lid 1: „De secretaris-generaal is belast met het secretariaat van de Rekenkamer en als zodanig onder meer verantwoordelijk voor het opmaken van de ontwerpnotulen van de vergaderingen van de Rekenkamer [...]. Hij ondersteunt de president bij de voorbereiding van de vergaderingen van de Rekenkamer, de naleving van de procedures en de correcte uitvoering van de besluiten van de Rekenkamer.”

49 Artikel 49, lid 3, van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde bepaalde: „Bij besloten vergaderingen zijn geen tolken of personeelsleden van de Rekenkamer aanwezig, tenzij tijdens een voorafgaande vergadering van de Rekenkamer of de kamer anders is besloten.”

50 Artikel 50, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde luidde: „De ontwerpnotulen van de vergaderingen van de Rekenkamer worden opgesteld door de secretaris-generaal of door ieder ander daartoe aangewezen persoon. Ze worden zo spoedig mogelijk aan de leden toegezonden en tijdens een volgende vergadering door de Rekenkamer goedgekeurd.”

B. Luxemburgs recht

51 Règlement ministériel du 18 mars 2010, portant publication de la loi belge du 22 décembre 2009 relative au régime général d’accise transposant la directive 2008/118 et abrogeant la directive 92/12/CEE en la matière (ministeriële verordening van 18 maart 2010 houdende bekendmaking van de Belgische wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen en tot omzetting van richtlijn 2008/118 en intrekking van richtlijn 92/12/EEG op hetzelfde gebied; hierna: „ministeriële verordening van 18 maart 2010”), bepaalt in artikel 1: „De Belgische wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen wordt bekendgemaakt in de Mémorial om in het Groothertogdom Luxemburg te worden uitgevoerd.”

52 Artikel 13 van de Belgische wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen, die krachtens artikel 1 van de ministeriële verordening van 18 maart 2010 geldt in Luxemburg, luidt als volgt: „In het kader van de vrijstellingsregeling inzake accijnzen die op hen van toepassing is, zijn de diplomaten, consulaire ambtenaren, strijdkrachten en instellingen bedoeld in artikel 20, 7° tot en met 12°, van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen gemachtigd om onder een accijnsschorsingsregeling accijnsgoederen te ontvangen herkomstig uit andere lidstaten [...]”.

53 Artikel 20, 7°, van de Belgische algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen luidt: „Tenzij een internationaal verdrag of zetelverdrag anders bepaalt, wordt onder door de Koning te bepalen voorwaarden en eventuele beperkingen op de redelijke hoeveelheden vrijstelling van accijnzen verleend: [...] 7° voor redelijke hoeveelheden van goederen welke bestemd zijn voor het persoonlijk gebruik – gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen – van diplomatieke ambtenaren, van consulaire beroepsambtenaren, van leden van het administratieve en technisch personeel van de diplomatieke zendingen en van consulaire bedienden, in functie in het land, voor zover de belanghebbenden geen Belgische onderdanen zijn of geen permanent verblijf houden in België en er geen beroeps- of handelsactiviteiten uitoefenen tot hun persoonlijk voordeel”.

54 Artikel 1, onder c) en f), van het règlement grand-ducal du 7 février 2013, concernant les franchises et exonérations de la taxe sur la valeur ajoutée accordées aux missions diplomatiques et aux postes consulaires, ainsi qu’aux agents diplomatiques, aux fonctionnaires consulaires et aux agents de chancellerie (Luxemburgse verordening van 7 februari 2013 betreffende ontheffingen en vrijstellingen van de belasting over de toegevoegde waarde voor diplomatieke zendingen, consulaire posten, diplomatieke ambtenaren, consulaire ambtenaren en ambassadepersoneel (hierna: „Luxemburgse verordening van 7 februari 2013”), luidt als volgt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: [...] c) diplomatieke ambtenaren: hoofden van diplomatieke zendingen, ministers-raadgevers, raadgevers, secretarissen en medewerkers van diplomatieke zendingen, voor zover de belanghebbenden geen onderdanen zijn van of permanent verblijf houden in het Groothertogdom Luxemburg en er geen winstgevende privéactiviteiten uitoefenen; [...] f) persoonlijk gebruik door diplomatieke ambtenaren, consulaire ambtenaren en ambassadepersoneel: rechtstreeks, daadwerkelijk en exclusief gebruik binnen het land voor de eigen en privébehoeften van deze ambtenaren en personeelsleden en die van inwonende gezinsleden, voor zover deze laatsten geen onderdanen zijn van of permanent verblijf houden in het Groothertogdom Luxemburg en er geen winstgevende privéactiviteiten uitoefenen”.

55 Artikel 4, lid 1, van deze Luxemburgse verordening preciseert: „Van de belasting over de toegevoegde waarde zijn vrijgesteld leveringen van goederen en diensten ten bedrage van minstens 240 EUR elk, exclusief belasting, daaronder begrepen leveringen in een andere lidstaat, ten behoeve van diplomatieke ambtenaren, consulaire ambtenaren en ambassadepersoneel van wie het Groothertogdom Luxemburg het gastland is [...]”.

II. Aan het geding ten grondslag liggende feiten

56 Pinxten was lid van de Rekenkamer van 1 maart 2006 tot en met 30 april 2018 en heeft daar twee mandaten volbracht.

57 Hij was gedurende deze mandaten toegewezen aan kamer III van die instelling, die verantwoordelijk is voor de controle van de uitgaven van de Unie op het gebied van externe betrekkingen, uitbreiding en humanitaire hulp. Van 4 april 2011 tot aan het eind van zijn laatste mandaat heeft Pinxten het ambt van deken van kamer III bekleed.

58 Na een gunstig advies van het comité belast met de beoordeling van de externe activiteiten van de leden van de Rekenkamer, heeft Pinxten bij besluit van 30 april 2015 toestemming gekregen om voorzitter te zijn van de Stichting Behoud Natuur en Leefmilieu Vlaanderen (België) (hierna: „SBNL‑V”).

59 Pinxten beschikte tijdens zijn ambtstermijnen over een dienstvoertuig en een tankkaart. Door middel van deze tankkaart kon de brandstof voor dit voertuig in rekening worden gebracht aan de Rekenkamer. Hij kreeg op zijn verzoek ook twee extra tankkaarten.

60 Van 2006 tot en met maart 2014 stelde de Rekenkamer Pinxten een chauffeur ter beschikking. Vanaf april 2014 kon Pinxten een beroep doen op een chauffeur uit de onder de verantwoordelijkheid van de directeur Financiën van de Rekenkamer vallende „pool van chauffeurs”.

61 Verder is Pinxten tijdens zijn mandaten vergoed voor representatie- en ontvangstkosten en voor diverse kosten die hij had gemaakt tijdens dienstreizen die op zijn verzoek door de president van de Rekenkamer waren goedgekeurd. Hij heeft tevens dagvergoedingen voor deze dienstreizen ontvangen.

III. Onderzoeken en procedures die zijn ingesteld

A. Voorlopige maatregelen van de Rekenkamer

62 De Rekenkamer geeft aan dat zij in 2016 informatie heeft ontvangen over verschillende ernstige onregelmatigheden die Pinxten werden verweten. Op 18 juli 2016 heeft de secretaris-generaal van die instelling Pinxten mondeling in kennis gesteld van de tegen hem geuite beschuldigingen.

63 De diensten van de Rekenkamer hebben in de zomer van 2016 een analyse verricht van de dienstreizen van Pinxten en van die van de chauffeurs van die instelling voor wie hij dienstreisopdrachten had opgesteld, teneinde mogelijke onregelmatigheden op te sporen. Vervolgens zijn er tussen die diensten en Pinxten verschillende brieven uitgewisseld over de beweerde onregelmatigheid van bepaalde van zijn dienstreizen of die van deze chauffeurs. Deze uitwisselingen hebben niet geleid tot de terugbetaling door Pinxten van de door de Rekenkamer gevorderde bedragen.

64 Op 26 juli 2016 zou de Rekenkamer ervan in kennis zijn gesteld dat Pinxten in 2011, na een incident tussen zijn dienstvoertuig en zijn eigen privévoertuig, verzekeringsfraude had gepleegd. Op 1 september 2016 heeft de secretaris-generaal van die instelling deze aantijgingen mondeling aan Pinxten gemeld. In een nota van dezelfde dag heeft laatstgenoemde beweerd dat het ongeval in kwestie het gevolg was van een botsing tussen zijn dienstvoertuig, bestuurd door de aan zijn kabinet toegewezen chauffeur, en zijn privévoertuig, bestuurd door zijn zoon.

B. Onderzoek van OLAF

65 Op 14 oktober 2016 heeft de secretaris-generaal van de Rekenkamer in opdracht van de president van die instelling OLAF een dossier toegezonden over de activiteiten van Pinxten die mogelijk tot onverschuldigde uitgaven ten laste van de begroting van de Unie hadden geleid.

66 Op 31 maart 2017 heeft de directeur-generaal van OLAF de president van de Rekenkamer formeel in kennis gesteld van de opening van een onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden – waarbij Pinxten betrokken was en waardoor de financiële belangen van de Unie waren geschaad – bij het gebruik van de middelen van de Rekenkamer en bij de dienstreizen die in strijd met de toepasselijke regels waren uitgevoerd of goedgekeurd.

67 Op 22 september 2017 is Pinxten door OLAF in kennis gesteld van de opening van dit onderzoek en van zijn status als „betrokken persoon” in het kader daarvan.

68 Op 20 november 2017 heeft OLAF een inspectie uitgevoerd in de lokalen van het kabinet van Pinxten en daarbij diverse documenten verzameld. Na een eerste analyse daarvan heeft OLAF Pinxten op 15 december 2017 meegedeeld dat het voorwerp van het onderzoek was uitgebreid tot mogelijke belangenconflicten en andere niet-nakomingen van de artikelen 285 en 286 VWEU en van de gedragscode van 2012.

69 Pinxten is op 22 december 2017 mondeling gehoord door de onderzoekers van OLAF. Op 15 mei 2018 heeft hij schriftelijke opmerkingen ingediend bij OLAF naar aanleiding van de overlegging door dit bureau van een samenvatting van de aan het eind van het onderzoek vastgestelde feiten.

70 Op 2 juli 2018 heeft de Rekenkamer het eindverslag ontvangen dat OLAF na afloop van zijn onderzoek had opgesteld (hierna: „verslag van OLAF”). In dit verslag werd geconcludeerd dat Pinxten de middelen van de Rekenkamer had misbruikt in het kader van activiteiten die geen verband hielden met zijn taken en dat hij misbruik had gemaakt van tankkaarten en van de autoverzekeringsovereenkomst voor zijn dienstvoertuig. In het verslag werd bovendien geconcludeerd dat er sprake was van ongerechtvaardigde afwezigheden, dat hij bepaalde externe activiteiten niet had gemeld, dat hij vertrouwelijke informatie had doorgegeven en dat er zich belangenconflicten hadden voorgedaan.

71 Gelet op de in dat verslag vastgestelde elementen heeft OLAF de Rekenkamer aanbevolen een tuchtprocedure tegen Pinxten in te leiden, passende maatregelen te nemen met het oog op de terugvordering van 472869,09 EUR, wat overeenkomt met de kosten die de Rekenkamer ten onrechte heeft gedragen, en de terugvordering te overwegen van 97954,52 EUR, wat overeenkomt met het salaris dat is betaald voor de perioden waarin Pinxten ongerechtvaardigd afwezig was.

72 Aangezien sommige van de in het onderzoek aan het licht gekomen feiten als strafbare feiten konden worden aangemerkt, heeft OLAF tevens inlichtingen verstrekt aan de Luxemburgse gerechtelijke autoriteiten en deze autoriteiten zijn aanbevelingen doen toekomen.

C. Inleiding van de procedure binnen de Rekenkamer

73 Op 3 juli 2018 heeft de president van de Rekenkamer de leden van die instelling een kopie van het verslag van OLAF en van de aanbevelingen van dit orgaan doen toekomen.

74 Op 5 oktober 2018 heeft de president van de Rekenkamer een voorbereidend verslag aan de leden van die instelling toegezonden. Daarin werd de Rekenkamer aanbevolen om het Hof te verzoeken „de vastgestelde feiten te onderzoeken en te bepalen of Pinxten heeft verzuimd de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen na te komen”. Dit verslag en het verslag van OLAF zijn op dezelfde dag aan Pinxten bezorgd. De bijlagen bij het verslag van OLAF zijn hem op 17 oktober 2018 toegezonden.

75 Op 19 november 2018 heeft Pinxten schriftelijke opmerkingen aan de Rekenkamer doen toekomen. Op 26 november 2018 is hij door de leden van die instelling gehoord in een besloten vergadering.

76 Op 29 november 2018 heeft de Rekenkamer in een besloten vergadering beslist om de zaak Pinxten op grond van artikel 286, lid 6, VWEU voor te leggen aan het Hof.

D. Door de Luxemburgse autoriteiten ingeleide strafprocedure

77 Op grond van de door OLAF doorgestuurde informatie heeft de openbare aanklager van het Tribunal d’arrondissement de Luxembourg (arrondissementsrechtbank van Luxemburg, Luxemburg) de Rekenkamer bij brief van 1 oktober 2018 verzocht Pinxtens immuniteit van rechtsvervolging op te heffen. Op 15 november 2018 heeft die instelling dat verzoek ingewilligd.

IV. Conclusies van partijen

78 De Rekenkamer verzoekt het Hof: – het verzoek van Pinxten tot schorsing van de procedure bij het Hof af te wijzen; – vast te stellen dat Pinxten heeft opgehouden te voldoen aan de verplichtingen die uit zijn taak voortvloeien krachtens de artikelen 285 en 286 VWEU en de ter uitvoering daarvan vastgestelde regels; – bijgevolg de in artikel 286, lid 6, VWEU vastgestelde sanctie uit te spreken, waarbij de Rekenkamer het aan de wijsheid van het Hof overlaat om de omvang ervan te bepalen; – de vordering tot schadevergoeding van Pinxten niet-ontvankelijk te verklaren, en – Pinxten te verwijzen in de kosten.

79 Pinxten verzoekt het Hof: – de Rekenkamer te verzoeken het verslag over te leggen betreffende de interne controle, voor de periode van 2012 tot en met 2018 van de dienstreiskosten van de leden van de Rekenkamer en van het gebruik van dienstvoertuigen door al deze leden, en aan te geven welke maatregelen naar aanleiding van dat verslag zijn genomen, alsmede alle nota’s over te leggen over de druk die op de interne controleur is uitgeoefend; – het verzoek van de Rekenkamer af te wijzen; – de Rekenkamer te veroordelen tot betaling van een vergoeding van 50000 EUR voor de door hem geleden immateriële schade, en – de Rekenkamer te verwijzen in de kosten.

V. Verzoek tot schorsing van de onderhavige procedure

A. Argumenten van partijen

80 Pinxten benadrukt dat er in Luxemburg een strafprocedure loopt. Derhalve vereist het adagium „le pénal tient le disciplinaire en l’état” (een tuchtprocedure moet wachten op de uitkomst van de strafvervolging) of op zijn minst het beginsel van behoorlijk bestuur dat het Hof geen uitspraak doet vóór de Luxemburgse strafrechtelijke autoriteiten.

81 Een schorsing van de behandeling van de onderhavige procedure maakt het volgens hem mogelijk om zowel zijn positie in het kader van de in Luxemburg ingestelde strafrechtelijke vervolging niet te beïnvloeden als te verzekeren dat rekening wordt gehouden met de feiten die worden vastgesteld door de Luxemburgse strafrechtelijke autoriteiten, die over ruimere onderzoeksbevoegdheden beschikken dan het Hof.

82 De Rekenkamer verzet zich tegen dit verzoek.

B. Beoordeling door het Hof

83 Er zij allereerst op gewezen dat het Unierecht geen enkele bepaling bevat op grond waarvan een krachtens artikel 286, lid 6, VWEU bij het Hof ingeleide procedure moet worden geschorst wanneer een strafprocedure is ingeleid die geheel of ten dele betrekking heeft op dezelfde feiten.

84 Stellig bepaalt artikel 25 van bijlage IX bij het Statuut dat indien tegen een ambtenaar naar aanleiding van dezelfde feiten een strafrechtelijke vervolging is ingesteld, zijn positie pas definitief wordt geregeld nadat de rechterlijke beslissing onherroepelijk is geworden.

85 De procedures betreffende schending door een lid van de Rekenkamer van de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen vallen evenwel onder een autonome rechtsgang, namelijk artikel 286, lid 6, VWEU, en verlopen dus niet volgens de in het Statuut neergelegde regels voor tuchtprocedures (zie naar analogie arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punt 118).

86 Vervolgens moet worden onderstreept dat, zoals de advocaat-generaal in punt 78 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de procedure van artikel 286, lid 6, VWEU een eigen doel dient, namelijk het goed functioneren van de instellingen van de Unie te verzekeren, en dat dit doel verschilt van dat van een nationale strafprocedure.

87 Ten slotte volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het Hof in het kader van de in die bepaling bedoelde procedure niet gebonden is aan de juridische kwalificatie die aan de feiten is gegeven in het kader van de strafzaak en het met gebruikmaking van zijn volledige beoordelingsvrijheid moet onderzoeken of de aan het betrokken lid van de Rekenkamer verweten feiten een niet-nakoming vormen van de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen (zie naar analogie arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punt 121).

88 Een eventuele schorsing van de onderhavige procedure in afwachting van de uitkomst van de in Luxemburg ingeleide strafprocedure is dan ook niet noodzakelijk, aangezien die uitkomst hoe dan ook niet van dien aard is dat zij de draagwijdte beperkt van de beoordelingen die het Hof dient te verrichten om uitspraak te doen op het onderhavige beroep.

89 In die omstandigheden moet het verzoek van Pinxten tot schorsing van de onderhavige procedure worden afgewezen.

VI. Verzoek om overlegging te gelasten van bepaalde documenten

A. Argumenten van partijen

90 Pinxten betoogt dat de Rekenkamer voor de periode van 2012 tot en met 2018 een volledige interne audit heeft verricht van de dienstreiskosten van de leden van die instelling en van het gebruik van dienstvoertuigen door deze leden.

91 In zijn memorie van dupliek verzoekt hij het Hof de Rekenkamer bij wijze van maatregel van instructie te gelasten het na die interne audit opgestelde verslag over te leggen en aan te geven welke maatregelen naar aanleiding van dit verslag zijn genomen. Een dergelijke maatregel van instructie biedt volgens Pinxten de mogelijkheid het Hof duidelijkheid te verschaffen over de beoordeling van zijn situatie door het interne auditcomité van de Rekenkamer, over het bestaan van onregelmatigheden begaan door andere leden van die instelling en over de wijze waarop die instelling met deze onregelmatigheden is omgegaan.

92 Pinxten betoogt bovendien dat de onafhankelijkheid van de interne controleur werd bedreigd door de secretaris-generaal van die instelling en dat het nuttig zou zijn dat het Hof in het bezit wordt gesteld van alle nota’s betreffende deze situatie, zodat het kan bepalen hoe de tegen Pinxten ingebrachte grieven moeten worden beoordeeld.

B. Beoordeling door het Hof

93 Om te beginnen is het van belang in herinnering te brengen dat enkel het Hof bevoegd is om te beoordelen of een verzoek tot overlegging van documenten relevant is voor het voorwerp van het geschil en of de gevraagde documenten noodzakelijk zijn voor de beslechting van dat geschil (zie in die zin beschikking van 3 maart 2020, Commissie/Polen, C‑791/19 R, niet gepubliceerd, EU:C:2020:147, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

94 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het Hof, met het oog op een uitspraak op het onderhavige beroep, de omvang dient te bepalen van de uit de taak van lid van de Rekenkamer voortvloeiende verplichtingen, en op basis van de door partijen overgelegde bewijzen dient te beoordelen of een schending door Pinxten van deze verplichtingen bewezen moet worden geacht.

95 Gesteld al dat het door Pinxten genoemde interne auditverslag inderdaad een beoordeling van de regelmatigheid van zijn gedrag bevat, neemt dit in die omstandigheden niet weg dat het standpunt dat een intern orgaan van de Rekenkamer dienaangaande inneemt, niet doorslaggevend kan zijn voor de afdoening van het door die instelling ingestelde beroep.

96 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de onderhavige procedure uitsluitend betrekking heeft op de onregelmatigheden die de Rekenkamer verwijt aan Pinxten.

97 De omstandigheid dat andere leden van die instelling vergelijkbare of ergere onregelmatigheden hebben begaan, gesteld al dat dit het geval is, heeft niet tot gevolg dat het gedrag van Pinxten regelmatig was of zou kunnen worden geacht te voldoen aan de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen, in de zin van artikel 286, lid 6, VWEU.

98 In de derde plaats is het eventuele bestaan van een conflict binnen de Rekenkamer over het verrichten van een interne audit na het verstrijken van het tweede mandaat van Pinxten als lid van die instelling, gelet op de taken waarmee het Hof in de onderhavige procedure is belast, zoals deze in punt 94 van het onderhavige arrest zijn aangegeven, irrelevant voor de behandeling van het beroep van die instelling.

99 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat uit de redenen die Pinxten voor zijn verzoek tot overlegging van documenten aanvoert, niet blijkt welk belang deze documenten zouden kunnen hebben voor de onderhavige procedure, en dat dit verzoek bijgevolg moet worden afgewezen.

VII. Verzoek om een document uit het dossier te verwijderen

A. Argumenten van partijen

100 De Rekenkamer verzoekt om uit het dossier een kopie te verwijderen van een e‑mail van de president van deze instelling die op 13 februari 2019 is verstuurd aan de andere leden en de secretaris-generaal van die instelling en die Pinxten heeft overgelegd in bijlage B.10 bij zijn verweerschrift (hierna: „e-mail van 13 februari 2019”).

101 Zij betoogt dat het om een strikt vertrouwelijke e-mail gaat, die enkel naar de leden van de Rekenkamer is gestuurd en nadat het tweede mandaat van Pinxten als lid van die instelling was afgelopen. Zij leidt daaruit af dat dit document noodzakelijkerwijs onregelmatig is verkregen, waardoor met name inbreuk is gemaakt op het recht van de Rekenkamer op eerbiediging van de vertrouwelijkheid van de communicatie.

102 Volgens Pinxten moet dit verzoek om de e-mail van 13 februari 2019 uit het dossier te verwijderen, worden afgewezen.

103 Hij stelt in dit verband om te beginnen dat hij deze e-mail niet op onregelmatige wijze heeft verkregen, voorts dat de e-mail in werkelijkheid niet vertrouwelijk was, aangezien volgens de gedragsregels van de Rekenkamer geen vertrouwelijke informatie per elektronische post mag worden verstuurd en een dergelijke e-mail door alle leden van de kabinetten van de geadresseerden wordt ontvangen, en ten slotte dat het vertrouwelijke karakter of de onregelmatige verkrijging van een document niet de verwijdering ervan uit het dossier rechtvaardigt wanneer dit document noodzakelijk is voor de uitspraak van het Hof, wat volgens hem in casu het geval is.

B. Beoordeling door het Hof

104 Er zij aan herinnerd dat in het Unierecht het beginsel van de vrije beoordeling van het bewijs primeert, waaruit volgt dat de ontvankelijkheid van tijdig overgelegd bewijsmateriaal voor de Unierechter enkel kan worden betwist door zich te baseren op het feit dat het onrechtmatig is verkregen (zie in die zin arrest van 26 september 2018, Infineon Technologies/Commissie, C‑99/17 P, EU:C:2018:773, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

105 In deze context heeft het Hof reeds besloten om in een zaak een document uit het dossier te verwijderen met name omdat er twijfel bestond over de vraag of de partij die zich erop beriep, het op geoorloofde wijze had verkregen (zie in die zin arrest van 17 december 1981, Ludwigshafener Walzmühle Erling e.a./Raad en Commissie, 197/80–200/80, 243/80, 245/80 en 247/80, EU:C:1981:311, punt 16).

106 Diezelfde benadering werd gevolgd in verband met een juridisch advies dat voor intern gebruik was opgesteld door een nationale dienst die dit advies niet had toegezonden aan de partij die zich erop beriep, en die evenmin had ingestemd met de toezending ervan aan die partij (beschikking van 23 maart 2007, Stadtgemeinde Frohnleiten en Gemeindebetriebe Frohnleiten, C‑221/06, EU:C:2007:185, punten 19‑23).

107 Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat een juridisch advies dat door de juridische dienst van een instelling is uitgebracht en dat niet op regelmatige wijze bij die instelling is verkregen door de partij die zich erop beroept, uit het dossier moet worden verwijderd, tenzij een hoger openbaar belang rechtvaardigt dat die partij dat juridisch advies overlegt (zie in die zin beschikking van 29 januari 2009, Donnici/Parlement, C‑9/08, niet gepubliceerd, EU:C:2009:40, punten 17‑23).

108 In casu betwist Pinxten weliswaar formeel de bewering van de Rekenkamer dat hij de e-mail van 13 februari 2019 noodzakelijkerwijs onregelmatig heeft verkregen, maar legt hij niet uit hoe hij dan wel aan deze e-mail is geraakt en benadrukt hij louter dat vele personeelsleden van de Rekenkamer er toegang toe hadden.

109 De e-mail van 13 februari 2019 vormt echter interne communicatie tussen de leden van de Rekenkamer waarin uitdrukkelijk is aangegeven dat het om strikt vertrouwelijke informatie gaat.

110 Daarenboven staat vast dat de e-mail niet is gestuurd naar Pinxten, die sinds 30 april 2018 geen lid meer was van de Rekenkamer.

111 Derhalve moet worden geoordeeld dat kan worden betwijfeld of Pinxten de e-mail op geoorloofde wijze heeft verkregen.

112 Voorts beroept Pinxten zich op de e-mail van 13 februari 2019 om aan te tonen dat andere leden van de Rekenkamer gunstiger zijn behandeld dan hij.

113 Gesteld al dat die instelling andere van haar leden daadwerkelijk gunstiger dan Pinxten heeft behandeld wat betreft de onregelmatigheden die zij in het kader van hun taken beweerdelijk hebben begaan, kan daaruit evenwel hoe dan ook geenszins blijken dat Pinxten niet heeft verzuimd de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen na te komen in de zin van artikel 286, lid 6, VWEU.

114 Daarenboven volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat het beginsel van gelijke behandeling moet worden geconcilieerd met het gebod van rechtmatig handelen, op grond waarvan niemand zich in zijn voordeel kan beroepen op een onrechtmatigheid die is begaan ten gunste van een ander (arresten van 10 november 2011, The Rank Group, C‑259/10 en C‑260/10, EU:C:2011:719, punt 62, en 13 september 2017, Pappalardo e.a./Commissie, C‑350/16 P, EU:C:2017:672, punt 52).

115 Pinxten heeft dan ook niet het bewijs geleverd van het bestaan van een hoger openbaar belang dat de overlegging van het betrokken document zou kunnen rechtvaardigen.

116 Bijgevolg moet het verzoek van de Rekenkamer om de e-mail van 13 februari 2019, die in bijlage B.10 bij het verweerschrift is opgenomen, uit het dossier te verwijderen, worden toegewezen.

VIII. Beroep

A. Ontvankelijkheid van het beroep

117 Pinxten heeft allereerst vier argumenten aangevoerd waarmee hij de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep betwist: 1) onverenigbaarheid van de procedure van artikel 286, lid 6, VWEU met het recht op effectieve rechterlijke bescherming; 2) onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF; 3) onregelmatigheid van de in de Rekenkamer gevolgde procedure om machtiging te verlenen voor het instellen van het onderhavige beroep, en 4) excessieve vertraging waarmee dit beroep is ingesteld.

1. Vermeende onverenigbaarheid van de onderhavige procedure met het recht op effectieve rechterlijke bescherming

a) Argumenten van partijen

118 Met zijn eerste argument inzake niet-ontvankelijkheid betoogt Pinxten dat zijn recht op toegang tot de rechter niet zal worden geëerbiedigd in de onderhavige procedure en dat hij geen toegang tot een rechter in twee instanties zal hebben, wat in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en artikel 2 van het Zevende Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”).

119 Ook al heeft het Hof eerder in het arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson (C‑432/04, EU:C:2006:455), een argument over het gebrek aan toegang tot een rechter in twee instanties afgewezen, het gaat volgens hem daarbij eraan voorbij dat het in casu optreedt als tuchtautoriteit en niet als gerecht.

120 Indien het optreden van de Rekenkamer dient te worden onderzocht volgens de in artikel 286, lid 6, VWEU vastgestelde regeling, blijft Pinxten naar eigen zeggen verstoken van enige vorm van rechterlijke bescherming, zodat deze bepaling niet de grondslag kan vormen voor het door de Rekenkamer ingestelde beroep.

121 Volgens de Rekenkamer is dit middel niet-ontvankelijk, aangezien het Hof daarmee in werkelijkheid wordt verzocht de ongeldigheid van een bepaling van primair recht vast te stellen. Hoe dan ook is dit middel reeds afgewezen in het arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson (C‑432/04, EU:C:2006:455).

b) Beoordeling door het Hof

122 Wat om te beginnen het gebrek aan toegang tot een rechter in twee instanties betreft, volstaat het eraan te herinneren dat het feit dat in de procedure van artikel 286, lid 6, VWEU geen beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van het Hof, geen leemte is die het recht van het betrokken lid of voormalig lid van de Rekenkamer op effectieve bescherming door de rechter als gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest aantast (zie naar analogie arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punten 112 en 113).

123 Voorts moet worden benadrukt dat, waar Pinxten stelt dat zijn argument verschilt van het door het Hof in het arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson (C‑432/04, EU:C:2006:455), onderzochte argument aangezien hij spreekt van een totaal gebrek aan rechterlijke bescherming en niet slechts van een schending van het recht op toegang tot een rechter in twee instanties, het Hof in de onderhavige procedure uitspraak doet, na Pinxten te hebben gehoord, als bij het VEU en het VWEU opgericht onafhankelijk en onpartijdig gerecht en niet als een administratieve autoriteit in tuchtzaken.

124 Het onderzoek door het Hof, in eerste en laatste aanleg, van de grieven inzake een beweerde niet-nakoming door Pinxten van de uit zijn taak van lid van de Rekenkamer voortvloeiende verplichtingen, biedt hem dan ook voldoende effectieve rechterlijke bescherming.

2. Vermeende onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF

a) Argumenten van partijen

125 Met zijn tweede argument inzake niet-ontvankelijkheid stelt Pinxten dat het beroep van de Rekenkamer gebaseerd is op het verslag van OLAF en dat dit verslag is opgesteld na een onregelmatige procedure.

126 In de eerste plaats heeft OLAF de reikwijdte van zijn onderzoek op onregelmatige wijze uitgebreid.

127 Uit artikel 7, lid 2, van verordening nr. 883/2013 volgt namelijk dat een inspectie van de gebouwen van een instelling moet worden verricht op basis van een schriftelijke machtiging waarin melding wordt gemaakt van de verrichtingen van het toegestane onderzoek, waarvan de reikwijdte is omschreven in een besluit tot opening van een onderzoek.

128 OLAF kan dan ook geen inspectie verrichten die tot doel of tot gevolg heeft dat eventuele inbreuken worden ontdekt waarvan het nog geen kennis heeft en die buiten het kader van het gevoerde onderzoek vallen. In casu kon OLAF dus niet rechtsgeldig de reikwijdte van zijn onderzoek uitbreiden op basis van de analyse van de tijdens de inspectie van het kabinet van Pinxten verzamelde gegevens.

129 In de tweede plaats heeft OLAF het recht op persoonlijke levenssfeer van Pinxten geschonden. Om te beginnen heeft dit bureau niet kunnen bevestigen dat het geen onder het beroepsgeheim vallende briefwisseling tussen Pinxten en zijn advocaat in beslag heeft genomen. Voorts heeft OLAF privédossiers in beslag genomen die uitdrukkelijk als privé stonden aangemerkt en die met name gingen over de deelname van de betrokkene aan jachtpartijen en over de verhuur van een appartement waarvan hij eigenaar is.

130 In de derde plaats heeft OLAF de rechten van verdediging van Pinxten geschonden.

131 Ten eerste was de samenvatting van de feiten die Pinxten vóór de vaststelling van het verslag van OLAF werden gepresenteerd, uiterst kort, waren de bij deze samenvatting gevoegde tabellen nagenoeg onbegrijpelijk en werden de bijbehorende bewijsstukken niet tijdig overgelegd.

132 Ten tweede is dit verslag gebaseerd op een reeks feiten en getuigenverhoren die Pinxten niet ter kennis waren gebracht toen hij door OLAF werd gehoord.

133 Ten derde was zijn recht van verdediging puur formeel: zijn tegenargumenten werden, op enkele uitzonderingen na, niet besproken maar eenvoudigweg gekopieerd aan het eind van het verslag.

134 Ten vierde heeft de voormalige assistente van Pinxten geen transcript van haar mondelinge verklaringen ontvangen, terwijl OLAF haar een kopie had moeten bezorgen, wat bevestigt dat OLAF niet zowel de belastende als de ontlastende elementen heeft onderzocht.

135 Volgens de Rekenkamer is het middel inzake de onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF niet ter zake dienend omdat het verslag van dit bureau niet het beslissende element is voor de aanhangigmaking van de zaak bij het Hof.

136 Subsidiair is dit middel volgens haar ongegrond.

137 In de eerste plaats stelt de Rekenkamer dat niets OLAF ervan weerhoudt de reikwijdte van een onderzoek uit te breiden, en dat het dit moet kunnen doen wanneer een inspectie van de gebouwen van een instelling ernstige verdenkingen oplevert. Het onderzoek in kwestie is trouwens uitgebreid tot verdenkingen die nauw verband hielden met de oorspronkelijke reikwijdte ervan.

138 In de tweede plaats is het recht op persoonlijke levenssfeer van Pinxten geëerbiedigd. Om te beginnen blijkt uit geen enkel door hem aangedragen gegeven dat OLAF zich heeft gebaseerd op een document waarvoor de vertrouwelijkheid van de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt geldt. Voorts heeft OLAF krachtens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 883/2013 onmiddellijke toegang tot alle informatie die in het bezit is van de instellingen en kan het alle documenten die zij in hun bezit hebben kopiëren. Het beschikt dus over een beoordelingsmarge en het kan niet zomaar in zijn bevoegdheden worden beperkt doordat bepaalde documenten als „privé” worden aangemerkt.

139 In de derde plaats diende Pinxten aan te tonen dat de betrokken procedure een ander resultaat zou kunnen hebben gehad zonder de beweerde schending van zijn rechten van verdediging, waarin hij echter niet is geslaagd. Hoe dan ook is OLAF in casu zijn verplichtingen nagekomen door een samenvatting van de feiten over te leggen die volstond om Pinxten in staat te stellen zijn opmerkingen in te dienen, wat hij trouwens ook heeft gedaan. Tevens heeft hij eveneens de gelegenheid gehad om verweer te voeren tijdens de interne procedure bij de Rekenkamer, op basis van het volledige verslag van OLAF. Verder was OLAF niet verplicht om de voormalige assistente van Pinxten een transcript te overhandigen, aangezien zij gehoord was als getuige.

b) Beoordeling door het Hof

140 Eerst moet worden ingegaan op het argument van de Rekenkamer dat niet hoeft te worden onderzocht of het onderzoek van OLAF regelmatig was, aangezien het verslag van OLAF niet het doorslaggevende element was om de zaak aanhangig te maken bij het Hof krachtens artikel 286, lid 6, VWEU.

141 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat in de vijf grieven die de Rekenkamer ter ondersteuning van haar beroep aanvoert, wordt verwezen naar de vaststellingen die OLAF in zijn verslag heeft gedaan.

142 Om de gegrondheid van deze grieven aan te tonen, legt de Rekenkamer bewijsstukken over die grotendeels bestaan uit documenten die OLAF in beslag heeft genomen tijdens zijn onderzoek en als bijlage bij zijn verslag heeft gevoegd. Bijlage A.37 van het verzoekschrift, waarnaar de Rekenkamer in haar geschriften zeer uitvoerig verwijst, wordt trouwens uitdrukkelijk voorgesteld als bestaande uit de „[b]ijlagen bij het verslag van OLAF dat op 2 juli 2018 aan de president van de Rekenkamer is toegezonden”.

143 Bovendien heeft de Rekenkamer, in antwoord op vragen van het Hof waarom zij haar aanvankelijke beoordeling van de regelmatigheid van de aan Pinxten betaalde dienstreiskosten, representatie- en ontvangstkosten en dagvergoedingen had herzien, aangegeven dat haar nieuwe beoordeling gebaseerd was op het materiaal dat OLAF in beslag had genomen tijdens zijn onderzoek.

144 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep niet afhangt van de regelmatigheid van het onderzoek van OLAF.

145 Niettemin zou een eventuele onregelmatigheid van dit onderzoek kunnen betekenen dat het door de Rekenkamer ter ondersteuning van haar beroep overgelegde bewijsmateriaal geheel of gedeeltelijk in strijd met de toepasselijke rechtsregels werd verzameld, waardoor het Hof zou moeten bepalen of deze onregelmatigheid gevolgen heeft voor de ontvankelijkheid van dat bewijsmateriaal in de onderhavige procedure.

146 Alvorens uitspraak te doen over de grieven van de Rekenkamer, moet dus eerst worden nagegaan of de argumenten van Pinxten over de onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF gegrond zijn.

147 Wat in de eerste plaats de vermeend onwettige uitbreiding van het voorwerp van het onderzoek van OLAF betreft, moet worden beklemtoond dat OLAF op grond van artikel 4, lid 2, onder a), van verordening nr. 883/2013 toegang kan hebben tot alle relevante informatie die in het bezit is van de instellingen van de Unie alsmede tot de gebouwen daarvan.

148 Volgens artikel 4, leden 1 en 2, van deze verordening kan deze bevoegdheid enkel worden uitgeoefend in het kader van een intern onderzoek en onder de voorwaarden die in deze verordening zijn vastgesteld.

149 Op basis van artikel 5, lid 1, van die verordening kan de directeur-generaal van OLAF een onderzoek openen bij voldoende ernstige verdenking van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

150 Verder volgt uit artikel 7, lid 2, van verordening nr. 883/2013 dat de personeelsleden van OLAF de gebouwen van een instelling inspecteren na vertoon van een schriftelijke machtiging, waarin met name het voorwerp en het doel van het onderzoek, de rechtsgronden voor het verrichten van dit onderzoek en de daaruit voortvloeiende onderzoeksbevoegdheden zijn vermeld.

151 Hieruit volgt ten eerste dat wanneer OLAF de gebouwen van een instelling zou inspecteren zonder vooraf te beschikken over elementen die met recht doen vermoeden dat er sprake is van onwettige activiteiten die onder zijn bevoegdheid vallen, deze inspectie onregelmatig zou zijn, en ten tweede dat een inspectie erop gericht moet zijn bewijsmateriaal met betrekking tot de vermoedelijke onwettige activiteiten te verzamelen (zie naar analogie arrest van 25 juni 2014, Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:2030, punt 37).

152 Uit de artikelen 4, 5 en 7 van verordening nr. 883/2013 volgt daarentegen niet dat OLAF geen elementen in aanmerking mag nemen die terloops worden ontdekt tijdens een rechtmatige inspectie van de gebouwen van een instelling en die wijzen op onwettige activiteiten waarvoor het bevoegd is en waarvan het vóór die inspectie geen kennis had en die verschillen van de onwettige activiteiten waarop het onderzoek in het kader waarvan die inspectie is verricht, aanvankelijk betrekking had.

153 Bovendien zou de door Pinxten voorgestelde uitlegging van de regels voor de activiteiten van OLAF er in de praktijk op neerkomen dat de daders van onwettige activiteiten die tijdens een OLAF-onderzoek aan het licht komen, onbestraft blijven, zonder dat die consequentie noodzakelijk is om misbruik van de aan die instantie verleende bevoegdheden te voorkomen of om de rechten van verdediging van de betrokkene te beschermen, waardoor het gevaar zou ontstaan dat wordt afgedaan aan de in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 883/2013 vermelde doelstelling van een krachtiger bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

154 Wanneer OLAF tijdens een regelmatige inspectie van de gebouwen van een instelling terloops elementen ontdekt die voldoende ernstige verdenkingen opleveren van onwettige activiteiten waarvoor het bevoegd is en die verschillen van die waarop het onderzoek in het kader waarvan die inspectie wordt verricht, aanvankelijk betrekking had, dient het derhalve, indien het inlichtingen wil inwinnen om de gegevens waarvan het tijdens die inspectie toevallig kennis heeft gekregen op hun juistheid te controleren of aan te vullen, een nieuw onderzoek in te leiden (zie naar analogie arresten van 17 oktober 1989, Dow Benelux/Commissie, 85/87, EU:C:1989:379, punt 19, en 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, EU:C:2002:582, punt 301), dan wel in voorkomend geval het aanvankelijke voorwerp van zijn onderzoek uit te breiden, mits de toevallig ontdekte onwettige activiteiten voldoende verband houden met die welke het voorwerp uitmaakten van het aanvankelijke onderzoek als rechtvaardiging om deze het voorwerp te doen uitmaken van dezelfde onderzoeksprocedure.

155 In casu betwist Pinxten noch de regelmatigheid van het besluit om een intern onderzoek te openen zoals dit door de directeur-generaal van OLAF is genomen op basis van de door de Rekenkamer verstrekte informatie, noch de regelmatigheid van de inspectie die op 20 november 2017 door OLAF in het kader van dat onderzoek in de gebouwen van die instelling is verricht.

156 Bovendien betoogt hij niet dat de door OLAF tijdens die inspectie ontdekte elementen geen voldoende ernstige verdenkingen konden opleveren van onwettige activiteiten waarvoor OLAF bevoegd is.

157 Dat het besluit van OLAF tot uitbreiding van het voorwerp van het aanvankelijk geopende onderzoek van eventuele door Pinxten begane en voor de financiële belangen van de Unie nadelige onregelmatigheden bij het gebruik van de middelen van de Rekenkamer en bij de dienstreizen die in strijd met de geldende regels zijn verricht of toegestaan, tot mogelijke belangenconflicten en andere schendingen van de artikelen 285 en 286 VWEU en van de gedragscode van 2012, steunt op elementen die tijdens de inspectie van 20 november 2017 zijn ontdekt, betekent derhalve niet dat dit besluit onregelmatig is.

158 Wat in de tweede plaats de argumenten over de aantasting van het recht op persoonlijke levenssfeer van Pinxten betreft, zij erop gewezen dat het Hof zich, gezien het voorwerp van de onderhavige procedure, in casu niet dient uit te spreken over elke aantasting van dit recht die OLAF tijdens zijn onderzoek begaan zou kunnen hebben, maar zich uitsluitend dient uit te spreken over de beweerde aantastingen van dit recht die verband houden met het verzamelen van het door de Rekenkamer ter ondersteuning van haar beroep overgelegde bewijsmateriaal. De procedurele onregelmatigheden die OLAF eventueel heeft begaan bij het verzamelen van bewijsmateriaal, zouden immers hoe dan ook slechts een invloed kunnen hebben op het onderzoek van het onderhavige beroep voor zover dit beroep steunt op de bewijzen die OLAF onwettig heeft verkregen.

159 In dit verband moet om te beginnen worden vastgesteld dat Pinxten onder de door de Rekenkamer overgelegde bewijsstukken geen enkel document aanwijst dat onder het beginsel van vertrouwelijkheid van de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt valt.

160 Het feit dat OLAF niet heeft bevestigd geen enkele briefwisseling tussen Pinxten en zijn raadsman in beslag te hebben genomen, gesteld al dat dit vaststaat, is in casu dan ook niet relevant.

161 Wat vervolgens de bewijzen betreffende de deelname van Pinxten aan jachtpartijen betreft, moet erop worden gewezen dat de Rekenkamer het Hof documenten over deze activiteit heeft overgelegd die rechtstreeks verband houden met verschillende dienstreizen die hij als lid van de Rekenkamer heeft uitgevoerd.

162 Niettegenstaande het feit dat deze documenten werden bewaard in een map waarop uitdrukkelijk „privé” stond, kunnen zij, gezien hun verband met die dienstreizen, niet worden geacht betrekking te hebben op activiteiten die Pinxten louter als particulier verrichtte.

163 Bovendien volgt uit de in punt 158 van dit arrest verrichte vaststelling dat het voor de onderhavige procedure niet noodzakelijk is om zich uit te spreken over de bewering van Pinxten dat OLAF ook een reeks documenten heeft meegenomen of gekopieerd over jachtpartijen die niet onder dienstreisopdrachten vielen.

164 Tot slot moet stellig worden geconstateerd dat de brief van 20 november 2014 die Pinxten naar de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid heeft gestuurd om haar een appartement in Brussel (België) te huur aan te bieden, betrekking had op het beheer van zijn privégoederen, en dat de toevoeging van een kopie van deze brief aan het dossier van OLAF dus een beperking vormt van zijn recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest.

165 Het gebruik van deze brief door OLAF is evenwel wettelijk beperkt en afgebakend, aangezien deze brief enkel kan worden gebruikt in het kader van het onderzoek van OLAF en de naar aanleiding van dit onderzoek ingeleide procedures.

166 Bijgevolg leveren de door Pinxten aangevoerde argumenten in de onderhavige procedure niet het bewijs op dat OLAF afbreuk heeft gedaan aan zijn recht op eerbiediging van het privéleven op ongeoorloofde wijze.

167 Wat in de derde plaats de vermeende aantasting van de rechten van verdediging van Pinxten betreft, moet eraan worden herinnerd dat artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest bepaalt dat het recht op behoorlijk bestuur met name het recht van eenieder behelst om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen.

168 Aan dit beginsel wordt uitvoering gegeven in artikel 9, lid 4, van verordening nr. 883/2013, waarin staat te lezen dat na afloop van het onderzoek in beginsel geen conclusies over een met naam genoemde betrokken persoon mogen worden getrokken zonder dat OLAF die persoon in de gelegenheid stelt om zijn oordeel te geven over alle feiten die op hem betrekking hebben.

169 Voorts heeft het Hof in een met artikel 286, lid 6, VWEU vergelijkbare procedure, betreffende een lid van de Commissie, geoordeeld dat moest worden nagegaan of het betrokken Commissielid tijdig in kennis was gesteld van de tegen haar ingebrachte bezwaren en of zij de mogelijkheid had gekregen om te worden gehoord (arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punt 105). Een dergelijke verplichting is trouwens ook opgenomen in artikel 4, leden 2 en 3, van het reglement van orde.

170 Ook al moeten zowel OLAF als de Rekenkamer hun respectieve verplichtingen nakomen, in die omstandigheden dient de vraag of het recht om te worden gehoord van het betrokken lid of voormalig lid van die instelling is nageleefd, in het kader van de procedure van artikel 286, lid 6, VWEU globaal te worden beoordeeld, aangezien niet kan worden uitgesloten dat dit lid of voormalig lid voor de Rekenkamer voldoende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord over elementen waarover hij zich vóór de vaststelling van het verslag van OLAF niet daadwerkelijk zou hebben kunnen uitspreken.

171 In casu staat vast dat OLAF Pinxten op 22 december 2017 mondeling heeft gehoord, dat er verschillende schriftelijke uitwisselingen zijn geweest tussen OLAF en de raadsman van Pinxten en dat deze laatste, na de mededeling van een samenvatting van de aan het eind van het onderzoek vastgestelde feiten, OLAF een schriftelijk document heeft kunnen doen toekomen teneinde de in die samenvatting geformuleerde beweringen te weerleggen.

172 Vervolgens is Pinxten op 5 oktober 2018 in kennis gesteld van het verslag van OLAF en van het voorbereidend verslag dat de president van de Rekenkamer de leden van die instelling had toegezonden. Hij heeft over deze verslagen een standpunt kunnen innemen in schriftelijke opmerkingen én tijdens een hoorzitting bij die instelling.

173 Daarbij stelt hij weliswaar dat het onderzoek van OLAF vier verschillende – in de punten 131 tot en met 134 van het onderhavige arrest genoemde – onregelmatigheden vertoonde die ertoe hebben geleid dat hij niet werkelijk is gehoord door OLAF, maar hij voert in deze context geen enkel argument aan ten bewijze dat hij zich voor de Rekenkamer onvoldoende heeft kunnen uitlaten over bepaalde elementen die hem werden tegengeworpen voordat het verslag van OLAF is vastgesteld.

174 In die omstandigheden blijkt dat de door Pinxten aangevoerde argumenten, wat de onderhavige procedure betreft, niet tot de vaststelling kunnen leiden dat zijn rechten van verdediging zijn geschonden.

175 Bijgevolg moeten alle argumenten van Pinxten betreffende de onregelmatigheid van het onderzoek van OLAF worden afgewezen en hoeft voor de afdoening van het onderhavige beroep dus niet te worden nagegaan of onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal kan worden aangevoerd in het kader van de procedure van artikel 286, lid 6, VWEU.

3. Vermeende onregelmatigheid van de in de Rekenkamer gevolgde procedure om machtiging te verlenen voor het instellen van het onderhavige beroep

a) Argumenten van partijen

176 Met zijn derde argument van niet-ontvankelijkheid betoogt Pinxten ten eerste dat zijn hoorzitting bij de Rekenkamer, ondanks zijn protest, heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van de secretaris-generaal en het hoofd van de juridische dienst van die instelling, terwijl in artikel 49, lid 3, van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde was bepaald dat een lid van die instelling wordt gehoord in afwezigheid van tolken of personeelsleden van die instelling alvorens een beroep krachtens artikel 286, lid 6, VWEU wordt ingesteld.

177 De aanwezigheid van de betrokken personeelsleden heeft de debatten kunnen beïnvloeden, met name gelet op de verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal van de Rekenkamer voor het ontoereikende toezicht door die instelling en de „opmerkelijke” rol van het hoofd van de juridische dienst tijdens het onderzoek.

178 Pinxten is ten tweede van mening dat een onvoldoende aantal leden van de Rekenkamer voor de inleiding van het onderhavige beroep heeft gestemd.

179 Artikel 4, lid 4, van het reglement van orde schrijft immers een meerderheid van vier vijfde van de leden – te weten 23 leden – voor om de inleiding van een beroep krachtens artikel 286, lid 6, VWEU te kunnen goedkeuren, terwijl slechts 22 leden voor de inleiding van het onderhavige beroep hebben gestemd.

180 Het feit dat twee leden van de Rekenkamer zich hebben verschoond, is volgens hem niet van belang. Artikel 4, lid 4, van het reglement van orde vereist een meerderheid berekend ten opzichte van het totale aantal leden, waardoor de situatie van de leden van de Rekenkamer die zich hebben verschoond, dus vergelijkbaar is met die van de leden van die instelling die zich hebben onthouden.

181 De Rekenkamer vraagt zich af of de argumenten van Pinxten over het besluit om bij het Hof het onderhavige beroep in te stellen, wel ter zake dienend zijn, aangezien dit besluit volgens haar niet kan worden gelijkgesteld met de handeling waarmee de zaak aanhangig is gemaakt bij het Hof, zoals de beschikking van 9 september 2005, Commissie/Cresson (C‑432/04, niet gepubliceerd, EU:C:2005:539), aangeeft.

182 Volgens de Rekenkamer neemt de secretaris-generaal van de Rekenkamer hoe dan ook deel aan alle vergaderingen van die instelling om notulen op te stellen overeenkomstig artikel 23 van het reglement van orde en artikel 39 van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde. Ook kon de Rekenkamer op grond van artikel 50, lid 1, van deze uitvoeringsbepalingen een persoon aanduiden om ontwerpnotulen op te stellen. Zij heeft deze bevoegdheid uitgeoefend op 12 februari 2015, toen het hoofd van haar juridische dienst met deze taak is belast.

183 Bovendien moet de meerderheid die vereist is om een beroep krachtens artikel 286, lid 6, VWEU in te stellen, worden berekend op basis van het totale aantal leden van de Rekenkamer verminderd met het lid in kwestie en met de leden die hebben besloten zich te verschonen. Het reglement van orde spreekt inderdaad niet over het geval waarin leden van die instelling een belangenconflict hebben, maar indien deze leden zouden worden beschouwd als leden die zich onthouden, zouden zij de facto deelnemen aan een besluitvormingsproces waarvan zij zouden moeten worden uitgesloten.

b) Beoordeling door het Hof

184 Vooraf dient te worden benadrukt dat wanneer bij het Hof een exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt opgeworpen op grond van schending van de regels voor de vaststelling door de Rekenkamer van het besluit om een beroep in te stellen krachtens artikel 286, lid 6, VWEU, het zich over deze exceptie dient uit te spreken alvorens in voorkomend geval de gegrondheid van het beroep te onderzoeken.

185 Een dergelijke exceptie van niet-ontvankelijkheid kan niet worden afgewezen op basis van de vaststelling die is verricht in punt 4 van de beschikking van 9 september 2005, Commissie/Cresson (C‑432/04, niet gepubliceerd, EU:C:2005:539), namelijk dat bij een beroep krachtens artikel 213, lid 2, EG het besluit van de Commissie om zich tot het Hof te wenden niet kan worden gelijkgesteld met de handeling waarmee de zaak aanhangig wordt gemaakt bij het Hof.

186 Die vaststelling strekte er immers uitsluitend toe duidelijk te maken dat het Hof enkel uitspraak diende te doen over de elementen die in het beroep waren opgenomen en het dus geen rekening hoefde te houden met de redenen waarom de Commissie het opportuun had geacht om zich tot het Hof te wenden. Zij houdt geenszins in dat de eventuele onregelmatigheid van een besluit om een beroep in te stellen, geen gevolgen heeft voor de ontvankelijkheid ervan.

187 De argumenten van Pinxten over de vermeende onregelmatigheid van de in de Rekenkamer gevolgde procedure om machtiging te verlenen voor het instellen van het onderhavige beroep, moeten dus worden onderzocht.

188 Wat ten eerste het verloop van de hoorzitting van Pinxten bij de Rekenkamer betreft, zij erop gewezen dat uit artikel 4, leden 1, 3 en 4, van het reglement van orde blijkt dat wanneer die instelling van mening is dat uit de haar verstrekte inlichtingen kan blijken dat een van haar leden heeft opgehouden aan de eisen voor de uitoefening van zijn ambt of aan de uit zijn taak voortvloeiende verplichtingen te voldoen, dit lid wordt uitgenodigd om zijn zaak mondeling voor die instelling toe te lichten, alvorens zij beslist om zich al dan niet tot het Hof te wenden om hem van zijn ambt te laten ontheffen of van zijn recht op pensioen of andere daarvoor in de plaats tredende voordelen vervallen te laten verklaren.

189 Artikel 8 van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde preciseerde dat de vergaderingen die in het kader van de procedure van artikel 4 van het reglement van orde worden gehouden, besloten zijn in de zin van artikel 49 van deze uitvoeringsbepalingen.

190 Volgens artikel 49, lid 3, van deze uitvoeringsbepalingen mochten er bij dergelijke vergaderingen geen tolken of personeelsleden van de Rekenkamer aanwezig zijn, tenzij tijdens een voorafgaande vergadering van die instelling anders was besloten.

191 Uit deze bepalingen volgt dat de hoorzitting van Pinxten in aanwezigheid van enkel de leden van de Rekenkamer had moeten plaatsvinden.

192 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van de Rekenkamer dat de aanwezigheid van de secretaris-generaal van die instelling niettemin gerechtvaardigd was omdat hij de notulen moest opstellen van de besloten vergadering waar die hoorzitting had plaatsgevonden en hij de president van die instelling moest bijstaan.

193 Het is juist dat artikel 23 van het reglement van orde bepaalt dat van iedere vergadering van de Rekenkamer notulen worden opgesteld. Voorts preciseerde artikel 39, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen bij dit reglement dat de secretaris-generaal van de Rekenkamer onder meer tot taak heeft de ontwerpnotulen van de vergaderingen van die instelling op te stellen en de president van die instelling te helpen die vergaderingen voor te bereiden en de procedures te doen naleven. Evenzo bepaalde artikel 50, lid 1, van deze uitvoeringsbepalingen dat van elke vergadering van de Rekenkamer ontwerpnotulen worden opgesteld door de secretaris-generaal van die instelling of door ieder ander daartoe aangewezen persoon.

194 Uit de in het vorige punt vermelde bepalingen volgt echter niet dat de secretaris-generaal van de Rekenkamer noodzakelijkerwijs aanwezig moest zijn bij de besloten vergadering van die instelling waar de hoorzitting van Pinxten heeft plaatsgevonden om de notulen van deze vergadering op te stellen. Indien nodig had immers volgens artikel 50, lid 1, van die uitvoeringsbepalingen een lid van de Rekenkamer kunnen worden aangesteld om deze notulen op te stellen.

195 Bovendien moet worden benadrukt dat artikel 49, lid 3, van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde een bijzondere regel vormde die afweek van de gewone regels voor de organisatie van de vergaderingen van de Rekenkamer, met name om ervoor te zorgen dat de leden van die instelling in alle vrijheid konden beraadslagen.

196 Derhalve kunnen de regels die de secretaris-generaal van de Rekenkamer een algemene rol van bijstand aan de president van die instelling toebedelen, niet rechtvaardigen dat deze secretaris-generaal aanwezig is op een besloten vergadering van die instelling, te meer daar artikel 49, lid 3, van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde in een specifieke procedure voorzag om de aanwezigheid van een personeelslid van die instelling bij een besloten vergadering toe te staan. De Rekenkamer heeft niet gesteld dat zij deze procedure in casu heeft gevolgd.

197 In die omstandigheden kon de aanwezigheid van het hoofd van de juridische dienst van de Rekenkamer bij de betrokken besloten vergadering evenmin worden gerechtvaardigd door de taak – namelijk het opstellen van ontwerpnotulen van de vergaderingen van de Rekenkamer – waarmee hij bij besluit van 12 februari 2015 zou zijn belast op grond van artikel 50, lid 1, van de uitvoeringsbepalingen bij het reglement van orde.

198 Uit het transcript van die besloten vergadering blijkt trouwens dat de president van de Rekenkamer de aanwezigheid van het hoofd van de juridische dienst van die instelling niet onder verwijzing naar die taak maar onder verwijzing naar diens rol als raadsman had gemotiveerd.

199 Ook al vloeit uit het voorgaande voort dat de aanwezigheid van de secretaris-generaal en van het hoofd van de juridische dienst van de Rekenkamer bij de besloten vergadering waar Pinxten is gehoord, onregelmatig was, uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat een dergelijke onregelmatigheid slechts doorslaggevend zou kunnen blijken te zijn indien Pinxten erin slaagde aan te tonen dat de procedure in de Rekenkamer zonder die onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben [zie naar analogie arresten van 4 april 2019, OZ/EIB, C‑558/17 P, EU:C:2019:289, punt 76, en 4 juni 2020, C.F. (Belastingcontrole), C‑430/19, EU:C:2020:429, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

200 Pinxten blijft evenwel in gebreke aan te tonen hoe de aanwezigheid van die personeelsleden van de Rekenkamer, die, zoals uit het transcript van de opname van die besloten vergadering blijkt, aldaar niet het woord hebben genomen, een invloed heeft kunnen hebben op het verloop van die vergadering, laat staan op het besluit dat die instelling uiteindelijk heeft genomen.

201 Waar Pinxten inzonderheid betoogt dat de secretaris-generaal van de Rekenkamer aansprakelijk zou kunnen worden gesteld voor de nalatigheden bij de door hem te verrichten controle op de uitgaven van die instelling, moet worden geconstateerd dat de besloten vergadering in kwestie er uitsluitend toe strekte Pinxten de kans te geven een standpunt in te nemen over de hem ten laste gelegde feiten.

202 Bovendien wordt de kritiek op de houding van het hoofd van de juridische dienst van de Rekenkamer tijdens het onderzoek hoofdzakelijk gestaafd door een door Pinxten overgelegde ontwerpbrief die zijn chauffeur zou hebben gedicteerd maar waarvan vaststaat dat deze niet is ondertekend door die chauffeur. Pinxten heeft dus niet rechtens genoegzaam aangetoond dat de aanwezigheid van het hoofd van de juridische dienst van de Rekenkamer op de betrokken besloten vergadering een invloed zou kunnen hebben gehad op het verloop van deze vergadering gelet op de houding van dit personeelslid.

203 Wat ten tweede de stemming in de Rekenkamer over het al dan niet instellen van het onderhavige beroep betreft, bepaalt artikel 4, lid 4, van het reglement van orde dat dit besluit bij geheime stemming moest worden genomen met een meerderheid van vier vijfde van de leden van die instelling.

204 Deze bepaling preciseert tevens dat het betrokken lid van de Rekenkamer niet deelneemt aan de stemming, maar deze regel is in casu irrelevant, aangezien het besluit is genomen toen Pinxten geen lid meer was van die instelling.

205 Zoals de advocaat-generaal in punt 90 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt uit een vergelijking van de formulering van artikel 4, lid 4, van het reglement van orde met die van artikel 25, lid 3, ervan dat de vereiste meerderheid om een dergelijk besluit te nemen moest worden berekend op basis van het totale aantal leden van de Rekenkamer en niet op basis van het aantal leden van die instelling dat aanwezig was op de betrokken vergadering.

206 Daarbij zij evenwel aangetekend dat artikel 41, lid 1, van het Handvest met name bepaalt dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken door de instellingen, organen en instanties van de Unie onpartijdig worden behandeld.

207 Uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat het vereiste van onpartijdigheid waaraan de instellingen, organen en instanties van de Unie moeten voldoen, bestaat uit twee componenten, namelijk, ten eerste, de subjectieve onpartijdigheid, die vereist dat geen enkel lid van de betrokken instelling blijk mag geven van partijdigheid of persoonlijke vooringenomenheid, en, ten tweede, de objectieve onpartijdigheid, die vereist dat deze instelling voldoende waarborgen biedt om elke gerechtvaardigde twijfel omtrent een eventuele vooringenomenheid uit te sluiten (zie in die zin arrest van 27 maart 2019, August Wolff en Remedia/Commissie, C‑680/16 P, EU:C:2019:257, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

208 Om de naleving van dit vereiste te garanderen moeten de leden van de Rekenkamer die niet onpartijdig kunnen deelnemen aan de procedure betreffende de eventuele verwijzing van een van de leden of voormalige leden van die instelling naar het Hof, en dit met name wegens hun persoonlijke band met het betrokken lid of voormalig lid, er zeker van kunnen zijn dat zij geen enkele invloed zullen uitoefenen op de uitkomst van die procedure, en dus de mogelijkheid hebben om zich te verschonen.

209 Indien artikel 4, lid 4, van het reglement van orde in die zin zou worden uitgelegd dat de daarin vereiste meerderheid wordt berekend zonder dat van het totale aantal leden van de Rekenkamer het aantal leden dat zich heeft verschoond wordt afgetrokken, zou hun beslissing om zich te verschonen de facto een potentieel beslissende invloed hebben op de uitkomst van de in deze bepaling beschreven procedure.

210 Gezien de meerderheid die deze bepaling vereist, zou een dergelijke uitlegging ervan het in de praktijk bovendien extreem moeilijk of zelfs onmogelijk maken om die procedure in te leiden wanneer een zeker aantal leden van die instelling heeft besloten zich te moeten verschonen.

211 Derhalve moet artikel 4, lid 4, van het reglement van orde in overeenstemming met artikel 41, lid 1, van het Handvest worden uitgelegd, namelijk in die zin dat de in die eerste bepaling genoemde viervijfdemeerderheid van de leden van de Rekenkamer moet worden berekend op basis van het totale aantal leden van die instelling die wettig aan de betrokken stemming konden deelnemen zonder afbreuk te doen aan het vereiste van onpartijdigheid.

212 In casu staat vast dat twee leden van de Rekenkamer zich hebben verschoond om de naleving van dit vereiste te verzekeren, om redenen die geenszins zijn betwist.

213 Bijgevolg was de stemming waarbij 22 leden van de Rekenkamer voor de instelling van het onderhavige beroep hebben gestemd, voldoende om de door artikel 4, lid 4, van het reglement van orde vereiste meerderheid te bereiken.

214 Hieruit volgt dat de argumenten van Pinxten betreffende de onregelmatigheid van de binnen de Rekenkamer gevolgde procedure om machtiging te verlenen voor het instellen van het onderhavige beroep, moeten worden afgewezen.

4. Beweerde vertraging waarmee het beroep van de Rekenkamer is ingesteld

a) Argumenten van partijen

215 Met zijn vierde argument inzake niet-ontvankelijkheid stelt Pinxten dat de Rekenkamer het in artikel 41, lid 1, van het Handvest neergelegde beginsel van eerbiediging van een redelijke termijn heeft geschonden waar zij de rechtmatigheid in twijfel heeft getrokken van betalingsverzoeken die hij had ingediend sinds 2006, terwijl deze instelling reeds bij de indiening van die verzoeken over alle relevante informatie beschikte om zich ervan te vergewissen dat deze legitiem waren dan wel om te beslissen om nadere uitleg te vragen.

216 Volgens hem vereist het rechtszekerheidsbeginsel, naar analogie met de financiële regelgeving van de Unie en de desbetreffende rechtspraak van het Hof, dat een instelling een debetnota meedeelt binnen een termijn van normaliter niet meer dan vijf jaar vanaf het moment dat die instelling haar schuldvordering kon doen gelden, welke termijn naargelang de omstandigheden evenwel kan worden verkort of verlengd.

217 Bovendien hoeft in casu niet te worden aangetoond dat de overschrijding van de redelijke termijn een impact heeft gehad op de inhoud van een Uniehandeling, aangezien het onderhavige beroep er niet toe strekt een dergelijke handeling nietig te doen verklaren. In deze context moet worden geoordeeld dat de Rekenkamer wegens verjaring geen grieven kan aanvoeren met betrekking tot feiten die meer dan drie jaar of hoogstens vijf jaar vóór 5 oktober 2018 hebben plaatsgevonden, de datum waarop het voorbereidend verslag van de president van die instelling is gepresenteerd aan haar leden.

218 Volgens de Rekenkamer is de zaak binnen een redelijke termijn aan het Hof voorgelegd. Zij kon deze procedure immers pas instellen nadat zij op 2 juli 2018 het verslag van OLAF had ontvangen. Gezien de omvang van de beweerde onregelmatigheden is een termijn van acht maanden te rekenen vanaf die datum niet excessief. Bovendien kunnen de verjaringsregels op het gebied van inning van schuldvorderingen niet worden toegepast op de onderhavige procedure.

b) Beoordeling door het Hof

219 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de Rekenkamer ervoor moet zorgen dat zij de instelling van een beroep krachtens artikel 286, lid 6, VWEU niet eindeloos uitstelt, om te voldoen aan de fundamentele eis van rechtszekerheid en om geen inbreuk te maken op de rechten van verdediging van de betrokkene door het moeilijker te maken de in dit beroep aangevoerde argumenten te weerleggen (zie naar analogie arrest van 11 juli 2006, Commissie/Cresson, C‑432/04, EU:C:2006:455, punt 90).

220 Aangezien in die bepaling geen precieze termijn staat vermeld, kan de redelijkheid van de door de Rekenkamer te respecteren termijn evenwel niet worden bepaald aan de hand van een in abstracto vastgesteld nauwkeurig maximum, maar moet die per geval worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van de zaak, in het bijzonder het belang ervan voor de betrokkene, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de betrokken partijen (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Heroverweging Arango Jaramillo e.a./EIB, C‑334/12 RX-II, EU:C:2013:134, punten 28 en 29).

221 Bovendien moet erop worden gewezen, zoals de advocaat-generaal heeft gedaan in punt 104 van zijn conclusie, dat het weerlegbaar vermoeden dat een termijn van meer dan vijf jaar vanaf de betrokken feiten onredelijk is, zoals het Hof dit heeft gehanteerd in punt 105 van het arrest van 14 juni 2016, Marchiani/Parlement (C‑566/14 P, EU:C:2016:437), en waaraan Pinxten refereert, niet kan worden toegepast in de onderhavige procedure.

222 Dit vermoeden vindt zijn oorsprong immers in de regels voor de inning van schuldvorderingen van de Unie (zie in die zin arrest van 14 juni 2016, Marchiani/Parlement, C‑566/14 P, EU:C:2016:437, punten 101‑103).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in