Art. 7.6.9 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. Indien bij het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders niet is beslist tot een tussentijdse beoordeling, dan wel is beslist tot een tussentijdse beoordeling een jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging, kan de veroordeelde vanaf zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging de rechtbank verzoeken om een tussentijdse beoordeling. De veroordeelde kan ook verzoeken om een tussentijdse beoordeling vanaf zes maanden na het onherroepelijk worden van de beslissing op een eerder verzoek.

2. De officier van justitie stelt de rechtbank in kennis over de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Bij de kennisgeving is gevoegd een bericht van de directeur van de inrichting over de stand van de uitvoering van het verblijfsplan van de veroordeelde.

3. Indien de rechtbank beslist dat voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel niet langer is vereist, beëindigt zij deze met ingang van een door haar te bepalen tijdstip. De maatregel blijft van kracht zolang de beslissing niet onherroepelijk is.

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen