Art. 8.4.19 Wetboek van Strafvordering
1. Voor zover het toepasselijke verdrag daarin voorziet, kan, in gevallen waarin de bevoegdheid tot strafvervolging pas ontstaat door de overname van de strafvervolging, de verdachte of de veroordeelde op wie het verzoek tot strafvervolging betrekking heeft al voordat op dat verzoek is beslist met overeenkomstige toepassing van de daarop betrekking hebbende bepalingen uit Boek 1 en Boek 2 worden aangehouden, worden opgehouden voor onderzoek, in verzekering worden gesteld en in voorlopige hechtenis worden genomen.
2. Op de voorwerpen die de aangehouden persoon met zich voert, is artikel 2.7.7 van overeenkomstige toepassing. De aangehouden persoon kan met overeenkomstige toepassing van de artikelen 2.6.6 en 2.6.7 aan kleding en lichaam worden onderzocht voor zover dat nodig is voor de vaststelling van zijn identiteit of de inbeslagneming van meegevoerde voorwerpen.