Art. 11 IVESCR, Onderzoeksprocedure
Facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR)
1. Een staat die partij is bij dit Protocol kan te allen tijde verklaren de in dit artikel voorziene bevoegdheid van het Comité te erkennen.
2. Indien het Comité betrouwbare inlichtingen ontvangt die wijzen op ernstige of systematische schendingen door een staat die partij is van een van de economische, sociale en culturele rechten omschreven in het Verdrag, nodigt het Comité die staat die partij is uit mee te werken aan het onderzoek van de inlichtingen en daartoe opmerkingen in te dienen aangaande de betrokken inlichtingen.
3. Rekening houdend met eventuele opmerkingen die zijn ingediend door de betrokken staat die partij is, alsmede met andere betrouwbare inlichtingen waarover het beschikt, kan het Comité een of meer van zijn leden aanwijzen om een onderzoek uit te voeren en spoedig verslag uit te brengen aan het Comité. Indien gerechtvaardigd en met de instemming van de staat die partij is, kan het onderzoek een bezoek aan zijn grondgebied omvatten.
4. Een dergelijk onderzoek wordt op basis van vertrouwelijkheid uitgevoerd en de staat die partij is, wordt in alle fasen van de procedure verzocht om medewerking.
5. Na bestudering van de uitkomsten van een dergelijk onderzoek, zendt het Comité deze uitkomsten toe aan de betrokken staat die partij is, vergezeld van eventuele commentaren en aanbevelingen.
6. De betrokken staat die partij is, dient binnen zes maanden na ontvangst van de door het Comité toegezonden uitkomsten, commentaren en aanbevelingen, zijn opmerkingen in bij het Comité.
7. Zodra de procedure met betrekking tot een onderzoek dat is verricht in overeenstemming met het tweede lid van dit artikel is voltooid, kan het Comité, na overleg met de betrokken staat die partij is, besluiten een kort verslag van de uitkomsten van de procedure op te nemen in zijn jaarverslag dat voorzien is in artikel 15 van dit Protocol.
8. Een staat die partij is en een verklaring heeft afgelegd in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door de Secretaris-Generaal hiervan in kennis te stellen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CRvB 10 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2086
- Rb. Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715
- CRvB 22 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8776
- ABRvS 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:286
- ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1087
- Hof Den Haag 19 maart 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:363
- ABRvS 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2794
- ABRvS 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9680
- Hof Den Haag 1 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:652
- CRvB 22 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8789
- ABRvS 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2210
- Rb. Midden-Nederland 4 oktober 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:4752
- Rb. Den Haag 23 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:1613
- Rb. Den Haag 12 augustus 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:10154
- Conclusie A-G van Peursem 24 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:232
- CRvB 11 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM6748
- CRvB 11 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9325
- ABRvS 19 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4289
- Rb. Zeeland-West-Brabant 28 december 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:9226
- Rb. Zeeland-West-Brabant 13 december 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:6337