HvJ EU 29 januari 2026, C-811/23, ECLI:EU:C:2026:48

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

29 januari 2026 ( *1 )

„Hogere voorziening – Handelspolitiek – Handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika – Uitvoeringsverordening (EU) 2020/502 – Maatregelen van de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot de invoer van bepaalde afgeleide aluminium- en staalproducten – Besluit van de Europese Unie tot opschorting van handelsconcessies en andere gelijkwaardige verplichtingen – Aanvullende invoerrechten op producten van oorsprong uit de Verenigde Staten – Artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Beginsel van behoorlijk bestuur – Recht om te worden gehoord – Beginsel ne ultra petita”

In zaak C‑811/23 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 26 december 2023,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G.‑D. Balan en M. Mataija als gemachtigden,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Zippo Manufacturing Co., gevestigd te Bradford (Verenigde Staten),

Zippo GmbH, gevestigd te Emmerich am Rhein (Duitsland),

vertegenwoordigd door R. MacLean, avocat, en D. Sevilla Pascual, abogado,

verzoeksters in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, F. Schalin, M. Gavalec en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: T. Ćapeta,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 juni 2025,

het navolgende

Arrest

1 In hogere voorziening verzoekt de Europese Commissie om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 18 oktober 2023, Zippo Manufacturing e.a./Commissie (T‑402/20, EU:T:2023:640; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht uitvoeringsverordening (EU) 2020/502 van de Commissie van 6 april 2020 betreffende bepaalde handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB 2020, L 109, blz. 10; hierna: „litigieuze verordening”) nietig heeft verklaard voor zover zij betrekking heeft op producten die vallen onder postonderverdeling 96138000 van de gecombineerde nomenclatuur die is ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1) (hierna: „GN-code 96138000”).

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

2 De Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen is opgenomen in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), ondertekend te Marrakesh op 15 april 1994 en goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1) (hierna: „WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen”).

3 Artikel 8 van de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, met als opschrift „Concessies en andere verplichtingen”, bepaalt in lid 2: „Indien tijdens het in artikel 12, lid 3, bedoelde overleg geen overeenstemming wordt bereikt binnen de 30 dagen, staat het de getroffen exporterende Leden vrij binnen de 90 dagen na toepassing van de maatregel en bij het verstrijken van een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag waarop de Raad voor de handel in goederen de schriftelijke kennisgeving van die opschorting heeft ontvangen, de toepassing op te schorten van in wezen gelijkwaardige concessies of andere verplichtingen uit hoofde van [de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994] op het handelsverkeer van het Lid dat de vrijwaringsmaatregel toepast en waarvan de opschorting niet wordt afgekeurd door de Raad voor de handel in goederen.”

4 Artikel 12 van de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, met als opschrift „Kennisgeving en overleg”, bepaalt in lid 3: „Een Lid dat overweegt een vrijwaringsmaatregel toe te passen of te verlengen dient voldoende gelegenheid te bieden tot voorafgaand overleg met de Leden die een aanmerkelijk belang hebben als exporteur van het betrokken product, met het oog op inter alia het onderzoek van de uit hoofde van lid 2 verstrekte informatie, de uitwisseling van meningen over de maatregel en het bereiken van overeenstemming over de wijze waarop de in artikel 8, lid 1, vermelde doelstelling kan worden verwezenlijkt.”

Recht van de Unie

5 Verordening (EU) nr. 654/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de uitoefening van de rechten van de Unie voor de toepassing en handhaving van de internationale handelsregels en tot wijziging van verordening (EG) nr. 3286/94 van de Raad tot vaststelling van communautaire procedures op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de handhaving van de rechten die de Gemeenschap ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld (PB 2014, L 189, blz. 50), bepaalt in artikel 1, met als opschrift „Onderwerp”: „In deze verordening worden regels en procedures vastgesteld met het oog op een doeltreffende en tijdige uitoefening van de rechten van de [Europese] Unie om concessies of andere verplichtingen uit hoofde van internationale handelsovereenkomsten op te schorten of in te trekken, met als bedoeling: a) te reageren op inbreuken door derde landen op internationale handelsregels die de belangen van de Unie raken, teneinde een bevredigende oplossing te zoeken die de marktdeelnemers van de Unie weer in het genot stelt van de voordelen daarvan; b) het evenwicht van concessies of andere verplichtingen te herstellen in handelsbetrekkingen met derde landen, wanneer de behandeling van goederen uit de Unie zodanig wordt gewijzigd dat het de belangen van de Unie raakt.”

6 Artikel 3 van verordening nr. 654/2014, met als opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt onder c): „Deze verordening is van toepassing: [...] c) om het evenwicht van concessies of andere verplichtingen te herstellen, een maatregel waartoe de toepassing van een vrijwaringsmaatregel door een derde land het recht kan verlenen overeenkomstig artikel 8 van de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen of overeenkomstig de bepalingen inzake vrijwaring die zijn opgenomen in andere internationale handelsovereenkomsten, waaronder regionale of bilaterale overeenkomsten”.

7 Artikel 4 van deze verordening, met als opschrift „Uitoefening van de rechten van de Unie”, bepaalt in lid 1: „Indien maatregelen nodig zijn om de belangen van de Unie in de in artikel 3 genoemde gevallen te vrijwaren, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van de passende handelspolitieke maatregelen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 8, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.”

8 Artikel 9 van die verordening, met als opschrift „Verzamelen van informatie”, bepaalt in lid 1: „De Commissie wint informatie en standpunten in over de economische belangen van de Unie in specifieke goederen of diensten of in specifieke sectoren, in toepassing van deze verordening, door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie of door middel van andere geschikte openbare communicatiemiddelen, en geeft aan binnen welke termijn inbreng wordt verwacht. De Commissie houdt rekening met deze inbreng.”

Voorgeschiedenis van het geding en litigieuze verordening

9 De voorgeschiedenis van het geding is uiteengezet in de punten 2 tot en met 13 van het bestreden arrest en kan, voor zover voor de hogere voorziening van belang, worden samengevat als volgt.

10 Zippo Manufacturing Co. (hierna: „ZMC”), Zippo GmbH en Zippo SAS, waarvan laatstgenoemde niet langer bestaat als rechtspersoon naar Frans recht (hierna samen: „verzoeksters in eerste aanleg”), behoren tot een en dezelfde groep van vennootschappen. Zij produceren, distribueren en verkopen metalen mechanische stormaanstekers onder de merknaam „Zippo”, en verzorgen ook de aftersales voor dat product. De aanstekers worden geproduceerd door ZMC, die naar eigen zeggen de enige bekende fabrikant van dit soort producten in de Verenigde Staten is.

11 ZMC voert een deel van haar producten uit naar de Unie. Zij verkoopt ze aan haar dochterondernemingen, Zippo GmbH en Zippo SAS, en aan erkende onafhankelijke distributeurs, met het oog op de verhandeling ervan op het grondgebied van de Unie. De producten vallen onder GN-code 96138000, die betrekking heeft op „andere aanstekers”, die deel uitmaken van de „sigarettenaanstekers en andere aanstekers, ook indien mechanisch of elektrisch, alsmede delen daarvan, andere dan vuursteentjes en lonten”. Onder die code zijn zij bij binnenkomst in het douanegebied van de Unie onderworpen aan invoerrechten.

12 Op 24 januari 2020 hebben de Verenigde Staten van Amerika maatregelen vastgesteld waarbij de invoerrechten voor bepaalde afgeleide aluminium- en staalproducten met ingang van 8 februari 2020 voor onbepaalde tijd werden verhoogd.

13 Deze maatregelen werden door de Verenigde Staten van Amerika weliswaar als veiligheidsmaatregelen bestempeld, maar vormden volgens de Commissie in werkelijkheid vrijwaringsmaatregelen die waren genomen om de invoer te beperken teneinde de nationale industrie tegen buitenlandse concurrentie te beschermen en zo de commerciële bloei ervan te verzekeren. De Commissie was dan ook van mening dat er maatregelen ter uitvoering van verordening nr. 654/2014 moesten worden getroffen.

14 Op 6 maart 2020 heeft de Commissie de belanghebbenden overeenkomstig artikel 9, lid 1, van deze verordening verzocht om met behulp van een formulier dat beschikbaar was op de website van haar directoraat-generaal (DG) „Handel” hun standpunt kenbaar te maken. De informatiegaring werd afgesloten op 13 maart 2020. Een van de maatregelen die de Commissie na deze informatiegaring overwoog, was de mogelijkheid om aanvullende invoerrechten toe te passen op bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten en met name, in een eerste fase, op de producten van GN-code 96138000. Verzoeksters in eerste aanleg hebben niet aan die informatiegaring deelgenomen.

15 Op 6 april 2020 heeft de Commissie de litigieuze verordening vastgesteld.

16 Artikel 1 van deze verordening bepaalde: „1. De Commissie stelt de Raad voor de Handel in goederen van de WTO onverwijld, en in ieder geval uiterlijk op 7 april 2020, schriftelijk in kennis van het feit dat de Unie, voor zover de Raad voor de Handel in goederen zich er niet tegen uitspreekt, met ingang van 8 mei 2020 de toepassing van concessies voor invoerrechten uit hoofde van de GATT 1994 op het handelsverkeer met de Verenigde Staten met betrekking tot de in lid 2 genoemde producten opschort. 2. Bijgevolg past de Unie de volgende aanvullende douanerechten toe op de invoer in de Unie van de onderstaande producten van oorsprong uit de Verenigde Staten: a) In de eerste fase worden met ingang van 8 mei 2020 aanvullende ad-valoremrechten van 20 % en 7 % toegepast op de invoer van de volgende producten: GN-code [...] Aanvullend ad-valoremrecht 9613 80 00 20 % 3926 30 00 7 % [...]”

17 Artikel 2 van deze verordening bepaalde: „De Unie past de in artikel 1 bedoelde aanvullende douanerechten toe zolang en voor zover de Verenigde Staten hun vrijwaringsmaatregelen toepassen of hernieuwd toepassen op een wijze die gevolgen heeft voor producten uit de Unie. De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Unie een bericht bekend met de datum waarop de Verenigde Staten de toepassing van hun vrijwaringsmaatregelen hebben gestaakt.”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

18 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 juni 2020, hebben verzoeksters in eerste aanleg beroep ingesteld tot nietigverklaring van de litigieuze verordening, voor zover deze hen betreft.

19 Ter ondersteuning van hun beroep hebben zij vijf middelen aangevoerd. Het vijfde middel, dat als enige door het Gerecht is onderzocht, betrof schending van het beginsel van behoorlijk bestuur.

20 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 september 2020, heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid van dit beroep opgeworpen. Bij beschikking van 6 mei 2021 is deze exceptie gevoegd met de zaak ten gronde.

21 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht om te beginnen de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie verworpen, waarbij het heeft vastgesteld dat ZMC procesbevoegd was omdat zij individueel en rechtstreeks door de litigieuze verordening werd geraakt, en dat verzoeksters in eerste aanleg procesbelang hadden. Bijgevolg heeft het dat beroep ontvankelijk verklaard.

22 Voorts heeft het Gerecht bij de beoordeling van de gegrondheid van het beroep in eerste aanleg meteen het vijfde middel onderzocht. Het was van oordeel dat de Commissie inbreuk had gemaakt op het recht van verzoeksters in eerste aanleg om te worden gehoord en heeft dit middel dan ook aanvaard. Bijgevolg heeft het de litigieuze verordening nietig verklaard voor zover zij betrekking had op producten van GN-code 96138000, zonder in te gaan op de andere middelen van verzoeksters in eerste aanleg.

Procedure bij het Hof en conclusies van partijen in hogere voorziening

23 In hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het vijfde middel in zaak T‑402/20 af te wijzen, en – verzoeksters in eerste aanleg te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en van de procedure in eerste aanleg.

24 ZMC en Zippo GmbH verzoeken het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen; – subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht opdat het in eerste aanleg uitspraak doet over de middelen die niet zijn behandeld, en – de Commissie te verwijzen in de kosten van zowel de hogere voorziening als de procedure in eerste aanleg.

Hogere voorziening

25 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Commissie twee middelen aan.

Eerste middel

26 Met haar eerste middel in hogere voorziening betoogt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat zij inbreuk heeft gemaakt op het recht van verzoeksters in eerste aanleg om te worden gehoord overeenkomstig artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). Dit middel valt uiteen in drie onderdelen.

27 Het Hof acht het wenselijk het eerste en het tweede onderdeel van dit middel gezamenlijk te onderzoeken.

Eerste en tweede onderdeel

– Argumenten van partijen

28 Met het eerste onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening, dat is gericht tegen de punten 63, 65, 69, 71 tot en met 73, 91 en 92 van het bestreden arrest, voert de Commissie aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangezien het voorbij is gegaan aan het vereiste van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest volgens hetwelk het recht om te worden gehoord alleen voor „individuele maatregelen” geldt en dit recht heeft toegepast op de litigieuze verordening. Deze verordening is immers een handeling van algemene strekking, zoals blijkt uit zowel de vaststellingen van het Gerecht inzake de individuele geraaktheid van verzoeksters in eerste aanleg als de punten 69 en 72 van dat arrest.

29 In de eerste plaats betoogt de Commissie dat uit artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest volgt dat het recht om te worden gehoord uitsluitend van toepassing is op individuele maatregelen, te weten maatregelen die tegen de betrokkene zijn genomen en ongunstige gevolgen voor hem hebben. De individuele aard van de maatregel in kwestie en de nadelige gevolgen ervan voor de belangen van de betrokkene vormen twee cumulatieve voorwaarden.

30 Deze voorwaarden vloeien ook voort uit de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie. Volgens die rechtspraak is het recht om te worden gehoord verbonden met de uitoefening van beoordelingsbevoegdheid door de instellingen van de Unie in individuele gevallen. Dit recht geldt voor iedere procedure die tegen een persoon wordt ingeleid en die tot een voor hem bezwarend besluit kan leiden, alsmede voor elke tegen een persoon genomen maatregel. Het geldt in het bijzonder voor de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, zoals besluiten waarbij sancties worden opgelegd. Dat de rechterlijke instanties van de Unie in bepaalde zaken niet afzonderlijk en grondig hebben onderzocht of er, naast een ongunstige invloed op de belangen van de betrokkene, ook sprake was van een „individuele maatregel”, valt te verklaren door het feit dat die zaken juist betrekking hadden op individuele maatregelen die waren genomen tegen bepaalde personen, die de adressaten van die maatregelen waren.

31 In de tweede plaats benadrukt de Commissie dat volgens die rechtspraak een recht om vóór de vaststelling van handelingen van algemene strekking te worden gehoord, zowel op grond van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest als uit hoofde van een algemeen rechtsbeginsel, uitgesloten is. Volgens die rechtspraak vereisen noch de totstandkoming van die handelingen, noch die handelingen zelf, op grond van het recht om te worden gehoord, de betrokkenheid van de getroffen personen. Dit zou slechts anders zijn indien een uitdrukkelijke bepaling van het rechtskader dat de vaststelling van een handeling van algemene strekking regelt een dergelijk procedureel recht verleent.

32 In de derde plaats verwijt de Commissie het Gerecht dat het in casu is voorbijgegaan aan het vereiste van een „individuele maatregel” als bedoeld in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest en in de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie. In diverse bewoordingen heeft het Gerecht in de punten 63, 65 en 71 tot en met 73 van het bestreden arrest als enig criterium voor de werkingssfeer van het recht om te worden gehoord de nadelige gevolgen van de betrokken maatregel in aanmerking genomen. De onjuiste rechtsopvatting is des te flagranter omdat uit de punten 69 en 72 van dat arrest blijkt dat de litigieuze verordening geen „individuele maatregel” is.

33 De aldus door het Gerecht gegeven uitlegging van het recht om te worden gehoord zou ongunstige effecten hebben, aangezien tal van handelingen van algemene strekking voor marktdeelnemers en consumenten bezwarend kunnen zijn. Zij houdt in dat al deze handelingen een individueel recht om te worden gehoord zouden doen ontstaan. Dit zou leiden tot praktische problemen, rechtsonzekerheid en mogelijke schendingen van het beginsel van gelijke behandeling. Het is immers onmogelijk om op billijke wijze maatregelen van algemene strekking vast te stellen indien de instellingen van de Unie rekening zouden moeten houden met de persoonlijke situatie van eenieder die nadelige gevolgen kan ondervinden.

34 Volgens de Commissie zijn handelingen van algemene strekking normaal gesproken dan ook onderworpen aan een andere vaststellingsprocedure, zoals die van artikel 9 van verordening nr. 654/2014, waarbij alle belanghebbenden worden uitgenodigd hun standpunt kenbaar te maken, zonder dat sommige van hen individueel worden geïdentificeerd en geraadpleegd.

35 Met het tweede onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening, waarmee wordt opgekomen tegen de punten 73 tot en met 77, 91 en 92 van het bestreden arrest, betoogt de Commissie dat, zelfs indien het Gerecht zou hebben onderzocht of de litigieuze verordening een „individuele maatregel” vormde en dit zou hebben bevestigd, dit zou neerkomen op een onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest.

36 In de eerste plaats blijkt uit de vaststellingen in de punten 74 tot en met 77, 91 en 92 van het bestreden arrest niet dat de procedure tot vaststelling van de litigieuze verordening is ingeleid tegen verzoeksters in eerste aanleg, noch dat zij de adressaten van die verordening waren. Het Gerecht heeft in de punten 69 en 72 van dat arrest immers uitdrukkelijk erkend dat die verordening een handeling van algemene strekking was.

37 Uit de doelstellingen van verordening nr. 654/2014 volgt overigens duidelijk dat alle maatregelen die krachtens deze verordening kunnen worden genomen, zoals de litigieuze verordening, maatregelen van algemene strekking zijn die de handel in bepaalde producten regelen. In het licht van artikel 1 van verordening nr. 654/2014 hebben deze doelstellingen algemeen betrekking op de bescherming van de belangen van de Unie ten aanzien van derde landen. Noch die doelstellingen, noch enige andere bepaling van deze verordening verlangen dat rekening wordt gehouden met de persoonlijke situatie of het gedrag van buitenlandse marktdeelnemers.

38 Bovendien kan een maatregel niet als „individueel” worden aangemerkt op de enkele grond dat de instantie waardoor deze is vastgesteld een persoon kan identificeren of kennen wiens belangen ongunstig kunnen worden beïnvloed door de vaststelling van die maatregel. In de praktijk is de Commissie bij de voorbereiding van de vaststelling van een maatregel zoals de litigieuze verordening noodzakelijkerwijs op de hoogte van de context van de markt, van de betrokken producten en kent zij minstens enkele van de voornaamste betrokken exporteurs en producenten. Er is echter geen voorzienbare manier om onderscheid te maken tussen de betrokken marktdeelnemers die een individueel recht om te worden gehoord verdienen en degenen die dat niet verdienen. De benadering van het Gerecht maakt het voor de Commissie dus praktisch onmogelijk om zowel te voldoen aan de vereisten van het recht om te worden gehoord als aan het beginsel van gelijke behandeling.

39 In de tweede plaats betoogt de Commissie dat indien het bestreden arrest aldus zou moeten worden uitgelegd dat het Gerecht een uitzondering in het leven heeft geroepen op het beginsel dat het recht om te worden gehoord geen toepassing vindt op maatregelen van algemene strekking, het eveneens doet blijken van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie duldt immers geen enkele uitzondering op dit beginsel. De omstandigheid dat een marktdeelnemer bevoegd is om tegen een handeling van algemene strekking op te komen wanneer hij individueel en rechtstreeks wordt geraakt, verleent hem niet ook het recht om vóór de vaststelling van die handeling te worden gehoord. Het gaat immers om verschillende rechtsvragen.

40 ZMC en Zippo GmbH brengen daartegen in dat het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening „niet ter zake dienend, zonder gevolg en/of ongegrond” zijn.

41 Wat het eerste onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening betreft, zijn ZMC en Zippo GmbH in de eerste plaats in essentie van mening dat de Commissie niet enerzijds kan stellen dat de analyse van de individuele geraaktheid in het stadium van de ontvankelijkheid de algemene strekking van de litigieuze verordening bevestigt, terwijl zij anderzijds betoogt dat de vaststelling van een dergelijke geraaktheid en de vaststelling dat de betrokken maatregel individueel is in de zin van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest, twee verschillende rechtsvragen zijn.

42 In de tweede plaats betwisten ZMC en Zippo GmbH de stelling van de Commissie dat de litigieuze verordening een maatregel van algemene strekking is. Die stelling is gebaseerd op een zuiver formeel en onjuist criterium. Of er sprake is van een individuele maatregel moet per geval worden beoordeeld aan de hand van de betrokken feitelijke en juridische gegevens. Terwijl een maatregel van algemene strekking op objectieve gronden is gebaseerd zonder dat exporteurs in het vizier worden genomen, heeft de Commissie in casu de producten van het merk Zippo geïdentificeerd en zich daarop gericht.

43 In de derde plaats heeft het Gerecht weliswaar niet systematisch het bijvoeglijk naamwoord „individueel” of de term „individuele maatregel” gebruikt, maar heeft het in punt 61 van het bestreden arrest wel degelijk in herinnering gebracht dat artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van toepassing is op „individuele maatregelen”. Evenzo heeft het bijvoorbeeld in punt 74 van dat arrest de twee afzonderlijke voorwaarden van deze bepaling, te weten het bestaan van een individuele maatregel en de nadelige gevolgen ervan voor de belangen van de betrokkene, erkend en toegepast. Aangezien de litigieuze verordening in casu op de producten van ZMC is gericht, vormt zij een individuele maatregel.

44 In de vierde plaats betogen ZMC en Zippo GmbH dat uit de door de Commissie aangehaalde rechtspraak geen conclusies kunnen worden getrokken voor de onderhavige zaak. Geen van de aangehaalde precedenten, die betrekking hebben op handelingen die zijn vastgesteld na afloop van een procedure die niet tegen een persoon was ingeleid, of op wetgevingshandelingen, betreft een situatie waarin een instelling van de Unie één enkele marktdeelnemer en zijn producten heeft aangewezen als adressaat van een specifieke handeling en een bepaalde individuele maatregel.

45 Ten slotte kan de Commissie zich niet beroepen op de praktische moeilijkheden en de nadelige gevolgen van de uitlegging die door het Gerecht is gegeven om schending van de grondrechten te ontkennen. Overigens zou zij deze gevolgen gemakkelijk kunnen vermijden, indien zij in de procedure tot vaststelling van een verordening niet „opzettelijk een doelwit zou kiezen”.

46 Wat het tweede onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening betreft, betogen ZMC en Zippo GmbH in de eerste plaats dat het Gerecht heeft vastgesteld dat er sprake was van een individuele maatregel, aangezien de Commissie niet alleen wist wie verzoeksters in eerste aanleg waren, maar ook op eigen initiatief de producten van het merk Zippo heeft gekozen als producten waarvoor de evenwichtsherstellende maatregelen golden, en zich op die producten heeft gericht.

47 In de tweede plaats berust de stelling dat de litigieuze verordening niet is vastgesteld na afloop van een individuele procedure tegen verzoeksters in eerste aanleg, op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Uit de in punt 72 van dat arrest gebruikte woorden „ook al” blijkt dat het Gerecht van oordeel was dat deze procedurele omstandigheid irrelevant was.

48 In de derde plaats vereisen de algemene doelstellingen van verordening nr. 654/2014 weliswaar niet dat rekening wordt gehouden met individuele omstandigheden, maar blijft het een feit dat het Gerecht heeft vastgesteld dat de Commissie rekening had gehouden met de individuele situatie van verzoeksters in eerste aanleg.

49 In de vierde plaats merken ZMC en Zippo GmbH met betrekking tot het betoog van de Commissie inzake de algemene aard van verordening nr. 654/2014 op dat deze verordening uitsluitend betrekking heeft op de toepassing van compenserende maatregelen tegen ingevoerde producten. De Commissie heeft daarentegen erkend dat de litigieuze verordening, anders dan de oorspronkelijke maatregelen van 2018, is vastgesteld om rekening te houden met een relatief geringe verruiming van de definitie van de producten waarop Amerikaanse rechten van toepassing zijn. Dit beperkt volgens hen de beoordelingsmarge van de Commissie. Deze marge staat haar niet toe om, om subjectieve redenen, een product te kiezen dat geen enkel verband houdt met de producten van de Unie die negatieve gevolgen ondervinden van de maatregelen van de Verenigde Staten van Amerika.

50 In de vijfde plaats voegen ZMC en Zippo GmbH hieraan toe dat de stelling van de Commissie dat er geen voorzienbare manier is om een onderscheid te maken tussen de betrokken marktdeelnemers die een individueel recht om te worden gehoord verdienen en degenen die dat niet verdienen, slechts een „theoretisch argument” is, aangezien in casu wel degelijk een identificatie heeft plaatsgevonden.

– Beoordeling door het Hof

51 Met het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening verwijt de Commissie het Gerecht in wezen dat het blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de uitlegging en de toepassing van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest. Ten eerste stelt deze instelling dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat het in die bepaling neergelegde recht om te worden gehoord van toepassing is op maatregelen van algemene strekking, zoals de litigieuze verordening, wanneer zij een nadelig effect hebben op de belangen van de betrokkene. Ten tweede betoogt de Commissie dat, gesteld al dat het Gerecht die verordening als een individuele maatregel heeft aangemerkt, deze vaststelling onjuist is.

52 Om over deze onderdelen uitspraak te kunnen doen, moet in de eerste plaats de werkingssfeer van het recht om te worden gehoord worden bepaald.

53 Volgens artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest behelst het recht op behoorlijk bestuur met name het recht van eenieder om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen.

54 Gelet op de bewoordingen van deze bepaling geldt het daarin neergelegde recht van eenieder om te worden gehoord in elke procedure tot vaststelling van een individuele maatregel jegens een persoon die voor deze persoon nadelig is.

55 Deze bepaling ziet daarentegen niet op de totstandkoming van handelingen van algemene strekking. Zij is dus niet van toepassing wanneer iemand meent te worden geraakt door een handeling van algemene strekking (zie in die zin, arresten van 17 maart 2011, AJD Tuna, C‑221/09, EU:C:2011:153, punt 49, en 22 juni 2023, Arysta LifeScience Great Britain/Commissie, C‑259/22 P, EU:C:2023:513, punt 50), te weten een handeling die van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en abstract aangewezen categorieën van personen (arresten van 6 oktober 1982, Alusuisse Italia/Raad en Commissie, 307/81, EU:C:1982:337, punt 9, en 17 maart 2011, AJD Tuna, C‑221/09, EU:C:2011:153, punt 51).

56 Deze lezing van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest vindt steun in de toelichtingen bij artikel 41 van het Handvest, die overeenkomstig artikel 6, lid 1, derde alinea, VEU en artikel 52, lid 7, van het Handvest bij de uitlegging ervan in aanmerking moeten worden genomen (zie in die zin arrest van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wat betreft het recht om te worden gehoord, wordt in deze toelichtingen immers gepreciseerd dat de formulering van dit recht voortvloeit uit de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie.

57 Volgens vaste rechtspraak is het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging in iedere procedure die tegen een persoon wordt ingeleid en die tot een bezwarend besluit kan leiden, een algemeen beginsel van het Unierecht dat zelfs bij gebreke van een specifieke regeling ter zake van toepassing is. Dit beginsel vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk beïnvloeden, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over hetgeen als grond voor die besluiten tegen hen wordt ingebracht (zie in die zin arresten van 12 februari 1992, Nederland e.a./Commissie, C‑48/90 en C‑66/90, EU:C:1992:63, punt 44; 24 oktober 1996, Commissie/Lisrestal e.a., C‑32/95 P, EU:C:1996:402, punt 21; 14 juni 2016, Marchiani/Parlement, C‑566/14 P, EU:C:2016:437, punt 51, en 22 juni 2023, Arysta LifeScience Great Britain/Commissie, C‑259/22 P, EU:C:2023:513, punt 47).

58 Bovendien heeft het recht om te worden gehoord een tweeledig doel. Ten eerste wordt het gebruikt om het dossier te onderzoeken en om de feiten zo nauwkeurig en correct mogelijk vast te stellen, en ten tweede maakt het recht het mogelijk om een effectieve bescherming van de betrokkene te waarborgen. Het recht om te worden gehoord beoogt in het bijzonder te waarborgen dat elk bezwarend besluit met volledige kennis van zaken wordt genomen, en heeft met name tot doel de bevoegde autoriteit in staat te stellen een vergissing te corrigeren, of de betrokkene gelegenheid te bieden omstandigheden betreffende zijn persoonlijke situatie aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten (arrest van 4 juni 2020, EDEO/De Loecker, C‑187/19 P, EU:C:2020:444, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 Het algemene beginsel van het recht om te worden gehoord is dus niet van toepassing op handelingen van algemene strekking (zie in die zin arrest van 14 oktober 1999, Atlanta/Europese Gemeenschap, C‑104/97 P, EU:C:1999:498, punten 35‑37).

60 Dit ligt echter anders indien een uitdrukkelijke bepaling van het rechtskader voor de vaststelling van de betrokken handeling een dergelijk procedureel recht toekent aan een getroffen persoon. Het staat de Uniewetgever immers vrij om voor personen die worden geacht te zijn getroffen door een handeling van algemene strekking, te voorzien in een recht om te worden gehoord, geraadpleegd of geïnformeerd en om de uitoefening ervan te regelen, ook al verplicht noch artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest, noch het algemene beginsel van eerbiediging van het recht om te worden gehoord hem daartoe (zie in die zin arrest van 22 juni 2023, Arysta LifeScience Great Britain/Commissie, C‑259/22 P, EU:C:2023:513, punt 51).

61 Uit deze overwegingen volgt dat, zoals de Commissie terecht aanvoert, het recht om te worden gehoord in de zin van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest in beginsel niet van toepassing is wanneer een persoon ongunstige gevolgen ondervindt van een handeling van algemene strekking.

62 In het licht van de voorgaande overwegingen moet in de tweede plaats worden onderzocht of de beoordelingen van het Gerecht in de punten 63, 65, 69, 71 tot en met 77, 91 en 92 van het bestreden arrest gegrond zijn.

63 In dat arrest heeft het Gerecht ten eerste in de punten 66 en 67 ervan, die in hogere voorziening niet worden betwist, in wezen vastgesteld dat verordening nr. 654/2014, op grond waarvan de litigieuze verordening is vastgesteld, ondernemingen waarvan de producten onderworpen zijn aan evenwichtsherstellende maatregelen geen recht verleent om te worden gehoord.

64 Ten tweede heeft het Gerecht in de punten 68 en 69 van het bestreden arrest opgemerkt dat de ondernemingen die producten uitvoeren waarop de evenwichtsherstellende maatregelen van een op basis van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 654/2014 vastgestelde verordening van toepassing zijn, niet de adressaten zijn van die maatregelen, die tot doel hebben het evenwicht van concessies in de handelsbetrekkingen met de Verenigde Staten van Amerika te herstellen. In de punten 70 en 71 van dat arrest heeft het evenwel geoordeeld dat de evenwichtsherstellende maatregelen die bij de litigieuze verordening zijn ingevoerd in casu bedoeld waren om negatieve economische gevolgen teweeg te brengen voor de activiteiten van die ondernemingen.

65 Het Gerecht heeft daaruit in de punten 72 en 73 van het bestreden arrest afgeleid dat een evenwichtsherstellende maatregel waarin wordt voorzien bij een op basis van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 654/2014 vastgestelde uitvoeringshandeling, zelfs indien die niet wordt genomen na afloop van een individuele procedure tegen die ondernemingen, een maatregel kan vormen die hun belangen mogelijk ongunstig beïnvloedt, zodat niet valt uit te sluiten dat die ondernemingen zich kunnen beroepen op het recht om te worden gehoord op grond van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest.

66 In die context heeft het Gerecht in punt 74 van het bestreden arrest geoordeeld dat wanneer de Commissie er in de loop van de procedure tot vaststelling van een uitvoeringshandeling op grond van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 654/2014 toe wordt gebracht om een natuurlijke of rechtspersoon te identificeren waarvan de belangen ongunstig kunnen worden beïnvloed door de maatregelen waarin die handeling voorziet, deze persoon de omstandigheden betreffende zijn persoonlijke situatie moet kunnen aanvoeren die ervoor pleiten dat die handeling wordt vastgesteld, niet wordt vastgesteld of in een bepaalde zin wordt vastgesteld.

67 Ten derde heeft het Gerecht in casu in de punten 75 en 76 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie de producten van verzoeksters in eerste aanleg had aangewezen als de producten waarop de bij de litigieuze verordening beoogde maatregelen toepassing zouden vinden en dat zij wist dat deze maatregelen voornamelijk hen zouden raken. In punt 77 van dat arrest heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat verzoeksters in eerste aanleg in die omstandigheden het recht hadden om in de procedure tot vaststelling van die verordening te worden gehoord.

68 Met deze redenering geeft het Gerecht blijk van twee onjuiste rechtsopvattingen.

69 Ten eerste heeft het Gerecht een onjuist juridisch criterium gehanteerd en de werkingssfeer van het in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest neergelegde recht om te worden gehoord onjuist uitgelegd door in het bijzonder in de punten 71 tot en met 74 van het bestreden arrest te oordelen dat personen die worden geraakt door de maatregelen waarin een handeling van algemene strekking voorziet, zich kunnen beroepen op een recht om te worden gehoord wanneer die handeling negatieve gevolgen heeft voor hun belangen. Zoals blijkt uit deze bepaling en uit de in de punten 53 tot en met 62 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, is dit recht immers niet van toepassing op handelingen van algemene strekking, ook niet wanneer deze nadelig zijn voor de belangen van bepaalde personen.

70 Ten tweede heeft het Gerecht ook een juridische fout gemaakt door dit onjuiste juridische criterium toe te passen op het onderhavige geval. Het Gerecht heeft de litigieuze verordening weliswaar niet uitdrukkelijk als een handeling van algemene strekking of als een individuele maatregel aangemerkt, maar uit zijn beoordelingen in de punten 68, 69 en 72 van dat arrest blijkt voldoende duidelijk dat het die verordening heeft opgevat als een handeling van algemene strekking. In die omstandigheden kon het Gerecht niet zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting in de punten 75 tot en met 77 van dat arrest oordelen dat verzoeksters in eerste aanleg in de procedure tot vaststelling van de litigieuze verordening in wezen het recht hadden om te worden gehoord omdat de Commissie tijdens die procedure hun producten had aangewezen als de producten waarop de bij die verordening beoogde evenwichtsherstellende maatregelen toepassing zouden vinden.

71 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de argumenten van ZMC en Zippo GmbH.

72 Ten eerste zijn ZMC en Zippo GmbH van mening dat de litigieuze verordening niet kan worden aangemerkt als een handeling van algemene strekking, aangezien de Commissie in de procedure die tot de vaststelling ervan heeft geleid, hun producten heeft aangewezen en zich daarop heeft gericht, en een dergelijke kwalificatie in tegenspraak is met de beoordeling die het Gerecht van hun individuele en rechtstreekse geraaktheid heeft gemaakt.

73 In dit verband moet worden vastgesteld dat de litigieuze verordening in artikel 1, lid 2, ervan op algemene en abstracte wijze, in de zin van de in punt 55 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, de producten omschrijft waarop het daarbij ingevoerde aanvullende ad-valoremrecht van 20 % van toepassing is, te weten de producten van GN-code 96138000. Bovendien moet worden opgemerkt dat deze verordening overeenkomstig artikel 3, onder c), en artikel 4, lid 1, van verordening nr. 654/2014, op basis waarvan zij is vastgesteld, beoogt het evenwicht van concessies in de handelsbetrekkingen met de Verenigde Staten van Amerika te herstellen en dat zij niet is vastgesteld na afloop van een procedure die is ingeleid tegen verzoeksters in eerste aanleg, die er niet de adressaten van zijn. In die omstandigheden moet, zoals de advocaat-generaal in de punten 71 en 72 van haar conclusie heeft opgemerkt, worden geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de Commissie bepaalde rechtspersonen had geïdentificeerd waarop dit ad-valoremrecht grotendeels van toepassing zou zijn, niet van dien aard is dat de litigieuze verordening een individuele maatregel in de zin van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest wordt.

74 Wat voorts het betoog betreft dat verzoeksters in eerste aanleg individueel en rechtstreeks worden geraakt door de litigieuze verordening, zij eraan herinnerd dat het feit dat een persoon individueel en rechtstreeks wordt geraakt door een handeling van algemene strekking, hem niet het recht kan verlenen om vóór de vaststelling van een dergelijke handeling te worden gehoord (zie in die zin arrest van 14 oktober 1999, Atlanta/Europese Gemeenschap, C‑104/97 P, EU:C:1999:498, punten 34 en 35). De procesbevoegdheid op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU en het recht om te worden gehoord op grond van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest zijn immers twee verschillende rechtsvragen die, zoals blijkt uit punt 78 van de conclusie van de advocaat-generaal, verschillende doelstellingen nastreven.

75 Ten tweede is de stelling van ZMC en Zippo GmbH dat het Gerecht heeft vastgesteld dat er sprake was van een tegen hen vastgestelde individuele maatregel, gebaseerd op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, zoals blijkt uit punt 70 van het onderhavige arrest.

76 Ten derde heeft het betoog inzake de beoordelingsmarge van de Commissie bij de keuze van de producten waarop de maatregelen van de litigieuze verordening van toepassing zijn, betrekking op de beoordeling van de gegrondheid van die maatregelen. Dat betoog is daarentegen irrelevant voor het bestaan van een recht van ZMC en Zippo GmbH om te worden gehoord.

77 Gelet op een en ander moeten het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening worden aanvaard.

Derde onderdeel

– Argumenten van partijen

78 Met het derde onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening betoogt de Commissie dat het Gerecht, in het geval dat verzoeksters in eerste aanleg het recht zouden hebben gehad om tijdens de procedure tot vaststelling van de litigieuze verordening te worden gehoord, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat dit recht hun niet is toegekend via de openbare raadpleging die zij overeenkomstig artikel 9, lid 1, van verordening nr. 654/2014 heeft gehouden.

79 ZMC en Zippo GmbH stellen dat dit onderdeel niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

80 Het derde onderdeel van het eerste middel is subsidiair geformuleerd voor het geval dat het Hof zou oordelen dat het Gerecht op goede gronden heeft geoordeeld dat verzoeksters in eerste aanleg het recht hadden om te worden gehoord tijdens de procedure tot vaststelling van de litigieuze verordening. Uit de analyse van het eerste en het tweede onderdeel van dit middel volgt echter dat dit niet zo is.

81 Bijgevolg moet het derde onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening irrelevant worden verklaard, zonder dat de ontvankelijkheid ervan hoeft te worden beoordeeld.

82 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat het eerste middel in hogere voorziening moeten worden aanvaard wat de eerste twee onderdelen ervan betreft en voor het overige moet worden afgewezen. In dit verband volstaan de onjuiste rechtsopvattingen die bij het onderzoek van deze onderdelen zijn vastgesteld om het bestreden arrest te vernietigen.

83 Met het oog op een goede rechtsbedeling acht het Hof het niettemin passend om ook het tweede middel in hogere voorziening te onderzoeken.

Tweede middel

Argumenten van partijen

84 Met haar tweede middel in hogere voorziening betoogt de Commissie dat het Gerecht het beginsel ne ultra petita heeft geschonden. Zij wijst erop dat het Gerecht, zoals blijkt uit punt 92 van het bestreden arrest, de litigieuze verordening nietig heeft verklaard „voor zover zij betrekking heeft op de producten van GN-code 96138000”, terwijl het beroep enkel strekte tot nietigverklaring van deze verordening voor zover zij van toepassing was op verzoeksters in eerste aanleg. Het Gerecht heeft volgens haar dus ultra petita beslist.

85 ZMC en Zippo GmbH zijn van mening dat het tweede middel in hogere voorziening „niet ter zake dienend of zonder gevolg” moet worden verklaard.

86 Zij betogen dat de nietigverklaring van de litigieuze verordening voor zover zij betrekking heeft op de onder GN-code 96138000 vallende producten van oorsprong uit de Verenigde Staten, neerkomt op de nietigverklaring van deze verordening voor zover zij betrekking heeft op hun producten, gelet op de vaststellingen die door het Gerecht zijn gedaan in de punten 27 en 29 van het bestreden arrest. In het bijzonder blijkt uit dit punt 29 dat ZMC de enige producent van onder deze code vallende producten is die deze producten ook vanuit de Verenigde Staten naar de Unie exporteert. Bijgevolg is het hoogst onwaarschijnlijk of zelfs uitgesloten dat aanstekers van oorsprong uit de Verenigde Staten die door andere Amerikaanse ondernemingen zijn geproduceerd door die verordening werden geraakt. Hoe dan ook zou het daarbij slechts gaan om schade die is ontstaan als neveneffect van het feit dat de Commissie zich op de producten van verzoeksters in eerste aanleg had gericht.

Beoordeling door het Hof

87 Zoals het Hof reeds meermaals heeft geoordeeld, mag de rechter die de rechtmatigheid van een handeling toetst niet ultra petita beslissen, zodat de nietigverklaring die hij uitspreekt niet verder kan gaan dan wat de verzoeker vordert (arresten van 14 september 1999, Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a., C‑310/97 P, EU:C:1999:407, punt 52, en 14 november 2017, British Airways/Commissie, C‑122/16 P, EU:C:2017:861, punt 81).

88 In casu blijkt ondubbelzinnig uit het verzoekschrift in eerste aanleg dat, zoals het Gerecht zelf in punt 14 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, verzoeksters in eerste aanleg hebben verzocht om nietigverklaring van de litigieuze verordening en in het bijzonder van artikel 1, lid 2, onder a), en artikel 2 ervan voor zover deze op hen van toepassing zijn.

89 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht de litigieuze verordening nietig verklaard „voor zover zij betrekking heeft de op producten van GN-code 96138000”.

90 Waar deze verordening de onder deze code vallende producten identificeert, definieert zij in abstracte en objectieve bewoordingen een categorie producten waarvoor het daarbij opgelegde aanvullende ad-valoremrecht geldt, zoals in punt 73 van het onderhavige arrest is uiteengezet. Deze verordening kan dus toepassing vinden op deze producten ongeacht de identiteit van de betrokken producenten, exporteurs en importeurs.

91 Hieruit volgt dat het Gerecht, door de litigieuze verordening nietig te verklaren voor zover zij betrekking heeft op de producten van die code, de grenzen van de conclusies van verzoeksters in eerste aanleg heeft overschreden. In dit verband is de omstandigheid dat ZMC de enige producent/exporteur is van producten die onder die code vallen, gesteld al dat dit is aangetoond, hoe dan ook irrelevant.

92 In die omstandigheden moet het tweede middel in hogere voorziening worden aanvaard.

93 Gelet op de conclusies in de punten 82 en 92 hierboven, moet de hogere voorziening worden toegewezen en moet het bestreden arrest derhalve worden vernietigd voor zover het Gerecht daarbij de litigieuze verordening nietig heeft verklaard voor de producten die onder GN-code 96138000 vallen, en uitspraak heeft gedaan over de kosten.

Beroep bij het Gerecht

94 Wanneer de beslissing van het Gerecht wordt vernietigd, mag het Hof op grond van artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.

95 In casu moet om te beginnen worden opgemerkt dat het bestreden arrest, zoals blijkt uit punt 93 van het onderhavige arrest, in wezen slechts wordt vernietigd voor zover het beroep in eerste aanleg daarbij is toegewezen. Tegen de beslissing waarbij het Gerecht een einde heeft gemaakt aan een procesincident door de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen die de Commissie bij afzonderlijke akte had opgeworpen, is daarentegen geen hogere voorziening ingesteld. Deze beslissing, die in dat arrest is vervat (zie in die zin arrest van 26 februari 2002, Raad/Boehringer, C‑23/00 P, EU:C:2002:118, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak), heeft dus gezag van gewijsde, ook al is dat arrest gedeeltelijk vernietigd [zie naar analogie arresten van 4 maart 2021, Commissie/Fútbol Club Barcelona, C‑362/19 P, EU:C:2021:169, punten 109 en 110, en 5 september 2024, Commissie/Tsjechië (Zakaanstekers), C‑494/22 P, EU:C:2024:684, punten 155 en 156].

96 Ten gronde zij opgemerkt dat ZMC en Zippo GMBH ter ondersteuning van hun beroep tot nietigverklaring vijf middelen aanvoeren. Het eerste is gebaseerd op schending van het evenredigheidsbeginsel, het tweede op schending van de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling, het derde op schending van de motiveringsplicht, het vierde op schending van de krachtens het WTO-recht op de Unie rustende verplichtingen en het vijfde op schending van het beginsel van behoorlijk bestuur.

97 Met name gelet op de omstandigheid dat over dit vijfde middel een contradictoir debat is gevoerd voor het Gerecht en dat voor het onderzoek ervan geen aanvullende maatregelen tot organisatie van de procesgang of van instructie van het dossier nodig zijn, is het Hof van oordeel dat het beroep in zaak T‑402/20 wat dit vijfde middel betreft in staat van wijzen is en dat daarover definitief uitspraak moet worden gedaan (zie in die zin arrest van 8 september 2020, Commissie en Raad/Carreras Sequeros e.a., C‑119/19 P en C‑126/19 P, EU:C:2020:676, punt 130).

98 In het kader van datzelfde vijfde middel betwisten ZMC en Zippo GmbH ten eerste de procedure van informatiegaring die door de Commissie overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 654/2014 is gevoerd, en stellen zij ten tweede in wezen dat hun recht om te worden gehoord is geschonden.

99 Wat de argumenten ter betwisting van de procedure van informatiegaring betreft, sluit het Hof zich aan bij de vaststellingen die het Gerecht dienaangaande in de punten 53 tot en met 58 van het bestreden arrest heeft gedaan, aangezien partijen in dat verband geen specifieke bezwaren hebben geopperd.

100 Wat de argumenten betreft die in wezen zijn ontleend aan schending van het recht van ZMC en Zippo GmbH om te worden gehoord, volgt uit de punten 53 tot en met 61, 69, 70 en 73 van het onderhavige arrest dat de litigieuze verordening een handeling van algemene strekking is, zodat zij zich niet op een recht om te worden gehoord kunnen beroepen bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling van verordening nr. 654/2014 die hun een dergelijk procedureel recht verleent.

101 Om deze redenen moet het vijfde middel van het beroep in eerste aanleg in zijn geheel ongegrond worden verklaard.

102 De zaak is daarentegen niet in staat van wijzen wat de eerste vier middelen van het beroep in eerste aanleg betreft.

103 Zoals blijkt uit punt 92 van het bestreden arrest, was het Gerecht immers van oordeel dat, aangezien het vijfde middel van dit beroep was aanvaard, de andere middelen niet hoefden te worden onderzocht en geen uitspraak hoefde te worden gedaan over de ontvankelijkheid van bepaalde bewijzen die door verzoeksters in eerste aanleg waren overgelegd. Die andere middelen impliceren in voorkomend geval ingewikkelde feitelijke beoordelingen, waarvoor het Hof van oordeel is dat het niet over alle noodzakelijke feitelijke gegevens beschikt.

104 Bijgevolg moet de zaak worden terugverwezen naar het Gerecht voor een uitspraak over de eerste vier middelen ter ondersteuning van het beroep in zaak T‑402/20.

Kosten

105 Daar de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten te worden aangehouden.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart:

1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 18 oktober 2023, Zippo Manufacturing e.a./Commissie (T‑402/20, EU:T:2023:640), wordt vernietigd voor zover het Gerecht daarbij uitvoeringsverordening (EU) 2020/502 van de Commissie van 6 april 2020 betreffende bepaalde handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika nietig heeft verklaard voor de producten die vallen onder postonderverdeling 96138000 van de gecombineerde nomenclatuur die is ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, en uitspraak heeft gedaan over de kosten.

2) De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie voor een uitspraak over de eerste vier middelen die tot staving van het beroep in zaak T‑402/20 zijn aangevoerd.

3) De kosten worden aangehouden.

Handtekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken