Art. 7.5.17 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. In het belang van het onderzoek naar het vermogen kan uitoefening worden gegeven aan de bevoegdheden in de artikelen 2.7.46, 2.7.47, 2.7.49, 2.7.52, 2.8.7, 2.8.9, 2.8.13, 6.5.9, 8.2.6 en 8.2.7, met dien verstande dat:

a. de in de desbetreffende artikelen gestelde criteria ten aanzien van de verdenking geen toepassing vinden;

b. een bevoegdheid die op grond van het desbetreffende artikel alleen kan worden uitgeoefend na een machtiging van de rechter-commissaris, slechts wordt uitgeoefend na een zodanige machtiging;

c. een bevel medewerking te verlenen aan het verkrijgen van toegang tot versleutelde gegevens niet wordt gericht tot de veroordeelde.

2. Indien de in het eerste lid genoemde artikelen de desbetreffende bevoegdheid toekennen aan een opsporingsambtenaar, komt die bevoegdheid toe aan een ambtenaar, genoemd in artikel 1.10.8, eerste lid. De officier van justitie kan de ambtenaar bevelen geven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid.

Verwijst naar

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen